CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bestemmingsplan Wilhelminakade 83, toelichting en regels

Commissie Ruimte + Infrastructuur 24 mei 2023, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Wilhelminakade 8329.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De spots met zeer sterke metalenverontreiniging (>10 x Interventiewaarde) bij de boringen 18 en 35 zijn in voldoende mate afgeperkt (plaatselijk nog wel boven Interventiewaarde, maar ver onder de 10 x Interventiewaardeoverschrijding). De verontreinigingen met PCB's en Xylenen zijn nog niet in alle richtingen afgeperkt en hiervan kan nog niet worden bepaald of er ter hoogte van deze spots meer dan 25 m³ bodemvolume sterk verontreinigde grond aanwezig is. In de op asbest onderzochte grond- en puinlagen is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Wel dient opgemerkt te worden dat de puinhoudende bovengrond onder de aanwezige bebouwing nog niet op asbest is onderzocht. Aanbevelingen Op basis van de huidige onderzoeksresultaten wordt aanbevolen een saneringsplan uit te werken afgestemd op de beoogde inrichting. Eventueel nog benodigd extra aanvullend onderzoek dient hier te worden meegenomen waarbij de exacte invulling hiervan op de toekomstige inrichting en beoogde saneringswijze kan worden afgestemd. Bij het opstellen van het saneringsplan dient tevens rekening te worden gehouden met de onderzoeksresultaten van het door Bodex uitgevoerde onderzoek in 2021 en eventuele aanwezige verontreinigingen op deze terreindelen van de onderzoekslocatie.

Na sloop van de aanwezige bebouwing zal ter plaatse hiervan nog onderzoek naar asbest in de bodem dienen te worden uitgevoerd. Tot slot wordt voorgesteld de hergebruiksmogelijkheden van de grond in het depot waarop het asbesthoudend materiaal is aangetroffen te bepalen. Conclusie Op basis van het actualiserend en aanvullend bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoekslocatie is niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik. Voorafgaand aan het bouwrijpmaken van het terrein en aanvraag omgevingsvergunning zal in overleg met het bevoegd gezag een maatwerk saneringsplan of BUS-melding worden opgesteld. Het saneringsplan of de BUS-melding zal ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Initiatiefnemer zal voor de bodemsanering een budget reserveren. Na afronding van de sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig.

50

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 3 NO2 40 µg/m 200 µg/m3

PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

24-uursgemiddelde Opmerkingen n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. n.v.t. 3 50 µg/m 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek/ beoordeling Dit plan omvat de nieuwbouw van 21 tot maximaal 25 woningen.

Voor het plan is met behulp van de zogenaamde NIBM-tool berekend of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Nagegaan is wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Het middelzware en zware verkeer is hierbij als vrachtverkeer meegenomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling maximaal 200 extra auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 1,5% vrachtwagens. In tabel 6.4 is de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is dan ook niet nodig is.

Toelichting

51

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Tabel 6.4: Berekening maximale bijdrage luchtemissies van verkeersgeneratie.

Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool berust op een worst-case situatie: voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. De berekende toename aan luchtverontreinigende stoffen is hiermee als maximaal te beschouwen. In werkelijkheid is immers bijvoorbeeld geen sprake van enkel stagnerend verkeer, zoals wel als uitgangspunt gehanteerd wordt in de NIBM-tool. Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder nog de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Wilhelminakade. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden, zoals aangetoond in figuur 11. Hieruit blijkt dat dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 19,8 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,4 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,8 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³.

Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.

52

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Figuur 11: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2020.

De totale concentraties, inclusief deze planontwikkeling, bedragen: NO2: 19,8 + 0,12 = 19,92 µg/m³. PM10: 16,4 + 0,03 = 16,43 µg/m³. Hierbij wordt ook nog voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Tevens zullen de concentraties in de komende jaren verder afnemen. Ook als wordt voldaan aan de normen kan luchtkwaliteit significante effecten hebben op de gezondheid. In deze situatie ligt de concentratie PM10 nog onder de WHO advies waarden (20 µg/m³). Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse

Toelichting

53

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst.

Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water De Gouwe ligt op circa 35 meter van het plangebied. Op de Gouwe worden slechts transporten van dieselolie genoemd. In het Basisnet Water is de Gouwe als groene vaarweg aangemerkt. Dit betekent dat er geen GR verantwoording nodig is. Evenmin geldt hier een plasbrandaandachtsgebied. De Gouwe vormt derhalve geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor De spoorlijn Gouda/Alphen aan den Rijn ligt op een afstand van meer dan 430 meter van het plangebied.

Over deze lijn vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijn Utrecht - Rotterdam ligt op een afstand van meer dan 550 meter van het plangebied. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van het spoor is gelegen kan een verantwoording van het groepsrisico achterwege worden gelaten. Wel dient voor plannen op een grotere afstand dan 200 meter rekening te worden gehouden met het toxisch scenario. In verband met dit scenario moet de mechanische ventilatie in de woningen zodanig worden uitgevoerd dat deze met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld. Op die manier wordt voorkomen dat het toxisch gas naar binnen wordt gezogen. In de regels van het bestemmingsplan is dit opgenomen. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Provincialeweg N207 Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (een zone van 200 meter aan beide zijden) van de Henegouwerweg (N207). De afstand is circa 130 meter. is Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de weg zelf en geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde). Gezien de omvang van het plan zal het groepsrisico niet significant toenemen. Verdere maatregelen in het kader van externe veiligheid zijn niet nodig.

Rijksweg A12

54

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

De rijksweg A12 ligt op ruim 430 meter afstand van het plangebied. Over de A12 worden gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder toxische stoffen. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de A12 is gelegen is een verantwoording van het Groepsrisico niet nodig. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Aan de overzijde van de Gouwe liggen twee aardgastransportleidingen van de Gasunie. Dit betreft de leidingen: Leiding W501-01 W501-03

Diameter Druk 12 inch 40 bar 8 inch 40 bar

Belemmeringenstrook PR 10-6 4m 0m 4m 0m

Invloedsgebied GR 140 m 95 m

De 1% letaalzone van leiding W501-01 ligt op 140 m. Binnen deze afstand worden geen (beperkt) kwetsbare gebouwen opgericht. Er is geen beperking voor het plangebied. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling. De Signaleringskaart is opgenomen in figuur 12.

Figuur 12: Uitsnede Signaleringskaart (plangebied zwart omlijnd).

Toelichting

55

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moeten nieuwe woningen worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee is in artikel 6.4.2 een specifieke gebruiksregel opgenomen dat een nieuwe woning pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door bewoners. Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen.

Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. De door het hoogheemraadschap voorgeschreven minimale drooglegging zal voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. De bouwwijze zal hierop worden afgestemd. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg. 6.1.7 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen.

Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar de mening van ODMH niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader Rijk en provincie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze

56

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied in stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. Het plangebied heeft op grond hiervan een redelijke tot grote kans op archeologische sporen van 0 tot 5 m onder maaiveld (zie figuur 13).

Figuur 13: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het op 19 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'. De nieuwbouw van de woningen ligt in het gebied met een hoge verwachtingswaarde.

Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 0,3 m –MV. Zie hiervoor de uitsnede van de beleidskaart (figuur

Toelichting

57

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

14). In verband hiermede is onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart. 6.2.1 Bureauonderzoek archeologie ADC ArcheoProjecten BV te Amersfoort heeft een Bureauonderzoek uitgevoerd (rapport van 20 januari 2022, rapportnummer 5468, Bijlage 8). Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied zich landschappelijk gezien in een voormalige veenontginningsgebied ten westen van de rivier de Gouwe bevindt. Aangenomen wordt het landschap als gevolg van de natte omstandigheden in de periode de Late Prehistorie tot in de Middeleeuwen weinig tot geen mogelijkheden bood voor bewoning of ontginning. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit deze periode wordt daarom als zeer klein beschouwd. De omstandigheden veranderde met het ontstaan van de Gouwe in de 9e of 10e eeuw als perimariene getijdekreek, na aanvankelijk slechts een lokale veenstroom te zijn geweest. Deze ontwikkeling hing samen met de vorming van de Hollandsche IJssel, waarmee de Gouwe stroomafwaarts in verbinding kwam te staan. Door deze verbinding ontwaterde het veen en werd de ontginning ervan mogelijk. Dit gebeurde vanaf de oevers van de Gouwe, die als gevolg van kleiafzetting iets hoger lagen en een relatief stabiele ondergrond boden.

