CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bestemmingsplan Raadhuisplein - toelichting en regels 12343

Commissie Ruimte + Infrastructuur 24 mei 2023, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Raadhuisplein26.294 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hiervan kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als blijkt dat er in de directe omgeving een overcapaciteit aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte is. In paragraaf 3.3 heeft een nadere toetsing plaatsgevonden aan het parkeerbeleid. Opgemerkt wordt dat de gemeente Waddinxveen conform de cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek van matig stedelijk naar sterk stedelijk is gegaan. Hierop is in het voorliggende plan aangesloten. Ten slotte heeft de provincie in de Omgevingsverordening Zuid-Holland regels gesteld ten aanzien van parkeren bij sociale huurwoningen en in stationsgebieden (zie paragraaf 4.2.2). In het voorliggende geval is gekozen voor een hogere parkeernorm namelijk 1,2 parkeerplaats per woning in plaats van 0,7 (zie paragraaf 3.3).

36/412

4.4.7 Koers naar Duurzaam Waddinxveen Deze 'Koers naar Duurzaam Waddinxveen' is gebaseerd op de concept-omgevingsvisie. De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 is door de gemeenteraad op 27 oktober 2022 vastgesteld. De thema's in de omgevingsvisie gaan over de vier veranderingen van deze duurzaamheidskoers. Deze duurzaamheidskoers is daarom ook te beschouwen als een nadere uitwerking van de omgevingsvisie. De duurzaamheidskoers brengt omgevingsvisie, het beleid op het gebied van sociaal domein en diverse plannen en projecten op het gebied van duurzaamheid bij elkaar. Een kompas voor de toekomst identificeert 4 transities In de eerste plaats biedt het koersdocument een duurzaamheidskompas voor de toekomst. Met behulp van het kompas maakt de gemeente een korte analyse van de huidige situatie. Er worden vier noodzakelijke veranderingen (transities) inzichtelijk gemaakt. Dit zijn energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Dit zijn ook de wettelijk en (inter)nationaal bepaalde doelen. Een missie op de toekomst: circulair en groen Waddinxveen met schone energie De gemeente Waddinxveen wordt uiterlijk in 2050 een circulaire en groene gemeente met schone energie waarbij de gemeente gelijktijdig blijft doorwerken aan het behoud en versterken van een goede sociale basis. In 2030 is de gemeente op de helft van deze opgave en transitie.

Koersdocument beschrijft de puzzel Het koersdocument beschrijft wat gedaan moet worden. Bijvoorbeeld: 2.000 woningen aardgasvrij in 2030 omdat dat bijdraagt aan de CO2-reductiedoelstellingen van de energietransitie. Het koersdocument draagt geen 'voorgeschreven' inhoudelijke oplossingen aan. Hoe de CO2 terug (gaan) brengen, wordt (nader) uitgewerkt in onderliggende analyses zoals de Transitievisie Warmte (TVW) en de Regionale Energiestrategie. Koersdocument nodigt iedereen uit om bij te dragen Het koersdocument biedt de puzzelstukjes die ingevuld moeten worden door iedereen in de samenleving. Bij de te behalen resultaten geeft de gemeente aan welke bijdrage de gemeente Waddinxveen zelf gaat leveren en wat de gemeente daarin nog te doen heeft. Participatie voor dit koersdocument steunt op eerdere participatietrajecten Dit koersdocument is mede gebaseerd op de omgevingsvisie, de transitievisie warmte (vastgesteld in 2021), de regionale energiestrategie (vastgesteld in 2021) en de klimaatstress test en risico dialoog (uitgevoerd in 2019). In deze projecten heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden. De participatie voor dit koersdocument maakt hier gebruik van.

