4 Revisievergunning Wagro milieu
Tekst van het document
Partijen verontreinigde grond worden geïmmobiliseerd voor nuttige toepassing binnen de kaders van het Bbk. Partijen verontreinigde grond die niet binnen de inrichting zelf verder be-/verwerkt kunnen worden, worden na tijdelijke opslag afgevoerd naar een geëigende vergunninghouder voor verdere be-/ verwerking, met als doel de grond te verwerken zodat deze nuttig toegepast kan worden binnen de kaders van het Bbk (o.a. thermische reiniging, extractieve reiniging). Het beleid voor verontreinigde grond is neergelegd in sectorplan 39 van het LAP en is gericht op recycling. In het sectorplan is daartoe een minimumstandaard opgenomen. De minimumstandaard voor het verwerken van grond is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en binnen de kaders van het beleidskader. De in de aanvraag voor verontreinigde grond beschreven be-/verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard. Sectorplan 40 Baggerspecie In sectorplan 40 wordt in de minimumstandaard onderscheid gemaakt in baggerspecie die direct kan worden toegepast, baggerspecie die niet direct kan worden toegepast en baggerspecie die POPhoudend3 is. Bij Wagro wordt alleen baggerspecie ontvangen die niet als gevaarlijke afvalstof is ingedeeld (euralcode 170506: niet onder 170505 vallende baggerspecie).
De minimumstandaard voor baggerspecie dat direct kan worden toegepast is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied volgens het Bbk. En dat met inachtneming van het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (paragraaf D.4.4.6 beleidskader). De minimumstandaard voor baggerspecie die niet direct kan worden toegepast is reiniging en/of bewerking gericht op nuttige toepassing. Dit is alleen toegestaan wanneer de baggerspecie na verwerking voldoet aan de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en met 3 POP: persistent organic polutants
Identificatie D-2024-00016929
21 van 93
inachtneming van het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (par D.4.4.6 beleidskader). In aanvulling daarop geldt voor baggerspecie dat reiniging of immobilisatie voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, met als restrictie dat geen baggerspecie mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die ten minste één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde 'Industrie'. Wagro geeft aan dat zij hier aan voldoet. De baggerspecie wordt eerst ontwaterd waarna bodemvreemde stoffen worden afgescheiden via fysische scheidingmethoden. De ontwaterde bodem wordt daarna als grond verwerkt conform de verwerkingsmethode van grond. Sectorplan 41 Verpakkingen In de aanvraag is opgenomen dat verpakkingsafval (Euralcodes 15 01 06 en 15 01 03) wordt geaccepteerd. Verpakkingen met gevaarlijke stoffen worden niet geaccepteerd. LAP 3 maakt voor de minimumstandaard voor lege verpakkingen onderscheid in de mate van vervuiling van lege verpakkingen zoals lege spuitbussen en verfblikken. Indien de verpakkingen "schud-, schrap- en schraapleeg" zijn, is de minimumstandaard voor deze verpakkingen "recycling".
Het is toegestaan om schone verpakkingen die "schud-, schrap- en schraapleeg" op te bulken naar soort. Ten aanzien van houten verpakkingen geldt dat deze apart moeten worden gehouden van A- en Bhout niet zijnde houten verpakkingen. Reden hiervoor is dat voor houten verpakkingen een andere minimumstandaard geldt. Op basis van beleid rond het gescheiden houden zoals beschreven in hoofdstuk B.3 van het LAP moeten afvalstoffen van deze categorie in beginsel gescheiden worden gehouden van elkaar, van andere categorieën afvalstoffen en niet-afvalstoffen. Voor verpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is vervuild of verontreinigd, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof). Pas als dat is vastgesteld, komen houten verpakkingen voor die minimumstandaard in aanmerking. Eén en ander is geborgd in de voorschriften 1.2.90 en 1.2.91. De in de aanvraag voor de ingezamelde afvalstoffen beschreven be-/verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard. Sectorplan 84 Overige recyclebare monostromen Steenwol wordt gebruikt als isolatiemateriaal in de bouw of als substraat in de glastuinbouw. Oud steenwol wordt vaak toegepast in de baksteenindustrie, eventueel voorafgegaan door een compostering- of scheidingsstap om het vocht en groenafval te verwijderen.
Het vocht en de plantenresten buiten beschouwing latend is in alle gevallen 95% recycling (de overige 5% bestaat bijvoorbeeld uit de folie) goed mogelijk. De minimumstandaard voor steenwol is sorteren of anderszins verwerken, resulterend in ten minste 95% (m/m) recycling. Bij dit percentage blijven vocht en organisch afval (plantresten bij steenwol uit de substraatteelt) buiten beschouwing. Wagro heeft aangegeven dat hier aan kan worden voldaan. Voor (partijen) steenwol waarvoor de recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton is de minimumstandaard 'storten'. In paragraaf 3.4.3 (opslaan en overslaan van goederen) van het
Identificatie D-2024-00016929
22 van 93
Activiteitenbesluit zijn eisen opgenomen voor o.a. de opslag van deze stoffen. Voor de opslag van substraatmatten zijn geen voorschriften in deze vergunning opgenomen. AV-beleid en AO/IC In het LAP is aangegeven dat een inrichting die afvalstoffen accepteert over een adequaat acceptatieen verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken. In het AV-beleid moet zijn aangegeven op welke wijze binnen de inrichting acceptatie en verwerking van afvalstoffen plaatsvinden. In de AO/IC is vastgelegd hoe door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een inrichting kunnen worden beheerst en geborgd om de risico’s binnen de bedrijfsvoering te minimaliseren. Het op deze wijze transparant maken van de processen binnen een inrichting, geeft het bevoegd gezag handvatten om een adequaat oordeel te kunnen geven over de beheersing van de milieurisico’s. Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen aan de randvoorwaarden zoals die in het LAP zijn beschreven.
Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij instemmen met dit AV-beleid en de AO/IC (Rapportnummer FI 16191-3-RA-006 d.d. 23 november 2023, ons kenmerk D-2023-00114711 ). Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist. Extra aandacht voor de emissie van Zeer Zorgwekkende Stoffen In het AV AO/IC is extra aandacht voor de zogeheten prioritaire stoffen. Dit zijn stoffen die door hun specifieke stofeigenschappen (bv persistentie) of toxische effecten (CMR-eigenschappen) een extra groot risico kunnen vormen voor mens of milieu. Europa regelt het beleid voor prioritaire stoffen op hoofdlijnen en dit wordt nader ingevuld met nationaal beleid. In Europees verband is het stoffenbeleid uitgewerkt in de Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of CHemicals (REACH). Aanvullend hierop is Nederlands beleid ontwikkeld. Dit beleid bepaalt hoe moet worden omgegaan met prioritaire stoffen door het bedrijf. Daarbij ligt een sterke relatie tot de blootstellingsnormen die gelden voor de stof in de leefomgeving. Deze prioritaire stoffen worden ook wel Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) genoemd.