In de oeverzone langs de Gouwe, waartoe ook het plangebied kan worden gerekend, moet daarom rekening worden gehouden met bewoningsresten vanaf de Vroege Middeleeuwen (9e/10e eeuw en later). Een eventueel archeologisch interessant niveau zal zich als een omgewerkte of ten dele opgebrachte kleilaag met daarin archeologische indicatoren (zoals houtskool, kleine fragmenten aardewerk en bot) manifesteren. Indien aanwezig zal dit niveau zich aan of direct onder het oorspronkelijke maaiveld bevinden. De kans bestaat echter dat het niveau is aangetast door veenwinning in de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd, onder meer in de vorm van de aanleg van petgaten. Op basis van de geraadpleegde oude kaarten zijn in het plangebied geen resten van historische bebouwing aan te treffen. Aangenomen mag worden dat het plangebied pas vanaf in 1915 met de oprichting van de lak- en vernisfabriek (Firma Wed. Boonstoppel & Zonen) bebouwing kent. Uit gegevens

58

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

van milieukundige onderzoeken is af te leiden dat de aanleg en uitbreiding van het fabriekscomplex gepaard ging met ophoging en versteviging van het maaiveld met een 1,0 tot 2,5 m dik pakket sintels, zand en puin. Onder invloed van het gewicht van dit grondpakket zal de natuurlijke ondergrond sterk zijn ingeklonken. Hierdoor zullen eventueel aanwezige resten (verder) zijn aantast. De kans op de aanwezigheid van een intacte vindplaats wordt daarom als laag ingeschat. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Waddinxveen. Conclusie Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat het plangebied zo is opgehoogd en vergraven dat de archeologische verwachting van hoog naar laag bijgesteld kan worden. Vanwege de lage verwachting hoeft er geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' meer te worden opgenomen.

Resumerend tast het initiatief de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. 6.2.2 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Advies erfgoedcommissie Het stedenbouwkundig plan is uitgewerkt na een bezoek van vertegenwoordigers van de erfgoedcommissie in januari 2020. Tijdens het bezoek bleek dat het bestaande complex niet echt interessant was. De loodsen met gebogen daken werden alleen nog enigszins als waardevol beschouwd. Met dit gegeven zijn de plannen uitgewerkt. Nadien heeft de erfgoedcommissie geadviseerd om alleen het allereerste deel van het kantoor om cultuurhistorische redenen te behouden. Ook de twee betonnen hallen met boogdaken bieden historische kansen. Dit laatste wil ze niet als voorwaarde stellen, ze hecht de meeste waarde aan het behoud en hergebruik van het kantoorgedeelte.

Het advies van de Erfgoedcommissie om het voorste gedeelte van het kantoorgebouw te behouden is niet overgenomen, omdat het gebouw in een zeer slechte bouwkundige staat verkeert en het verbouwen hiervan vanuit financieel/economische overwegingen niet uitvoerbaar is. Daarbij komt dat er vraagtekens kunnen worden gesteld over de cultuurhistorische waarden van het kantoorgebouw uit de jaren '50 van de vorige eeuw. Het gebouw is ook niet aangemerkt als gemeentelijk monument. Wel wordt onderzocht om bij de nieuwbouw van het appartementengebouw elementen te laten terugkomen, zoals de letters van de naam Boonstoppel. Voorts worden de mogelijkheden onderzocht om een gedeelte van de bedrijfshallen met gebogen daken te handhaven voor het stallen van auto's. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

Toelichting

59

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Het gebied Broekvelden/ Vettenbroek, bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ) in het kader van deNbw1998. Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 5,2 kilometer ten oosten van het plangebied.

Sprake is van een woningbouwontwikkeling op een perceel waar nu bedrijfsbebouwing staat; dit Natura2000-gebied wordt hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. In zuidelijke en noordelijke richting liggen op circa 650 m belangrijke weidevogelgebieden. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard op circa 1,8 km. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de weidevogelgebieden en ecologische hoofdstructuur. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen bestaande en nieuwe natuur van Natuurnetwerk Nederland van de provincie Zuid-Holland (figuur 15).

