CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

4 Revisievergunning Wagro milieu

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b - 58, Wagro38.177 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Postbus 45 2800 AA Gouda 088 - 54 50 000 www.odmh.nl Besluitdatum Verzenddatum Ons kenmerk

2023-00009858

Uw kenmerk Loketnummer

7922717

Bijlagen Bijlagen:

4 0

Besluit op aanvraag omgevingsvergunning Aanvraag voor een Wabo revisievergunning milieu (omgevingsvergunning 1e fase) Aanleiding Op 14 juli 2023 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen. Het betreft het veranderen van de inrichting (revisievergunning). De aanvraag gaat over de bedrijfslocatie aan Tweede Bloksweg 54b te Waddinxveen. De aanvraag heeft betrekking op het bedrijf Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. (hierna Wagro). Het project is gefaseerd aangevraagd, waarbij het onderdeel milieu in fase 1 is aangevraagd en onderdeel bouwen in een andere aanvraag in fase 2 wordt aangevraagd. Inwerkingtreding Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is daardoor komen te vervallen. Omdat de aanvraag voor 1 januari 2024 is ingediend wordt deze procedure nog wel volgens het oude recht afgehandeld. Wij zijn bevoegd gezag voor het behandelen van deze aanvraag. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto artikel 3.3 eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

Besluit Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit: A. De aangevraagde omgevingsvergunning fase 1, onder bijgevoegde voorschriften, te verlenen voor de volgende activiteiten(en): - milieu (artikel 2.6 jo. 2.1 lid 1 onder e Wabo). B. Op basis van artikel 8.40 en 8.42 lid 4 van de Wet milieubeheer tot het intrekken van alle voorschriften uit de aan Wagro verleende omgevingsvergunningen voor de Tweede Bloksweg 54b te Waddinxveen voor zover deze op grond van het overgangsrecht gelden als maatwerkvoorschriften.

Identificatie D-2024-00016929

1 van 93

C. Gelet op artikel 2.7a lid 4 en 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de bij besluit van 13 juli 2018 (kenmerk 2018175771) vastgestelde maatwerkvoorschriften ter bescherming van het milieu aan te passen. D. Op grond van artikel 2.1 lid 1 jo. lid 2 en lid 4 (zorgplicht) van het Activiteitenbesluit milieubeheer de voorschriften 2.2.1 t/m 2.2.8 op te leggen als maatwerkvoorschriften. E. Op grond van artikel 2.2a van het Activiteitenbesluit milieubeheer in te stemmen met het verzoek om voor het lozen van afvalwater afkomstig van de gecombineerde was- en tankplaats afwijkende lozingseisen vast te stellen. De maatwerkvoorschriften met lozingseisen voor de gecombineerde afvalwaterstroom zijn opgenomen in de voorschriften in hoofdstuk 2.1 bij dit besluit. F. Op grond van artikel 2.9a van het Activiteitenbesluit milieubeheer de maatwerkvoorschriften vast te stellen voor het realiseren van een aanvaardbaar bodemrisico voor het inkuilen van gras (artikel 2.9a Activiteitenbesluit). De maatwerkvoorschriften zijn opgenomen in hoofdstuk 2.2 van dit besluit. G. Dat de in voorschriften 1.2.37, 1.2.44, 1.2.55, 1.2.61 en 1.2.75 van dit besluit genoemde nietgevaarlijke afvalstoffen op grond van artikel 2.12 lid 5 Activiteitenbesluit milieubeheer onder de daarbij genoemde voorwaarden mogen worden gemengd. H.

Op grond van artikel 2.22 lid 5 Wabo voorschriften 1.13.1 tot en met 1.13.7 ten aanzien van het onderwerp ‘energie’ te verbinden aan dit besluit. I. De in bijlage 1 als zodanig vermelde stukken onderdeel uit te laten maken van dit besluit. Omdat de stukken die u bij de aanvraag heeft ingediend bij u bekend en aanwezig zijn, worden deze niet met de beschikking meegezonden. De beschikkingen met betrekking tot de eerste en tweede fase treden op dezelfde dag in werking. Deze dag is de laatste van de dagen waarop de beschikkingen, met toepassing van de artikelen 6.1 en 6.2a tot en met 6.2c, elk afzonderlijk in werking zouden treden (artikel 6.3 lid 1 Wabo).

Rechtsbescherming Bent u het niet eens met het besluit? Dan kunt u van een beroepschrift indienen. U heeft daarvoor zes weken de tijd vanaf de dag na de terinzagelegging van het besluit. U kunt alleen beroep indienen als u belanghebbende bent. U kunt dit op twee manieren doen: 1. Per post. Stuur uw brief naar: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. 2. Digitaal. Het is belangrijk dat u beschikt over een elektronische handtekening (DigiD). Wilt u hier meer over weten? Kijk dan op https://loket.raadvanstate.nl/digitaal-loket/. Daarnaast is het belangrijk dat u zorgt dat u:  het beroepschrift ondertekent. En dat u deze voorziet van uw naam, adres, de dagtekening, een omschrijving van het besluit en uw motivering,  een kopie van het besluit meelevert,  aangeeft op welk telefoonnummer en e-mailadres u te bereiken bent. Zo voorkomt u dat de rechter het beroepschrift niet in behandeling neemt. Aan de behandeling van het beroep zijn wel kosten verbonden. Ook stelt het indienen van beroep de werking van het besluit niet uit.

Identificatie D-2024-00016929

2 van 93

Wilt u het besluit met spoed laten tegenhouden? Dan kunt u hier bij de voorzieningenrechter om vragen. Dit heet een ‘voorlopige voorziening’ vragen. U kunt dit doen als u een beroepschrift heeft ingediend. En wanneer u denkt dat uw belangen zo zwaar wegen dat u de beslissing op uw beroep niet kunt afwachten. U kunt op twee manieren om een voorlopige voorziening vragen: 1. Per post bij de voorzieningenrechter van de Raad van State (Postbus 20019, 2500 EA Den Haag). 2. Digitaal, daar heeft u een elektronische handtekening voor nodig (DigiD). Kijk op de website https://loket.raadvanstate.nl/digitaal-loket/ voor het digitaal indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. U maakt wel kosten als u een voorlopige voorziening vraagt.