Ook is specifieke input van een aantal maatschappelijke partners meegenomen, zoals vertegenwoordigers van het Duurzaamheidsplatform Waddinxveen van en voor ondernemers (DPW), Woonpartners Midden-Holland, WaddGroen, de energie coöperatie Waddinxveen en de Fairtrade werkgroep Waddinxveen. Toetsing aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen De voorliggende ontwikkeling betreft een binnenstedelijke ontwikkeling. In het plangebied wordt ingezet op het verminderen van hittestress, het versterken van de biodiversiteit en een duurzaam bouwproces. Dit wordt

37/412

bijvoorbeeld gedaan door het toepassen van groene gevels, zonnepanelen op het dak, het groener inrichten van de openbare ruimte en nestkasten op te hangen voor vleermuizen en vogels. Daarmee wordt koers gezet op een duurzaam Waddinxveen. Ten slotte wordt het gebouw gasloos gerealiseerd en zal daarmee een bijdrage leveren aan de energieopgave. Gelet op het vorenstaande wordt met het voorliggend plan een bijdrage geleverd aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen.

38/412

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader Rijk, provincie en gemeente

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk De Rijksoverheid heeft het Nationaal Waterplan 2022-2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan (hierna: NWP3) is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP3 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP3 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.

In het Nationaal Waterplan 2022-2027 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid, zoals geformuleerd in het NWP3, werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het Rijksbeleid, zoals geformuleerd in het NWP, door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP3 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Een en ander is op Rijksniveau in het Barro vastgelegd.

39/412

5.2.2 Provincie Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen. Kaderrichtlijn Water: grondwaterrichtlijn; drinkwaterrichtlijn; richtlijn Overstromingsrisico's; zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat de provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

5.2.3 Gemeente Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan 2021-2025. Het gemeentelijk Waterplan (GWP) 2021-2025 beschrijft de bijdrage van de gemeentelijke zorgplichten en watertaken aan verschillende kernambitie. Het GWP geeft vorm aan de gemeentelijke visie en beleidskaders op het gebied van water en riolering om de leefomgeving toekomstbestendig en klimaatadaptief in te richten. De zorgplichten en watertaken van de gemeente gaan verder dan alleen de buizen onder de grond. Gemalen, sloten en greppels hebben bijvoorbeeld ook tot doel om (afval)water te verwerken. Dit moet op een zodanige manier zijn geregeld dat het, in samenspraak met de hoogheemraadschappen, geen problemen veroorzaakt. De riool- en watervoorzieningen hebben dan ook een aantal belangrijke functies in het dagelijks leven, namelijk: het beschermen van de volksgezondheid tegen infectieziekten; het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater; het voorkomen van schade door hevige regenval en/of bij extreme droogte; het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van grondwater. Het GWP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de gemeentelijke voorzieningen op het gebied van water. Hiermee geeft de gemeente invulling aan de wettelijke zorgplichten voor de inzameling, het transport en de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater.

Ook gaat het GWP in op de gemeentelijke watertaken voor oppervlaktewater. Daarnaast worden op hoofdlijnen de activiteiten rond onderzoek, jaarlijks een groot onderhoud en investeringen omschreven. We richten ons voor deze activiteiten en de financiering ervan via de rioolheffing op de planperiode 2021-2025. Tot slot dient het GWP als instrument van de Omgevingswet nadat deze wet in werking is getreden.

40/412

5.3

Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.

Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. Op 8 februari 2022 is het WBP6 'Water wijst de weg' vastgesteld (https://wbp6rijnland.nl/). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden; maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

In 2020 is de Keur 2020 in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een 'ja, tenzij' benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er

41/412

algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het Rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv.

door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat, zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.4

Waterhuishouding

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Afkoppeling van het hemelwater van de daken, ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en overige verharde oppervlakken is in principe mogelijk. Beschrijving waterkwantiteit Binnen het plangebied is recent de bestaande bebouwing gesloopt en verharding verwijderd. Binnen het plangebied stond het voormalige gemeentehuis met de daarbij behorende parkeervoorzieningen. Ten behoeve van het planvoornemen is de bebouwing gesloopt en daarvoor in de plaats komt een appartementengebouw met 37 appartementen met de benodigde (groen- en parkeer)voorzieningen.

