CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Revisievergunning Wagro milieu

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b - 58, Wagro38.177 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Wettelijk kader Bij herziening van een bestaande vergunning moet opnieuw getoetst worden aan de richtwaarde uit tabel 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De aard van de woonomgeving ter hoogte van de dichtstbij gelegen woning kan volgens tabel 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening in verband met de drukke Beijerincklaan (N453) die op korte afstand van de woningen is gelegen het best vergeleken worden met de omschrijving “woonwijk in stad”. Bij een dergelijke omgeving is een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde passend. Voor de normstelling wordt derhalve uitgegaan van de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Op basis van de Handreiking is de streefwaarde voor het maximale geluidsniveau (LAmax) het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) + 10 dB met als maximum 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Normstelling Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) In het model zijn de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (LAr,LT) in de representatieve bedrijfssituatie berekend. Op de rekenpunten bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 49 dB(A) in de dagperiode, 36 dB(A) in de avondperiode en 34 dB(A) in nachtperiode inclusief BMC.

Zonder de BMC bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 49 dB(A) in de dagperiode, 33 dB(A) in de avondperiode en 27 dB(A) in nachtperiode op de rekenpunten. In de voorschriften worden de hoogste geluidswaarden opgenomen zodat in beide situaties de inrichting hieraan kan voldoen. Tevens voldoen de geluidswaarden aan de richtwaarde. In de vergunningvoorschriften is uitgegaan van de situatie dat de BMC gerealiseerd gaat worden. Als de BMC niet gerealiseerd wordt, hebben wij de mogelijkheid de vergunningvoorschriften hierop aan te passen. Maximale geluidsniveau (LAmax) De activiteiten die verantwoordelijk zijn voor de optredende maximale geluidsniveaus (LAmax) zijn het dichtslaan van portieren van personenwagens, het afblazen van het remsysteem van een Identificatie D-2024-00016929

39 van 93

vrachtwagen en het schrapen over de verharding met de laadbak van een shovel. Als gevolg van deze activiteiten treden maximale geluidsniveaus op van 58 dB(A). De toetsingswaarde wordt 58 dB(A), 46 dB(A) en 46 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De inrichting kan hieraan voldoen. Verkeersaantrekkende werking De afstand van de weg tot de dichtstbij de weg gelegen woningen is circa 20 meter. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de Circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van 29 februari 1996. 2.1.3.8

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) (bijlage 2) zijn grenswaarden voor de luchtkwaliteit, betreffende de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen opgenomen. Tevens is in deze bijlage een richtwaarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10-fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. De concentraties van de meeste van deze stoffen zijn in Nederland ruim onder de grenswaarden. De grenswaarden voor NO2 en PM10 worden soms overschreden. Alleen ten aanzien van de stoffen die genoemd zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer en waarvan te verwachten is dat deze stoffen door de inrichting in wezenlijke mate worden uitgestoten is het noodzakelijk dat een onderzoek wordt verricht. Voor de onderhavige inrichting kan dit het geval zijn voor de stoffen NO2 en PM10 en PM2,5. In tabel 5 zijn van deze concentraties de grenswaarden opgenomen. Stof

Jaargemiddelde

Uurgemiddelde

24uursgemiddelde

Opmerkingen

200 µg/m3

n.v.t.

Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden

40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3

24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Stikstofdioxide 40 µg/m3 (NO2) Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Tabel 5: Grenswaarden Wet milieubeheer In Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (art. 5.16, eerste lid) is vastgelegd dat het bevoegd gezag een vergunning kan verlenen als aannemelijk is gemaakt dat één van de volgende situaties van toepassing is: a. de uitoefening niet leidt tot het overschrijden van grenswaarden genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. b. de luchtkwaliteit verbetert (per saldo) of blijft ten minste gelijk; c. de uitoefening draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht. De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties

Identificatie D-2024-00016929

40 van 93

d.

van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde (dit is gelijk aan 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld); de inrichting (of het bedrijventerrein) is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of maakt deel uit van een bedrijventerrein dat is opgenomen of past binnen het NSL.

Toetsing aan de Wet milieubeheer Wagro wil nieuwe bedrijfshallen realiseren voor composteer/droogactiviteiten en scheidingsactiviteiten op het bestaande terrein en wenst de activiteiten binnen het bestaande terrein te verplaatsen. Het luchtkwaliteitsrapport “Onderzoek Luchtkwaliteit, Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning en wijziging bestemmingsplan voor de inrichting gelegen aan de Tweede Bloksweg 54b-58 voor Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV te Waddinxveen” met rapportnummer Wag.Wad.23.LK WABO-RO-03 d.d. 14 juli 2023 opgesteld door M-tech is beoordeeld. Hieruit blijkt dat de onderzochte bronnen PM10, PM2,5 en NO2 “niet in betekende mate” zullen bijdragen aan de luchtkwaliteit en kunnen voldoen aan de grenswaarden. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is er geen bezwaar tegen het verlenen van deze vergunning. Toetsing Vanuit de inrichting treden gekanaliseerde en diffuse emissies naar de lucht op. Onderstaand zijn deze emissiepunten kort beschreven en is de toets aan het Activiteitenbesluit toegelicht. Emissiegrenswaarden volgens het Activiteitenbesluit Bij Wagro worden geen afvalstoffen met ZZS (>0,1% m/m) geaccepteerd. De meeste activiteiten vinden op het buitenterrein plaats en de hal waarin afvalstoffen zijn opgeslagen zijn natuurlijk geventileerd door nokventilatie. Een emissie-eis is op die emissiepunten niet van toepassing.

Stookinstallaties De emissies afkomstig van de stookinstallaties worden gereguleerd door paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit. Het betreft aardgasgestookte installaties, te weten een CV-ketel in het kantoor en twee gasgestookte heaters in de werkplaats. Op grond van artikel 3.7m uit de Activiteitenregeling gelden rechtstreeks werkende eisen aan de keuring en onderhoud van de ketels. Deze eisen zijn toereikend. Er is geen aanleiding tot het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften. Resterende diffuse emissies Uit het bedrijf komen incidenteel op nog enkele niet bij name genoemde plaatsen diffuse emissies vrij. Deze zijn echter zo gering van omvang dat nadere duiding en/of het treffen van maatregelen niet zinvol is. In paragraaf 3.3.6 van het Activiteitenbesluit zijn eisen opgenomen voor het op- en overslaan van goederen. Hierbij gaat het om inerte goederen. Als gevolg hiervan mogen er geen aanvullende voorschriften in de vergunning worden gesteld voor het op- en overslaan van inerte goederen. Wij zien vooralsnog geen reden om aanvullend op de voorschriften in het Activiteitenbesluit en -regeling maatwerkvoorschriften op te leggen. Voor de op- en overslag van niet-inerte goederen kunnen voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Voor het breken van steenachtige materialen is voorschrift 1.12.7 opgenomen. Hierin is Identificatie D-2024-00016929

41 van 93

opgenomen dat de brekerinstallatie voorzien moet zijn van een vaste sproei-installatie. Het doel hiervan is dat het ingaande materiaal zodanig vochtig wordt gemaakt dat stuiven wordt voorkomen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen. In paragraaf 1.12 zijn voorschriften opgenomen voor het tegengaan van stofoverlast door verwaaiing van niet-inerte stoffen. Voor inerte stoffen zijn reeds afdoende voorschriften opgenomen in paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit.