Identificatie D-2024-00016929

3 van 93

Inhoudsopgave Aanleiding ................................................................................................................................................ 1 Besluit ...................................................................................................................................................... 1 Rechtsbescherming ................................................................................................................................. 2 Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 4 1

2

Procedure ......................................................................................................................................... 6 1.1

Projectbeschrijving ................................................................................................................. 8

1.2

Huidige vergunningsituatie en vergunningsplicht................................................................... 9

Overwegingen ................................................................................................................................ 10 2.1

3

Milieu (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo) ................................................................................. 10

2.1.1

Toetsingskader ................................................................................................................ 10

2.1.2

Wetgeving ........................................................................................................................ 10

2.1.3

Toetsing ........................................................................................................................... 12

2.1.3.1

Afvalstoffen.............................................................................................................. 12

2.1.3.2

Geur ........................................................................................................................ 28

2.1.3.3

Afvalwater................................................................................................................ 32

2.1.3.4

Bodem ..................................................................................................................... 35

2.1.3.5

Energie .................................................................................................................... 37

2.1.3.6

Externe veiligheid .................................................................................................... 38

2.1.3.7

Geluid ...................................................................................................................... 38

2.1.3.8

Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 40

Conclusie ........................................................................................................................................ 42

Voorschriften.......................................................................................................................................... 43 1

Milieu .............................................................................................................................................. 43 1.1

Algemeen ............................................................................................................................. 43

1.2

Afvalstoffen........................................................................................................................... 46

1.3

Compostering ....................................................................................................................... 62

1.4

Puinbreker ............................................................................................................................ 62

1.5

Geur ..................................................................................................................................... 63

1.6

Afvalwater............................................................................................................................. 67

1.7

Waterzuivering ..................................................................................................................... 71

1.8

Veiligheid .............................................................................................................................. 72

1.9

Bodem .................................................................................................................................. 73

1.10

Geluid ................................................................................................................................... 73

1.11

Biomassacentrale ................................................................................................................. 74

1.12

Stofverspreiding ................................................................................................................... 74

Identificatie D-2024-00016929

4 van 93

2

1.13

Energie ................................................................................................................................. 75

1.14

Proefnemingen ..................................................................................................................... 76

Maatwerkvoorschriften ................................................................................................................... 78 2.1

Afvalwater............................................................................................................................. 78

2.2

Grondwatermonitoring nabij de olie- en benzineafscheider ................................................. 78

2.3

Geuremissie afkomstig van de biomassacentrale ............................................................... 79

Bijlage 1: Aanvraag ............................................................................................................................... 81 MEMO - doelmatigheid en mengen omgevingsrevisievergunning-Wag.Wad.23.not-doel-03 Geschoonde versie ............................................................................................................................ 81 Bijlage 2: Begrippen .............................................................................................................................. 83 Bijlage 3 Benodigde gegevens ten behoeve van ABM-beoordeling ..................................................... 91 Bijlage 4: Nota van beantwoording van de zienswijzen ........................................................................ 93

Identificatie D-2024-00016929

5 van 93

1

Procedure

Dit besluit is voorbereid overeenkomstig de bepalingen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag en de daarbij gevoegde bescheiden zijn getoetst aan de eisen die het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht daaraan stellen. In verband met het ontbreken van een aantal noodzakelijke gegevens hebben wij de aanvrager op 22 september 2023 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens op 23 november 2023 ontvangen. De beslistermijn is hiermee met 42 dagen onderbroken geweest. Gebleken is dat een oude versie van bijlage 3 van de aanvraag ter inzage heeft gelegen en niet was genoemd in bijlage 1 van het ontwerpbesluit. De gewijzigde versie van bijlage 3 (waarin twee euralcodes voor veegvuil zijn bijgevoegd) is alsnog toegevoegd en maakt onderdeel uit van de vergunning. Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning voor Waddinxveense groenrecycling Wagro B.V. heeft samen met het ontwerp bestemmingsplan vanaf 28 december 2023 tot en met 07 februari 2024 ter inzage gelegen. Zowel in het gemeentehuis, als via de gemeentelijke website, als via www.odmh.nl (omgevingsvergunning milieu), heeft de mogelijkheid bestaan om de ontwerpbesluiten te raadplegen.

Gedurende de periode van zes weken heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen tegen de ontwerp omgevingsvergunning en het ontwerp bestemmingsplan. Indiening zienswijzen Van deze mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is gebruikgemaakt: er zijn zienswijzen ingekomen op het ontwerp omgevingsvergunning onderdeel milieu. De zienswijzen zijn tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk. De zienswijzen zijn in bijlage 4 beschreven en voorzien van een reactie. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van het ontwerpbesluit. In één van de zienswijzen is aangegeven dat de stukken die behoren bij de aanmeldnotitie voor de mer-beoordeling niet ter inzage zijn gelegd. Om aan de zienswijze tegemoet te komen zijn deze stukken alsnog gedurende een periode van zes weken ter beschikking gesteld aan allen die zienswijzen hebben ingediend met de mogelijkheid om hier alsnog hun zienswijzen op te geven. Hier is geen gebruik van gemaakt. Advies In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo hebben wij de aanvraag ter advisering aan de gemeente Waddinxveen gezonden. De gemeente Waddinxveen is op grond van artikel 6.1 van het Bor aangewezen als adviseur. Wij hebben geen advies van de gemeente Waddinxveen ontvangen.

Ingevolge artikel 2.26 lid 1 van de Wabo is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen op de aanvraag. Wij hebben op 6 november 2023 het advies van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard ontvangen. Het advies is overgenomen in deze vergunning.

