CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Revisievergunning Wagro milieu

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b - 58, Wagro38.177 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

1.2.92 Geaccepteerd, niet voor recycling geschikt verpakkingsafval van papier en karton moet ten behoeve van nuttige toepassing (zoals hoofdgebruik als brandstof) aan een inrichting worden aangeboden die daartoe bevoegd is. Op basis van sectorplan 4 (papier en karton) van LAP3 moet worden bepaald of verpakkingsafval geschikt is voor recycling. 1.2.93 Geaccepteerd en niet voor recycling geschikt kunststof verpakkingsafval (niet schud-, schrap of schraapleeg) moet ten behoeve van nuttige toepassing (zoals hoofdgebruik als brandstof) aan een inrichting worden aangeboden die daartoe bevoegd is. Op basis van sectorplan 11 (kunststof en rubber) van LAP3 moet worden bepaald of verpakkingsafval geschikt is voor recycling. 1.2.94 Verpakkingsafval uit voorschrift 1.2.88 waarop de voorschriften 1.2.92 en 1.2.93 niet van toepassing zijn, moet ten behoeve van nuttige toepassing in de vorm van hoofdgebruik als brandstof waarbij de metalen uit de reststoffen worden teruggewonnen voor recycling, worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is.

Brandbaar residu Mengen 1.2.95 Het bij het verwerken in de afvalscheidingsinstallatie ontstane brandbare residu mogen met elkaar worden gemengd. Het brandbaar residu dat mag worden gemengd is ontstaan bij de verwerking van de hierna volgende afvalstoffen: 1. huishoudelijk restafval; 2. restafval bedrijven; 3. gescheiden ingezameld GFT; Identificatie D-2024-00016929

61 van 93

4. 5. 6. 7. 8. 9.

gescheiden ingezameld organisch afval; groenafval; afval van openbare ruimten; kunststof en rubber; bouw- en sloopafval, en overige recyclebare monostromen.

1.3

Compostering

1.3.1

De gecomposteerde afvalstromen moeten tenminste voldoen aan de hiernavolgende eisen: a) ten hoogste 6 mg/kg droge stof PAK 16 (1; b) ten hoogste 3 g/kg droge stof macroscopische onzuiverheden groter dan 2 mm in één van de volgende vormen: glas, metaal of kunststof, en c) in totaal ten hoogste 5 g/kg droge stof macroscopische onzuiverheden als bedoeld onder b). (1 De som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen,

fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen. 1.3.2

Uit een elektronisch monitoringssysteem van de tunnelcompostering moet blijken dat de temperatuur en verblijftijd tenminste voldoet aan één van de temperatuur-tijdsprofielen voor compost (CMC 3) zoals genoemd in bijlage II van de EU verordening (EU) 2019/1009 van 5 juni 2019.

1.3.3

Jaarlijks mag maximaal 212.500 ton organisch (groen)afval en organisch (agrarisch) bedrijfsafval worden gecomposteerd via tunnelcompostering. Uit het op de inrichting aanwezige registratiesysteem moet de gecumuleerde gecomposteerde hoeveelheid organisch (groen)afval en organisch bedrijfsafval zijn af te leiden. Hierbij wordt elk kalenderjaar opnieuw gestart met cumuleren.

1.3.4

Het te composteren materiaal moet voordat het wordt versnipperd of op andere wijze wordt verkleind, zoveel mogelijk worden ontdaan van zichtbare grove verontreinigingen zoals plastic, metalen, papier en van overtollige zandfracties en dergelijke.

1.4

Puinbreker

1.4.1

De productiecontrole van de geproduceerde granulaten dient plaats te vinden conform de BRL 2506. Indien dit niet het geval is, dienen de uitgaande partijen granulaat, ten behoeve van afvoer voor nuttige toepassing elders, te zijn voorzien van het bewijsmiddel AP04.

1.4.2

De te breken steenachtige (puin)fractie dient voordat het breekproces plaatsvindt, door middel van een zeefinstallatie, te worden ontdaan van het brekerzeefzand dan wel aanhangende grond.

1.4.3

Indien gecertificeerd granulaat wordt geproduceerd conform de BRL 2506 is in afwijking van het gestelde in het vorige voorschrift, het mengen van brekerzeefzand dan wel aanhangende grond met granulaat, toegestaan.

1.4.4

Alle binnen de inrichting geproduceerde partijen granulaat moeten wat betreft de samenstelling en emissie voldoen aan bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.

1.4.5

De monstername en analyse van het granulaat en brekerzeefzand dienen plaats te vinden conform de Regeling bodemkwaliteit. Alle activiteiten die met de monsterneming samenhangen dienen in een monsternemingsplan te zijn omschreven.

Identificatie D-2024-00016929

62 van 93

1.4.6

Indien gecertificeerd granulaat wordt geproduceerd conform de BRL 2506 hoeft in afwijking van het gestelde in het vorige voorschrift geen monsternemingsplan te worden opgesteld.

1.4.7

Indien onverhoopt een geproduceerde partij granulaat niet blijkt te voldoen aan de eisen van bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit dient deze partij gescheiden te worden opgeslagen en te worden afgevoerd naar een verwerkingsinrichting.

1.4.8

Indien gecertificeerd granulaat wordt geproduceerd conform de BRL 2506 mag in afwijking van het gestelde in het vorige voorschrift de partij granulaat die niet blijkt te voldoen aan de eisen van bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit, alsnog achteraf worden “voorgezeefd”. Hierbij mag geen vermenging met andere partijen plaatsvinden. Indien de bewerkte partij granulaat alsnog niet blijkt te voldoen aan de eisen van bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit, dient deze partij gescheiden te worden opgeslagen en te worden afgevoerd naar een verwerkingsinrichting.

1.5

Geur

1.5.1

Van geurklachten uit de omgeving dient een registratie te worden bijgehouden met daarin in ieder geval per klacht: - datum en tijdstip van de klacht; - naam en locatie van de klager (indien bekend); - de mogelijke oorzaak van de klacht; - de naar aanleiding van de klacht ondernomen acties. Maatregelen

1.5.2

De kwaliteit van het ingenomen materiaal moet visueel worden gecontroleerd op onder andere materiaal dat in staat van ontbinding verkeert. Het is niet toegestaan om organische afvalstoffen te accepteren die in staat van ontbinding verkeren. Indien onverhoopt materiaal na acceptatie binnen de inrichting in staat van ontbinding verkeert, moet de afvalstof in de hal worden opgeslagen.

1.5.3

Ter voorkoming van geuroverlast moeten transportmiddelen met (restanten van) geurende afvalstoffen op het buitenterrein zijn afgezeild of anderszins dicht worden gehouden waardoor geurverspreiding wordt voorkomen (BBT 14).

1.5.4

De lading van transportmiddelen met geurende afvalstoffen moet zo spoedig mogelijk, doch binnen een half uur na aankomst zijn gelost, waarbij: - groenafval, GFT en organisch bedrijfsafval in de composteringshal is gebracht, - grasachtige materialen bij de kuil is gelost of in de composteringshal is gebracht, - RKGV op terreindeel B of C is gebracht, - baggerspecie op terreindeel B of C is gebracht, - substraatmatten op terreindeel A zijn gebracht.