42/412

bestemming maatschappelijk wonen verkeer totale oppervlakte

bestaand in m2 1.600 3.675 5.275

nieuw in m2 1.395 3.880 5.275

Binnen de bestemming wonen en verkeer worden ook de tuinen en groenstroken gerealiseerd. Deze zijn niet specifiek bestemd en daarom binnen de bestemming meegerekend. Overal gezien blijft planologisch gezien de verharding gelijk. Waterafvoer Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmaterialen. 5.4.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 17 augustus 2021 (dossiercode 20210817-13-27393) uitgevoerd. Het hoogheemraadschap heeft geen reactie gegeven op het planvoornemen. In bijlage 2 is de doorlopen watertoets bijgevoegd. 5.4.2

Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

43/412

Hoofdstuk 6 6.1

Omgevingsaspecten

Geluid

6.1.1 Wet- en regelgeving Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh): a. woningen; b. onderwijsgebouwen; c. ziekenhuizen en verpleeghuizen; d. verzorgingstehuizen; e. geluidsgevoelige terreinen ; f. kinderdagverblijven. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld, heeft de gemeente Waddinxveen op 5 maart 2019 de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarden mogen verlenen.

In onderstaande tabel zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden ten aanzien van wegverkeer, railverkeer en industrie weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai bestemming geluidsbron geluidsbelasting Lden in dB voorkeursmaximale grenswaarde grenswaarde nieuw te bouwen of het bestemmen van wegverkeer 48 63 geluidsgevoelige bestemmingen (binnenstedelijk) railverkeer 55 68 industrie 50 55 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. Voor cumulatie van geluid is in bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012 een

44/412

methodiek gegeven voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor bepaling van de milieukwaliteitsmaat is de gangbare rekenmethode Miedema gehanteerd. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 6.2. Tabel 6.2. Milieukwaliteitsmaat (Miedema) gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70

milieukwaliteitsmaat MKM goed redelijk matig tamelijk slecht slecht zeer slecht

Afbeelding 6.1 Uitsnede Milieukwaliteitsmaat; geel redelijk, oranje matig (bron: gemeente Waddinxveen) 6.1.2 Onderzoek In onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe geluidsgevoelige functies (woningen) mogelijk gemaakt. De ontwikkeling ligt in de wettelijke zones van Henegouwerweg en Kerkweg-Oost/de Brugweg. Verder liggen meerdere zogenaamde 30 km/u-wegen in de directe omgeving van het plangebied. Uit het uitgevoerde onderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat voor de gezoneerde wegen geen overschrijding is van de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB . Voor de gevel van het pand aan de kant van het Raadhuisplein (een 30 km/u-weg) is sprake van een overschrijding van de richtwaarde van Lden = 48 dB ten gevolge van het verkeer. Voor de overige gevels is geen overschrijding. De uiterste richtwaarde van Lden = 63 dB wordt nergens overschreden. De overschrijding wordt veroorzaakt door een 30 km/u-weg. Voor 30 km/u-wegen is geen

45/412

wettelijke plicht waardoor geen hogere geluidswaarde benodigd is. Ten slotte ligt het plangebied in een gebied wat op basis van de Milieukwaliteitsmaat als redelijk wordt geclassificeerd. 6.1.3 Conclusie Ter plaatse van de beoogde woningbouw is daarmee sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

6.2

Luchtkwaliteit

6.2.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 6.3. Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m 3 200 µg/m 3 PM10

40 µg/m 3

n.v.t.

24-uursgemiddelde n.v.t. 50 µg/m 3

opmerkingen uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Ten aanzien van tabel 6.3 wordt opgemerkt dat PM2,5 niet is beoordeeld. Dit omdat wanneer voldaan wordt aan de grenswaarde voor PM10 over het algemeen eveneens wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM2,5. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. een project 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (de nibm-bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld); d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Regeling nibm De Ministeriële Regeling nibm geeft een uitwerking aan het Besluit nibm en een getalsmatige invulling van de

46/412

nibm-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is: woningbouw = 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; woningbouw = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties = 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Ook is in het Besluit nibm, art. 5 een anticumulatiebepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende nibm-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In de overige gevallen, die niet in het Besluit nibm genoemd worden, zal op een andere manier, bijvoorbeeld door middel van berekeningen, aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