In essentie komt het erop neer dat de emissie van ZZS naar het milieu moet worden voorkomen, of anders geminimaliseerd. De blootstelling mag niet leiden tot een overschrijding van de norm voor het maximaal toelaatbaar risico (MTR) en moet bij voorkeur onder de norm voor het verwaarloosbaar risico (VR) liggen. Wagro geeft aan dat als ZZS aanwezig zijn boven een concentratie van 0,1% zij de afvalstoffen niet accepteert en de afvalstoffen afvoert naar een erkend verwerker. Er is een inventarisatie gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van ZZS binnen de te ontvangen afvalstromen. Als het vermoeden bestaat dat er ZZS boven een concentratie van 0,1% in de afvalstoffen aanwezig kunnen zijn kan Wagro een analyse op ZZS laten uitvoeren alvorens het besluit de afvalstoffen te accepteren.
Identificatie D-2024-00016929
23 van 93
Als er monostromen ontstaan door het sorteren van afvalstoffen waarin wel ZZS boven de concentratie van 0,1% aanwezig (kunnen) zijn worden deze afvalstoffen separaat opgeslagen en afgevoerd naar een erkende verwerker. In voorschrift 1.2.25 is een aanvullende registratieplicht opgenomen voor de afvoer van ZZS-houdende afvalstoffen. Mengen Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval aanwezige milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) door mengen in producten terechtkomen waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden. Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd. Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Mengen moet niet worden verward met het opbulken van afvalstoffen.
Bij het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties aanwezige componenten wél vergelijkbaar zijn spreken we niet van mengen maar van ‘opbulken’. Dit komt met name voor bij afvalstoffen die afkomstig zijn uit eenzelfde productieproces. In artikel 2.12, derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet-gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen (bijlage 11 Activiteitenregeling). Wagro heeft in de aanvraag aangegeven een aantal stoffen te willen mengen (Memo: doelmatig beheer van afvalstoffen en mengen aanvraag omgevingsrevisie-vergunning Wagro, kenmerk Wag.Wad.23.not-doel-02 van oktober 2023). Toetsingskader voor mengen In paragraaf D.4.2 van LAP3 zijn de algemene uitgangspunten voor mengbeleid geformuleerd. Bij de beoordeling of het mengen van afvalstoffen vanuit het oogpunt van doelmatig afvalbeheer kan worden toegestaan worden de volgende, cumulatieve, algemene uitgangspunten gehanteerd: 1. mengen van afvalstoffen is niet toegestaan indien dit op enig moment leidt tot onaanvaardbare blootstelling van mens of milieu aan ZZS; 2. mengen van afvalstoffen is niet toegestaan, indien als gevolg van het mengen één of meerdere van de te mengen afvalstoffen niet conform de daarvoor geldende minimumstandaard wordt/worden verwerkt; 3.
mengen van afvalstoffen is niet toegestaan indien dit op het niveau van de locatie waar de handeling wordt uitgevoerd leidt tot onaanvaardbare negatieve consequenties voor milieu, veiligheid en/of gezondheid. Toetsing mengen In de aanvraag wordt verzocht in afwijking van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen ten behoeve van een bepaalde activiteit te mengen. A. Ten behoeve van het tunnelcomposteren wordt gevraagd de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mogen mengen. 1. Groente, fruit en tuinafval (GFT);
Identificatie D-2024-00016929
24 van 93
2.
Gescheiden ingezameld bioafval en daarmee naar aard en samenstelling vergelijkbaar bij veilingen, agrarische bedrijven en industriële bedrijven gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (categorie 13 van bijlage F.5 van het LAP); 3. Slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie (categorie 16 van bijlage F.5 van het LAP); 4. Groenafval (categorie 12 van bijlage F.5 van het LAP); 5. Intern afgescheiden organische residuen. Ad A. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. De vergunning kan hiervoor worden verleend. Binnen het onderdeel groenafval wordt door Wagro ook “verontreinigd groenafval” met euralcode 020199 ingenomen. In de voetnoot van euralcode 020199 van de tabel met het overzicht van afvalstoffen is in de aanvraag aangegeven: betreft dusdanig met kunststof of substraten verontreinigd groenafval afkomstig van de land en tuinbouw zodat een voorscheiding noodzakelijk is voordat het afval verder verwerkt kan worden en bevat minder dan 50% verontreinigingen. De verontreinigingen zorgen ervoor dat deze afvalstroom niet zonder meer direct kan worden gemengd zonder een bewerkingsstap waarbij de vervuiling eruit wordt gehaald.
In de verwerkingsroute voor groenafval (organisch afval) is te lezen dat groenstromen pas na een eerste verwerking (grof scheiden, verkleinen, zeven en evt verder scheiden) worden gemengd met andere stromen. Pas daarna wordt het opgeslagen en afgevoerd naar een erkende verwerker voor verdere verwerking dan wel gemengd en gecomposteerd. In voorschrift 1.3.1 is de te behalen eindkwaliteit van compost opgenomen. Ten aanzien van het mengen van waterzuiveringsslib moet worden opgemerkt dat niet alle aangevraagde waterzuiveringsslibben afkomstig zijn van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie. Niet alle slibben voldoen aan de concentratie-eisen voor zware metalen en arseen in meststoffen (Uitvoeringsbesluit meststoffenwet). Van de industriële slibben voldoen slechts enkele stromen aan de concentratie-eisen van dit besluit. Om slibben te mogen mengen moet het in eerste instantie gaan om slibben uit AWZI’s van de voedings- en genotmiddelenindustrie. In de voorschriften is opgenomen dat de kwaliteit van de slibben moet voldoen aan de concentratie-eisen van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet alvorens te mengen (onderling of met andere onder A. genoemde afvalstoffen) met andere slibben of afvalstoffen. B. Ten behoeve van grondverwerking wordt gevraagd de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mogen mengen: 1.
Grond (toepasbaar Bbk); 2. Baggerspecie (toepasbaar Bbk); 3. Veegvuil; 4. RKG-slib. Het mengen van verschillende partijen niet-gevaarlijke afvalstoffen zoals (verontreinigde) grond, baggerspecie en veegvuil / RKG-slib, is alleen toegestaan: 1. als deze partijen zijn ingedeeld in dezelfde kwaliteitsklasse; 2. het samenvoegen van partijen grond en baggerspecie wordt uitgevoerd overeenkomstig de van toepassing zijnde protocollen van de BRL 9335 en de BRL 7500, en 3. de vergunninghouder beschikt over een erkenning op grond van de betreffende BRL.
Identificatie D-2024-00016929
25 van 93
Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. Grond en baggerspecie die zijn ingedeeld in een zelfde kwaliteitsklasse voor grond, of in een zelfde kwaliteitsklasse voor baggerspecie, mogen volgens paragraaf D.4.4.6.2 worden samengevoegd. De vergunning kan hiervoor worden verleend. In voorschrift 1.2.75 is deze toestemming opgenomen. C. De volgende afvalstoffen voor grondverwerking te mogen mengen: 1. Grond (klasse boven industrie tot gevaarlijk afval) met 2. Baggerspecie (niet toepasbaar Bbk). 1. Grond (onbekende/ indicatieve samenstelling) met 2. Baggerspecie (onbekende kwaliteit, indicatieve samenstelling). Ad C. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. Ook hiervoor geldt dat grond en baggerspecie die zijn ingedeeld in een zelfde kwaliteitsklasse voor grond, of in een zelfde kwaliteitsklasse voor baggerspecie, volgens paragraaf D.4.4.6.2 van het LAP mogen worden samengevoegd. De vergunning kan hiervoor onder voorwaarden worden verleend. D.