1.5.5

Inkuildepots waarin grasachtig materiaal is ingekuild moeten direct bij aanleg worden verdicht en na aanleg worden afgedekt met een (afdek)folie van voldoende sterkte of gereed compost, zodat toetreding tot het depot van zuurstof en hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen. Deze afdekking moet, uitgezonderd tijdens het leeghalen van het depot, altijd gesloten zijn en in goede staat verkeren (BBT 14). Alleen materialen zoals sloot- en bermmaaisel, gras, kuilgras en/of hooi mogen worden ingekuild.

1.5.6 1.5.7

De tijdsduur voor het uitkuilen moet beperkt blijven tot 38 uur per jaar. Hiertoe moet een tijdsregistratie worden bijgehouden waarbij de datum, het tijdstip van aanvang en de tijdsduur wordt bijgehouden dat het uitkuilen plaatsvindt.

Identificatie D-2024-00016929

63 van 93

1.5.8

De opslag van oliën en vetten moet zich in een gesloten insluitsysteem bevinden (BBT 14).

1.5.9

Totdat de composteringshal in gebruik is genomen, mag het zeven van grond uit groenafval in de buitenlucht niet plaatsvinden als de uurgemiddelde windrichting zich tussen 1150 en de 2450 op de windroos (globaal van oostzuidoost, via het zuiden, tot zuidwest) bevind.

1.5.10 Nadat de composteringshal in gebruik is genomen mag het zeven van grond uit grondafval alleen in de composteringshal plaatsvinden. 1.5.11 De vrijkomende lucht bij het zeven van grond uit grondafval in de composteringshal moet actief worden afgezogen en wordt geleid door een zure gaswasser en biobedinstallatie. 1.5.12 De lucht die vrijkomt in de composteringshal waarin organisch materiaal wordt verwerkt (verkleinen, scheiden, composteren, biologisch drogen) en opgeslagen moet actief worden afgezogen en worden geleid door een zure gaswasser en biobedinstallatie. 1.5.13 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen en de verlengde duur van de opslag niet leidt tot een verhoging van de geurconcentratie uit de betreffende opslagvoorziening. 1.5.14 In de hal ten behoeve van tunnelcompostering mag op een oppervlak van 4.230 m2 een maximale hoeveelheid van 33.000 m3 te composteren materiaal (inclusief afgescheiden fracties) zijn opgeslagen.

1.5.15 Overheaddeuren van geurrelevante onderdelen van het bedrijf die in directe verbinding met de buitenlucht kunnen worden gebracht moeten zelfsluitend en met snelloopdeuren zijn uitgevoerd (BBT 14). 1.5.16 Deuren en doorlaten van de composteringshal waarin organisch materiaal wordt verwerkt (verkleinen, scheiden, composteren, biologisch drogen) en opgeslagen, mogen alleen worden geopend voor het direct doorlaten van personen en goederen. In de hal moet ten tijde van de opslag en werkzaamheden met geurveroorzakende goederen een onderdruk heersen (BBT 14). 1.5.17 Het lossen van de vrachtwagens met te composteren materiaal moet inpandig worden uitgevoerd waarbij de bij het lossen vrijkomende lucht wordt afgevoerd naar de zure wasser en biobedinstallatie. 1.5.18 In de afvalscheidingshal mogen geen activiteiten worden uitgevoerd met geurende afvalstoffen. Versnipperd hout is hiervan uitgezonderd. Toelichting: er worden ook bedrijfsafvalstoffen in de afvalscheidingshal opgeslagen, deze kunnen geurende componenten bevatten. Om te voorkomen dat deze bedrijfsafvalstoffen als geurende afvalstof wordt aangewezen is in het acceptatiereglement aangegeven dat bedrijfsafval geen snel afbreekbaar organisch materiaal mag bevatten waardoor geuremissie wordt voorkomen. 1.5.19 De percolaatwatertanks met afvalwater afkomstig van terreindelen B, C en D moeten zijn afgedekt.

1.5.20 Zodra geur wordt waargenomen afkomstig van de zeefoverloop moeten die geurende materialen inpandig worden opgeslagen.

Identificatie D-2024-00016929

64 van 93

Emissie-eis 1.5.21 De restconcentratie geur moet op het emissiepunt na de behandeling door de zure wasser en biobedinstallatie lager zijn dan 1.000 ouE/m3 (BBT 34). Metingen en rapportages 1.5.22 Binnen drie maanden na ingebruikname van de (zure) wasser en biobedinstallatie moet op de luchtstroom na de luchtbehandeling een geurmeting worden uitgevoerd waarbij de restconcentratie geur (ouE/m3) en ammoniak (NH3) worden bepaald. 1.5.23 De geurmeting van de emissie naar de lucht afkomstig van de (zure) wasser en biobedinstallatie (zoals bedoeld in voorschrift 1.5.22) moet elk half jaar worden herhaald (BBT 8). 1.5.24 Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065-2. De resultaten van de metingen en berekeningen moet worden gerapporteerd conform de NTA 9065-1. Als analysemethode mag de ‘ja/nee’-methode van de NEN-EN 13725 worden gebruikt. 1.5.25 Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de datum en het tijdstip waarop een meting zal worden uitgevoerd. 1.5.26 Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk twee maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden. 1.5.27 Een afschrift van de rapportage van de meting wordt in de inrichting bewaard tot ten minste het tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de eerstvolgende meting.

Monitoring biobedinstallatie 1.5.28 Binnen drie maanden na eerste ingebruikname van de biobedinstallatie moet aan de voorschriften 1.5.29 tot en met 1.5.31 worden voldaan. 1.5.29 De biobedinstallatie moeten zijn voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee de parameters die van belang zijn voor een goede werking van de biobedinstallatie worden geregistreerd. 1.5.30 In een elektronisch monitoringsysteem als bedoeld in voorschrift 1.5.29 moeten ten minste ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters geregistreerd: a) temperatuur van de lucht naar het biobed en de temperatuur in het biobed (°C); b) de tegendruk op het filterpakket (pascal); c) debiet van de ventilatoren (m03/h) naar het biobed. 1.5.31 Tenminste iedere week moet de zuurgraad van het filtermateriaal en de relatieve vochtigheid van de ingaande stroom naar het biobed na de zure gaswasser (%) worden geregistreerd. 1.5.32 De procesomstandigheden van de biobedinstallatie moeten zodanig zijn dat de waarden van de hieronder opgenomen parameters binnen de daarbij vermelde ranges blijven en voldoen aan de genoemde minimale dan wel maximale waarden.

Tabel 1.5.1: procesparameters en de proceswaarden van het biobed Procesparameter Range Eenheid Temperatuur in het biobed 15,0 – 38,0 °C Tegendruk op het biobed 3 – 30,0 mbar Zuurgraad van het filtermateriaal (pH) 6,0 – 8,5 Vochtgehalte van de ingaande luchtstroom (%) 95 -100 % Procesparameter Waarden Debiet (m3/h) ≤ 305.000 Nm3/h Verblijftijd van de lucht in het biobed* ≥ 30 seconden

Identificatie D-2024-00016929

65 van 93

Ammoniakconcentratie direct na de biobedinstallatie (NH3)

<2,7

mg/Nm3

* Gebaseerd op embty bed residence time (EBRT)

1.5.33 De geregistreerde waarden van de parameters worden gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard. 1.5.34 Voor de registratie van de parameters, bedoeld in voorschrift 1.5.32 en 1.5.47 moeten doelmatige meetvoorzieningen aanwezig zijn. 1.5.35 Van de gebruikte apparatuur ter vaststelling van de in tabel 1.5.1 opgenomen procesparameters moeten kalibratierapporten aanwezig zijn. 1.5.36 Bewijzen van de kalibraties moeten gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard. Gaswasser 1.5.37 De gaswasser moet zijn voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee de parameters die van belang zijn voor een goede werking van de gaswasser worden geregistreerd. 1.5.38 Indien uit de registratie, bedoeld in 1.5.47, blijkt dat de parameters worden overschreden, worden onmiddellijk maatregelen getroffen om een goede werking van de gaswasser te waarborgen. 1.5.39 Ten aanzien van het gebruik en onderhoud van de gaswasser, moeten gedragsvoorschriften zijn opgesteld.