Identificatie D-2024-00016929

6 van 93

Milieueffectrapportage (m.e.r. beoordeling) Op grond van artikel 7.2 van de Wm is de beoogde wijziging en uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten aangewezen in het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). Het gaat hierbij onder meer om de categorieën 11.3 en 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. D11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. D18.1: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering1 van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. De drempelwaarde van de in de categorieën genoemde activiteiten worden overschreden. Voor de voorgenomen activiteiten is door ons en burgemeester en wethouders van Waddinxveen een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Op 30 mei 2023 hebben wij het besluit met kenmerk D-2023-00019672 genomen dat de te realiseren activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu op basis waarvan het opstellen van een milieueffectrapport (MER) verplicht moet worden gesteld. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is bij de aanvraag gevoegd.

Burgemeester en wethouders van Waddinxveen hebben met besluit van 30 mei 2023 (kenmerk 62716924) vastgesteld dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan voor de ontwikkeling door Wagro geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Uit de aangeleverde stukken voor de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat er met de realisatie van de plannen geen belangrijke nadelige milieugevolgen aanwezig zijn waarvoor het opstellen van een MER moet worden verplicht. Wet natuurbescherming (Wnb) Uit de rapportages en de bijgeleverde AERIUS-berekeningen blijkt dat de activiteit ten opzichte van de referentiesituatie (voor zowel de project- als de planberekening) niet leidt tot een bijdrage van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. De stikstofdepositie is op een juiste wijze in beeld gebracht. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de activiteit zoals beschreven in de aangeleverde gegevens niet leidt tot een toename van stikstofdepositie en derhalve geen belemmering vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. De natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden door de activiteit niet aangetast. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat een vergunning voor de beschreven activiteit op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb niet nodig is.

Wet Bibob In het kader van de Wet Bibob zijn stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering aangeleverd. Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob de aangeleverde stukken getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding de gevraagde vergunning te weigeren of nader onderzoek te verrichten. 1 Onder het begrip "verwijdering van afvalstoffen" (cat. D18.1) moeten zowel de verwijderingshandelingen als de

handelingen tot nuttige toepassing van afvalstoffen worden verstaan. Dit volgt niet direct uit de Nederlandse wetgeving (Besluit M.e.r), maar is een gevolg van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Identificatie D-2024-00016929

7 van 93

1.1

Projectbeschrijving

Eén van de hoofdactiviteiten van de inrichting is de productie van compost uit groenafval en organisch composteerbaar bedrijfsafval. Waar tot nog toe het composteringsproces op het buitenterrein plaatsvond, wordt met de aanvraag een gebouw gerealiseerd waarin tunnelcompostering gaat plaatsvinden. Hiermee gaan de composterings- en droogactiviteiten inpandig plaatsvinden. De lucht van de composteerhal wordt afgezogen, via een gaswasser en biofilter behandeld en op een hoogte van 30 meter geëmitteerd. Het gebouw voor de tunnelcompostering wordt stapsgewijs gebouwd. In een eerste bouwstap wordt een gebouwdeel met acht composteringstunnels gebouwd. In de tweede bouwstap worden de overige acht composteringstunnels gebouwd. Met de composteringstunnels is het composteringsproces en de emissie daaruit beter te controleren en wordt het proces versneld. Naast een hal voor tunnelcompostering wordt in een ander gebouwdeel een afvalscheidingsinstallatie voor het verkleinen en scheiden van diverse niet-gevaarlijke afvalstromen (afval uit de glastuinbouw, substraatmatten, bouw- en sloopafval, grof huisvuil of bedrijfsafval) gerealiseerd. De capaciteit van de aangevraagde afvalscheidingsinstallatie is 140.500 ton per jaar.

Een deel van het groenafval en het hout dat wordt geaccepteerd, in het bijzonder snoeihout en A- en B-hout, wordt door verkleinen en scheiden geschikt gemaakt om als brandstof te dienen. Vanwege geuremissie wordt snoeihout verkleind en gescheiden in de te bouwen hal. De opslag en het verkleinen/scheiden van A- en B-hout vindt op het buitenterrein plaats. De aanvraag heeft ook als doel om de verwerkingscapaciteit van steenachtig materiaal uit te breiden van 30.000 ton/jaar naar 100.000 ton/ jaar. De verwerking bestaat uit verkleinen en scheiden van steenachtig materiaal en vindt uitpandig plaats. Voor het verwerken van (verontreinigde) grond, veegvuil, baggerspecie en riool- kolkenafval volgens BRL-richtlijnen is een verwerkingscapaciteit aangevraagd van 240.000 ton/ jaar. Deze stoffen worden op een apart deel van het buitenterrein opgeslagen en verwerkt. Het afvalwater (verontreinigd hemelwater en afvalwater afkomstig van ontwatering) wordt opgevangen in een waterbassin en gezuiverd in een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Een deel van de afvalwaterstroom wordt gebruikt voor bevochtiging van het terrein (ter voorkoming van stofvorming) en het surplus wordt gezuiverd geloosd op de gemeentelijke riolering. Op een ander deel van het buitenterrein worden inerte stoffen opgeslagen.

Het hierdoor (met inerte onopgeloste bestanddelen) verontreinigd hemelwater wordt opgevangen in een hemelwaterbassin van waaruit het terrein wordt bevochtigd. Het surplus wordt net als het hemelwater afkomstig van de gebouwen op het omliggende oppervlaktewater geloosd. Op het terrein is een biomassacentrale (hierna: BMC) gepland met een vermogen van 14,9 MWth en een capaciteit van 31.500 ton schone biomassa/jaar. Deze BMC is reeds in 2016 gemeld. In de BMC wordt biomassa2 verbrand waarbij elektriciteit wordt opgewekt en warmte wordt geproduceerd. De vrijkomende warmte zal nuttig worden gebruikt doordat deze wordt afgezet naar derden via een nog aan te leggen warmtenet. Voor de BMC zou, als de installatie een zelfstandige inrichting zou zijn, de melding die in 2016 op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) is gedaan volstaan. Omdat de BMC op een vergunningplichtige inrichting wordt geïnstalleerd, is in deze vergunningaanvraag rekening gehouden met de milieueffecten van deze installatie, waaronder geluid en geur van de inrichting als geheel. Omdat de installatie ten opzichte van de melding in 2016 niet 2 De definitie biomassa zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 lid 2 onder