6.2.2 Onderzoek De luchtkwaliteit ter plaatse van de verschillende locaties is inzichtelijk gemaakt aan hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De concentraties in het NSL geven een indruk van de luchtkwaliteit langs de drukke wegen (intensiteit meer dan 10.000 mvt/etmaal) voor het jaar 2019. Het plan aan het Raadhuisplein in Waddinxveen omvat de realisatie van ten hoogste 37 appartementen. Gelet op de geringe verkeersgeneratie zal de ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

47/412

Afbeelding 6.2 Concentraties NO2 en PM10 rond het plangebied De concentraties in de nabijheid van de locatie zijn berekend, aan de hand van de nsl-monitoring, langs de omliggende wegen. De concentraties liggen overal onder de 35 µg/m³ en voldoen daarmee aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. De hoogste concentraties langs de Kerkweg-Oost zijn in onderstaande tabel 6.4 benoemd. Tabel 6.4. Concentraties voor het jaar 2019 stof hoogste concentratie stikstofdioxide (NO2) 25,8 µg/m 3 fijn stof (PM10) 19,1 µg/m 3

PM10 overschrijdingsdagen 6,9

Uit tabel 6.4 blijkt dat de maatgevende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof (Pm10) ruimschoots onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ liggen. Ook het aantal overschrijdingsdagen van maximaal 35 µg/m³ wordt niet overschreden. Omdat in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook in de toekomstige situatie het geval zijn. De concentraties zullen de komende jaren namelijk afnemen.

48/412

6.2.3 Conclusie Uit de monitoringstool blijkt dat langs de maatgevende wegen in de nabijheid van het plangebied aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen als gevolg van de ontwikkeling in het bestemmingsplan leidt in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden. Deze plannen kunnen conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) dan ook toelaatbaar worden geacht.

6.3

Bedrijven en milieuzonering

6.3.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze brochure geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype 'gemengd gebied' kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In tabel 6.5 zijn de richtafstanden uit de VNG-richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Tabel 6.5. Richtafstanden volgens VNG-richtlijn milieucategorie van bedrijf richtafstand rustige woonwijk (meter) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100

richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50

6.3.2 Onderzoek In het plangebied worden nieuwe milieugevoelige activiteiten mogelijk gemaakt (woningen). Het plangebied kan worden beschouwd als een 'gemengd gebied.' Rondom het plangebied zijn een aantal milieubelastende activiteiten gelegen waarvoor op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' richtafstanden gelden. Tabel 6.6. Nabij gelegen bedrijven

49/412

bedrijf

adres

Zuidkade 3 Zuidkade 16C Julianastraat 18 Kerkweg Oost 227

richtafstand t.o.v. gemengde gebied (meter) 0 0 0 10

daadwerkelijke afstand tot plangebied (meter) 45 60 60 80

Restaurant: El Caballero Ageeth's Haarmode salon Sabai Sabai interlevensbeschouwelijke Stichting voor zorg ten behoeve van mensen met een handicap ASVZ hengelsport De Spot

Zuidkade 1

0

75

Zoals uit tabel 6.6 blijkt, zijn er geen bedrijven gevestigd die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van woningbouw. 6.3.3 Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormen geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan. Het voldoet uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

6.4

Externe veiligheid

6.4.1 Wet- regelgeving Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als 'harde' afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6-contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.

De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.

50/412

6.4.2 Beleidsnota Externe veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. 6.4.3 Onderzoek Ter voorbereiding van het opstellen van het bestemmingsplan is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn.

Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen. Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen per buisleiding Ten westen van het plangebied is, op ongeveer 540 meter afstand, de hogedruk aardgasleiding W-517-01 gelegen. Het invloedsgebied (brandaandachtsgebied onder de Omgevingswet) van deze gasleiding is 140 meter vanaf de gasleiding. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied van de gasleiding. Dit levert dus geen belemmeringen op voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Over de provinciale weg N207 (Henegouwerweg) worden (in kleine aantallen) gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze weg is op ongeveer 110 meter afstand van het plangebied gelegen. De omvang van het invloedsgebied wordt bepaald door de stofcategorie die wordt vervoerd over de N207. Uit tellingen die zijn gedaan in het verleden blijkt dat het gaat om brandbare vloeistoffen (LF1+2), brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen (LT2, beperkte hoeveelheden). De invloedgebieden per stofcategorie zijn opgenomen in de 'Handreiking Risicoanalyse Transport' (HART).