In deze voorschriften wordt aangegeven: a) wanneer en op welke wijze de schoonmaak en het onderhoud van de gaswasser door een deskundige op het gebied van gaswassers zullen plaatsvinden; b) wanneer en op welke wijze de visuele controles en schoonmaak van de gaswasser door de drijver van de inrichting zullen plaatsvinden; c) op welke wijze de waarden en instellingen van de gaswasser die bepalend zijn voor de goede werking worden gecontroleerd, en d) welke maatregelen onmiddellijk worden getroffen om een goede werking van de gaswasser te waarborgen als blijkt dat de parameters worden overschreden. Monitoring gaswasser 1.5.40 Voor het vastleggen van de capaciteit en de totale maximale ventilatiebehoefte, bedoeld in artikel 1.5.41 onder a. is na in eerste ingebruikname van de gaswasinstallatie een opleveringsverklaring binnen de inrichting aanwezig.

1.5.41 In de opleveringsverklaring, bedoeld in 1.5.40, zijn ten minste de volgende gegevens opgenomen: a) de minimale benodigde ventilatiebehoefte om onderdruk in de hal te behouden; b) de maximale capaciteit van het gaswasinstallatie in kubieke meter per uur; c) het aanstroomoppervlak van het filterpakket in vierkante meter; d) de afmetingen, het volume en de samenstelling van het filterpakket; e) de afmetingen van de drukkamer; f) de drukval over het filterpakket in pascal; g) het zuurverbruik in liters per dag in geval van een chemische wasstap; h) het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur; i) het spuiwaterdebiet in liters per uur en de spuifrequentie; j) het waswaterdebiet in liters per uur.

Identificatie D-2024-00016929

66 van 93

1.5.42 Ten behoeve van een evenredige verdeling van de aanvoerlucht over het aanstroomoppervlak van het filterpakket van de gaswasser wordt voldaan aan 1.5.43 tot en met 1.5.45. 1.5.43 Het doorstroomoppervlak van het luchtkanaal bedraagt ten minste een vierkante centimeter per kubieke meter lucht bij de maximale capaciteit van de gaswasser. 1.5.44 De afstand tussen de ventilatoren die de lucht uit de hal zuigen en het filterpakket is ten minste drie meter. 1.5.45 In afwijking van 1.5.44 bedraagt de vrije ruimte voor het filterpakket ten minste een meter als de ventilatoren na het filterpakket zijn geplaatst. 1.5.46 Indien voor het filterpakket een reinigingsstap is geplaatst zonder filterpakket worden de afstanden, bedoeld in 1.5.44 en 1.5.45, gemeten tot deze reinigingsstap. Registratie elektronische monitoringsysteem 1.5.47 In een elektronisch monitoringsysteem van de gaswasser worden ieder uur de waarden van in ieder geval de volgende parameters geregistreerd: a) de zuurgraad van het waswater; b) de geleidbaarheid van het waswater in milliSiemens per centimeter; c) de spuiwaterproductie in kubieke meter; d) de drukval over het filterpakket in pascal; e) het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp in kilowatt uur. 1.5.48 Van de parameters, genoemd in 1.5.47, onderdelen c en e, moeten tevens de cumulatieve waarden worden geregistreerd.

1.5.49 Het waswater van het luchtwassysteem moet zijn voorzien van een laagdebietalarmering die in werking treedt als het debiet van het waswater te laag is voor een goede werking van het luchtwassysteem. 1.5.50 De geregistreerde waarden van de parameters moeten gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard. 1.5.51 Voor de registratie van de parameters, bedoeld in voorschrift 1.5.47 moeten doelmatige meetvoorzieningen aanwezig zijn. 1.5.52 Voor het meten van de spuiwaterproductie moet per spuiwaterstroom in de spuileiding een elektromagnetische flowmeter zijn geïnstalleerd. 1.5.53 Ten minste eenmaal per zes maanden moeten de EC-elektrode en de pH-elektrode gekalibreerd door een deskundige op het gebied van het kalibreren van elektrodes. 1.5.54 Bewijzen van de kalibraties moeten gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard.

1.6

Afvalwater

1.6.1

Afvalwater mag slechts in een vuilwaterriool worden gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan: d. de doelmatige werking van een openbaar riool niet wordt belemmerd; e. de doelmatige werking van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk niet wordt belemmerd; f. de doelmatige werking van de bij een openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur niet wordt belemmerd; g. de verwerking van slib dat verwijderd wordt uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk niet wordt belemmerd;

Identificatie D-2024-00016929

67 van 93

h. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden beperkt. 1.6.2

In het geval van een calamiteit waarbij verontreinigd afvalwater ontstaat moet de afvoer van het (afval)water dat als gevolg van de calamiteit vrijkomt naar het gemeentelijk persriool worden gestopt. De pompen die het afvalwater afkomstig van Wagro naar het persriool verpompen moeten op eenvoudige wijze uitgeschakeld kunnen worden. Op of in de directe nabijheid van de pomp moet duidelijk verifieerbaar zijn of de pomp is uitgeschakeld of niet.

1.6.3

Het is verboden op het vuilwaterriool afvalwater of afvalstoffen te lozen dat (die): - brand- of explosiegevaar kan (kunnen) veroorzaken; - door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen en waarvan kan worden voorkomen dat ze in het afvalwater terechtkomen; - stankoverlast buiten de inrichting kan (kunnen) veroorzaken; - verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken.

1.6.4

Het lozen van spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een vuilwaterriool is verboden.

1.6.5

Aanwezige molgoten en kolken moeten dusdanig worden onderhouden dat een onbelemmerde afvoer van afstromend (hemel)water altijd plaats kan vinden.

1.6.6

Dit voorschrift heeft uitsluitend betrekking op de lozing van de in onderstaande tabel genoemde afvalwaterstromen via het in de tabel 1.6.1 en op de rioleringstekening6 vastgelegde meet- en lozingspunt. Tabel 1.6.1: afvalwaterstromen

Omschrijving afvalwaterstroom Mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van terreindelen B en C Percolaatwater afkomstig van afvalstoffen van terreindelen B en C Water afkomstig van ontwateren van afvalstoffen op terreindelen B en C en in het tunnelcomposteringsgebouw

Zuiveringstechnische voorzieningen Bufferbassin, beluchting, coagulatie, separatie, slibafscheiding

Code Code meetpunt lozingspunt MP1 LP3

Bestemming Vuilwaterriool

1.6.7

De afvalwaterstromen van tabel 1.6.1 moeten worden verzameld in het op terreindeel C gelegen bassin voor afvalwater. Het bassin moet zodanig zijn gedimensioneerd dat in normale neerslagsituaties al het afvalwater kan worden opgevangen.