3

Conclusie

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het onderdeel milieu zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. Aan deze beschikking zijn voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in § 2.3 van de Wabo. Waar nodig is een toelichting of motivering opgenomen. Daarnaast zijn maatwerkvoorschriften vastgesteld in de paragrafen 2.1 t/m 2.3. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, namens dezen, Drs. W. Teeuwen, Afdelingshoofd Bedrijven Omgevingsdienst Midden-Holland

Identificatie D-2024-00016929

42 van 93

Voorschriften 1

Milieu

1.1

Algemeen Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.1.1

Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.1.2

De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.3

Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen. Ongediertebestrijding

1.1.4

Binnen de inrichting moet binnen drie maanden na inwerkingtreden van dit voorschrift een actueel en door het bevoegd gezag goedgekeurd ongedierte-, knaagdieren- en insectenbestrijdings- en preventieplan aanwezig zijn. Dit plan moet elk jaar worden geactualiseerd en uiterlijk 1 februari bij het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd. Bij het opstellen van het plan moet gebruik worden gemaakt van een in insectenen dierplaagbeheersing gespecialiseerd bedrijf. Een inhoudelijke bijdrage of beoordeling van dit bedrijf moet aantoonbaar in het plan zijn opgenomen. Ten aanzien van de bestrijding en preventie van ongedierte, knaagdieren en insecten moet het plan ten minste de volgende onderdelen bevatten: a. inventarisatie van alle mogelijke ontwikkelingsbronnen voor insecten binnen de inrichting; b. inventarisatie van te nemen (bron)maatregelen ter voorkoming van de ontwikkeling van insecten. c. inventarisatie van te nemen maatregelen ter voorkoming/beperking van de verspreiding van ongedierte, knaagdieren en insecten vanuit de inrichting. d. te gebruiken bestrijdingsmiddel(en) volgens de geldende Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; e. te hanteren bestrijdingsmethode(n); f.

te hanteren bestrijdingsfrequentie (frequentie afhankelijk van temperatuur, vaker bij temperaturen met kortere ontwikkelingstijd voor insecten bijvoorbeeld gedurende de zomermaanden of de frequentie baseren op een systeem, waarbij aantallen insecten in een hal wordt gemonitord met een monitoringssysteem dat een representatief beeld geeft, ondanks de concurrerende kracht van het aanwezige afval); g. overzicht van maatregelen die getroffen kunnen worden; h. overzicht van maatregelen die getroffen zullen worden, inclusief per maatregel een implementatietermijn. Het niet doorvoeren van bepaalde maatregelen die getroffen kunnen worden, maar niet worden doorgevoerd moeten beargumenteerd zijn.

1.1.5

Conform het goedgekeurde ongedierte-, knaagdieren- en insectenbestrijdings- en preventieplan uit voorschrift 1.1.4 dien(t)(en): a. bestrijding van ongedierte, knaagdieren en insecten plaats te vinden; b. maatregelen te zijn genomen om de ontwikkeling van insecten te voorkomen/beperken; c. maatregelen te zijn genomen om verspreiding van ongedierte, knaagdieren en insecten buiten de inrichting te voorkomen/te beperken.

Identificatie D-2024-00016929

43 van 93

1.1.6

De vergunninghouder kan om afwijking van de frequentie van voorschrift 1.1.4 verzoeken via een daartoe gemotiveerd verzoek dat ter goedkeurig wordt ingediend bij het bevoegd gezag. Van de frequentie kan worden afgeweken nadat daartoe schriftelijke goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag.

1.1.7

Containers met afval waaruit insecten kunnen voortkomen en die in de buitenlucht staan opgesteld, moeten volledig zijn afgedekt, zodanig dat de aantrekkende werking en bereikbaarheid van dit afval voor insecten zo veel mogelijk wordt beperkt, als ook de mogelijkheid van verspreiding van insecten uit dit afval. Instructies

1.1.8

De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.1.9

De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften. Meldingen en wijzigingen vergunninghouder

1.1.10 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag. 1.1.11 Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 10 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1.1.12 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld. Ongewone voorvallen 1.1.13 Binnen de inrichting moet een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig zijn. Verder moeten binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig zijn: a. alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen; b.

de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik. Deze documenten moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

Identificatie D-2024-00016929

44 van 93

Bedrijfsbeëindiging 1.1.14 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de –te beëindigen– activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd. 1.1.15 Ten aanzien van de overgangsfase van de buitencompostering naar het inpandig composteren moet een planning worden opgesteld waaruit blijkt: a. binnen welk tijdspad onderdelen van de nieuwbouw worden opgeleverd en in gebruik worden genomen, b. wanneer en afhankelijk waarvan bestaande activiteiten worden afgebouwd en gestaakt en c. wanneer en onder welke voorwaarden de activiteiten in de hallen worden gestart. 1.1.16 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

Milieuzorgsysteem 1.1.17 Ter verbetering van de algehele milieuprestaties, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd en nageleefd, waarin alle volgende elementen zijn opgenomen en uitgewerkt: d. betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management; e. uitwerking door het management van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de installatie omvat; f. planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen; g. uitvoering van procedures met bijzondere aandacht voor: - bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid, - aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid, - communicatie, - betrokkenheid van de werknemers, - documentatie, - efficiënte procescontrole, - onderhoudsprogramma's, - noodplan en rampenbestrijding, - waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving; h. controle van de prestaties en nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor: - monitoring en meting, - corrigerende en preventieve maatregelen, - bijhouden van gegevens, - onafhankelijke (waar mogelijk) interne of externe audits om vast te stellen of het MBS voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd; i.

beoordeling door het senior management van het Energiemanagementsysteem (EMS) en de blijvende geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan; j. volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;

Identificatie D-2024-00016929

45 van 93

k. l.

bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan; op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.