Ten behoeve van het verwerken van steenachtig materiaal wordt gevraagd de volgende nietgevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mogen mengen. 1. PAK-arm (≤ 75 mg/kg) asfalt dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, te mengen met: 2. PAK-arm (≤ 50 mg/kg) steenachtig materiaal dat • in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind, en • niet valt onder één van de categorieën 39 t/m 52, 90 en 91 van deze lijst en • op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt. Ad D. In het beleidskader van paragraaf D.4.4.5.1 van het LAP is een aantal uitgangspunten opgenomen t.a.v. het mengen ten behoeve van de productie of toepassing van een bouwstof. Om ongeoorloofd wegmengen te voorkomen geldt, is in aanvulling op de algemene uitgangspunten voor mengen (paragraaf D.4.2) én in aanvulling op hetgeen in het Bbk ten aanzien van de eindproducten het volgende geregeld: Het is niet toegestaan om afvalstoffen die afzonderlijk niet voldoen aan de kwaliteitseisen van het Bbk, via mengen alsnog aan die eisen te laten voldoen. Met kwaliteitseisen worden de maximale emissie- en samenstellingswaarden bedoeld die zijn opgenomen in bijlage A van de Rbk. Voor vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen gelden aparte maximale emissiewaarden.
In voorschrift 1.2.55 is opgenomen dat alvorens de twee afvalstoffen te mogen mengen aan te tonen dat de afvalstoffen afzonderlijk voldoen aan de maximale emissie- en samenstellingsvoorwaarden die zijn opgenomen in bijlage a van de Rbk. E. Ten behoeve van de brandstofproductie wordt gevraagd de volgende niet-gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mogen mengen: 1. Categorie 12: houtachtig groenafval; 2. Categorie 19: A- en B-hout, niet zijnde houten verpakkingen; 3. Categorie 20: Houten verpakkingen die voldoen aan de definitie van A- of B-hout.
Identificatie D-2024-00016929
26 van 93
Ad E. In sectorplan 41 is aangegeven dat ten aanzien van houten verpakkingen geldt dat deze apart moeten worden gehouden van A- en B-hout niet zijnde houten verpakkingen. Reden hiervoor is dat voor houten verpakkingen een andere minimumstandaard (recycling) geldt. Op basis van beleid rond het gescheiden houden zoals beschreven in hoofdstuk B.3 van het LAP moeten afvalstoffen van deze categorie in beginsel gescheiden worden gehouden van elkaar, van andere categorieën afvalstoffen en niet-afvalstoffen. Om die reden wordt geen toestemming gegeven voor de aangevraagde lagere verwerkingsvorm voor de afvalstoffen van categorie 20: Houten verpakkingen die voldoen aan de definitie van A- of B-hout. Pas nadat is vastgesteld dat recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is vervuild of verontreinigd, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof) en kan het worden gemengd met de categorieën 12 en 19. Categorieën 12 en 19 mogen worden gemengd, waarbij moet worden opgemerkt dat in de registratie bij afvoer van elke partij duidelijk moet zijn of de afvalstroom alleen bestaat uit houtachtig groenafval en A-hout, of dat ook B-hout is bijgemengd. Dit omdat in een BMC geen B-hout mag worden verbrand en het te allen tijde duidelijk moet zijn of deze houtsoort is bijgemengd.
In de voorschriften is opgenomen dat de twee soorten afvalstromen (mengsel mét en zonder B-hout) gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen. Daarbij moet per gemengde partij met een duidelijk bord zijn aangegeven of het biomassa of brandstof betreft. F. Gevraagd is het bij het verwerken in de afvalscheidingsinstallatie ontstane brandbare residu met elkaar te mogen mengen. Het brandbaar residu ontstaat bij de verwerking van afvalstoffen volgens de hieronder opgenomen sectorplannen: sectorplan 1 huishoudelijk restafval sectorplan 2 restafval bedrijven sectorplan 6 gescheiden ingezameld GFT sectorplan 7 gescheiden ingezameld organisch afval sectorplan 8 groenafval sectorplan 9 afval van openbare ruimten sectorplan 11 kunststof en rubber sectorplan 28 bouw- en sloopafval sectorplan 84 overige recyclebare monostromen Vanuit doelmatig afvalbeheer bestaat er beleidsmatig geen bezwaar tegen het mengen van afvalstoffen waarvoor de minimumstandaard verbranden is, aangezien zij aan het eind van de keten toch in dezelfde installatie worden verwerkt. De toestemming is in voorschrift 1.2.95 opgenomen. In het dictum van het besluit is op grond van artikel 2.12 Activiteitenbesluit vergunning verleend om bovenstaande afvalstoffen met elkaar (onder voorwaarden) te mengen.
Registratie De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (verplichting volgens artikel 5.8 Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen. Naast de voorschriften voortvloeiend uit het AV-beleid en de AO/IC zijn nog andere registratievoorschriften in de vergunning opgenomen. Mede gezien de verplichtingen ingevolge de Wet milieubeheer (artikel 5.7 lid 1 sub c en 5.8 van het Bor en de artikelen 10.38 en 10.40 van de Identificatie D-2024-00016929
27 van 93
Wm) en de verplichtingen ingevolge het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de daarbij behorende Regeling, worden voldoende en juiste gegevens geregistreerd om handhaving mogelijk te maken. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen. 2.1.3.2 Geur Inleiding Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in de Handleiding geur, een informatiedocument op de website van Infomil en de beleidsbrief van de minister van VROM van 30 juni 1995. Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder is rekening gehouden met de volgende aspecten: a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting; d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder; e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en f.
de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting. In deze paragraaf is het aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld. Bij het afwegingsproces zijn de voornoemde aspecten betrokken. Bestaande toetsingskaders De artikelen 2.3a en 2.7a van het Activiteitenbesluit vormen het toetsingskader. De provincie ZuidHolland hanteert voor vergunningverlening in het kader van de Wabo, voor inrichtingen die onder provinciaal bevoegd gezag vallen, de Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland, d.d. 22 januari 2019. Geuremissie en -waardering De omvang en waardering van de geur is inzichtelijk gemaakt in het bij de aanvraag gevoegde geurrapport (Geuronderzoek Waddinxveense Groenrecycling Wagro BV i.v.m. realisatie hal, kenmerk WAGR23A1, 2 oktober 2023). In het geurrapport zijn twee type activiteiten genoemd waarvan geur geëmitteerd wordt, namelijk inpandige en uitpandige geurbronnen en de BMC. Inpandige activiteiten: De geur afkomstig van de inpandige activiteiten is afkomstig van het opslaan en voorbewerken van geurende goederen voordat het in de tunnelcompostering wordt gebracht en de geur afkomstig van de afgezogen lucht van de tunnelcompostering.