1.6.8

Voor het bevochtigen van de afvalstoffen en terreinoppervlakken ten behoeve van stofbestrijding op terreindelen B en C moet in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het water van de schoonwatercontainer van de zuivering (recirculatie). Als onvoldoende water beschikbaar is in de schoonwatercontainer wordt achtereenvolgens het water uit het waterbassin van terreindelen D/A1 of slootwater gebruikt.

6 Rioleringstekening behorende bij de aanvraag Revisie ingevolge de Wabo - Tweede bouwstap, kenmerk RT-5-

13-10-2023 van 13 oktober 2023 Identificatie D-2024-00016929

68 van 93

1.6.9

Indien de buffercapaciteit van de bassins onvoldoende is, mag het overtollige afvalwater worden verwerkt in de waterzuiveringsinstallatie of per as worden afgevoerd naar een AWZI of RWZI. Lozingseisen

1.6.10 Het uitgaande debiet van de afvalwaterzuivering naar LP3 mag maximaal 2,1 m3/uur bedragen. 1.6.11 Het te lozen afvalwater moet op meetpunt 3 (MP3) voldoen aan de daarbij genoemde voorwaarden: Tabel 1.6.2: lozingseisen Parameter

CZV N-totaal Onopgeloste bestanddelen

Maximale concentratie in enig steekmonster 900 120 300

Arseen Cadmium Chroom Koper Kwik Nikkel Lood Zink

0,05 0,05 0,15 0,5 5 0,5 0,1 1

Eenheid

mg/l mg/l mg/l mg/l mg/l mg/l mg/l ug/l mg/l mg/l mg/l

1.6.12 De pH-waarde van het afvalwater moet op meetpunt MP3 in enig steekmonster tussen 6.5 en 10 zijn.

Meting, bemonstering en analyse 1.6.13 Het uit de waterzuiveringsinstallatie te lozen afvalwater moet ten minste eenmaal per maand representatief worden bemonsterd en worden geanalyseerd op de in tabel 1.6.3 genoemde parameters conform de daarbij genoemde methoden. De meet- en analyseresultaten moeten voor het bevoegd gezag ter inzage liggen. Tabel 1.6.3 Parameter CZV N-totaal

Norm NEN-ISO 15705:2003 NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1 (nitrietstikstof en nitraatstikstof) NEN-ISO 5663 of NEN 6646 (organisch stikstof)

Onopgeloste bestanddelen Arseen Cadmium Chroom Koper Kwik Identificatie D-2024-00016929

NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1 (ammoniumstikstof) NEN-EN 872 NEN 6966 NEN 6966 NEN 6966 NEN 6966 NEN 6966 69 van 93

Parameter Nikkel Lood Zink

Norm NEN 6966 NEN 6966 NEN 6966

Toelichting: In tabel 1.6.3 wordt verwezen naar (analyse-)methoden die worden beheerd en gepubliceerd door NEN. De publicatie van de (analyse-)methode wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging van een (analyse-)methode wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat jaar waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft plaatsgevonden. Vanaf de publicatiedatum tot 1 januari van het jaar nadat de norm van kracht is geworden mogen zowel de oude als de nieuwe analysemethode toegepast worden. Vanaf 1 januari van het jaar nadat de norm van kracht is geworden moet de nieuwe analysemethode gebruikt worden. Op de website van NEN (www.nen.nl) staan altijd de meest recente normen. 1.6.14 Ten behoeve van controle van het effluent van de waterzuivering dient voorafgaand aan de vermenging met ander afvalwater een controlevoorzieningen te zijn aangebracht. De voorziening moet in goede staat verkeren en altijd goed en veilig toegankelijk zijn. De controlevoorzieningen dient minimaal een afmeting van 300 x 300 mm te hebben. 1.6.15 De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN 6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3.

Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse. 1.6.16 In afwijking van 1.6.15 kunnen andere methoden voor emissiemetingen, monstername en conservering worden gebruikt, indien deze gelijkwaardig zijn aan de daar genoemde methoden. 1.6.17 Op een gemotiveerd schriftelijk verzoek van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag een andere frequentie vaststellen voor het meten, analyseren of bemonsteren. Dit geldt ook voor een verzoek om vermindering van de te bemonsteren en te analyseren parameters. 1.6.18 Het uitgaande debiet van de afvalwaterzuivering dient continu te worden gemeten en te worden geregistreerd. Registratie van de momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer of datalogger. 1.6.19 De vergunninghouder rapporteert de resultaten van analyses en metingen van voorschrift 1.6.13 aan het bevoegd gezag voor zover het resultaat van de analyse een overschrijding laat zien van de in voorschrift 1.6.11 opgenomen lozingseisen. Indien een overschrijding van de lozingseisen wordt geconstateerd worden de analyseresultaten zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een week na constatering aan het bevoegd gezag (analoog en/of digitaal) verstuurd.

De analyseresultaten die niet leiden tot een overschrijding van de in voorschrift 1.6.11 opgenomen lozingseisen worden overeenkomstig voorschrift 1.6.20 beschikbaar gehouden voor het bevoegd gezag waarbij de analyseresultaten tenminste 5 jaar worden bewaard.

Registratie 1.6.20 Ten behoeve van de lozingssituatie houdt de vergunninghouder de volgende gegevens bij in het registratiesysteem: de geloosde hoeveelheid afvalwater per dag op LP3; de data en de analyseresultaten van monsters die uit een controlevoorziening zijn genomen; de data waarop afvalwater en/of slibresten zijn afgevoerd en de afgevoerde hoeveelheden; Identificatie D-2024-00016929

70 van 93

-

eventuele bijzonderheden zoals incidenten en storingen die invloed kunnen hebben op de waterkwantiteit en/of waterkwaliteit; De bovenstaande informatie moet tenminste vijf jaar worden bewaard.

Het gebruik van hulpstoffen in de waterfase 1.6.21 De vergunninghouder moet zich ten doel stellen om bestaande lozingen met (hulp)stoffen of mengsels die conform de ABM 2016 vallen onder een saneringsinspanning A of Z te voorkómen dan wel de lozing van deze stoffen zo veel mogelijk te beperken. 1.6.22 De vergunninghouder mag zonder toestemming vooraf van het bevoegd gezag gebruik maken van nieuwe (hulp)stoffen en mengsels als die niet in het afvalwater terecht kunnen komen of als die stoffen conform de ABM 2016 vallen onder een saneringsinspanning B of C. 1.6.23 De vergunninghouder houdt een overzicht bij van de toegepaste (hulp)stoffen en mengsels die in het afvalwater terecht kunnen komen en conform de ABM 2016 vallen onder een saneringsinspanning B of C. 1.6.24 Dit overzicht van voorschrift 1.6.23 bevat per nieuwe (hulp)stof of nieuw mengsel: de gegevens overeenkomstig de volledige of basisset en de aanduiding waterbezwaarlijkheid, zoals genoemd in bijlage 3 behorend bij deze vergunning; een beschrijving van de hoeveelheid en de toepassing van de (hulp)stof of het mengsel; een beschrijving van de getroffen maatregelen om de lozing van schadelijke componenten te beperken en het effect van de maatregelen op de lozing; de omvang van de restlozing.