Wijze van integratie milieuzorg in bedrijfsvoering 1.1.18 Een beschrijving van het milieuzorgsysteem, de in het milieuzorgsysteem vereiste procedures, werkinstructies en documenten en alle hieruit voortkomende gegevens en registers zijn op een overzichtelijke en inzichtelijke wijze op een te allen tijde voor medewerkers binnen de inrichting toegankelijke locatie aanwezig. Aan het bevoegd gezag wordt op verzoek inzage in deze stukken gegeven. 1.1.19 De beschrijving van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van elke sleutelfunctie in het kader van het milieuzorgsysteem wordt altijd actueel gehouden. Voorlichting en opleiding 1.1.20 Aan alle binnen de inrichting werkzame personen, waaronder het personeel van derden, zijn toereikende schriftelijke instructies verstrekt, die erop gericht zijn, dat gedragingen van hun kant niet leiden tot een overtreding van de vergunningvoorschriften of een tekortkoming van het milieuzorgsysteem. 1.1.21 Ten einde een actieve betrokkenheid van de medewerkers bij de uitvoering van het bedrijfsmilieubeleid te bewerkstelligen wordt jaarlijks een voorlichtings- en opleidingsprogramma opgesteld. Uit dit programma blijkt op welke wijze de medewerkers worden voorgelicht en opgeleid over milieuaspecten, die met de uitvoering van hun werkzaamheden samenhangen. Aan het bevoegd gezag wordt op verzoek inzage in deze stukken gegeven.

1.2

Afvalstoffen Algemeen

1.2.1

De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden.

1.2.2

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig verpakkingen of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van 25 meter van de inrichting.

1.2.3

Het is verboden afvalstoffen te verdichten, tenzij: a. het geen gevaarlijke afvalstof betreft, en b. het verdichten geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling.

1.2.4

Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

Identificatie D-2024-00016929

46 van 93

Afvalscheiding 1.2.5

Vergunninghouder is verplicht de volgende bij de bedrijfsvoering ontstane afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: - papier en karton; - hout; - metalen; - huishoudelijk of daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval; - kunststoffen; - elektrische en elektronische apparatuur.

Tijdelijke situatie tot realisatie bouwstap 1 1.2.6

Tot de realisatie van bouwstap 1 zoals beschreven in de aanvraag mag de opslaghoogte van de los gestorte stoffen en materialen (afvalstoffen en niet-afvalstoffen) maximaal vijf meter boven het ter plaatse van de inrichting geldende maaiveld bedragen. Voor de composthopen geldt dat de hoogte maximaal vier meter boven het ter plaatse van de inrichting geldende maaiveld mag bedragen.

1.2.7

In afwijking van voorschrift 1.2.6 mag de opslaghoogte van de hieronder genoemde los gestorte stoffen en materialen maximaal acht meter boven het ter plaatse van de inrichting geldende maaiveld bedragen: - onbewerkt houtachtig groenafval, zoals snoeihout en takken (voor zover aanwezig op terreindeel A1, A2, D en E); - grond, met uitzondering van oliehoudende grond welke als niet toepasbaar wordt aangemerkt; - ingedroogde baggerspecie/grond (inert/niet-inert); - steenachtig bouw- en sloopafval/puin (inert); - bouw-, sloop- en resthout, niet zijnde gevaarlijk afval (inert); - compost, het eindproduct (inert/niet-inert); - puingranulaat (inert). Acceptatie

1.2.8

Totdat het gebouw voor tunnelcompostering (inclusief werkende gaswasser en biobedinstallatie) en scheidingsinstallatie in gebruik is genomen, mag in de inrichting maximaal 354.500 ton afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan per afvalstof zoals aangegeven in tabel 1.2.1. Bij de in de tabel opgenomen waarde voor acceptatie is ook de overslag van die afvalstroom inbegrepen.

Identificatie D-2024-00016929

47 van 93

Tabel 1.2.1: afvalstoffen en hun maximaal te accepteren en opgeslagen hoeveelheid. Afvalstof/-stroom

Euralcodes

groenafval en organisch bedrijfsafval

020103, 020107, 020199, 020304, 030101, 030301, 200201

Acceptatie maximaal (ton/jaar)

500 1) 84.000

grond (AW, Wonen, Industrie en > Industrie tot gevaarlijk afval)

170504, 191209, 200202

grond onbekende/ indicatieve samenstelling

170504, 191209, 200202

veegvuil riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib)

2002303 190802, 200306

baggerspecie (toepasbaar Bbk)

170506, 191209

baggerspecie (niet toepasbaar Bbk)

170506, 191209

Opslag maximaal (ton)

5.000 2) 8.500 3) 3.000 4) 22.000

90.000 20.000 30.000

6.000

10.000

2.500 15.000

100.000

Baggerspecie onbekende/ indicatieve samenstelling

6.000 10.000

plantaardige oliën en vetten organische reststoffen/materialen

190809, 200125 020304, 020399, 020501, 020601, 020704, 200201

steenachtig bouw- en sloopafval / puin

170101, 170102, 170103, 170107, 170302, 170504, 170508, 191209, 191302, 200202

bouw-, sloop- en resthout, niet zijnde gevaarlijk afval conform de Eural

030101, 030105, 030301, 150103, 170201, 191207, 200138, 200203

500

500

500

500

30.000

6.000

41.0005)

4.5006)

1) Los gestort groenafval en organisch bedrijfsafval 2) Ingekuild gras 3) Los gestort in compostering 4) Houtachtige fractie van groenafval en organisch bedrijfsafval 5) waarvan 31.500 ton/ jaar 19.12.07 bestemd voor de BMC 6) waarvan 3.000 ton/ jaar 19.12.07 wordt opgeslagen ter plaatse van de BMC

Situatie na realisatie bouwstap 1, tot bouwstap 2 1.2.9

Zes maanden nadat het eerste gebouwdeel voor tunnelcompostering en het gebouw voor de scheidingsinstallatie is gerealiseerd en volledig gereed is voor ingebruikname mag in de inrichting 658.000 ton afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan per afvalstof zoals aangegeven in tabel 1.2.2. Bij de in de tabel opgenomen waarde voor acceptatie is ook de overslag van die afvalstroom inbegrepen.

Identificatie D-2024-00016929

48 van 93

Tabel 1.2.2: afvalstoffen en hun maximaal te accepteren en opgeslagen hoeveelheid.