Uit het HART blijkt dat het plangebied is gelegen binnen invloedsgebied van stofcategorie GF3 (355 meter) en LT2 (880 meter). Uit deze berekeningen blijkt dat de N207 ter hoogte van Waddinxveen geen PR 10-6-contour heeft. Het PR vormt dus geen belemmering voor het plangebied.

51/412

Uit de berekeningen blijkt daarnaast dat het GR (groepsrisico) kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het gebied tot 80 meter van de N207 is zeer bepalend voor de hoogte van het GR. Het plangebied is gelegen op 110 meter vanaf de weg. Gelet op de omvang van het planvoornemen en gezien de afstand tot de weg en het feit dat er tussenliggende, afschermende bebouwing staat, zal het GR niet significant veranderen. Het GR van de N207 blijft inclusief het planvoornemen lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Hiermee volstaat een beknopte verantwoording van het GR. Transport over het spoor Aan de westkant van het plangebied ligt de spoorlijn Gouda-Alphen aan den Rijn. Over dit spoor worden geen relevante hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit levert dus geen beperkingen op voor het plangebied. Transport over het water Aan de oostzijde van het plangebied stroomt de Gouwe. In het Basisnet water van januari 2008 zijn vaarwegen aangewezen die relevant zijn voor externe veiligheid. De Gouwe is in het Basisnet aangewezen als groene vaarweg in verband met een beperkt transport van brandbare vloeistoffen dat over de Gouwe plaatsvindt. Voor groene vaarwegen hoeft niet te worden getoetst aan het PR 10-6 en het GR. Dit betekent dat de Gouwe in het kader van externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plangebied.

Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. De door het hoogheemraadschap voorgeschreven minimale drooglegging zal voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. De bouwwijze zal hierop worden afgestemd. Conclusie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen, inrichtingen, spoor- en vaarwegen gelegen die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied. Wel dient een verantwoording van de GR plaats te vinden.

Verantwoording groepsrisico De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de N207 daardoor dient een verantwoording van de GR plaats te vinden. Hierbij is het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden (kenmerk 2021-010097, 19 oktober 2021 en nadere afstemming in mei 2022 opgenomen in bijlage 4) meegenomen. Bestrijdbaarheid

52/412

Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in het bestrijden van een calamiteit op de N207 weg waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en bestrijding in het plangebied. Bestrijdbaarheid ongeval op N207 Bij een ongeval op de N207 waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken kunnen de hulpdiensten vanuit twee richtingen de calamiteit benaderen. Ook is er voldoende bluswater aanwezig, omdat de N207 direct langs de Gouwe is gelegen. Dit is nodig om te blussen, maar ook om bijvoorbeeld een waterscherm aan te leggen, zodat toxische (rook)gassen zich zo min mogelijk verspreiden in de omgeving. Bestrijdbaarheid binnen plangebied (bereikbaarheid/bluswatervoorzieningen) Voor het plangebied is het belangrijk, ook los van een ongeval op de N207, dat bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen op orde zijn. Het is van belang het plangebied via meerdere (onafhankelijke) toegangswegen te kunnen bereiken. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.

Bij het vrijkomen van giftige (rook)gassen, bij een calamiteit in de omgeving (N207 of van elders), is het van belang om te schuilen. Wat betekent: naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en met een druk op de knop de mechanische ventilatie uitschakelen. Hiervoor moet dus wel een voorziening worden aangebracht. Onder de Omgevingswet wordt dit een verplichting om een dergelijke voorziening aan te brengen (artikel 4.124, lid 4 Besluit Bouwwerken Leefomgeving). Wanneer het nodig blijkt om te vluchten, dan zijn er in alle richtingen vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden. Voor de ontvluchting vanuit het complex is het wenselijk om minimaal één (nood)uitgang van de Provincialeweg af te richten en in voldoende mate aan te laten sluiten op de reeds bestaande infrastructuur in de omgeving. Het gaat hier om woningen die niet specifiek zijn gericht op 'kwetsbare groepen'. De bewoners worden daarom voldoende zelfredzaam geacht. 6.4.4 Conclusie In het kader van externe veiligheid is het transport van gevaarlijke stoffen over de N207 relevant. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van de N207. Ten behoeve van de verantwoording van het GR zijn volgende constateringen en te nemen maatregelen van belang, waarop het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad haar verantwoording kan baseren.