1.6.25 Wanneer een (nieuw) te gebruiken (hulp)stof of mengsel wordt geloosd en niet voldoet aan saneringsinspanning B of C, dan vraagt de vergunninghouder goedkeuring aan het bevoegd gezag. De vergunninghouder stuurt daarvoor minimaal één maand voorafgaand aan het gebruik van de stof of het mengsel een verzoek tot goedkeuring aan het bevoegd gezag. Het besluit moet worden voorbereid en bekendgemaakt volgens titel 4.1 Awb. 1.6.26 Dit verzoek bevat per nieuwe (hulp)stof of nieuw mengsel: de gegevens overeenkomstig de volledige of basisset en de aanduiding waterbezwaarlijkheid, zoals genoemd in bijlage 3 behorend bij deze vergunning; een beschrijving van de hoeveelheid en de toepassing van de (hulp)stof of het mengsel; een beschrijving van de getroffen maatregelen om de lozing van schadelijke componenten te beperken en het effect van de maatregelen op de lozing; de omvang van de restlozing.

1.7

Waterzuivering

1.7.1

Bij het uit het oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin polymeer wordt aangemaakt, wordt een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van polymeer en water voorkomt.

1.7.2

De aanmaak- en opslagtanks van polymeer dienen te zijn geplaatst boven een lekbak met een opvangcapaciteit van 110% van de totale maximale opslagcapaciteit van de tanks.

1.7.3

Toevoeging van polymeer aan het proces dient in onder dosering plaats te vinden. De (onder)dosering dient minimaal twee maal per dag gecontroleerd te worden. De mate van dosering dan wel bijstelling van de dosering alsmede onderliggend onderzoek voor de bijstelling (bijvoorbeeld d.m.v. schudproeven e.d.) dienen vastgelegd te worden in het milieulogboek.

Identificatie D-2024-00016929

71 van 93

1.8

Veiligheid Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

1.8.1

De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen tot 10 ton die vallen binnen de werkingssfeer zoals genoemd in tabel 1.1 van de PGS 15 en waarvan de ondergrens genoemd in tabel 1.2 van de PGS 15 wordt overschreden moet, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 3.1 t/m 3.4 (met uitzondering van paragraaf 3.4.4), 3.5 t/m 3.7, 3.10 t/m 3.18 en 3.19.1 van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 15.

1.8.2

De opslag van gasflessen (ADR klasse 2) die niet als werkvoorraad kunnen worden beschouwd moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening plaatsvinden en dient, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, te voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 6.1 en 6.2 van PGS 15. Indien de opslagvoorziening een gasflessenkast betreft moet de opslag voldoen aan de voorschriften van paragraaf 6.3 van de PGS 15. Brandveiligheid

1.8.3

Voorwaarden voor het gebruik van de waterbassins als bluswatervoorziening: Indien het bassin hoger is gelegen dan 1,5 meter boven het maaiveld zal er een (zuigbuis) voorziening moeten worden aangebracht zodat er snel en adequaat van het openwater gebruik gemaakt kan worden.

1.8.4

Eisen aan de zuigbuisvoorziening: - De aan te brengen voorziening dient water te onttrekken op een minimale diepte van 1 meter en zijn voorzien van een zuigkorf; - De zuigbuisvoorziening dient te worden uitgevoerd met een storzkoppeling met een nokafstand van 133 mm (NEN 3374); - Er dient jaarlijks onderhoud te worden gepleegd aan de zuigbuisvoorziening.

1.8.5

Eisen aan de capaciteit: - De minimale capaciteit voor de bluswatervoorziening is minimaal 90 m³ per uur gedurende een onafgebroken levertijd van vier uur; - Voor de zuigkorf om water te halen is een minimale diepte nodig van 1 meter.

1.8.6

Eisen aan de opstelplaats: - In de directe nabijheid van het bassin moet er een opstelplaats aanwezig zijn. Deze moet een breedte van 4 meter, een lengte van 10 meter en een vrije hoogte van 4,2 meter hebben; - Tevens dient de opstelplaats bestand te zijn tegen een aslast van 10 ton en een totaal gewicht van 15 ton; - De totale afstand tussen water en opstelplaats is max. 8 meter; - De verticale afstand tussen waterniveau en opstelplaats is max. 5 meter; - Op de opstelplaats mogen geen andere voertuigen geparkeerd zijn. De bluswaterwinplaats dient gemarkeerd te worden (“Opstelplaats brandweer vrijhouden”).

1.8.7

In geval van brand dienen de pompen (recirculatie) van het afvalwater uitgeschakeld te worden. Opslag van het chemicaliën in een bovengrondse tank

1.8.8

Een bovengrondse opslagtank van maximaal 150 m3 voor de opslag van chemicaliën inclusief de bijbehorende leidingen en appendages moet voldoen aan de voorschriften van de

Identificatie D-2024-00016929

72 van 93

paragrafen: 2.2.1, 2.2.2, 3.1, 3.2.1, 3.2.2, 5.2, 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.6, 5.7, 5.8, 6.2.2, 6.4.1, 6.7 en 6.8 van de PGS 31:2021 (versie 1, augustus 2021). Toelichting: de voorschriften van paragraaf 2.2.3 (bodembeschermende voorzieningen) van de PGS 31 zijn niet van toepassing verklaard. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de eisen voor bodembescherming bij RIE-inrichtingen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en daarom niet in de vergunning mogen worden opgenomen.

1.9

Bodem

1.9.1

Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet binnen drie maanden nadat dit voorschrift in werking is getreden een nulsituatieonderzoek zijn uitgevoerd ter plaatse van de nieuwe bodembedreigende activiteiten overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde onderzoeksopzet met projectnummer B-23083 Mv2 van 28 november 2023. Het onderzoek en rapport moeten overeenkomstig NEN 5740 worden uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaats zullen vinden.

1.10

Geluid

1.10.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting mag ter plaatse van de in tabel 10.1 genoemde beoordelingsposities niet meer bedragen dan: Tabel 10.1: Toetsingswaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de beoordelingsposities in dB(A). nummer* Omschrijving Beoordelingspositie 3 13 14 15

Tweede Bloksweg 52d IJsermanweg 7 IJsermanweg 9 Tweede Bloksweg 60

Dagperiode 07.00-19.00 u 1,5 m 49 47 44 46

Avondperiode 19.00-23.00 u 5m 36 33 33 35

Nachtperiode 23.00-07.00 u 5m 34 30 31 34

* De nummering verwijst naar tabel 5-a uit het rapport Wag.Wad.23.AO WABO-RO-03 van juli 2023 1.10.2 Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de inrichting mag ter plaatse van de in tabel 10.2 genoemde beoordelingsposities niet meer bedragen dan: Tabel 10.2: Toetsingswaarde maximale geluidsniveau (LAmax) ter plaatse van de beoordelingsposities in dB(A). nummer* Omschrijving Beoordelingspositie 3 13 14 15

Tweede Bloksweg 52d IJsermanweg 7 IJsermanweg 9 Tweede Bloksweg 60

Dagperiode 07.00-19.00 u 1,5 m 58 55 56 55

Avondperiode 19.00-23.00 u 5m 46 44 42 43

Nachtperiode 23.00-07.00 u 5m 46 44 42 43

* De nummering verwijst naar tabel 5-d uit het rapport Wag.Wad.23.AO WABO-RO-03 van juli 2023

Identificatie D-2024-00016929

73 van 93

1.10.3 De Handleiding meten en rekenen industrielawaai uit 1999 is van toepassing bij het bepalen van de in voorgaande voorschriften toegestane waarden.