Afvalstroom Groenafval, GFT en organisch bedrijfsafval

Euralcode 02 01 03 02 01 07 02 03 01 02 03 02 02 03 03 02 03 04 02 03 05 02 05 01 02 06 01 02 07 04 02 07 05 03 03 11 19 09 02 19 12 12

Verontreinigd groenafval Grond 2)

Veegvuil RKG-slib Baggerspecie 3) Steenachtig materiaal/ puin

Glastuinbouw substraatmatten Glastuinbouw kunststof Bouw-, en sloopafval

Bedrijfsafval Grofvuil

20 01 08 20 02 01 02 01 99

Euralcode omschrijving afval van plantaardige weefsels afval van de bosbouw slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden afval van conserveermiddelen afval van oplosmiddelenextractie voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet onder 03 03 10 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse waterzuiveringsslib overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval biologisch afbreekbaar afval Niet elders genoemd afval 1)

17 05 04 19 12 09 20 02 02 20 03 03 19 08 02 20 03 06 17 05 06 17 01 01 17 01 02 17 01 03 17 01 07

Niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen Minerale stoffen (bv. zand, steen) 120.000 70.000 Grond en stenen Veegvuil Afval van zandvang Afval van het reinigen van riolen Niet onder 17 05 05 vallende baggerspecie Beton Stenen Tegels en keramische producten Niet onder 17 01 06 vallende mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten

17 03 02 17 05 08 19 13 02 02 01 99

Niet onder 17 03 01 vallende bitumineuze mengsels Niet onder 17 05 07 vallende spoorwegballast Niet onder 19 13 01 vallend vast afval van bodemsanering Niet elders genoemd afval 4)

02 01 04

Kunststofafval (exclusief verpakkingen)

17 09 04

Niet onder 17 09 01, 17 09 02 en 17 09 03 vallend gemengd bouw- en sloopafval

19 12 04 19 12 12

Kunststoffen en rubber Overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking Overig niet biologisch afbreekbaar afval Gemengde verpakking Gemengd stedelijk afval Grofvuil

20 02 03 15 01 06 20 03 01 20 03 07

Identificatie D-2024-00016929

Acceptatie Maximale maximaal opslag op (ton/jaar) enig moment (m3)

106.000

41.2007)

120.000

70.000

30.000 10.000

35.000

80.000

100.000

33.000

100.000

70.000

111.500 5)

7.700

49 van 93

Afvalstroom Hout

Zeefoverloop

Euralcode Euralcode omschrijving 03 01 01 Schors- en kurkafval 03 01 05 Niet onder 03 01 04 vallend zaagsel, schaafsel, spaanders, hout, spaanplaat en fineer 03 03 01 15 01 03 17 02 01 19 12 07 20 01 38 19 05 01 19 05 02 19 05 99

Plantaardige oliën en vetten

Acceptatie Maximale maximaal opslag op (ton/jaar) enig moment (m3)

19 08 09 20 01 25

Schors- en houtafval Houten verpakking Hout Niet onder 19 12 06 vallend hout Niet onder 20 01 37 vallend hout Niet-gecomposteerde fractie van huishoudelijk en soortgelijk afval Niet-gecomposteerde fractie van dierlijk en plantaardig materiaal Niet elders genoemd afval van de aërobe behandeling van vast afval Vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten

2. 3. 4. 5. 6. 7.

500

100

658.000

306.500

Spijsolie en -vetten totaal

1.

25.700 6)

betreft dusdanig met kunststof of substraten verontreinigd groenafval afkomstig van de land en tuinbouw zodat een voorscheiding noodzakelijk is voordat het afval verder verwerkt kan worden en bevat minder dan 50% verontreinigingen (euralcode 02.01). klasse: AW, wonen, industrie, niet toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. klasse: toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. betreft substraatmatten uit de land en tuinbouw wat voor meer dan 50% uit substraat bestaat (euralcode 02.01). waarvan maximaal 31.500 ton 19.12.07 bestemt voor de BMC. waarvan maximaal 7.700 m3 19.12.07 bestemt voor de BMC. Inpandig: 21.600 m3, uitpandig kuil en opslag houtachtig groenafval: 19.600 m3.

1.2.10 Om dubbeltelling te voorkomen moet bij de ingebruikname van de nieuw te realiseren gebouwen voor tunnelcompostering en scheidingsinstallatie de reeds in dat kalenderjaar geaccepteerde hoeveelheid afvalstoffen in mindering worden gebracht bij de in voorschrift 1.2.9 opgenomen maximale capaciteit voor acceptatie (ton/jaar). 1.2.11 Na eerste ingebruikname van het eerste deel van de composteringshal mogen geen nieuwe afvalstoffen ter compostering in de buitencompostering worden gebracht. Gedurende drie maanden na eerste ingebruikname van de composteringshal mogen de in compostering zijnde afvalstoffen worden uitgecomposteerd. Het moment van ingebruikname moet aan het bevoegd gezag worden gemeld.

Situatie na realisatie bouwstap 2 (eindsituatie) Acceptatie 1.2.12 Zes maanden nadat het tweede gebouwdeel voor tunnelcompostering is gerealiseerd en volledig gereed is voor ingebruikname mag in de inrichting 764.500 ton afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan per afvalstof zoals aangegeven in tabel 1.2.3. Bij de in de tabel opgenomen waarde voor acceptatie is ook de overslag van die afvalstroom inbegrepen.

Identificatie D-2024-00016929

50 van 93

Tabel 1.2.3: afvalstoffen en hun maximaal te accepteren en opgeslagen hoeveelheid.

Afvalstroom Groenafval, GFT en organisch bedrijfsafval

Euralcode 02 01 03 02 01 07 02 03 01 02 03 02 02 03 03 02 03 04 02 03 05 02 05 01 02 06 01 02 07 04 02 07 05 03 03 11 19 09 02 19 12 12

Verontreinigd groenafval Grond 2)

Veegvuil RKG-slib Baggerspecie 3) Steenachtig materiaal/ puin

Glastuinbouw substraatmatten Glastuinbouw kunststof Bouw-, en sloopafval

Bedrijfsafval Grofvuil

20 01 08 20 02 01 02 01 99

Euralcode omschrijving afval van plantaardige weefsels afval van de bosbouw slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden afval van conserveermiddelen afval van oplosmiddelenextractie voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse niet onder 03 03 10 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse waterzuiveringsslib overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval biologisch afbreekbaar afval Niet elders genoemd afval 1)

17 05 04 19 12 09 20 02 02 20 03 03 19 08 02 20 03 06 17 05 06 17 01 01 17 01 02 17 01 03 17 01 07

Niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen Minerale stoffen (bv. zand, steen) 120.000 70.000 Grond en stenen Veegvuil Afval van zandvang Afval van het reinigen van riolen Niet onder 17 05 05 vallende baggerspecie Beton Stenen Tegels en keramische producten Niet onder 17 01 06 vallende mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten

17 03 02 17 05 08 19 13 02 02 01 99

Niet onder 17 03 01 vallende bitumineuze mengsels Niet onder 17 05 07 vallende spoorwegballast Niet onder 19 13 01 vallend vast afval van bodemsanering Niet elders genoemd afval 4)

02 01 04

Kunststofafval (exclusief verpakkingen)

17 09 04

Niet onder 17 09 01, 17 09 02 en 17 09 03 vallend gemengd bouw- en sloopafval

19 12 04 19 12 12

Kunststoffen en rubber Overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking Overig niet biologisch afbreekbaar afval Gemengde verpakking Gemengd stedelijk afval Grofvuil