31 Kaderrichtlijn afvalstoffen. Identificatie D-2024-00016929

8 van 93

wijzigt, hoeft geen nieuwe melding ingediend te worden. De BMC is om die reden niet opnieuw aangevraagd/gemeld. Tot slot is een aantal ondersteunende activiteiten aangevraagd, zoals een stalling voor materieel, een werkplaats voor onderhoud- en herstelwerkzaamheden, een was- en tankplaats en diverse opslagplaatsen voor oliën, gassen en overige middelen en een zuiveringsinstallatie voor het bufferen en behandelen van terreinwater. De plaats van de diverse activiteiten is verbeeld op de plattegrondtekening die bij de aanvraag is gevoegd.

1.2

Huidige vergunningsituatie en vergunningsplicht

Wagro is een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting – met een capaciteit van 15.000.000 kg per jaar of meer (Bor, bijlage 1, onderdeel c, categorie 28.4 onder c. sub 1: ontwateren, omzetten, agglomereren, deglomereren, scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen). Daarnaast betreft het een inrichting waartoe IPPC-installaties behoren. De IPPC-installaties betreffen de biologische behandeling van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag (de composteeractiviteiten) en voorbehandeling van ongevaarlijk afval voor verbranding of meeverbranding met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag (het produceren van brandstof). Deze activiteiten vallen achtereenvolgens onder de categorieën van activiteiten genoemd in 5.3.b lid b onder i en 5.3.b lid b onder ii van bijlage I van de Richtlijn Industriële emissies (hierna RIE). Omdat er sprake is van IPPC-installaties wordt de inrichting aangemerkt als een inrichting waarvoor op grond van artikel 2.1 lid 2 van het Bor een vergunning noodzakelijk is. Ingevolge artikel 3.3 lid 1 onder b van het Bor zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bevoegd te beslissen op de aanvraag.

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Tabel 1.1: Soort vergunning Revisievergunning milieu en natuurvergunning (Nbw) Omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik en milieuneutrale wijziging Omgevingsvergunning milieuneutrale verandering Omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik, verandering en een maatwerkbesluit voor de biomassagestookte stookinstallatie Omgevingsvergunning veranderingsvergunning

Identificatie D-2024-00016929

Datum 08-10-2015

Kenmerk 2015261250

Onderwerp

15-02-2016

2016026184

22-05-2017

2017108955

13-07-2018

2018175771

Omgevingsvergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van een waterbassin Het wijzigen (uitruilen) van de innamecapaciteit Omgevingsvergunning voor het bouwen en realiseren van een biomassacentrale.

30-09-2019

2019573452

Het lozen van percolaatwater op de riolering

9 van 93

Omgevingsvergunning veranderingsvergunning

09-01-2020

2019712635

Besluit op bezwaar

11-08-2020

2020126070

Besluit op bezwaar

23-02-2021

2020254609

Omgevingsvergunning behorend bij besluit op bezwaar

19-7-2021

2021170832

Het wijzigen van de vergunning ter voorkoming van broeibranden in het inkuildepot voor grasachtig materiaal Het afwijzen van de aanvraag voor verhogen van de maximale opslaghoogte. Vergunning voor het accepteren van grond/baggerspecie afkomstig van afvalinrichtingen Besluit om het bezwaar tegen besluitonderdeel B van de omgevingsvergunning van 11 augustus 2020 gegrond te verklaren en de passage ‘(zeefzand)’ te schrappen in voorschrift 1.1 Uitbreiden maximale opslaghoogte van diverse (afval)stoffen

De bovenstaande omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu vervallen op het tijdstip waarop deze omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. De melding op grond van het Activiteitenbesluit voor de biomassagestookte stookinstallatie blijft van kracht.

2

Overwegingen

De volgende inhoudelijke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag:

2.1

Milieu (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo)

2.1.1 Toetsingskader De aanvraag heeft betrekking op een revisievergunning van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e juncto artikel 2.6 van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder a van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder b van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14 lid 1 onder c van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. 2.1.2 Wetgeving Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Deze regels zijn direct werkend en mogen niet in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Wagro wordt aangemerkt als een inrichting type C. Binnen Identificatie D-2024-00016929

10 van 93

de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de hieronder opgenomen paragrafen van het Activiteitenbesluit: - Afdeling 2.1. Zorgplicht; - Afdeling 2.2. Lozingen; - Afdeling 2.3 Lucht en geur; - Afdeling 2.4 Bodem; - Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; - Paragraaf 3.2.1 In werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; - Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen; - Paragraaf 3.3.2. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen; - Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; - Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank. Op basis van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moeten veranderingen van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze ook betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer.

De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer. Voor zover maatwerk is aangevraagd is dat specifiek in de consideranstekst benoemd en zijn maatwerkvoorschriften via een apart hoofdstuk in de bijlage opgenomen. Beste beschikbare technieken Volgens artikel 2.22 lid 2 van de Wabo worden aan de vergunning voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen of – indien dit niet mogelijk is – zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Hierbij wordt uitgegaan van de beste beschikbare technieken. Sinds 1 januari 2013 moet bij het bepalen van beste beschikbare technieken (BBT) rekening worden gehouden met BBT-conclusies en de Nederlandse informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bij de Regeling omgevingsrecht behorende bijlage. Met de volgende BBT-conclusies is rekening gehouden, zover het betreft de installatie en de daarmee samenhangende activiteiten: - de primaire BREF Afvalbehandeling; - de secundaire BREF Energie-efficiëntie.