Figuur 15: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

60

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 5,2 km ten oosten van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 10,5 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. In verband hiermede zijn door Stalbouw.NL AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aanleg- en gebruiksfase (notitie 'Effecten depositie plan Wilhelminakade 83 te Waddinxeen' van 1 februari 2023, Bijlage 9).

Aan de hand van de depositieberekeningen kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende beschermde natura 2000-gebieden. De totale depositie van de aanlegfase en de gebruiksfase is dan ook kleiner dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdrage is zo klein dat er geen vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.2 Flora- en faunatoets Soortenbescherming Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van februari 2022, rapportnummer 21A032, Bijlage 10). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport) Gebiedsbescherming Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden Belangrijke leefgebieden provincie Zuid-Holland Houtopstanden Soortenbescherming Soortgroep

Toelichting

Gevolgen Uit de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat de totale depositie van de aanleg- en gebruiksfase kleiner is dan 0,00 mol per hectare per jaar. Het voorgenomen plan zal niet leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende beschermde Natura2000-gebieden. Het aspect stikstofemissie is geen belemmering voor het project. Geen Geen Geen Geen

Overtreding verbodsbepalingen

61

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Algemeen

Flora Vogels Jaarrond beschermde nesten Vissen Amfibieën Reptielen Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

Overige soorten

Voor de beschermde soorten, Groene kikker, Bruine kikker, Bastaard kikker, Gewone pad, Bunzing, Egel, Haas, Hermelijn, Konijn, Rosse woelmuis en Wezel, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) voor de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja, het plangebied bestaat uit gebouwen en vegetatie. Zowel de gebouwen als vegetaties kunnen functies voor vleermuizen vervullen. Met de sanering van het gebied en de sloop van de gebouwen zal het verbod 'Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen' worden overtreden. Om vast te stellen welke functies gebouwen en het omliggend terrein vervullen voor vleermuizen is een aanvullend onderzoek nodig. Het aanvullend onderzoek dient aan te tonen: a) of het omliggend terrein en de gebouwen functies voor vleermuizen vervullen; b.) Indien dat het geval is: - Voor welke soorten dit geldt; - Voor welke functies dit geldt: vliegroute, foerageergebied en/of verblijfsplaats; - Voor welk type verblijfsplaatsen dit geldt; - Wat de omvang is, dus om welke aantallen exemplaren het gaat. Nee

Aanvullende maatregelen vereist Soortgroep Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Vogels Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Amfibieën Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. In verband met de resultaten van het ecologisch onderzoek is een nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd.

De resultaten van het onderzoek worden toegelichting in paragraaf 6.3.3.

62

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

6.3.3 Aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen Als vervolg op het ecologisch onderzoek heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot vleermuizen (rapport van februari 2022, Bijlage 11). Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Tijdens de veldbezoeken zijn in het plangebied de Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Laatvlieger en Meervleermuis waargenomen. Zomer- en kraamverblijfplaatsen Tijdens de eerste drie vleermuisonderzoeken, twee maal avond en eenmaal ochtend, werden gewone dwergvleermuizen jagend in het gebouw aangetroffen. Op diverse plekken zijn enkele keutels gevonden, maar het aantal keutels is zeer beperkt. Er zijn geen uitvliegende vleermuizen waargenomen. Er is geen vaste rust- en verblijfplaats gevonden waar een vleermuis zich zou kunnen bevinden. Paarverblijf- en zwermplaatsen Ook in de paartijd was de aanwezigheid van vleermuizen zeer laag. Er zijn geen aanwijzingen voor gezamenlijk vliegen of reageren op andere dieren. Tijdens de vleermuisonderzoeken met betrekking tot de paarverblijven zijn een avondbezoek en een ochtendbezoek uitgevoerd. Tijdens deze veldbezoeken werd een foeragerende Gewone dwergvleermuis aangetroffen. Er was geen contact met het gebouw.