De geur vanuit de tunnelcompostering (inclusief lossen, voorbewerking en opslag van voorraad in de hal), wordt afgezogen en via een zure gaswasser en biofilter op 30 meter hoogte uitgestoten naar de buitenlucht. Deze emissie is een continue bron.
Identificatie D-2024-00016929
28 van 93
Uitpandige activiteiten: - Inkuildepot: In de periode van juli - september (circa 3 maanden) wordt het overschot aan materiaal, welke niet direct in de compostering verwerkt kan worden, ingekuild. Het materiaal in de kuil wordt goed verdicht. In voorschrift 1.5.5 is opgenomen dat het inkuildepot moet zijn afgedekt met een (afdek)folie van voldoende sterkte of gereed compost. Aangevraagd is om ook slootmaaisel in te kuilen. Slootmaaisel is geurrelevant. Het wordt daarom niet toegestaan slootmaaisel in te kuilen (voorschrift 1.5.6). - Het kuilmateriaal wordt in de periode van oktober tot en met februari (5 maanden) uitgekuild en als basismateriaal in de compostering verwerkt. De geuremissie van het uitkuilen is meegenomen in het geuronderzoek. - Veegvuil en RKG-slib: Het veegvuil en RKG-slib wordt samengevoegd buiten opgeslagen waarna het wordt ontwaterd. Na ontwatering wordt het afgevoerd. - Baggerspecie: De baggerspecie wordt buiten opgeslagen waarna het wordt ontwaterd. Na ontwatering wordt het afgevoerd. - Substraatmatten: de aanvoer van substraatmatten vindt plaats in de maanden november en december. De substraatmatten worden inpandig bewerkt. De opslag van het materiaal voor en na verwerking vindt buiten plaats. - Overslag oliën en vetten: de vetten worden opgeslagen in een gesloten opslagvoorziening.
- Overslag organische afval- en reststromen die de einde-afvalfase hebben ontvangen: het betreft gereed compost en overige organische meststoffen waaronder bomenzand en zwarte grond. Deze stromen worden opgeslagen in containers of losgestort op terreindelen A1, A2 of A3. - Percolaatbassin en zuiveringsinstallatie: Percolaat afkomstig van terreindelen B en C wordt opgevangen in een afgedekt percolaatbassin. Het percolaatwater wordt gezuiverd in een afvalwaterzuiveringsinstallatie bestaande uit twee open voorzieningen. Biomassacentrale: In het geuronderzoek is gerekend met de eerder vastgestelde geuremissie zoals die is gebruikt bij de melding voor het in gebruik nemen van de BMC. Hedonische waarde De waardering van de geur wordt uitgedrukt in de “hedonische waarde”. In het geuronderzoek is een hedonische waarde aangehouden van H = -2 (bereikt onder 5 ouE/m3). Conform het Provinciaal geurbeleid wordt deze geur gewaardeerd als een ‘standaard’ geur. Geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten De inrichting is gelegen in het buitengebied van Waddinxveen. Rondom het bedrijf ligt een aantal verspreid liggende woningen. Een aantal van deze woningen is als meetpunt in het geuronderzoek opgenomen. Het gaat hier om de woningen aan de Tweede Bloksweg 60, 58 en 54a (achtereenvolgens in het geurrapport als woningen 1, 2 en 3 aangegeven).
Deze woningen worden conform het Provinciaal geurbeleid ingedeeld als geurgevoelig object type II. De meest nabij gelegen aaneengesloten woonbebouwing is gelegen ten noorden en noordwesten van het bedrijf. Het betreffen de appartementen aan de Meteorenweg (in het geurrapport als AV Met) en de bestemmingsplangrens van woonwijk De Triangel (in het geurrapport als Triangel), deze woningen worden ingedeeld als geurgevoelig object type I. De geurbelasting ter plaatse van de geurgevoelige objecten is inzichtelijk gemaakt in het geurrapport. Het oprichten van een nieuwe installatie of de uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande installatie met meer dan 50 % worden als een nieuwe situatie beschouwd waarvoor het aanvaardbaar hinderniveau opnieuw moet worden vastgesteld. De aangevraagde installatie bij Wagro Identificatie D-2024-00016929
29 van 93
is als nieuwe situatie beschouwd aangezien de verwerkingscapaciteit met de uitbreiding met meer dan 50% wordt verhoogd. In de onderstaande tabel is de berekende geurbelasting getoetst aan het Provinciaal geurbeleid voor minder onaangename geuren. Het afwegingsgebied voor het aanvaardbaar geurhinderniveau bevindt zich tussen de hinder en de ernstige hindergrens. Bij een waarde onder de hindergrens is er sprake van verwaarloosbare hinder. Verwaarloosbare hinder betekent echter niet dat er nooit geur kan worden waargenomen. Tabel 2.2 Geurgevoelig object
Type I Type II
Continue bronnen (ouE/m3 als 98-percentiel) Afwegingsgebied Vergund Aangevraagd Hinder Ernstige Hoogst Hoogst grens hinderberekende berekende grens waarde waarde 0,5 3 1,1 0,5 1,5 9 2,2 0,5
Discontinue bronnen (ouE/m3 als 99,99-percentiel) Afwegingsgebied Vergund Aangevraagd Hinder Ernstige Hoogst Hoogst grens hinderberekende berekende grens waarde waarde 2,5 15 26,0 5,4 7,5 45 52,1 7,3
Uit het geurrapport en de bovenstaande tabel blijkt dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten ligt op of onder de hindergrens waardoor er sprake is van verwaarloosbare geurhinder. Om tot deze uitkomst te komen is door Wagro een aantal technieken toegepast. Hieronder is de toets aan de BBT opgenomen. Technische voorzieningen In de BREF afvalbehandeling zijn BBT-conclusies opgenomen die betrekking hebben op het aspect geur. Voor deze BBT-conclusies gelden de eisen uit het Activiteitenbesluit niet (artikel 2.3a lid 2 Activiteitenbesluit). Maatregelen en technieken moeten worden voorgeschreven in de omgevingsvergunning. Door Wagro zijn de volgende technieken toegepast: - Compostering, het lossen van de vrachtwagens, het voorbewerken en de daadwerkelijke tunnelcompostering vinden inpandig plaats in de nieuw te bouwen composteringshal. Deze composteringshal wordt op onderdruk gehouden, waarbij de lucht uit de (opslag)hal via de tunnelcompostering naar een luchtwasser en biobed wordt geleid. In de luchtwasser wordt een deel van de geurende componenten (voornamelijk NH3) afgevangen. In het biobed worden de geurende componenten in de te behandelen lucht verder biologisch afgebroken. De behandelde lucht wordt op een hoogte van 30 meter geëmitteerd zodat een goede verspreiding plaatsvindt en op leefniveau sprake is van verwaarloosbare geurhinder.