1.11

Biomassacentrale

1.11.1 In de inrichting mag per kalenderjaar ten behoeve van de verbranding in de BMC in totaal maximaal 31.500 ton onder de euralcode 191207 vallend hout, zijnde schone biomassa, worden verwerkt. 1.11.2 De BMC mag pas in gebruik worden genomen nadat het warmtenet in gebruik is genomen. Uiterlijk één maand voor ingebruikname van de BMC moet het bevoegd gezag hiervan schriftelijk op de hoogte zijn gesteld. 1.11.3 Bij het lozen van spuiwater moet rekening worden gehouden met de beschikbare milieuinformatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. 1.11.4 Het te lozen spuiwater moet op een doelmatige wijze bemonsterd kunnen worden. 1.11.5 Gedurende het onderhoud van het gemeentelijke riool of stagnatie van de afvoer van rioolwater moet gedurende minimaal 24 uur worden voorzien in een adequate voorziening ten behoeve van de tijdelijke opvang van het afvalwater afkomstig van de BMC.

1.12

Stofverspreiding

1.12.1 Opslag, overslag en bewerken van niet-inerte stuifgevoelige (afval)stoffen moet zodanig plaatsvinden, dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat visueel waarneembare stofhinder optreedt op 2 meter vanaf de bron. 1.12.2 Bij het overladen van niet-inerte stuifgevoelige (afval)stoffen in de open lucht dient de storthoogte te worden beperkt tot minder dan 1 meter en dient dit zo mogelijk automatisch te worden geregeld. 1.12.3 De overslagactiviteiten van niet-inerte S4- en S5-producten dienen te worden gestaakt indien de windsnelheid 20 m/s (windkracht 8) of meer bedraagt. 1.12.4 Voor het bepalen van de windsnelheid dient in de inrichting een goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig te zijn. De windsnelheidsmeter moet op een juiste wijze worden geïnstalleerd en dient een voor de inrichting representatieve windsnelheid weer te geven. 1.12.5 De transportvoertuigen dienen zodanig te zijn geladen en/of afgedekt dat tijdens vervoersbewegingen op en vanaf de inrichting geen lading kan worden afgeschud dan wel op andere wijze verspreiding kan optreden van zwerfvuil, zand, stof of ander fijnkorrelig materiaal. 1.12.6 Het berijdbare gedeelte van het terrein moet ter voorkoming van stofvorming tijdig vochtig worden gehouden. Voor de stofbestrijding op de interne rijweg mag, voor zover deze rechtstreeks afwatert op oppervlaktewater c.q.

een sloot, uitsluitend oppervlaktewater worden gebruikt. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld tijdens vorst, dienen anderszins afdoende maatregelen te worden genomen. 1.12.7 De breker van steenachtig materiaal dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het ingaande materiaal zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen. 1.12.8 Gemorste niet-inerte stoffen moeten onmiddellijk na beëindiging van het verladen worden verwijderd. 1.12.9 De rijsnelheid van voertuigen op het terrein moet worden teruggebracht naar maximaal 15 km/h om het opwaaien van stof te minimaliseren. Identificatie D-2024-00016929

74 van 93

1.12.10 Stofverspreiding ten gevolge van het af- en aanrijden van verkeer moet worden tegengegaan. Het buitenterrein moet schoon worden gehouden (bijvoorbeeld door periodieke veegrondes). In droge perioden moet het wegdek om stofverspreiding te voorkomen besproeid of beneveld worden. 1.12.11 Het opslaan en mengen van niet-inerte goederen behorend tot stuifklassen S1 of S3 moet plaatsvinden in gesloten ruimtes.

1.13

Energie

1.13.1 Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. 1.13.2 Binnen zes maanden nadat dit voorschrift in werking is getreden, moet een rapportage van een energiebesparingsonderzoek aan het bevoegd gezag worden aangeboden. Het onderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage moet ten minste de volgende gegevens bevatten: a. een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); b. een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen; c. een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) ook op het gebied van de toepassing van duurzame energie, die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn, vastgesteld voor de installaties en (deel)processen die volgens de energiehuishouding tezamen ten minste een 90% bijdrage in het totale verbruik hebben. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd. d.

per maatregel (techniek/voorziening): - de jaarlijkse energiebesparing; - de (meer) investeringskosten; - de verwachte economische levensduur; - de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden; - een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing; - de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is. e. een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en goodhousekeepingmaatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing. 1.13.3 Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie in de inrichting door de rendabele maatregelen uit het energieplan zoals bedoeld in voorschrift 1.13.2 uit te voeren binnen de daarin gestelde termijn. Vergunninghouder mag een maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat het minstens evenveel bijdraagt aan verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting groter dan die van de vervangen maatregel.

1.13.4 Bij de aanschaf van energieverbruikers (verwarmingstoestellen, verlichting, machines, apparaten, transportmiddelen en dergelijke), de wijze van bedrijfsvoering, de opzet en/of het wijzigen van processen, dient zorg te worden gedragen aan het zuinig omgaan met energie.

Identificatie D-2024-00016929

75 van 93

1.13.5 Vergunninghouder moet jaarlijks, voor 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over de uitvoering van het energieplan. Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten: a. het totale netto primaire energiegebruik b. productievolumes; c. energiebeheersmaatregelen en hun effecten; d. energiebesparing projecten en hun effecten; e. overige projecten die tot energiebesparing hebben geleid en de effecten daarvan; f. onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten; g. (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energieplan, vergezeld van motivatie; h. (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, dit ook vergezeld van motivatie. 1.13.6 Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het besparingsplan energie, als bedoeld in voorschrift 1.13.2, actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. In geval de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d en e. 1.13.7 Bij het nemen van (investerings)beslissingen met een effect op het energieverbruik van de inrichting die niet zijn opgenomen in de meest actuele versie van het energieonderzoek, moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken.

Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of minder terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden.

1.14

Proefnemingen

1.14.1 Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan de in deze vergunning opgenomen technische installaties gebruiken en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring kan slechts worden verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen en de duur van de proefneming maximaal 12 aaneengesloten maanden bedraagt.

1.14.2 Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef als bedoeld in voorschrift 1.14.1, moeten de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt: - het doel en de noodzaak van de proefneming; - een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen; - de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu; - de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd; - de hoeveelheid in te zetten materiaal; - de duur van de proef. - de start- en te verwachten einddatum. 1.14.3 In aanvulling op het voorgaande 1.14.2, geldt voor proefnemingen waarbij geurneutralisatiemiddelen worden toegepast dat het plan hiervoor moet voldoen aan hetgeen hierover is bepaald in de ‘Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland van 22 januari 2019. Identificatie D-2024-00016929

76 van 93

1.14.4 Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet zoals bedoeld in voorschrift 1.14.2 goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Toelichting: voor het goedkeuren van een proefneming wordt titel 4.1 van de Awb gevolgd. 1.14.5 De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden. 1.14.6 De resultaten van de proefneming als bedoeld in voorschrift 1.14.1 moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 1.14.7 Het moment van aanvang en het moment van beëindigen van de proefneming moet schriftelijk per e-mail of post worden gemeld aan het bevoegd gezag.

Identificatie D-2024-00016929

77 van 93

2

Maatwerkvoorschriften

2.1

Afvalwater

2.1.1

In het te lozen afvalwater afkomstig van de gecombineerde tank- en wasplaats, gemeten ter plaatse van de controleput van de zuiveringstechnische voorzieningen, mag het gehalte aan de in onderstaande tabel genoemde parameters de daarbij genoemde grenswaarden niet overschrijden: Stof/ parameter

Maximale concentratie in steekmonster

Onopgeloste bestanddelen

300 mg/l

Minerale olie

200 mg/l

Tabel M2.1: lozingseisen voor het afvalwater afkomstig van de gecombineerde tank- en wasplaats

2.1.2

Het afvalwater afkomstig van de gecombineerde tank- en wasplaats moet worden geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.