20 02 03 15 01 06 20 03 01 20 03 07

Identificatie D-2024-00016929

Acceptatie Maximale maximaal opslag op (ton/jaar) enig moment (m3)

212.500

65.0007)

120.000

70.000

30.000 10.000

35.000

80.000

100.000

33.000

100.000

70.000

111.500 5)

7.700

51 van 93

Afvalstroom Hout

Zeefoverloop

Euralcode Euralcode omschrijving 03 01 01 Schors- en kurkafval 03 01 05 Niet onder 03 01 04 vallend zaagsel, schaafsel, spaanders, hout, spaanplaat en fineer 03 03 01 15 01 03 17 02 01 19 12 07 20 01 38 19 05 01 19 05 02 19 05 99

Plantaardige oliën en vetten

Acceptatie Maximale maximaal opslag op (ton/jaar) enig moment (m3)

19 08 09 20 01 25

Schors- en houtafval Houten verpakking Hout Niet onder 19 12 06 vallend hout Niet onder 20 01 37 vallend hout Niet-gecomposteerde fractie van huishoudelijk en soortgelijk afval Niet-gecomposteerde fractie van dierlijk en plantaardig materiaal Niet elders genoemd afval van de aërobe behandeling van vast afval Vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten

2. 3. 4. 5. 6. 7.

500

100

764.500

306.500

Spijsolie en -vetten totaal

1.

25.700 6)

betreft dusdanig met kunststof of substraten verontreinigd groenafval afkomstig van de land en tuinbouw zodat een voorscheiding noodzakelijk is voordat het afval verder verwerkt kan worden en bevat minder dan 50% verontreinigingen (euralcode 02.01). klasse: AW, wonen, industrie, niet toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. klasse: toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. betreft substraatmatten uit de land en tuinbouw wat voor meer dan 50% uit substraat bestaat (euralcode 02.01). waarvan maximaal 31.500 ton 19.12.07 bestemt voor de BMC. waarvan maximaal 7.700 m3 19.12.07 bestemt voor de BMC. waarvan 14.000 m3 houtachtig groenafval losgestort op terreindeel A, 18.000 m3 gras in het inkuildepot en 33.000 m3 in de tunnelcomposteringshal.

1.2.13 Om dubbeltelling te voorkomen moet bij de ingebruikname van het nieuw te realiseren gebouwdeel voor tunnelcompostering de reeds in dat kalenderjaar geaccepteerde hoeveelheid afvalstoffen in mindering worden gebracht bij de in voorschrift 1.2.12 opgenomen maximale capaciteit voor acceptatie (ton/jaar). AV AO/IC 1.2.14 De vergunninghouder moet altijd handelen overeenkomstig het door het bevoegd gezag goedgekeurde AV-beleid en de AO/IC inclusief (voor zover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen. 1.2.15 Het in voorschrift 1.2.14 bedoelde AV-beleid en de AO/IC moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen. 1.2.16 Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten uiterlijk acht weken voordat de wijziging wordt doorgevoerd (ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist) schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden: - de reden tot wijziging; - de aard van de wijziging; - de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het AV-beleid en de AO/IC; - de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren. Pas na schriftelijke toestemming van bevoegd gezag mag de wijziging worden doorgevoerd.

Identificatie D-2024-00016929

52 van 93

Afvalstoffenregistratie 1.2.17 In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende moet worden vermeld: a) de datum van aanvoer; b) de aangevoerde hoeveelheid (kg); c) de naam en adres van de locatie van herkomst; d) de naam en adres van de ontdoener; e) de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen; f) de euralcode; g) het afvalstroomnummer (indien van toepassing). Ad c

Ad d

Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties". Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.

1.2.18 In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen en van alle afgevoerde stoffen die bij de be- of verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld: a) de datum van afvoer; b) de afgevoerde hoeveelheid (kg); c) de afvoerbestemming; d) de naam en adres van de afnemer; e) de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; f) de euralcode; g) het afvalstroomnummer (indien van toepassing). 1.2.19 Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld: a) de datum van aanvoer; b) de aangeboden hoeveelheid (kg); c) de naam en adres van plaats herkomst d) de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd; e) de euralcode; f) het afvalstroomnummer (indien van toepassing). 1.2.20 De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

1.2.21 Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie. 1.2.22 Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad (afval)stoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden

Identificatie D-2024-00016929

53 van 93

vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd: A. een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen; B. de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof; C. de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd; D. de gecumuleerde hoeveelheid geaccepteerde afvalstoffen naar afvalstroomindeling van tabel 1.2.2. 1.2.23 Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in de rapportage van voorschrift 1.2.22 worden verklaard. 1.2.24 Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar op de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

Voorschriften met betrekking tot het afvoeren en registratie van eventueel ZZShoudende afvalstoffen 1.2.25 In aanvulling op artikel 10.38 lid 1 van de Wet milieubeheer moet het volgende in het registratiesysteem van de inrichting worden geregistreerd: - afvalstoffen die stoffen bevatten die als ZZS en potentiële ZZS worden beschouwd; - het gehalte aan stoffen, die als ZZS en potentiële ZZS worden beschouwd, rechtstreeks afkomstig van productiebedrijven en waarvan de samenstelling bekend is.

Bewaring 1.2.26 Het geaccepteerde afval dient na controle, acceptatie en registratie te worden opgeslagen op de hiervoor op grond van de aanvraag bedoelde terreindelen en in de daarvoor bestemde vakken of opslagvoorzieningen.

Sectorplan 1 Bedrijfsafval 1.2.27 Bedrijfsafval (overeenkomend met huishoudelijk afval) moet gescheiden worden gehouden van andere (afval)stoffen. 1.2.28 Indien niet in alle fracties (organisch afval, metalen, hout, steenachtig materiaal en kunststoffen) uit het aangeleverde bedrijfsafval kan worden gesorteerd, moet vergunninghouder het overgebleven residu afvoeren naar een bedrijf die met zijn verwerking ten minste uitvoering geeft aan de minimumstandaard dan wel naar een bedrijf die de uitvoering van de minimumstandaard niet in de weg staat*. Het resulterende sorteerresidu moet daarbij nog minimaal verbrand kunnen worden in een AVI. *een bedrijf waarbij de afvalstoffen of reststromen worden op- en overgeslagen, zoals tussenhandel.

Sectorplan 3 Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen 1.2.29 Plantaardige oliën en vetten moeten ten behoeve van recycling worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is en een verdere uitvoering geeft aan de minimumstandaard.

Sectorplan 6 GFT 1.2.30 GFT moet worden gecomposteerd met het oog op recycling als compost of worden afgevoerd naar een inrichting die ten minste uitvoering geeft aan de minimumstandaard dan wel naar een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard niet in de weg staat.