Situatie GR het GR in verband met de N207 is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; het bouwplan is slechts klein van omvang; de afstand tot de weg bedraagt 110 meter; er staat afschermende bebouwing tussen de weg en het bouwplan; gezien het voorgaande zal het GR niet toenemen, maar eerder afnemen.

53/412

Maatregelen ter beperking van het GR Ter beperking van het GR worden de volgende maatregelen genomen: binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om van de risicobronnen af te vluchten; de beoogde nieuwbouw wordt uitgevoerd met afschakelbare ventilatie; de bereikbaarheid van het plangebied en de bluswatervoorziening binnen de ruimere omgeving zullen voldoen aan de Praktijkrichtlijnen van de Regionale Brandweer Hollands-Midden (juli 2005). Daarom wordt het bestemmingsplan aan de Veiligheidsregio Midden-Holland voorgelegd.

6.5

Bodem

6.5.1 Wet- en regelgeving Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb). Niet saneren: Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd, kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren: Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd, dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas in werking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2.c Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse.

54/412

6.5.2 Onderzoek Voor het plangebied is in 2017 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van het verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat niet volledig is uit te sluiten dat de bodem niet is verontreinigd met asbest (zie bijlage 5). Gezien het feit dat in de bebouwing asbesthoudende materialen zijn toegepast, werd aanbevolen om na afronding van de sloopwerkzaamheden een asbestonderzoek conform NEN 5707 (grond) en/of NEN 5897 (puin) uit te laten voeren. Dit aanvullend asbestonderzoek is uitgevoerd (zie bijlage 6). De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder opgenomen. 6.5.3 Resultaten Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht diende te worden volgens de strategie voor een 'verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig' (VED-HE-NL). Het doel van het onderzoek in deze situatie was om vast te stellen of de verdenking al dan niet terecht is en in hoeverre de bepalingsgrens wordt overschreden. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als 'heterogeen verdacht' dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Er bestaan volgens Econsultancy dan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw, alsmede de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. Ingeval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. 6.5.4 Conclusie Ten aanzien van de geplande bestemmingswijziging is de bodem van de locatie voldoende onderzocht. Op basis van de huidige gegevens kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen bodemverontreinigingen te verwachten zijn die een mogelijke belemmering zijn voor de herontwikkeling van het gebied. Het plangebied is voldoende onderzocht.

6.6

Archeologie

6.6.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft een onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze

55/412

voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft in 2012 het eigen archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Deze kaart is in 2018 geactualiseerd en vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. 6.6.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden, het bijbehorend beleid in het bestemmingsplan en het reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018); Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (2011). Het Archeologisch onderzoek 6.6.3

Resultaten

In het parapluplan Archeologie en Parkeren is ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Waarde Archeologie 2' opgenomen. Hier is opgenomen dat een archeologisch onderzoek nodig is voor ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Om die reden is dan ook het plangebied archeologisch onderzocht. Archeologisch onderzoek Raadhuisplein Het plangebied is onderzocht door middel van een inventariserend veldonderzoek (rapport 16803.002, 1 december 2021). Het rapport is als bijlage 7 opgenomen in deze toelichting. Het onderzoek bestond uit een bureau- en een booronderzoek. Uit het Archeologisch onderzoek is gebleken dat er in het plangebied resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd worden verwacht in de top van het Hollandveen Laagpakket, wanneer de top van het veen is veraard. Uit het veldonderzoek is gebleken dat er een veraarde veentop in het plangebied aanwezig is. Deze veraarde veentop is een toemaakdek, aangebracht op het onderliggende veenpakket. Dit toemaakdek is aangebracht om het veengebied geschikt te maken voor landbouw. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de historische bebouwing en gezien de dikte van het toemaakdek (10 tot 90 cm) gaat het hier om landbouwgrond en niet om woongrond.