Met de volgende Nederlandse informatiedocumenten over BBT is rekening gehouden: - Nederlandse richtlijn bodembescherming 2012 (NRB 2012); - PGS 15:2016 versie 1.0 (Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen); - PGS 30:2011 versie 1.0 (Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties);

Identificatie D-2024-00016929

11 van 93

-

PGS 31:2018, versie 1.1 (Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties)

2.1.3 Toetsing 2.1.3.1 Afvalstoffen Te ontvangen afvalstoffen Binnen de inrichting worden afvalstoffen ingenomen, opgeslagen en verwerkt. In onderstaande tabel is de maximale hoeveelheid die geaccepteerd wordt en maximale opslagcapaciteit per afvalstof opgegeven. Wagro is een bestaand bedrijf dat met de bouw van een hal andere activiteiten kan uitvoeren en in capaciteit kan uitbreiden. In de vergunning worden ten aanzien van de te verwerken stoffen twee situaties onderscheiden: een voortzetting van de huidige bedrijfsvoering (tijdelijk) en een situatie na ingebruikname van de hal voor tunnelcompostering en afvalscheiding. In voorschrift 1.2.8 (tijdelijke situatie tot ingebruikname van de hal) en 1.2.12 (na ingebruikname van de hal) zijn de maximale opslagcapaciteit en hoeveelheid die wordt geaccepteerd opgenomen. In onderstaande tabel c2.1 is de aangevraagde eindsituatie opgenomen. Tabel c2.1: aangevraagde verwerkings- en opslagcapaciteit na ingebruikname van de hal Acceptatie (ton/jaar)

Maximale opslag op enig moment (m3)

212.500

65.0007)

maximaal Afvalstroom

Euralcode Euralcode omschrijving

Groenafval,

02 01 03

afval van plantaardige weefsels

GFT en

02 01 07

afval van de bosbouw

organisch

02 03 01

slib van wassen, schoonmaken, pellen,

bedrijfsafval

centrifugeren en scheiden 02 03 02

afval van conserveermiddelen

02 03 03

afval van oplosmiddelenextractie

02 03 04

voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal

02 03 05

slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse

02 05 01

voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal

02 06 01

voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal

02 07 04

voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal

02 07 05

slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse

03 03 11

niet onder 03 03 10 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse

19 09 02

waterzuiveringsslib

19 12 12

overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking

Verontreinigd

20 01 08

biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval

20 02 01

biologisch afbreekbaar afval

02 01 99

Niet elders genoemd afval 1)

groenafval

Identificatie D-2024-00016929

12 van 93

Acceptatie (ton/jaar)

Maximale opslag op enig moment (m3)

120.000

70.000

maximaal Afvalstroom

Euralcode Euralcode omschrijving

Grond 2)

17 05 04

Niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen

19 12 09

Minerale stoffen (bv. zand, steen) 120.000 70.000

20 02 02

Grond en stenen

Veegvuil

20 03 03

Veegvuil

RKG-slib

19 08 02

Afval van zandvang

20 03 06

Afval van het reinigen van riolen

Baggerspecie 3) 17 05 06

Niet onder 17 05 05 vallende baggerspecie

Steenachtig

17 01 01

Beton

materiaal/ puin

17 01 02

Stenen

17 01 03

Tegels en keramische producten

17 01 07

Niet onder 17 01 06 vallende mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten

17 03 02

Niet onder 17 03 01 vallende bitumineuze

30.000 10.000

35.000

80.000

100.000

33.000

100.000

70.000

mengsels 17 05 08

Niet onder 17 05 07 vallende spoorwegballast

19 13 02

Niet onder 19 13 01 vallend vast afval van bodemsanering

Glastuinbouw

02 01 99

Niet elders genoemd afval 4)

02 01 04

Kunststofafval (exclusief verpakkingen)

17 09 04

Niet onder 17 09 01, 17 09 02 en 17 09 03

substraatmatten Glastuinbouw kunststof Bouw-, en sloopafval

vallend gemengd bouw- en sloopafval 19 12 04

Kunststoffen en rubber

19 12 12

Overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van

7.700

mechanische afvalverwerking 20 02 03

Overig niet biologisch afbreekbaar afval

15 01 06

Gemengde verpakking

20 03 01

Gemengd stedelijk afval

Grofvuil

20 03 07

Grofvuil

Hout

03 01 01

Schors- en kurkafval

03 01 05

Niet onder 03 01 04 vallend zaagsel, schaafsel,

Bedrijfsafval

111.500 5)

spaanders, hout, spaanplaat en fineer

Zeefoverloop

03 03 01

Schors- en houtafval

15 01 03

Houten verpakking

17 02 01

Hout

19 12 07

Niet onder 19 12 06 vallend hout

20 01 38

Niet onder 20 01 37 vallend hout

19 05 01

Niet-gecomposteerde fractie van huishoudelijk

25.700 6)

en soortgelijk afval 19 05 02

Niet-gecomposteerde fractie van dierlijk en plantaardig materiaal

Identificatie D-2024-00016929

13 van 93

Acceptatie (ton/jaar)

Maximale opslag op enig moment (m3)

500

100

764.500

306.500

maximaal Afvalstroom

Euralcode Euralcode omschrijving 19 05 99

Niet elders genoemd afval van de aërobe behandeling van vast afval

Plantaardige

19 08 09

oliën en vetten

Vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten

20 01 25

Spijsolie en -vetten totaal

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

betreft dusdanig met kunststof of substraten verontreinigd groenafval afkomstig van de land en tuinbouw zodat een voorscheiding noodzakelijk is voordat het afval verder verwerkt kan worden en bevat minder dan 50% verontreinigingen (euralcode 02.01). klasse: AW, wonen, industrie, niet toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. klasse: toepasbaar, indicatief of kwaliteit onbekend. betreft substraatmatten uit de land en tuinbouw wat voor meer dan 50% uit substraat bestaat (euralcode 02.01). waarvan maximaal 31.500 ton 19.12.07 bestemt voor de BMC. waarvan maximaal 7.700 m3 19.12.07 bestemt voor de BMC. waarvan 14.000 m3 houtachtig groenafval losgestort op terreindeel A, 18.000 m3 gras in het inkuildepot en 33.000 m3 in de tunnelcomposteringshal.

Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het -directe of indirecte- gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. De totale hoeveelheid afval die binnen de inrichting vrijkomt bedraagt circa 36 ton per jaar.

Afgewerkte olie afkomstig van onderhoud van het materieel (10 ton) en onvrijwillig verkregen klein gevaarlijk afval (20 ton) vormen het grootste deel van de af te voeren afvalstoffen. Voor beide afvalstoffen geldt dat er weinig besparingspotentieel is. Gezien de hoeveelheid van de overige uit de bedrijfsvoering ontstane afval wordt afvalpreventie niet relevant geacht. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Daarbij is aangegeven dat het voor bedrijfsafval niet goed mogelijk is een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. In het LAP (paragraaf B.3.4.2.2) is aangegeven dat voor bepaalde hoeveelheden afvalstoffen die vrijkomen binnen een inrichting (het betreffen hier niet de afvalstoffen die van buiten de inrichting Identificatie D-2024-00016929

14 van 93

afkomstig zijn) scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om afvalscheiding voor te schrijven voor de volgende afvalstoffen: - papier en karton; - hout; - metalen; - huishoudelijk of daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval; - kunststoffen; - elektrische en elektronische apparatuur. Het gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen is verplicht gesteld in artikel 2.12 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het LAP, waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: a. preventie; b. voorbereiding voor hergebruik; c. recycling; d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; e. veilige verwijdering. In het LAP zijn voor een groot aantal afvalstofgroepen zogenaamde sectorplannen vastgesteld waarin de minimale eisen zijn opgenomen (de minimumstandaard) voor de verwerking van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is.

Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende be- en verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten In bijlage 2 van het AV AO/IC zijn schematisch de verwerkingsroutes van de diverse afvalstoffen opgenomen. In de Memo doelmatig beheer van afvalstoffen en mengen van oktober 2023 is per soort afvalstroom aangegeven of (naar oordeel van Wagro) de aangevraagde verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard van het LAP3. Hieronder zijn de diverse aangevraagde categorieën van afvalstromen opgenomen met vermelding van de voor die afvalstroom geldende sectorplan. Daarna vindt de toetsing aan de minimumstandaard plaats. Afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen in deel E van het LAP van toepassing. In sommige sectorplannen wordt voor de verdere verwerking van uitgesorteerde afvalstoffen verwezen naar een daarvoor geldend sectorplan:  Sectorplan 1 huishoudelijk restafval (fijn en grof);  Sectorplan 3 Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen; (i.c.

plantaardige oliën en vetten);  Sectorplan 6 Gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens;  Sectorplan 7 Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval;  Sectorplan 8 Gescheiden ingezameld groenafval; Identificatie D-2024-00016929

15 van 93

          

Sectorplan 9 Afval van onderhoud van openbare ruimten; (veegvuil, afval zandvang en afval van reinigen van riolen); Sectorplan 11 Kunststof en rubber (o.a. kunststoffolies uit de glastuinbouwafval en kunststoffen als sorteren van bouw- en sloopafval); Sectorplan 16 Waterzuiveringsslib; Sectorplan 18 KCA, KGA; Sectorplan 28 Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties; Sectorplan 29 Steenachtig materiaal; Sectorplan 36 Hout; Sectorplan 39 Grond; Sectorplan 40 Baggerspecie (klasse toepasbaar, indicatief en kwaliteit onbekend); Sectorplan 41 Verpakkingen algemeen; Sectorplan 84 Steenwol (steenwolmatten uit de glastuinbouw).

Minimum verwerking per sectorplan Sectorplan 1 huishoudelijk restafval (grof) Bedrijfsafvalstoffen zijnde afvalstoffen afkomstig uit de dienstverlenende sector (winkels, kantoren, inrichtingen e.d.) en industriële sector die qua aard en samenstelling overeenkomen met huishoudelijk afval wordt binnen Wagro in de scheidingshal via een scheidingsinstallatie gesorteerd, verkleind en gescheiden in diverse monostromen. Hout, organisch materiaal en steenachtig materiaal wordt verder intern verwerkt volgens de daarvoor vastgestelde afvalverwerkingsroute. Het metaal, kunststof en restafval wordt voor verwerking naar een erkende verwerker gebracht. Voor grof huishoudelijk restafval dat gemengd is aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden is gehouden is het sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Hieraan wordt voldaan. In de voorschriften is een sturingsvoorschrift opgenomen voor het geval dat grof huishoudelijk afval ongesorteerd wordt afgegeven (voorschrift 1.2.28). Sectorplan 3 Procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen In dit geval gaat het om plantaardige oliën en vetten afkomstig van vetafscheiders van horecagelegenheden.

Dit afval valt onder sectorplan 3 (procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen). Bij Wagro worden deze stoffen alleen opgeslagen en afgevoerd naar een erkende verwerker. Sectorplan 3 geeft aan dat voor recyclebare afvalstromen recycling als minimumstandaard geldt. In de voorschriften is opgenomen dat deze afvalstoffen alleen voor recycling mogen worden afgevoerd (voorschrift 1.2.29). Sectorplan 6 Gescheiden ingezameld/afgegeven groente, fruit en tuinafval van huishoudens (GFT) en sectorplan 7 Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval In sectorplannen 6 en 7 van het LAP is aangegeven dat het GFT- en organische bedrijfsafval moet worden afgegeven bij een inrichting waar het wordt gecomposteerd met het oog op recycling; of vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat. Afvalstromen met GFT afkomstig van particulieren en organisch bedrijfsafval worden verwerkt via de verwerkingsroute ‘organische afvalstoffen’ zoals genoemd in bijlage 2 van het AV AOIC en worden bij de Wagro gecomposteerd. De genoemde afvalstromen worden binnen Wagro verwerkt of afgevoerd naar een installatie van derden ten behoeve van recycling.