- De hoofdingang van de composteringshal is voorzien van snelsluitende deuren. De andere deuren worden alleen voor het direct doorlaten van personen en goederen geopend zodat de onderdruk in stand blijft en voorkomen wordt dat geurende lucht uit de hal ontsnapt (voorschriften 1.5.15 en 1.5.16.). Geconcludeerd wordt dat de relevante BBT door Wagro zijn toegepast. De technieken zijn voorgeschreven in de vergunning. Organisatorische maatregelen Het composteringsproces is beschreven in de aanvraag. Het organisch materiaal wordt opgezet in de tunnels waarbij het proces wordt gemonitord. Om de afvalstroom te composteren verblijft het gemiddeld tien dagen in de tunnelcompostering. Het eindproduct wordt uit de tunnels gehaald en inpandig gezeefd waarbij de kleine fractie (<50mm) als compost wordt afgevoerd of opgeslagen op het
Identificatie D-2024-00016929
30 van 93
buitenterrein. De afgezeefde organische fractie met een korreldiameter van >50 mm wordt opnieuw in de compostering gebracht. In de EU-verordening (EU) 2019/1009 van 5 juni 2019 zijn eisen opgenomen die gesteld worden aan het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten. De gecomposteerde afvalstromen moeten tenminste voldoen aan de eisen voor compost (CMC 3) in bijlage II van de EU-verordening. Dit is als eis opgenomen in voorschrift 1.3.1. Beperken bestaande hinder De algemene doelstelling van het landelijk en provinciaal beleid is het zoveel mogelijk beperken van hinder. Er is sprake van een klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder. Daarom is, conform het landelijk beleid, nagegaan of er nog maatregelen kunnen worden genomen waarmee de hinder verder kan worden beperkt. Bij Wagro heeft de emissie uit het biofilter (afkomstig van de tunnelcompostering) de grootste bijdrage aan de geuremissie. In de BBT-conclusies voor Afvalbehandeling is in paragraaf 3.1.2 aangegeven dat na het toepassen van BBT een emissie tussen de 200 en 1.000 ouE/m3 haalbaar is. Uitgangspunt in de geurberekening is 1.000 ouE/Nm3. In voorschrift 1.5.21 is deze geuremissieconcentratie als eis opgenomen.
In tabel 5.1 van de Beschrijving van de inrichting inclusief niet-technische samenvatting (kenmerk FI 16191-4-RA-005) aanvraag, tabel 6.7 van de BBT-conclusies voor afvalbehandeling en factsheet luchtemissiebeperkende technieken voor biofilters zijn procesparameters opgenomen met (concentratie)ranges waarbinnen een gaswasser en biobed moeten worden bedreven. Hieronder is een tabel opgenomen met de randvoorwaarden waarbinnen een biobed moeten functioneren. Tabel 2.3: procesparameters en de proceswaarden voor het biobed Procesparameter Range Temperatuur in het biobed 15,0 – 38,0 Tegendruk op het biobed 3 – 30,0 Zuurgraad van het filtermateriaal (pH) 6,0 – 8,5 Vochtgehalte van de ingaande luchtstroom (%) 95 -100 Procesparameter Waarden Debiet (m3/h) ≤ 305.000 Verblijftijd van de lucht in het biobed* ≥ 30 Ammoniakconcentratie direct na de biobedinstallatie (NH3) <2,7
Eenheid °C mbar % Nm3/h seconden mg/Nm3
* Gebaseerd op embty bed residence time (EBRT)
Monitoring Het beheersen van de procesparameters zou moeten leiden tot een minimaal emissie waarbij wordt voldaan aan de geurconcentratie zoals opgenomen in de BREF afvalbehandeling. Om te waarborgen dat de luchtbehandeling efficiënt werkt en de installaties binnen de randvoorwaarden worden bedreven zijn tevens de volgende monitoringsverplichtingen als voorschrift opgenomen: - Het continue loggen van een aantal van de in de tabel 2.3 genoemde parameters. - Het loggen van een aantal parameters waarmee de juiste werking van de gaswasser wordt gecontroleerd (voorschrift 1.5.47). Om de effectiviteit van de geuremissiebeperkende technieken te bepalen, moet elk half jaar een meting van geur volgens EN 13725 worden uitgevoerd. Dit is overeenkomstig BBT 8 in voorschrift 1.5.23 opgenomen. Met deze meting kan het vervangingsmoment van het biobed nauwkeuriger worden bepaald.
Identificatie D-2024-00016929
31 van 93
In de aanvraag is verzocht om in plaats van een geurconcentratiemeting een meting uit te voeren naar de concentratie ammoniak (NH3). Voorwaarde voor het gebruik van een ammoniakconcentratie in plaats van de geurconcentratie is dat een stabiele verhouding tussen de geur- en ammoniakconcentratie is aangetoond en vastgelegd. Bij de compostering van andere stoffen dan alleen groenafval (zoals o.a. GFT) kunnen andere geurende stoffen ervoor zorgen dat de verhouding tussen de geurconcentratie en ammoniakconcentratie niet evenredig is. De procesparameters voor het biobed in tabel 2.3 zijn opgenomen als vergunningvoorschrift (voorschrift 1.5.32). Om Wagro de mogelijkheid te geven om gaswasinstallatie en biobedinstallatie functioneel werkend te hebben (de biobedinstallatie moet worden geënt en samen met de gaswasinstallatie worden ingeregeld) is in de voorschriften opgenomen dat de gaswasinstallatie en biobedinstallatie pas drie maanden na ingebruikname hoeft te voldoen aan de monitoringseisen. Conclusie De maatregelen die het bedrijf neemt en heeft genomen voldoen in combinatie met de vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften aan de beste beschikbare technieken. De te verwachten geuremissie als gevolg van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. Hiermee voldoet de aanvraag zowel aan het landelijke als aan het provinciale geurbeleid.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten vergunbaar zijn. 2.1.3.3 Afvalwater Het kader voor de bescherming tegen verontreiniging door lozing van afvalwater De lozing van het afvalwater mag geen ontoelaatbare gevolgen hebben voor de doelmatige werking van het openbaar riool, de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) en de kwaliteit van het oppervlaktewater waarop het effluent van deze rwzi wordt geloosd. Bovendien mag de verwerkbaarheid van het riool- en zuiveringsslib niet nadelig worden beïnvloed. Voor de toelaatbaarheid van lozingen van afvalwater wordt getoetst aan beleid en regelgeving zoals vastgelegd in diverse beleidsdocumenten en regelingen, met name: 1. de Richtlijn Industriële Emissies (RIE); 2. de Kaderrichtlijn Water; 3. het Nationaal Waterplan (NWP2); 4. het Waterbeheerplan 5 (WBP5); 5. Algemene beoordelingsmethodiek (ABM). Afvalwaterstromen van de inrichting Op diverse plekken op het terrein ontstaan afvalwaterstromen. De meeste afvalwaterstromen bevatten voornamelijk hemelwater. Een aantal afvalwaterstromen is afkomstig van processen, zoals het ontwateren van slib, afwatering vanaf de tankplaats en het uitwendig schoonmaken/-spoelen van materieel.