Identificatie D-2024-00016929

54 van 93

1.2.31 Residuen die ontstaan bij het verwerken van GFT mogen indien mogelijk worden gerecycled of ten behoeve van verbranding worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is.

Sectorplan 7 Organisch (agrarisch) bedrijfsafval 1.2.32 Organisch (agrarisch) bedrijfsafval moet worden gecomposteerd met het oog op recycling als compost of worden gedroogd waarna het wordt afgevoerd naar een inrichting die ten minste uitvoering geeft aan de minimumstandaard dan wel naar een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard niet in de weg staat. 1.2.33 Residuen die ontstaan bij het verwerken van organisch bedrijfsafval mogen indien mogelijk worden gerecycled of ten behoeve van verbranding worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is.

Sectorplan 8 Groenafval 1.2.34 Als gescheiden ingezameld of afgegeven groenafval moet worden gerecycled in de vorm van composteren met het oog op recycling als compost of worden gedroogd waarna het wordt afgevoerd naar een inrichting die ten minste uitvoering geeft aan de minimumstandaard dan wel naar een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard niet in de weg staat. 1.2.35 In afwijking van het gestelde in 1.2.34 mag het gescheiden ingezameld of afgegeven groenafval wordt afgevoerd. Als het wordt afgevoerd dan moet dat plaatsvinden naar een inrichting die ten minste uitvoering geeft aan de minimumstandaard dan wel naar een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard niet in de weg staat*. *een inrichting waarbij de afvalstoffen of reststromen worden op- en overgeslagen, zoals tussenhandel. 1.2.36 Residuen die ontstaan bij het verwerken van groenafval mogen ten behoeve van verbranding worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is of indien mogelijk worden gerecycled.

Mengen 1.2.37 Ten behoeve van het tunnelcomposteren mogen de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen met elkaar worden gemengd: - Groente, fruit en tuinafval (GFT); - Gescheiden ingezameld bioafval en daarmee naar aard en samenstelling vergelijkbaar bij veilingen, agrarische bedrijven en industriële bedrijven gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (categorie 13 van bijlage F.5 van het LAP); - Slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie (categorie 16 van bijlage F.5 van het LAP); - Groenafval (categorie 12 van bijlage F.5 van het LAP); - Intern afgescheiden organische residuen.

Sectorplan 9 Afval van onderhoud van openbare ruimten 1.2.38 Veegvuil en RKG-slib mogen pas met elkaar, dan wel met andere grond, worden gemengd nadat een eerste grove afscheiding heeft plaatsgevonden van:

Identificatie D-2024-00016929

55 van 93

-

organisch afval; bedrijfsafval; metalen; houtfractie; steenachtig materiaal, en kunststof.

1.2.39 Nadat de eerste grove afscheiding heeft plaatsgevonden moeten de in 1.2.38 genoemde gemengde afvalstoffen overeenkomstig de verwerkingsroute voor ‘grond’ zoals opgenomen in bijlage 2 van het AV AO/IC worden verwerkt.

Sectorplan 11 Kunststof 1.2.40 Onderstaande kunststof afvalstromen moeten gescheiden worden bewaard, gescheiden worden opgebulkt en gescheiden worden afgevoerd indien deze fracties separaat worden geaccepteerd of uit sorteerwerkzaamheden vrijkomen: a. thermoplastische kunststoffen; b. thermohardende kunststoffen; c. elastomeren (rubber, siliconen). 1.2.41 Afvoer van de kunststoffen uit voorschrift 1.2.40 dient plaats te vinden naar een inrichting die de aangeboden fracties verwerkt conform de minimumstandaard van sectorplan 11 en hiertoe bevoegd is of een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard voor verwerking niet in de weg staat. 1.2.42 Recyclen van thermoplasten is niet vereist indien de kosten meer bedragen dan de in sectorplan 11 genoemde kostprijs. Voor samengestelde fracties kunststoffen waarvan het sorteren technisch niet mogelijk is door de aard of samenstelling van de partij onder de in het sectorplan genoemde kostprijs, geldt eveneens dat nuttige toepassing als brandstof is toegestaan.

Sectorplan 12 Metalen 1.2.43 Metalen moeten gescheiden worden afgevoerd naar een inrichting die invulling geeft aan de minimumstandaard van sectorplan 12 of een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard voor verwerking niet in de weg staat.

Sectorplan 16 Zuiveringsslib 1.2.44 Slib afkomstig van de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie (euralcode 190812) mag pas met de in voorschrift 1.2.37 genoemde stoffen worden gemengd als per te mengen partij slib afkomstig van de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie (euralcode 190812) is vastgesteld dat het zelfstandig voldoet aan de eisen van voorschrift 1.3.1. 1.2.45 Het vaststellen als bedoeld in voorschrift 1.2.44 houdt in dat de analyseresultaten waarmee is aangetoond dat het voldoet aan de eisen van voorschrift 1.3.1 per batch of partij slib in een logboek is opgenomen. 1.2.46 Elke partij c.q. batch slib dat is gemengd met andere afvalstoffen moet te volgen zijn in het vervolgproces tot het uiteindelijk gebruik / bestemming zoals vastgelegd en bedoeld in voorschrift 1.2.18.

Sectorplan 28 Bouw- en sloopafval 1.2.47 Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden:

Identificatie D-2024-00016929

56 van 93

a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit voorschrift zijn opgenomen; b. teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; c. teerhoudend asfalt; d. bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot; e. niet-teerhoudend asfalt; f. vlakglas, al dan niet met kozijn; g. gipsblokken en gipsplaatmateriaal; h. dakgrind; i. armaturen; j. gasontladingslampen; k. steenachtig materiaal; l. a- en b-hout en verpakkingshout die voldoet aan de definitie van a- en b-hout; m. c-hout; n. kunststof; o. metaal; p. zeefzand. 1.2.48 Indien niet in alle fracties zoals genoemd in voorschrift 1.2.47 gesorteerd wordt, moet de vergunninghouder de overgebleven mengfractie afvoeren naar een inrichting die ten minste een verdere uitvoering geeft aan de minimumstandaard. 1.2.49 Het sorteerresidu dat overblijft na scheiding als bedoeld in voorschrift 1.2.47 moet minimaal verbrand kunnen worden in een afvalverbrandingsinstallatie (AVI). Toelichting: voorwaarde bij de minimumstandaard is dat na uitsorteren van de genoemde monostromen een residu overblijft wat nog minimaal verbrand kan worden. Als er een residu overblijft wat door AVI’s niet meer wordt geaccepteerd, zal de sorteerinrichting zijn procesvoering moeten aanpassen.