Identificatie D-2024-00016929

16 van 93

Het GFT afkomstig van particulieren mag worden opgebulkt met daarmee naar aard en samenstelling vergelijkbaar bij handel, diensten en overheden, veilingen, agrarische bedrijven en industriële bedrijven gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval. Een en ander blijkt uit bijlage F.5 van het LAP, waarbij beide afvalstromen in één categorie zijn opgenomen (categorie 13). In het geval dat Wagro zelf de verwerking doet worden de twee afvalstromen opgewerkt om te worden gecomposteerd. Wagro mag het daarnaast als gescheiden deelstroom afvoeren naar een inrichting waar het verder wordt verwerkt volgens de minimum standaard (zie voorschrift 1.2.35). Met de beschreven verwerking wordt voldaan aan de minimumstandaard. Sectorplan 8 Gescheiden ingezameld groenafval De minimumstandaard in sectorplan 8 beschrijft: De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld groenafval is 'andere nuttige toepassing' in de vorm van - composteren met het oog op recycling; - vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door aerobe droging/narijping met het oog op recycling van het digestaat. Inzet als brandstof t.b.v. levering van elektriciteit en/of warmte is eveneens toegestaan.

Gescheiden ingezameld groenafval doorloopt het stroomschema ‘organische afvalstoffen’ van bijlage 2 van het AV AO/IC net als hierboven bij GFT afkomstig van particulieren (sectorplan 6) en organisch bedrijfsafval (sectorplan 7). Als het gescheiden ingezameld groenafval gereed moet worden gemaakt voor compostering kunnen de hiervoor genoemde organische stromen daarmee worden gemengd. Het vermengen van deze twee stromen met gescheiden ingezameld groenafval is verderop in de considerans onder het kopje ‘mengen’ beoordeeld. Met de beschreven verwerking wordt voldaan aan de minimumstandaard. Sectorplan 9 Afval van onderhoud van openbare ruimten Wagro accepteert twee afvalstofgroepen die vallen onder ‘afval van onderhoud van openbare ruimten’, zijnde veegvuil en RKG-slib. Voor deze twee afvalstromen is in sectorplan 9 opgenomen dat de verwerking conform de minimumstandaard voor ‘grond’ (sectorplan 39) gevolgd kan worden. Het aangeleverde veegvuil wordt bij Wagro op de terreindelen B en C gestort, samengevoegd met andere partijen veegvuil, gezeefd en gesorteerd. De diverse afgescheiden deelstromen worden weggebracht voor recycling, de overgebleven ‘grond’ wordt verwerkt volgens de verwerkingsroute van ‘grond’ van bijlage 2 van het AV AO/IC. RKG-slib wordt gestort op de buitenopslag waar het wordt ontwaterd. Als het RKG-slib steekvast is, wordt het gezeefd en gesorteerd.

De diverse gesorteerde deelstromen worden weggebracht voor recycling of intern verder verwerkt, de overgebleven ‘grond’ wordt verwerkt volgens de verwerkingsroute van ‘grond’. Ondanks dat beide afvalstromen onder één sectorplan vallen, moeten deze afvalstromen gescheiden van elkaar worden gehouden overeenkomstig bijlage F.5 van het LAP (categorie 14 en 15), pas na opwerking tot grond kunnen ze worden samengevoegd. Dit is opgenomen in voorschrift 1.2.38. Sectorplan 11 Kunststof en rubber Het LAP stelt in sectorplan 11 eisen aan het zoveel mogelijk bij de bron scheiden en gescheiden houden van afvalstoffen. Kunststoffen moeten bij de bron worden gesorteerd of anderszins verwerkt met als doel thermoplasten, thermoharders, elastomeren van elkaar te scheiden (hierna kunststofgroepen).

Identificatie D-2024-00016929

17 van 93

Bij Wagro moeten gescheiden aangeleverde kunststoffen bij binnenkomst uit elkaar worden gehouden. Aangegeven is dat de aangeleverde kunststofstroom bestaat uit kunststoffen (folies) afkomstig van de glastuinbouw. Daarnaast ontstaan kunststofstromen uit scheidingswerkzaamheden van andere aangevoerde afvalstoffen. In de voorschriften is aanvullend op de verwerkingsroute van het AV AO/IC opgenomen dat gescheiden aangeleverde of eenmaal gescheiden kunststofstromen ook gescheiden moeten blijven. De verschillende ontstane afvalstromen kunststof binnen de kunststofgroepen mogen wel worden opgebulkt. Daarna doorlopen ze de verwerkingsroute voor kunststoffen. Kunststoffen worden afgevoerd naar een inrichting die invulling geeft aan de minimumstandaard van sectorplan 11 of een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard voor verwerking niet in de weg staat. Hiertoe hebben wij de voorschriften 1.2.40 tot en met 1.2.42 verbonden aan deze beschikking. Hiermee wordt voldaan aan de minimumstandaard. Sectorplan 12 Metalen Metalen en legeringen van metalen worden niet ingenomen, maar kunnen op het terrein van Wagro worden uitgesorteerd na de inname van de diverse afvalstoffen. Het metaalafval wordt losgestort in de hal of in containers op het buitenterrein opgeslagen en afgevoerd voor recycling.

Het LAP kent in sectorplan 12 twee afvalstromen, zijnde metalen (ferro- en non-ferro metaalafvalstoffen) en grotendeels uit metalen bestaande vaste afvalstoffen. Deze twee afvalstromen moeten gescheiden van elkaar worden gehouden aangezien zij in bijlage F.5 van het LAP in aparte categorieën zijn onderverdeeld (24: metalen en 25a en 25b: grotendeels (>50 gew.%) uit metalen bestaande vast afval). Aangezien de eis voor het gescheiden houden al geregeld is in het Activiteitenbesluit zijn voor deze verplichting geen eisen opgenomen. De metalen worden gescheiden afgevoerd naar een inrichting die invulling geeft aan de minimumstandaard van sectorplan 12 of een inrichting die de uitvoering van de minimumstandaard voor verwerking niet in de weg staat (voorschrift 1.2.43) . Hiermee wordt voldaan aan de minimumstandaard. Sectorplan 16 Waterzuiveringsslib De in sectorplan 16 vermelde minimumstandaard voor slib afkomstig van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotmiddelenindustrie is recycling. Het bij Wagro aangevoerde slib doorloopt de verwerkingsroute van organisch afval. Bij Wagro wordt het slib gecomposteerd. Hiermee wordt voldaan aan de minimumstandaard voor waterzuiveringsslib afkomstig van de voedings- en genotmiddelenindustrie.