Voor een aantal van deze afvalwaterstromen zijn regels opgenomen in het Activiteitenbesluit, voor een aantal afvalwaterstromen zijn lozingseisen opgenomen in de voorschriften van deze vergunning. Bij het opstellen van voorschriften moet de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” worden betrokken. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringstechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast moeten voorschriften worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van Identificatie D-2024-00016929
32 van 93
dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen Bij de toepassing van de geldende regelgeving moet onderscheid gemaakt worden tussen directe en indirecte lozingen. Activiteitenbesluit Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten: § 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; § 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer; § 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen of carrosserieonderdelen daarvan; § 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen. Bovenstaande lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hiervoor mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. In het geval van de Wagro is sprake van een gecombineerde tank- en wasplaats. In het Activiteitenbesluit zijn aparte normen opgenomen voor het lozen van afvalwater afkomstig van een tankplaats en afvalwater afkomstig van een wasplaats.
In voorschrift 3.23c lid 3 van het Activiteitenbesluit is voor het lozen van afvalwater afkomstig van het wassen opgenomen dat het moet voldoen aan een lozingsnorm waarbij het afvalwater niet mag worden vermengd met ander afvalwater. Omdat het een gecombineerde tank- en wasplaats is, is hier geen sprake van. Op grond van artikel 2.2a van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag voor deze situaties (voor zover een scheiding van het afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is en) indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift afwijken van de voorwaarden. Omdat segregatie van deze twee waterstromen niet doelmatig is, is besloten de gecombineerde lozing toe te staan met een lozingseis van 200 mg/l voor olie voor beide afvalwaterstromen en een lozingseis van 300 mg/l voor onopgeloste bestanddelen. Afvalwaterstromen geregeld in deze vergunning Naast bovengenoemde afvalwaterstromen ontstaat afvalwater dat afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen. De lozing van deze afvalwaterstromen moet worden geregeld in de vergunning.
Het betreft hier de volgende afvalwaterstromen: a) mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen afkomstig van terreindelen B en C; b) percolaatwater afkomstig van afvalstoffen van terreindelen B en C c) afvalwater afkomstig van de ontwatering van afvalstoffen afkomstig van terreindelen B en C; d) afvalwater afkomstig uit de hallen (ontwateringspers). In de aanvraag is aangegeven dat alle afvalwaterstromen van de terreindelen B en C worden afgevangen in het percolaatbassin dat op terreindeel C aanwezig is. Hier wordt het gebufferd en verpompt naar de waterzuiveringsinstallatie. Het afvalwater afkomstig van het ontwateren uit de hal wordt ook op deze waterzuiveringsinstallatie geloosd. De waterzuiveringsinstallatie bestaat uit een bufferbassin en een bassin waar beluchting plaatsvindt. Hierna wordt het water ontdaan van grove delen door het te leiden over een borstelband. De grove delen worden in de compostering gebracht. Om onopgeloste bestanddelen te laten bezinken worden Identificatie D-2024-00016929
33 van 93
achtereenvolgens coagulant (FeCl3) en polymeer aan het beluchte water toegevoegd. De onopgeloste delen worden via een bandfilter uit het afvalwater gehaald. Dit slib wordt opgevangen in een slibcontainer. Het te schonen afvalwater rust in een bezinkcontainer (40 m3) waarbij het bezinksel wordt gespuid naar de terreinwaterput. Het geschoonde afvalwater dat wel nog opgeloste verontreinigingen kan bevatten wordt per as afgevoerd, dan wel geloosd op het gemeentelijk riool via lozingspunt 3 (LP3 op de plattegrondtekening). Op diverse plaatsen kan een afvalwatermonster worden genomen om de kwaliteit van het afvalwater te beoordelen. Kwaliteit Het effluent zal na lozing op het riool uitkomen op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Na behandeling in deze RWZI wordt het water geloosd op het oppervlaktewater. Ter bescherming van de RWZI en kwaliteit van het uiteindelijke ontvangende oppervlaktewater heeft HHSK advies uitgebracht. Samengevat houdt het advies in dat de lozing van het effluent op het gemeentelijk riool zich niet verzet tegen de werking van de RWZI van HHSK, indien wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden: - Per dag (24 uur) mag niet meer dan 50 m3 op de gemeentelijke riolering worden geloosd. Het afvalwater van huishoudelijke aard van de sanitaire voorzieningen is hierin niet meegenomen.
Beide stromen moeten separaat op het riool worden gebracht. - De aanvoer van groenafval op het terrein wisselt per seizoen. Daarom moet het te lozen afvalwater (alvorens het op de riolering wordt geloosd) maandelijks worden gemeten op de parameters die reeds door de aanvrager zijn gemeten, te weten CZV, N-totaal en een aantal metalen. - Voor CZV, onopgeloste bestanddelen, N-totaal en zijn de lozingsnormen respectievelijk 900 mg/l, 300 mg/l en 120 mg/l. - Voor de lozingseisen aan de metalen en metalloïden is aangesloten bij de normstelling in de BBTconclusies voor afvalbehandeling (BBT 20). - De pH moet zich tussen de 6,5 en 10 bevinden. Deze voorwaarden zijn als voorschrift aan dit besluit verbonden. Als gevolg van de beperkte capaciteit van het persriool is in de voorschriften een beperking van het lozingsdebiet op lozingspunt LP3 opgenomen tot maximaal 2,1 m3/ uur. Naast het processpecifieke afvalwater wordt bedrijfsafvalwater geloosd dat vergelijkbaar is met huishoudelijk afvalwater. Op de lozing van dit afvalwater is de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur.
Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde eisen zijn in deze vergunning opgenomen. Algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en mengsels (ABM) Er worden o.a. bij de afvalwaterzuivering (hulp)stoffen / mengsels gebruikt die in het afvalwater terecht komen. Voor een goede uitvoering van het waterkwaliteitsbeleid is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mate waarin de geloosde grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten een potentieel gevaar vormen voor het aquatisch milieu. Op 16 maart 2016 is hiervoor door het Ministerie Identificatie D-2024-00016929
34 van 93
van Infrastructuur en Milieu de Algemene Beoordelingsmethodiek 2016 (ABM) vastgesteld. Zij sluit aan bij de Europese regelgeving inzake het indelen, verpakken en kenmerken van stoffen en mengsels. De ABM maakt onderdeel uit van het algemene waterkwaliteitsbeleid en is een methodiek waarmee de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels ingedeeld kan worden in klassen (Z, A, B of C), gebaseerd op intrinsieke stofeigenschappen als toxiciteit, carcinogeniteit en mutageniteit. - Z (Zeer Zorgwekkende Stoffen: verzameling van meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu, bijvoorbeeld PAK’s, dioxinen, kwik en kwikverbindingen); - A (niet snel afbreekbare, waterbezwaarlijke stoffen); - B (snel afbreekbare, waterbezwaarlijke stoffen); - C (stoffen die van nature voorkomen in het lokale oppervlaktewater). De indeling in waterbezwaarlijkheidsklassen geeft globaal richting aan de saneringsinspanning die mag worden verlangd bij lozing van de betreffende stoffen of mengsels. De saneringsinspanning geeft het niveau aan van de inspanning die moet worden geleverd om de lozing van een stof te verminderen. Daarbij geldt dat hoe waterbezwaarlijker een stof/mengsel is, hoe groter de saneringsinspanning is die verlangd mag worden.