Storten van het residu wordt niet toegestaan en zou ook in strijd zijn met het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. 1.2.50 Gemengde fracties waarvoor sorteren in afzonderlijke fracties gezien de aard en/of samenstelling niet mogelijk is, of waarvoor verwerking de in sectorplan 28 genoemde kostprijs van €205/ton overstijgt, moet ten behoeve van verbranding worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is.

Sectorplan 29 Steenachtige materialen 1.2.51 Steenachtige materialen (zoals beton, bakstenen, dakpannen, tegels, etc.) moeten zoveel mogelijk aan de bron gescheiden worden en gescheiden blijven van asfalt, cellenbeton, gips en andere afvalstromen, tijdens op- en overslag, transport en sorteerbewerkingen. 1.2.52 PAK-arme steenachtige materialen (gehalte aan PAK10 ≤ 50 mg/kg droge stof) mogen binnen de inrichting worden gerecycled of ten behoeve van recycling worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is. 1.2.53 Onverhoopt aangetroffen PAK-rijke steenachtige materialen (gehalte aan PAK10 >50 mg/kg droge stof) mogen alleen worden afgevoerd ten behoeve van thermisch of extractief reinigen en vervolgens recyclen van de gereinigde fractie naar een inrichting die hiertoe bevoegd is (het residu vanuit het extractief reinigen mag uitsluitend worden gestort). 1.2.54 De grenswaarde voor PAK10 (50 mg/kg droge stof) mag niet door mengen van partijen steenachtig materiaal worden bereikt.

Identificatie D-2024-00016929

57 van 93

1.2.55 Ten behoeve van het verwerken van steenachtig materiaal mogen de volgende nietgevaarlijke afvalstoffen met elkaar worden gemengd.  PAK-arm (≤ 75 mg/kg) asfalt dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt4, te mengen met:  PAK-arm (≤ 50 mg/kg) steenachtig materiaal5 dat: o in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind, en o niet valt onder één van de categorieën 39 t/m 52, 90 en 91 van deze lijst en op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt. 1.2.56 Alvorens afvalstoffen van stofcategorie 40 en 54 (van bijlage F.5 van het LAP) met elkaar te mogen mengen moet worden aangetoond en schriftelijk zijn vastgelegd dat de afvalstoffen afzonderlijk voldoen aan de maximale emissie- en samenstellingsvoorwaarden die zijn opgenomen in bijlage a van de Rbk.

Sectorplan 36 Hout 1.2.57 A- en B-hout mag alleen worden afgevoerd ten behoeve van nuttige toepassing. 1.2.58 Niet gewolmaniseerd C-hout mag alleen worden afgevoerd ten behoeve van hoofdgebruik als brandstof. 1.2.59 Gewolmaniseerd C-hout moet apart worden gehouden van niet-gewolmaniseerd C-hout. 1.2.60 Ter voorkoming van verspreiding van ZZS-stoffen door de afvoer met (hemel)waterstromen mag C-hout niet los op een buitenterrein van de inrichting worden gestort, maar moet C-hout droog en tegen regen beschermd worden opgeslagen zodat uitlogen wordt voorkomen. Mengen 1.2.61 Ten behoeve van de brandstofproductie mogen de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen met elkaar worden gemengd: 1. Houtachtig deel van het groenafval; 2. A-hout; 3. B-hout. 1.2.62 B-hout mag bij de productie van brandstoffen alleen worden gemengd voor zover van elke gemengde partij is bijgehouden en geregistreerd of B-hout is bijgevoegd. 1.2.63 Gemengde partijen met en zonder B-hout moeten van elkaar gescheiden worden opgeslagen waarbij per gemengde partij moet zijn aangegeven of het biomassa betreft of brandstof.

Sectorplan 37 Asbest 1.2.64 Onverhoeds aangetroffen asbest en/of asbesthoudend afval dient in bevochtigde toestand, in gesloten niet-luchtdoorlatende dubbele plasticverpakking van minimaal 0,2 mm dikte, met tape gesloten en gekenmerkt met waarschuwingstekens die het gevaar van de opgeslagen stoffen aanduiden, te worden opgeslagen in een brandbestendige en gesloten container. In de container mogen geen stoffen of objecten aanwezig zijn anders dan asbesthoudende materialen en composieten. Het is niet toegestaan met of aan deze afvalstoffen handelingen te verrichten anders dan het opslaan ervan. 1.2.65 Asbest en asbesthoudend afval moeten worden opgeslagen in een afgesloten container of opslagplaats. De afgesloten container of opslagplaats moet op duidelijke wijze van

4 Stofcategorie 40 van bijlage F.5 van het LAP 5 Stofcategorie 54 van bijlage F.5 van het LAP

Identificatie D-2024-00016929

58 van 93

onderstaande aanduidingen zijn voorzien: 'ASBESTHOUDEND AFVAL', 'BIJ ONDESKUNDIGE HANDELING KAN EEN VOOR DE GEZONDHEID SCHADELIJKE STOF VRIJKOMEN', 'ZAKKEN EN CONTAINER GESLOTEN HOUDEN'. 1.2.66 Transportfaciliteiten en handelingen met asbest(houdend) afval moeten zodanig zijn dat beschadiging van het verpakkingsmateriaal uitgesloten is. 1.2.67 Binnen de inrichting mag maximaal 40 m3 asbesthoudend afval in een container worden opgeslagen.

Grond en baggerspecie (Sectorplannen 39 en 40) 1.2.68 Partijen grond en baggerspecie, anders dan grond en bagger als bedoeld in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit en BRL 9335 en/of BRL 7500, moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. 1.2.69 Als de kwaliteit van de grond onbekend is mag deze grond tot dat de kwaliteit en klasseindeling overeenkomstig Besluit bodemkwaliteit is bepaald niet worden samengevoegd met andere partijen grond. Uitgezonderd van dit voorschrift zijn partijen grond die zijn gemengd conform voorschrift 1.2.75. Grondverwerking 1.2.70 De keuring van partijen grond dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde protocollen van de BRL 1000 met toepassing van de BRL 9335 en de BRL 7500 voor zover de certificaten en erkenningen (van de BRL 9335 en/of BRL 7500) hiervoor aan de inrichting zijn toegekend. 1.2.71 Een (digitaal) afschrift of (digitale) kopie van het certificaat en de erkenning, zoals bedoeld in voorschrift 1.2.70 en 1.2.75, moeten op de locatie aanwezig zijn. 1.2.72 De verschillende partijen grond (overeenkomstig Besluit bodemkwaliteit) moeten gescheiden van elkaar worden neergelegd. De opslag moet zodanig zijn dat vermenging tussen de verschillende partijen niet kan plaatsvinden. De partij grond moet kunnen worden geïdentificeerd.