Op basis van het historisch kaartmateriaal is het plangebied tot 1950 in gebruik geweest als weiland en is er na 1950 bebouwing in het plangebied komen te staan. Aan de hand van de resultaten kan gesteld worden dat er een Middeleeuws niveau op het veen aanwezig is, echter is het gebied alleen gebruikt als weiland en zullen alleen sporen van landgebruik in het plangebied worden verwacht. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de archeologische verwachting voor resten uit de Late

56/412

Middeleeuwen-Nieuwe tijd in de top van het Hollandveen, direct onder een modern ophoogpakket, naar omlaag kan worden bijgesteld. Voor het plangebied wordt geadviseerd om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van het plangebied te halen en het plangebied vrij te geven voor toekomstige graafwerkzaamheden. 6.6.4 Conclusie De kans op de aanwezigheid van waardevolle intacte archeologische resten is gering. Voor deze locatie wordt geen dubbelbestemming archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. Het plangebied is voldoende archeologisch onderzocht.

6.7

Ecologie

6.7.1 Wet- en regelgeving Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de volgende landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Provinciale Omgevingsverordening (2021), met bijbehorende beleidsregels voor vergunningplicht voor stikstofuitstoot bij activiteiten. Indien beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in een plangebied, dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en een veldbezoek) te worden vastgesteld of het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar is, en: er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing soortbescherming Wnb); er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing aan Wnb gebiedsbescherming, ook wel voortoets genoemd); er wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) aangetast worden, maar ook of provinciaal compensatiebeleid met betrekking tot door de provincie aangewezen 'belangrijke weidevogelgebieden' aan de orde is. Indien deze beschermde natuurwaarden niet worden aangetast, wordt het project conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. In dat geval dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 1.11) van de Wnb.

De zorgplicht bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is maatregelen te nemen die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. 6.7.2 Onderzoek Het voormalige gemeentehuis is gesloopt. Voor de sloop van het pand zijn de benodigde ecologische onderzoeken uitgevoerd. Daarnaast is door het bevoegd gezag een ontheffing verleend voor vleermuizen om het gemeentehuis te kunnen slopen. In bijlagen 8, 9 en 10 zijn deze opgenomen. De gronden zijn bouwrijp opgeleverd. Op basis van de ontheffing is er een verplichting voor de nieuwbouw om inpandige alternatieve verblijfplaatsen

57/412

te realiseren voor vleermuizen. Dit kan door de luchtspouw geschikt te maken middels enkele stootvoegen, of door het aanbrengen van acht inmetselkasten. Zie punt 12 van de voorschriften uit de ontheffing in bijlage 8. 6.7.3 Resultaten 6.7.3.1 Gebiedsbescherming Voor het onderdeel gebiedsbescherming kunnen effecten worden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten zijn kleinschalig en hebben geen externe werking op natuurgebieden. Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein is het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000-gebied. De directe omgeving van het plangebied kent een stedelijk karakter. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De geplande ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie. In de AERIUS calculator is voor dit project de depositie berekend. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11.

Hieruit blijkt dat significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid-Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. 6.7.3.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Na de sloop van het pand is het plangebied beoordeeld op eventuele ecologische verwachtingen ter plaatse. De gebiedscan is opgenomen in bijlage 12. Geconstateerd wordt dat met de huidige inrichting (braakliggend terrein ingezaaid met grasmengsel) <5% kans is dat er zich beschermde soorten zullen vestigen die eventueel kunnen leiden tot vertraging in de ontwikkeling van het terrein. Indien het perceel met regelmaat kort wordt gemaaid zal het risico op het aantreffen van een beschermde soort afnemen naar <1%. Wel geldt de algemene zorgplicht voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventuele aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten en eventuele aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt voldaan aan de zorgplicht.

6.7.3.3 Houtopstanden Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. 6.7.4 Conclusie De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

58/412

6.8

Conventionele explosieven

6.8.1 Algemeen In de gemeente Waddinxveen is in 2012 historisch vooronderzoek gedaan naar Conventionele Explosieven (CE). Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er verdachte plekken zijn waar CE aangetroffen kunnen worden. Op basis van de beschikbare informatie zijn verschillende plekken aangewezen als verdacht gebied.