Bij het bepalen van de saneringsinspanning die met elk van deze vier categorieën gepaard gaat, wordt gekeken naar de mogelijkheden van bronaanpak (substitutie en procesaanpassing) en minimalisatie (zuivering van de afvalwaterstroom). Voorop staat dat daarbij BBT moet worden toegepast. Uit de aanvraag is gebleken dat het product Actipol wordt gebruikt. Actipol is ingedeeld in waterbezwaarlijkheidsklasse A1. Hierdoor geldt voor deze stof een saneringsverplichting en zal een alternatief gezocht moeten worden. Toepassen van andere (hulp)stoffen en mengsels Als de vergunninghouder andere stoffen en mengsels wil gaan toepassen die met het afvalwater worden geloosd, is het nodig dat het bevoegd gezag het effect hiervan op de lozing kan beoordelen. In een voorschrift is opgenomen, dat vergunninghouder een overzicht bijhoudt van nieuwe stoffen en mengsels waarvoor saneringsinspanning B of C geldt. Van stoffen en mengsels waarvoor saneringsinspanning Z of A geldt, worden voordat deze mogen worden gebruikt gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt. Als de wijziging in overeenstemming is met de vergunning, zal het bevoegd gezag dit binnen één maand schriftelijk meedelen. De vergunninghouder kan dan overgaan tot het gebruik van de nieuwe stoffen en/of mengsels.
De wijziging is in overeenstemming met de vergunning als de nieuwe stoffen en/of mengsels vergelijkbaar zijn met de te vervangen stoffen en/of mengsels. Als de lozing door de wijziging niet meer in overeenstemming is met de vergunning, kan het nodig zijn om een wijziging van de vergunning aan te vragen. Het kan ook zijn dat lozing van de stoffen/mengsels onaanvaardbaar wordt geacht. Dit is afhankelijk van de gevolgen van de lozing. De nieuwe stoffen en mengsels waarvoor saneringsinspanning Z of A geldt, mogen pas worden toegepast, nadat het bevoegd gezag schriftelijk goedkeuring heeft gegeven. 2.1.3.4 Bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De NRB is ontwikkeld om vergunningvoorschriften te uniformeren en harmoniseren.
Identificatie D-2024-00016929
35 van 93
Uitgangspunt van het nationale bodembeleid is dat de bodemrisico’s van bedrijfsmatige activiteiten door doelmatige maatregelen en voorzieningen tot een verwaarloosbaar risico beperkt moeten worden. Het zorgplichtbeginsel van de Wet bodembescherming (Wbb) en de Wm maakt dat de vergunninghouder de door hem veroorzaakte belaste bodem moet herstellen (herstelplicht) en aansprakelijk is voor de kosten van bodemherstel. Zelfs bij een verwaarloosbaar bodemrisico is bodemverontreiniging niet volledig uit te sluiten. De bodemkwaliteit moet daarom voor de inwerkingstelling van de activiteit door middel van een nulsituatie bodemonderzoek worden vastgelegd. Bodemverontreiniging zal dan kunnen blijken uit het eindsituatie bodemonderzoek in relatie tot het nulsituatie bodemonderzoek. Nulsituatiebodemonderzoek De nulsituatie van de bodem is onder een aantal nieuwe bodembedreigende activiteiten (ter plaatse van de bouw van de hallen) nog onvoldoende onderzocht. Bij de aanvraag is geen nulsituatieonderzoek gevoegd. In de aanvraag is aangegeven dat voorafgaande aan de bouw/ingebruikname een nulsituatie bodemonderzoek wordt verricht ter plaatse van locaties waar nog onvoldoende zicht is op de nulsituatie.
In voorschrift 1.9.1 is opgenomen dat uiterlijk drie maanden na inwerkingtreden van de vergunning het nulsituatieonderzoek overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde onderzoeksopzet moet zijn uitgevoerd. Bodembedreigende activiteiten De aanvraag heeft betrekking op de volgende bodembedreigende activiteiten: 1. Werkplaats: onderhoud machines 2. Werkplaats: opslag oliën en vetten 3. Werkplaats/magazijn: opslag verf (werkvoorraad) 4. Werkplaats: diverse handapparatuur 5. Werkplaats: stoomcleaner opgesteld 6. Tankplaats (combinatie met wasplaats) 7. Opslag diesel bovengrondse tank 8. Vullen bovengrondse tank 9. Wasplaats (combinatie met tankplaats) 10. Afvoer water wasplaats 11. Opslag KGA in buitencontainer 12. Verkleinen te composteren materiaal 13. Inkuilen gras 14. Tunnel composteerproces 15. Opslag waterbassins 16. Bewerken (afvalwater) 17. Opslag van materiaal t.b.v. vergisting dan wel andere energieopwekking 18. Ontvangen, opbulken, samenvoegen, opslaan, overslaan, keuren en verhandelen grond 19. Zeven van grond (inclusief vrijkomend materiaal opslaan) 20. Ontvangen, opbulken, samenvoegen, opslaan, overslaan, ontwateren, keuren en verhandelen van baggerspecie 21. Verpompen water 22. Opslag water uit baggerdepots 23. Ontvangen, opbulken, samenvoegen, opslaan, overslaan, reinigen (via zeven of biologisch of immobiliseren/ stabiliseren) keuren en verhandelen van grond 24.
Opslag en overslag bouw- en sloopafval 25. Sorteren bouw- en sloopafval 26. Op- en overslag steenachtige bouwstoffen 27. Puinbreken 28. Opslag en overslag verbrandingsassen
Identificatie D-2024-00016929
36 van 93
Bodemrisicochecklist Vanaf 1 januari 2013 is voor bedrijven die onder de RIE vallen, het aspect bodem rechtstreeks geregeld in het Activiteitenbesluit. In het kader van deze omgevingsvergunning kunnen daarom geen voorschriften worden vastgesteld. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Bij de aanvraag is een bodemrisicochecklist gevoegd waaruit blijkt welke combinatie van maatregelen en voorzieningen (Cvm) zijn getroffen om tot een verwaarloosbaar bodembescherming te komen. Grondwatermonitoring nabij de olie- en benzineafscheider (OBAS) De bodem in de regio Midden-Holland heeft een slechte draagkracht en kent een sterke bodemdaling (1 cm per jaar is geen uitzondering). Door verzakking van de bodem is de kans groot dat rioleringsverbindingen loslaten of niet meer goed op elkaar aansluiten. Hierdoor ontstaat lekkage. Dit kan ook gebeuren bij nieuwe leidingen. In het verleden hebben kapotte aansluitingen bij olie-benzine afscheiders geleid tot bodemverontreiniging. Oliën en oliehoudende stoffen zijn zeer mobiele stoffen en kunnen zich in relatief korte tijd via het grondwater over een grote oppervlakte verspreiden. Het monitoren van de grondwaterkwaliteit zorgt voor een vroegtijdige constatering van een lekkage zodat de verspreiding kan worden beperkt.