2.1.3

Het te lozen afvalwater, als bedoeld in voorschrift 2.1.1, moet op elk moment kunnen worden bemonsterd. Daartoe moet het water via een controleput worden geleid, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinden.

2.1.4

De in voorschrift 2.1.3 bedoelde controleput moet op elk moment goed bereikbaar en toegankelijk zijn en voldoen aan algemene veiligheidsaspecten.

2.1.5

Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen worden uitgevoerd volgens: NEN-EN-ISO 9377-2 ten aanzien van olie; NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen;

2.1.6

De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN 6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.

2.1.7

In afwijking van voorschriften 2.1.5 en 2.1.6 kunnen andere methoden voor emissiemetingen, monstername en conservering worden gebruikt, indien deze gelijkwaardig zijn aan de in die voorschriften genoemde methoden.

2.2

Grondwatermonitoring nabij de olie- en benzineafscheider

2.2.1

De drijver van de inrichting dient binnen twee maanden na het van kracht worden van het besluit een peilbuis in de directe nabijheid van de olie- en benzineafscheider te hebben geplaatst. De peilbuis dient: te worden geplaatst door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit; naast of maximaal op twee meter afstand van de influentzijde van de olie- en benzineafscheider te zijn geplaatst; snijdend met de grondwaterspiegel te zijn geplaatst; benedenstrooms ten opzichte van de olie- en benzineafscheider te zijn geplaatst; blijvend aanwezig en voor bemonstering geschikt te zijn; te zijn aangegeven op een duidelijke kaart/ tekening met schaal en noordpijl.

Identificatie D-2024-00016929

78 van 93

De eerste bemonstering en analyse van de peilbuis dient plaats te vinden binnen vier maanden na het van kracht worden van dit besluit. Bij de eerste bemonstering dient een rapport te worden geleverd met daarin bovengenoemde informatie en bewijzen, inclusief een boorstaat. 2.2.2

Indien niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 2.2.1 genoemde voorwaarden, dan kan de drijver van de inrichting middels een met reden omkleed verzoek, het bevoegd gezag verzoeken in te stemmen met een alternatief. Voordat uitvoering wordt gegeven aan het alternatief dient hiertoe goedkeuring te zijn gegeven door het bevoegd gezag.

2.2.3

Eenmaal per twee jaar moet uit de peilbuis, door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit, een grondwatermonster worden genomen. Het grondwatermonster moet worden geanalyseerd op olie en BTEX. De analyses dienen te worden uitgevoerd conform de actuele normen.

2.2.4

Indien uit de analyseresultaten, zoals bedoeld in de voorschriften 2.2.1 en 2.2.3, blijkt dat het grondwater, als gevolg van een lekkage bij de olie- en benzineafscheider is aangetast of verontreinigd tot boven de grenswaarde van nader bodemonderzoek, moet degene die de inrichting drijft binnen twee maanden een aanvullend onderzoek uitvoeren naar de grond- en grondwaterkwaliteit in de directe omgeving van de peilbuis.

2.2.5

De in de voorschriften 2.2.1, 2.2.3 en 2.2.4 bedoelde uitgangspunten en (analyse)resultaten moeten met vermelding van de naam en het adres van de drijver van de inrichting binnen een maand nadat de bemonstering heeft plaatsgevonden, zijn overgelegd aan het bevoegd gezag. Herstelplicht

2.2.6

Indien uit de analyseresultaten zoals bedoeld in de voorschriften2.2.1, 2.2.3 en 2.2.4 blijkt dat het grondwater en/of de grond is aangetast of verontreinigd, dient degene die de inrichting drijft ervoor zorg te dragen dat binnen zes maanden de bodemkwaliteit is hersteld tot de situatie zoals deze voor de olie-benzineafscheider is vastgelegd in een nulsituatie-onderzoek. Indien er geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is, dient degene die de inrichting drijft de bodem te herstellen naar de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

2.2.7

Degene die de inrichting drijft dient de aanvang en de afronding van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in voorschrift 2.2.6, ten minste vijf dagen van te voren te melden aan het bevoegd gezag.

2.2.8

Binnen twee maanden na afronding van de herstelwerkzaamheden dient middels een evaluatierapport, aan het bevoegd gezag, te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit is hersteld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 2.2.6.

2.3

Geuremissie afkomstig van de biomassacentrale

2.3.1

Binnen drie maanden na ingebruikname van de aangevraagde BMC moet vergunninghouder onder representatieve bedrijfsomstandigheden, door middel van geuremissiemetingen en berekeningen, aantonen of de geurimmissiesituatie voldoet aan de situatie zoals vastgesteld in het geurrapport “Geuronderzoek Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV revisievergunning i.v.m. realisatie hal”, WAGR23A1, 2 oktober 2023, van OIfasense B.V.

2.3.2

Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de geldende norm (NEN-EN 13725). Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065-1 en het NNM-handboek zijn. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065-1 in Europese geureenheden (ouE). Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de

Identificatie D-2024-00016929

79 van 93

geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk twee maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden. 2.3.3

Indien de geurimmissiesituatie als genoemd in maatwerkvoorschrift 2.3.1 niet voldoet, moeten maatregelen worden getroffen om hier alsnog aan te voldoen.

Identificatie D-2024-00016929

80 van 93

Bijlage 1: Aanvraag Bij de aanvraag zijn de onderstaande stukken ingediend. De onder A genoemde stukken maken onderdeel uit van de vergunning voor het onderdeel milieu. De overige documenten (onder B.) van de aanvraag dienen slechts ter achtergrondinformatie en maken, omwille van de flexibiliteit van deze vergunning, geen deel uit van het onderdeel milieu. A. Aanvullende informatie 23 november 2023 1 D-2023-00115236 2023-10-13 - Omgevingsvergunningmanagement - RT-5-13-10-2023 Rioleringstekening Bouwstap 2 Geschoonde versie 2 D-2023-00115234 2023-10-13 - Omgevingsvergunningmanagement - IT-3-06-10-2023 Inrichtingstekening bouwstap 2 Geschoonde versie 3 D-2024-00085268 Bijlage 3 Overzicht afval- grond- en hulpstoffen Wag.Wad.23.A-G-01 (geanonimiseerd) 4 D-2023-00119557 MEMO - doelmatigheid en mengen omgevingsrevisievergunning-Wag.Wad.23.notdoel-03 Geschoonde versie 5 D-2023-00114711 Bijlage 2 ‘Verwerkingsroutes’ van 2023-11-23 - FI 16191-3-RA-006 - Peutz Beschrijving van het acceptatie- en verwerkingsbeleid en de administratieve organisatie en interne controle (geanonimiseerd) 6 D-2023-00115240 2023-11-22 - Fl 16191-4-RA-005 - Peutz - Beschrijving van de inrichting inclusief niet-technische samenvatting Geschoonde versie B. Aanvraag ingediend 14 juli 2023 7 D-2023-00065321 Publiceerbare aanvraag (geanonimiseerd) 8

D-2023-00065324

(VERVANGEN) 2023-07-12 - wijz - Inrichtingstekening (geanonimiseerd)

9

D-2023-00065323

(VERVANGEN) 2023-07-12 - wijz - Rioleringstekening (geanonimiseerd)