Ook nu werd geen vaste rust- en verblijfplaats en dus geen paarverblijf gevonden om dezelfde reden als hiervoor genoemd. Winterverblijfplaats Op 10 december 2021 is een veldbezoek gebracht aan het plangebied om te onderzoeken of het gebouw in gebruik is als winterverblijf. Met een endoscoop zijn de holle muren onderzocht. Er zijn geen vleermuizen aangetroffen in het gebouw. Er is intensief gezocht naar keutels. Deze zijn zeer verspreid aangetroffen, maar niet bij elkaar groepsgewijs. Foerageergebied Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied. Er werd van het plangebied wel gebruik gemaakt om te foerageren bij het broekbos en in de luwe delen tussen de verschillende panden, met name tijdens de veldbezoeken op 28 mei en 17 juni 2021. In de omgeving is echter zeer veel alternatief foerageergebied aanwezig. Natuurgebied 't Weegje ligt direct ten westen van het plangebied. Hier is veel water. Er zijn insectenrijke rietkragen en rijen elzen met veel muggen. Bij de populieren langs de Gouwe (buiten het plangebied) werd alleen tijdens het eerste veldbezoek op 28 mei druk gefoerageerd, maar bij de overige veldbezoeken niet meer. Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht.

Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Aanbevelingen Voor de vleermuizen en voor de bewoners van de nieuwe bebouwing verdient het de aandacht om groen waar mogelijk aan te planten. In dat kader van duurzaamheid past aandacht voor behoud en herstel van biodiversiteit. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen wordt in afwijking hiervan vogelvides aangebracht op de onderste panlat. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Ook wordt aanbevolen de buitenruimte gevarieerd en biodivers in te richten met inheemse bomen en struiken die insecten en vleermuizen voedsel bieden. Voor de Ringslang zijn natuurvriendelijke oevers en broeihopen van belang. d.

Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels zijn vleermuiskasten geplaatst. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis en Meervleermuis in verband met paarverblijven in de buurt van de meervleermuiskolonie nabij de Coenecoopbrug.

Toelichting

63

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Resumerend De voorgenomen bestemmingsplanwijziging is mogelijk indien de aanbevelingen uit het aanvullend ecologisch onderzoek worden overgenomen. Er is geen ontheffing nodig van de Wnb. Voor het overige zijn er vanuit de Wnb geen beperkingen tegen deze planontwikkeling. Bij uitwerking van bouwplannen zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen. Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande is het mogelijk de werkzaamheden conform de geldende weten regelgeving uit te voeren. De Wet natuurbescherming vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

64

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische opzet

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Artikel 2 In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Groen Artikel 3 De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. Binnen de bestemming is de aanleg van

Toelichting

65

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

voetpaden, speelvoorzieningen en water mogelijk. Tuin Artikel 4 De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de in de aangrenzende bestemming gelegen hoofdgebouwen. Op de gronden met deze bestemming zijn kleine aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw (bijvoorbeeld erkers of ingangspartijen) toegestaan. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een hoogte van 1 meter. Verkeer Artikel 5 De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie. Bijbehorende voorzieningen zoals ongebouwde parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, voet- en fietspaden en groenvoorzieningen zijn toegestaan. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen Artikel 6 De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor grondgebonden en gestapelde woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen de bouwvlakken toegestaan. In de bouwvlakken is het maximum aantal woningen vermeld, alsmede de toegestane typologie.

In totaal mogen in het plangebied niet meer dan 16 appartementen en 9 vrijstaande woningen worden gerealiseerd. In de regels is via een verwijzing naar de verbeelding de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m². Op basis van het Besluit omgevingsrecht kan vergunningvrij meer worden gebouwd in het achtererf; één en ander is afhankelijk van de omvang van het bebouwingsgebied. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels Artikel 8 In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Algemene gebruiksregels Artikel 9 In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd. Artikel 11

66

Overige regels

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 12 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Slotregel Artikel 13 Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Toelichting

67

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

68

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 8 8.1

Economische uitvoerbaarheid

Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

Toelichting

69

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

70

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke betrokkenheid

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.