Op grond van het zorgplichtartikel worden maatwerkvoorschriften opgelegd ten aanzien van het zoveel mogelijk beperken van bodem- en grondwaterverontreiniging (artikel 2.1 lid 1 jo. lid 2 en lid 4 van het Activiteitenbesluit). Als geen monitoring wordt toegepast, maar de bodemkwaliteit pas bij beëindiging van de activiteit met een eindsituatieonderzoek wordt vastgesteld, kan de verontreiniging zich reeds hebben verspreid onder opstallen en naar naastgelegen percelen. Om deze reden zijn via een maatwerkbesluit voorschriften opgenomen om grondwatermonitoring toe te passen bij olie- en benzineafscheiders. Voorschriften Bij de was- en tankplaats is een olie- en benzineafscheider aanwezig waarvoor een monitoringsverplichting wordt vastgesteld. Aan die verplichting worden voorschriften verbonden waarmee de wijze waarop de monitoring plaats moet vinden wordt vastgelegd. Normaliter moet, alvorens een peilbuis wordt geplaatst, een monitoringsplan ter goedkeuring zijn voorgelegd. Omdat duidelijk is welke afvalwaterstroom het betreft en het een olie- en benzineafscheider betreft is geen monitoringsplan voorgeschreven. In plaats daarvan zijn direct eisen gesteld aan het plaatsen van de peilbuis en het meten van de stoffen. In de voorschriften is opgenomen dat een peilbuis moet zijn geplaatst in de directe nabijheid van de olie-en benzineafscheider.
Elke twee jaar moet aan een daartoe geaccrediteerd bureau of persoon opdracht worden gegeven uit de buis een grondwatermonster te nemen en te analyseren op de aanwezigheid van (minerale) olie en vluchtige aromaten. Met deze voorschriften wordt invulling gegeven aan de zorgplicht met betrekking tot het zoveel mogelijk beperken van bodem- en grondwaterverontreiniging. 2.1.3.5 Energie De voorschriften ten aanzien van energie(besparing) zijn opgenomen in afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit. Omdat er ook IPPC-installaties aanwezig zijn, het energieverbruik geschat is op 6.000.000 kWh en de BBT-conclusies voor Afvalbehandeling in BBT23 o.a. eisen stelt aan het opstellen van een energie-efficiencyplan is op grond van artikel 2.22 lid 5 Wabo een energiebesparingsplan verplicht gesteld waarbij de maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder genomen moeten worden. Wagro heeft in haar aanvraag aangegeven een dergelijk plan na vergunningverlening te laten uitvoeren.
Identificatie D-2024-00016929
37 van 93
2.1.3.6 Externe veiligheid (Intern) bedrijfsnoodplan Vanuit de BREF Afvalbehandeling wordt een noodplan vereist (BREF 5.1.16). In de Arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties. In artikel 2.0c van de Arboregeling is geregeld wat er tenminste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden ten aanzien van een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.
Voor de beoordeling van de aanvraag van Wagro zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant: - PGS 15:2016 versie 1.0 (Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) - PGS 30:2011 versie 1.0 (Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties) - PGS 31:2018, versie 1.1 (Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties) PGS 15: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen Voor voorzieningen met een opslagcapaciteit van minder dan 10 ton zijn voorschriften uit hoofdstuk 3 van de PGS 15 opgenomen. Binnen Wagro worden in beperkte mate gevaarlijke stoffen opgeslagen voor onderhoudswerkzaamheden in de werkplaats. De voorschriften voor de opslag zijn opgenomen in paragraaf 0 van dit besluit, waarbij wordt verwezen naar de PGS 15. PGS 30: opslag van dieselolie Voor de opslag van dieselolie in bovengrondse opslagtanks (één stationaire dieselolietank) zijn de eisen opgenomen in paragraaf 3.3.1 van het Activiteitenbesluit. Hierin wordt verwezen naar de PGS 30. Omdat regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, zijn voor deze activiteit geen voorschriften in de vergunning opgenomen. PGS 31: opslag van ijzerchloride en zwavelzuur Ten behoeve van de waterzuiveringsinstallatie is een bovengrondse opslagtank voor de opslag van ijzerchloride aanwezig (30 m3). De luchtbehandeling voorziet in een gaswasser en biobedinstallatie.
Voor de gaswasser is een tank zwavelzuur aangevraagd (30 m3). Voor de opslag van ijzerchloride en zwavelzuur gelden de eisen van de PGS 31. In de voorschriften zijn de relevante voorschriften van de PGS 31 van toepassing verklaard. 2.1.3.7 Geluid Akoestische omgeving bedrijf Wagro is gevestigd aan de Tweede Bloksweg 54b-58 in Waddinxveen. Het betreft hier een landelijke omgeving langs een drukke weg. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op circa 25 meter ten zuidwesten van de inrichting. Het betreft de woning Tweede Bloksweg 60. Representatieve bedrijfssituatie De inrichting is op werkdagen tussen 07:00 uur en 19:00 uur in bedrijf. De BMC is 24 uur per dag in werking. Bij onregelmatigheden in het composteringsproces kan gewerkt worden tussen 06:00 uur en Identificatie D-2024-00016929
38 van 93
07:00 uur en tussen 19:00 uur en 23:00 uur. Onbekend is in welke mate dit plaatsvindt, deze activiteiten vallen derhalve tevens onder de representatieve bedrijfssituatie. Bij de uitbreiding van Wagro gaan enkele activiteiten inpandig worden uitgevoerd. Het gaat hierbij om tunnelcompostering en afvalscheiding. Hiervoor worden in twee bouwstappen de hallen gerealiseerd. Binnen de inrichting vinden de volgende geluidsrelevante activiteiten plaats: - het stoken van de BMC; - verkleinen van grof (houtachtig) groenafval met behulp van twee verkleiners; - scheiden van (voorbewerkt) groenafval, compost, bouw- en sloopafval, en (verontreinigde) TOPgrond met behulp van drie zeefinstallaties; - scheiden van (voorbewerkt) groenafval, compost, bouw- en sloopafval, en (verontreinigde) TOPgrond met behulp van twee windziftinstallaties; - omzetten van de composthopen middels een omzetmachine (komt op het buitenterrein in de beoogde situatie te vervallen); - het breken van puin; - inzet drie shovels; - vrachtverkeer; - reinigings- en werkplaatsactiviteiten; - tractor met watersproeitank voor het bevochtigen van het terrein; - personenwagenverkeer van/naar kantoor. De omgevingsvergunning van de BMC is nog niet onherroepelijk; voor een ‘worst case’ scenario is deze activiteit meegenomen.