10

D-2023-00065322

11

D-2023-00065320

12

D-2023-00065319

juli 2023 - Wag.Wad.23.LK WABO-RO-03 - M-tech - Onderzoek luchtkwaliteit (geanonimiseerd) (VERVANGEN) juli 2023 - WAGR21A7 - olfasense - Geuronderzoek Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV i.v.m. realisatie hal (geanonimiseerd) juli 2023 - WAG.Wad.23.Wnb-proj-03 - Projecttoelichting Wnb (geanonimiseerd)

13

D-2023-00065318

(VERVANGEN) 2023-07-12 - wijz - inrichtingstekening (geanonimiseerd)

14

D-2023-00065317

15

D-2023-00065316

2023-04-20 - Jaarlijkse controle bovengrondse chemie opslaginstallatie (geanonimiseerd) (VERVANGEN) 2023-07-12 - wijz - Rioleringstekening (geanonimiseerd)

16

D-2023-00065315

17

D-2023-00065314

18

D-2023-00065313

19

D-2023-00065312

20

D-2023-00065311

21

D-2023-00065310

22

D-2023-00065309

23

D-2023-00062061

Notitie - BBT maatregelen per IPPC-installatie revisievergunning Wagro (geanonimiseerd) juli 2023 - Wag.Wad.23.AO WABO-RO-03 - M-tech - Akoestisch onderzoek (geanonimiseerd) (VERVANGEN) 2022 BREF-afvalbehandeling juli2023 xlsx

24

D-2023-00062060

Wagro op- overslag bulkgoederen xlsx

25

D-2023-00062054

Revisie 2023 Wagro PGS-31ijzerchlorice xlsx

Identificatie D-2024-00016929

(VERVANGEN) Notitie - overgang oude omgevingsvergunning naar aangevraagde omgevingsrevisievergunning (geanonimiseerd) uittreksel handelsregister - 29049630 (geanonimiseerd) (VERVANGEN) 2023-07-14 - FI 16191-3-RA-003 - peutz - Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. (geanonimiseerd) (VERVANGEN) 2023-07-14 - FI 16191-4-RA-003 - peutz - Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV; aanvraag revisievergunning (geanonimiseerd) Machtiging Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV (geanonimiseerd)

81 van 93

26

D-2023-00062053

27

D-2023-00062045

(VERVANGEN) Notitie - doelmatig beheer van afvalstoffen en mengen aanvraag omgevingsrevisie vergunning Wagro Revisie 2022 Wagro PGS-31 zwavelzuur xlsx

28

D-2023-00062044

ODMH - M.e.r.-beoordelingsbesluit

29

D-2023-00062043

30

D-2023-00062039

(VERVANGEN) Bijlage 3 Aanvraag revisievergunning ingevolge artikel 2.6 Wabo / Wagro BV te Waddinxveen 2022 Wagro BREF energieefficientie xlsx

31

D-2023-00119553

(VERVANGEN) 2023-07-12 - 14336JBOS - Bos Milieuadvies RISICOBEOORDELING NRB Geschoonde versie

Aanvullende informatie 23 november 2023 32 D-2023-00115252 Overzicht afval grond en hulpstoffen Geschoonde versie, specifiek tabellen III-a en III-b 33 D-2023-00115251 AERIUS projectberekening 20231121202951 - Beoogde situatie bouw en gebruik Geschoonde versie 34 D-2023-00115250 AERIUS projectberekening 20231121202339 - Beoogde situatie bouwen gebruik 2024 Geschoonde versie 35 D-2023-00115249 AERIUS projectberekening 20231121202239 - Beoogde projectsituatie revisievergunning Geschoonde versie 37 D-2023-00115244 AERIUS projectberekening 20231121202158 - Beoogde projectsituatie revisievergunning Geschoonde versie 38 D-2023-00115243 ABM beoordelingssysteem voor stoffen en mengsels - Actipol Geschoonde versie 39

D-2023-00115242

2023-11-22 - Toelichting op verzoek aanvullende gegevens Geschoonde versie

40

D-2023-00115241

41

D-2023-00115238

42

D-2023-00115233

2023-11-22 - Notitie overgang oude omgevingsvergunning naar aangevraagde Geschoonde versie 2023-11 - WAG.Wad.23.Wnb-proj-04 - Omgevingsvergunningmanagement Projecttoelichting WNB Geschoonde versie 2023-10-12 - Bos milieuadvies - Risicobeoordeling NRB Geschoonde versie

43

D-2023-00115231

2023-10-02 - WAGR23A1 - Olfasense -Geuronderzoek Geschoonde versie

44

D-2023-00115230

45

D-2023-00115229

46

D-2023-00114711

47

D-2023-00113694

2023-03-04 - Brenntag - Veiligheidsinformatieblad Ijzerchloride 40% Geschoonde versie 2021-03-05 - BRENNTAG - Safety data sheet according to Regulation Geschoonde versie 2023-11-23 - FI 16191-3-RA-006 - Peutz - Beschrijving van het acceptatie- en verwerkingsbeleid en de administratieve organisatie en interne controle (geanonimiseerd), behoudens bijlage 2 ‘Verwerkingsroutes’ ABM beoordelingssystematiek voor stoffen en mengsels - ijzer III-chloride

48

D-2023-00113712

49

D-2023-00115235

50

D-2023-00115232

Identificatie D-2024-00016929

BBT-tool DCMR 2021 Wagro revisievergunning 2022 BREF-afvalbehandeling okt2023 Geschoonde versie 2023-10-13 - Omgevingsvergunningmanagement - RT-5-13-10-2023 Rioleringstekening Bouwstap 1 Geschoonde versie 2023-10-06 - Omgevingsvergunningmanagement - IT-3-06-10-2023 Inrichtingstekening Geschoonde versie

82 van 93

Bijlage 2: Begrippen Aanvaardbaar hinderniveau

Afgifte

Afvalstoffen

Agrarisch afval

Andere nuttige toepassing Baggerspecie

Bedrijfsafval

Identificatie D-2024-00016929

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten: - toetsingskader; - geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; - aard en waardering van de geur (hedonische waarde); - klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder; - technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies; - de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBTdocumenten; - lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaaleconomische aspecten en andere lokale afwegingen); - historie van het bedrijf in zijn omgeving. Door afgifte van een afval stof krijgt een andere rechtspersoon of natuurlijk persoon het bezit van de afvalstof. De eigendomsverhoudingen in goederenrechtelijke zin ten aanzien van de afvalstof zijn daarbij irrelevant, tenzij in de betreffende tekst van het LAP anders is bepaald Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Plantaardig afval van land- en tuinbouwbedrijven dat vrijkomt bij de agrarische bedrijfsvoering. Grof tuinafval, berm- en slootmaaisel, afval van hoveniersbedrijven en afval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van terreinen van instellingen en bedrijven is van de definitie uitgezonderd.

Nuttige toepassing niet zijnde 'voorbereiden voor hergebruik' of 'recycling'. Materiaal bestaande uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Onder bedrijfsafval vallen alle afvalstoffen afkomstig uit de dienstverlenende sector (winkels, kantoren, inrichtingen e.d.) en industriële sector die qua aard en samenstelling overeenkomen met huishoudelijk afval. Van deze definitie is uitgezonderd: gevaarlijke afvalstoffen, afval in vuilniszakken, autobanden, asfalt, asbest, 83 van 93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464759/2