Van elke partij die in depot ligt moeten de volgende gegevens bekend zijn: - de hoeveelheid in tonnen; - de herkomst van de grond; - (indicatieve) kwaliteitsindeling van de grond (overeenkomstig Besluit bodemkwaliteit). Van dit voorschrift (ten aanzien van menging) zijn uitgezonderd partijen grond die zijn gemengd conform voorschrift 1.2.75, alsmede reeds AP04 gekeurde grond van vergelijkbare kwaliteit alsmede het samenvoegen tot 25 m3. 1.2.73 De positie van de opslag van aangevoerde partijen grond, de bewerkingsclusters en de einden restproducten moeten op een plattegrond worden aangegeven. De plattegrond moet actueel (minimaal 1 maal per week geactualiseerd) zijn en dient te allen tijde aanwezig en beschikbaar te zijn binnen de inrichting. 1.2.74 De bewerking van een (cluster)partij en eventuele afwijkingen van (reguliere) bedrijfsvoeringen conform BRL 7500 en BRL 9335 alsmede storingen en onderhoud aan voorzieningen moeten zijn vastgelegd in een logboek. Mengen en samenvoegen 1.2.75 Het mengen van verschillende partijen niet-gevaarlijke afvalstoffen zoals (verontreinigde) grond, baggerspecie en veegvuil / RKG-slib, is alleen toegestaan:

Identificatie D-2024-00016929

59 van 93

1. als deze partijen zijn ingedeeld in dezelfde kwaliteitsklasse (m.u.v. 100 ton conform BRL 9335 en/of BRL 7500 en partijen tot 25 m3); 2. het samenvoegen van partijen grond en baggerspecie wordt uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde protocollen van de BRL 9335 en de BRL 7500, en 3. de vergunninghouder beschikt over een erkenning op grond van de betreffende BRL. 1.2.76 Immobilisatie van grond en baggerspecie dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde protocollen van de BRL 7510 en de BRL 9322. De certificaten en erkenningen hiervoor moeten op de inrichting aanwezig zijn. Immobilisatie mag uitsluitend worden uitgevoerd indien deze gericht is op de productie binnen de inrichting van toepasbare grond- en bouwstoffen op basis van het Besluit bodemkwaliteit. 1.2.77 Reiniging of immobilisatie van grond voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, voor zover grond niet wordt gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct worden geïmmobiliseerd wanneer die ten minste één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde ‘industrie’ (minimumstandaard).

1.2.78 Het mengen van grond en niet-afvalstoffen, zoals compost, ten behoeve van het samenstellen van compost- en grondproducten dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde protocollen van de BRL 9335. De certificaten en erkenningen hiervoor moeten op de inrichting aanwezig zijn. Het samenstellen/ samenvoegen van compost- en grondproducten mag uitsluitend worden uitgevoerd indien deze gericht is op de productie van mengsels die voldoen aan de Meststoffenwet of het Besluit bodemkwaliteit. 1.2.79 Stabilisatie van grond en baggerspecie mag uitsluitend worden uitgevoerd indien deze gericht is op de productie van toepasbare grond- en bouwstoffen op basis van het Besluit bodemkwaliteit. 1.2.80 Het mengen (homogeniseren) van partijen (verontreinigde) grond, baggerspecie en veegvuil/ RKG-slib mag niet plaatsvinden indien dit gebeurt met het oogmerk verontreinigingen weg te mengen om zo alsnog aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit te voldoen.

Grondreiniging en immobilisatie 1.2.81 Grondreiniging (extensieve landfarming) en immobilisatie zijn uitsluitend toegestaan indien deze worden uitgevoerd overeenkomstig de BRL 7500 - protocol 7510 ‘Procesmatige ex-situ reiniging en immobilisatie van grond en baggerspecie’ en/of de BRL 7500 – protocol 7511 Landfarming, ontwatering en rijping van baggerspecie’ met het oog op de productie binnen de inrichting van toepasbare stromen, ten behoeve van een afnemer, op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De certificaten en erkenningen hiervoor moeten op de inrichting aanwezig zijn. 1.2.82 Partijen grond mogen alleen door middel van landfarming worden gereinigd indien deze afbreekbare koolwaterstoffen bevatten. 1.2.83 Partijen grond ten behoeve van landfarming mogen alleen met elkaar gemengd worden indien alle chemische parameters, uitgezonderd de afbreekbare koolwaterstoffen, zich binnen dezelfde kwaliteitsklasse van het Besluit bodemkwaliteit bevinden. 1.2.84 Indien een partij, waarvan de bewerking niet wordt uitgevoerd overeenkomstig BRL7500 protocol 7510 en/of BRL7500 - protocol 7511, naast afbreekbare koolwaterstoffen, ook voor andere parameters niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de klassen Wonen of Industrie van het Besluit bodemkwaliteit, moet aan het bevoegd gezag ter goedkeuring een grondreinigingsplan worden voorgelegd.

Identificatie D-2024-00016929

60 van 93

1.2.85 Indien de grondreiniging leidt tot uittreding van vluchtige organische stoffen of tot geurhinder, moeten passende maatregelen, zoals afdekken, worden getroffen. Opslag en verwerking van baggerspecie 1.2.86 Ontwateringsdepots voor baggerspecie moeten voorzien zijn van een omwalling of keerwand die voldoende sterk is om de krachten die ontstaan tijdens de opslag en bewerking van het te ontwateren baggerspecie te allen tijde te weerstaan. 1.2.87 Bij het aanvoeren van te ontwateren baggerspecie mag het terrein van de inrichting niet worden verontreinigd.

Sectorplan 41 Verpakkingsafval 1.2.88 Lege verpakkingen die gescheiden zijn ingezameld of uit sorteerbewerkingen zijn ontstaan en die schud-, schrap- of schraapleeg zijn, worden als schoon beschouwd en dienen ten behoeve van recycling te worden afgevoerd naar een inrichting die daartoe bevoegd is. 1.2.89 Onvrijwillig verkregen verpakkingsafval met resten van verf, lijm, kit of hars of lege spuitbussen moet ten minste ten behoeve van nuttige toepassing van deze verpakkingen in de vorm van hoofdgebruik als brandstof (met terugwinning van de aanwezige metalen) worden afgevoerd naar een inrichting die hiertoe bevoegd is. 1.2.90 Ten aanzien van houten verpakkingen geldt dat deze apart moeten worden gehouden van Aen B-hout, niet zijnde houten verpakkingen. A- en B-hout zijnde verpakkingen moeten worden afgevoerd ten behoeve van recycling. 1.2.91 In afwijking van het gestelde in de voorschriften 1.2.88 en 1.2.90 mag houten verpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk vervuild of verontreinigd is, worden afgevoerd naar een inrichting voor 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof) en hiertoe bevoegd is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464759/2