Afbeelding 6.3 Overzicht verdachte gebieden niet-gesprongen explosieven in de gemeente Waddinxveen (bron: Historisch Vooronderzoek Opsporing Conventionele Explosieven) 6.8.2 Onderzoek Op basis van nieuw onderzoek in de gemeente Waddinxveen zijn verschillende locaties niet meer als verdacht aangewezen. In afbeelding 6.4 is een uitsnede van de geactualiseerde kaart opgenomen waarin het plangebied met een rode cirkel is aangegeven.

59/412

Afbeelding 6.4 Uitsnede geactualiseerde kaart van de ontplofbare oorlogsresten, ter plaatse rode cirkel het plangebied (bron: ODMH) 6.8.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande ligt het plangebied dan ook buiten een gebied waar indicaties zijn van eventuele oorlogsresten.

6.9

Bezonning

6.9.1 Wet- en regelgeving Voor de bezonning van (woon)gebouwen en bijhorende terreinen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat in een bestemmingsplan een afweging plaatsvindt van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

60/412

6.9.2 Onderzoek Er zijn bezonningsstudies uitgevoerd voor de nieuwbouw én het maximaal toegestane bouwvolume op de locatie van het voormalige gemeentehuis in het bestemmingsplan 'Van station tot hefbrug'. De situatie is in verschillende seizoenen in beeld gebracht. Het gaat om de dagen 19 februari, 21 maart, 20 juni, 23 september, 21 oktober en 22 december. Het gaat daarbij om de dagsituatie in tijdsloten van 2 uur, tussen 10:00 uur 's ochtends en 18:00 uur 's avonds. In bijlage 13 zijn de bezonningsstudies van het vigerende plan en de nieuwbouw opgenomen. Niet alleen schaduwwerking is bij nieuwbouw relevant, maar ook het tegengaan van hittestress is een belangrijk item. Op warme dagen zorgt schaduw voor verkoeling. Aan de andere kant is het niet wenselijk dat nieuwbouw het zonlicht van bestaande gebouwen volledig ontneemt. Schaduwwerking Op basis van bijlage 13 blijkt dat de gevels van de omringende gebouwen, in ieder geval in de middag (12:00 tot 16:00 uur), bijna geheel gevrijwaard zijn van schaduw door de nieuwbouw. Alleen in het voorjaar en najaar is sprake van enige schaduwwerking, mmaar deze is vergelijkbaar met de schaduwwerking van het maximaal toegestane bouwvolume op de locatie van het voormalige gemeentehuis in het bestemmingsplan 'Van station tot hefbrug'.

Voor het ontwerp van de nieuwbouw zelf geldt voor alle gevels dat er overdag twee of meer schaduwvrije uren zijn. Dit geldt ook voor het voor- en najaar als de zon lager aan de hemel staat en dus langere schaduwen over het gebied werpt. Bezonning Naast de schaduwwerking kan uit bijlage 13 ook de bezonning worden afgelezen. Relevant zijn dan juist de middaguren in juni, waar (teveel) bezonning van gevels kan zorgen voor hittestress. Voor het overgrote deel van de gevels geldt dat ze een dagdeel in de schaduw liggen. Dat geldt niet voor de gevels op het zuiden aan de kant van het Raadhuisplein. De onderste bouwlagen aan de zuidzijde krijgen 's ochtends nog wel gedeeltelijk schaduw van de bebouwing aan de oostzijde. 6.9.3 Conclusie Uit de bezonningsstudie blijkt dat er geen sprake is van belemmering door schaduwwerking op gronden die ernaast liggen. Binnen het plangebied is voor alle getekende gevels sprake van schaduwvrije uren. Ook geldt voor de meeste gevels dat er sprake is van schaduwwerking, waarmee hittestress wordt beperkt. Voor de gevel aan de zuidzijde geldt dit niet. Hittestress kan hier worden beperkt door het gebruik van technische maatregelen.

6.10 Milieueffectrapportage 6.10.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.

61/412

1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r.-plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r.-plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling; b. de activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. de activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r.; b. de initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten heeft dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt c.q. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D van het Besluit m.e.r.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12650877/2