9.2

Communicatie

Initiatiefnemer heeft op 7 juni 2022 een informatiebijeenkomst gehouden voor omwonenden van de Wilhelminakade en Broekhuizen. Hiervoor hebben zij op 12 mei 2022 een uitnodigingsbrief ontvangen. Ongeveer 29 omwonenden hebben van deze uitnodiging gebruik gemaakt. De landschapsarchitect heeft een presentatie gegeven van het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan, waarna vragen zijn gesteld en beantwoord. Vervolgens is een toelichting gegeven op het in uitvoering zijnde bodemonderzoek, het bouwverkeer tijdens de bouw en de voorbereiding van de bestemmingsplanprocedure. Ook hier konden vragen worden gesteld. De vragen en antwoorden zijn gebundeld in een Q&A (Questions & Answers). Deze is opgenomen in Bijlage 12. Samenvattend vinden de omwonenden het een fraai plan. Een aantal mensen vindt echter dat deze locatie minder (of zelfs niet) geschikt is voor dit bouwplan. Zorgen zijn er met name over de conditie en kwaliteit van de bodem en het bouwverkeer. De initiatiefnemer heeft voorgesteld om deze onderwerpen te bespreken in een klankbordgroep, waarin afspraken kunnen worden gemaakt over de wijze waarop bouwverkeer kan plaatsvinden. Na afloop van de bijeenkomst kon men zich hiervoor aanmelden. De klankbordgroep komt binnenkort voor het eerst bijeen, waarin ook de gemeente is vertegenwoordigd.

9.3

Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:12 e.v., heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 27 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee schriftelijke zienswijzen ontvangen. Voor de beantwoording wordt verwezen naar Bijlage 13.

Toelichting

71

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

72

Toelichting

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Regels

Regels

73

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen met identificatienummer NL.IMRO.0627.BPwilhelminakade83-0401 van de gemeente Waddinxveen. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw Een toevoeging van een (afzonderlijke) ruimte aan het hoofdgebouw, welke vanuit het hoofdgebouw toegankelijk is en functioneel deel uitmaakt van het hoofdgebouw. 1.4 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, ambachtelijk, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroeps- of bedrijfsactiviteit, inclusief ondergeschikte (productiegebonden) detailhandel, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken op hetzelfde perceel wordt uitgeoefend waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

1.7 achtererfgebied Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 1.8 archeologische waarde De waarde die een gebied toegekend is op grond van de aldaar aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. 1.9 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10 bebouwingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.11 bebouwingspercentage De verhouding tussen de oppervlakte van het te bebouwen terreingedeelte en de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak; dit percentage wordt slechts berekend over het gedeelte van het bestemmingsvlak waarbinnen de bouwwerken mogen worden gebouwd. 1.12 bestaande situatie a. Bij gebruik: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan en gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van dit plan mag worden gerealiseerd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning; b. bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan, en bouwwerken die op het moment van de inwerkingtreding van dit plan mogen worden gebouwd krachtens een daartoe

74

Regels

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

verleende omgevingsvergunning. 1.13 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.14 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.16 bijgebouw Een al dan niet vrijstaand gebouw dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.17 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.18 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.19 bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met uitzondering van onderbouw (kelder), kap of kapverdieping. 1.20 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.22 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.23 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.24 bruto-vloeroppervlakte (bvo) Bruto-oppervlakte als bedoeld in NEN2580. 1.25 coffeeshop Gelegenheid waar softdrugs wordt verkocht. 1.26 dak Iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.27 dakkapel Een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt.

Regels

75

bestemmingsplan Wilhelminakade 83, Waddinxveen

1.28 dakopbouw Het vergroten van een bestaande ruimte door het aanpassen van het bestaande dak, het realiseren van een verhoging van het bestaande dak (nokverhoging) of door het optrekken van de gevel. 1.29 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.30 dove gevel Een gevel waarin geen te openen delen aanwezig zijn alsmede een gevel waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. 1.31 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.32 gestapelde woning Een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere gebouwde ruimte is gelegen. 1.33 groothandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.34 hoofdgebouw Gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.35 horeca Een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodaties. 1.36 huishouden Eén of meer personen die een huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.37 kap De volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°. 1.38 kelder Een afgedekt gedeelte van een gebouw, waarvan meer dan de helft van de inhoud beneden peil is gelegen. 1.39 ondergeschikte functie Functie waarvoor maximaal 30% van het bruto-vloeroppervlak tot een maximum van 50 m² als zodanig gebruikt mag worden. 1.40 onderkomen Een voor verblijf geschikt, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- of vaartuig, ark, kampeermiddel en soortgelijk verblijfsmiddel, voor zover deze niet als bouwwerk is aan te merken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12651084/2