Het zuiveringsslib afkomstig van de bedrijfseigen zuivering behandelt het afvalwater (percolaatwater) afkomstig van potentieel (licht) vervuilde grond en baggerspecie. Dit zuiveringsslib wordt in het LAP3 ingedeeld als Waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie. Hiervoor geldt een andere minimumstandaard (thermische verwerking, inzet als hulpstof op een stortplaats of terugwinning van stoffen uit het slib). Als gevolg van uitspoeling kunnen diverse verontreinigende stoffen zich aan het slib binden/cumuleren waardoor het ongeschikt is om te mengen en tot compost te maken. Om die reden is in voorschrift 1.2.44 opgenomen dat zuiveringsslib afkomstig van de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie pas met groenafval, GFT of organisch bedrijfsafval mag worden gemengd als per te mengen partij slib is vastgesteld dat het zelfstandig voldoet aan de eisen van voorschrift 1.3.1. Hiermee wordt voorkomen dat slibben die onverhoopt verontreinigingen met zich mee nemen worden gemengd met schoon materiaal en wordt gegarandeerd dat wordt voldaan aan de uitgangspunten voor het mengen in het LAP (LAP 3, paragraaf D.4.2).

Identificatie D-2024-00016929

18 van 93

Sectorplan 18 KCA, KGA Wagro accepteert geen gevaarlijke afval. Desondanks kan het voorkomen dat gevaarlijke stoffen onverhoopt worden aangetroffen in aangeleverde afvalstoffen. Deze worden door Wagro apart opgeslagen en met andere gevaarlijke stoffen apart afgevoerd naar een erkende verwerker. Asbest wordt in een aparte asbestcontainer opgeslagen en afgevoerd (zie voorschrift 1.2.64). Gevaarlijke afvalstoffen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de opslageisen van de PGS 15. Hiervoor zijn eisen opgenomen in voorschrift 1.8.1. Sectorplan 28 Bouw- en sloopafval Met deze vergunning wordt de acceptatie en het sorteren van gemengd bouw- en sloopafval vergund. Hierop is sectorplan 28 van LAP 3 van toepassing, waarin het volgende is opgenomen. De minimumstandaard voor gemengd bouw- en sloopafval is sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. De monostromen die minimaal moeten worden afgescheiden (voor zover aanwezig) zijn: alle componenten als genoemd in art. 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012, alsook steenachtig materiaal, hout, kunststof, metaal, sorteerzeefzand, alsook als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen anders dan bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst uit de Regeling Europese afvalstoffenlijst.

Hiertoe hebben wij de voorschriften 1.2.47 tot en met 1.2.50 verbonden aan deze beschikking. Sectorplan 29 Steenachtige materialen De acceptatie en het bewerken van steenachtig materiaal wordt aangevraagd. Hierop is sectorplan 29 van LAP 3 van toepassing waarin het volgende is opgenomen: De minimumstandaard van PAK-arm (<50mg/kg droge stof) steenachtig materiaal is recycling met inachtneming van:  het algemene mengbeleid (beleidskader LAP 3 hoofdstuk B.7) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (beleidskader LAP 3 paragraaf B.7.5.4);  de voorwaarden voor gebruik in "noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen" (beleidskader LAP 3 hoofdstuk B.12). De grenswaarde (<50mg/kg droge stof) voor PAK 10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt. De minimumstandaard voor steenachtig materiaal is recycling waarin rekening wordt gehouden met de mogelijke aanwezigheid van PAK. Volgens de minimumstandaard van sectorplan 29 van LAP3 is deze bewerking alleen toegestaan wanneer het PAK10 gehalte van het steenachtig materiaal niet meer dan 50 mg/kg droge stof bedraagt. Steenachtig materiaal met een PAK 10 gehalte van meer dan 50 mg/kg droge stof wordt bij Wagro niet aangevraagd en niet geaccepteerd, maar kan onverhoopt in een lading aanwezig zijn en na acceptatie worden geconstateerd.

Voor dat geval is in dit besluit voorschrift 1.2.53 opgenomen, dat vastlegt dat steenachtig materiaal met een PAK 10 gehalte van meer dan 50 mg/kg droge stof alleen mag worden afgevoerd ten behoeve van thermisch of extractief reinigen en vervolgens recyclen van de gereinigde fractie naar een inrichting die hiertoe bevoegd is. Sectorplan 36 Hout De minimumstandaard voor hout is opgedeeld in drie houtsoorten: A- en B-hout; niet-gewolmaniseerd C-hout; gewolmaniseerd C-hout.

Identificatie D-2024-00016929

19 van 93

A- en B-hout mag alleen worden ingezet ten behoeve van nuttige toepassing. In voorschrift 1.2.57 hebben wij deze verplichting opgenomen. Wagro heeft aangegeven deze houtsoorten te willen verkleinen en af te zetten voor recycling of gebruik als brandstof. In het LAP is aangegeven dat recycling van A- en B-hout technisch mogelijk is en reeds vele toepassingen kent. Omdat er echter onvoldoende capaciteit is om al het A- en B-hout te recyclen is de minimumstandaard vastgesteld op ‘andere nuttige toepassing’. De minimumstandaard voor niet-gewolmaniseerd C-hout is afvoer ten behoeve van hoofdgebruik als brandstof en als zodanig opgenomen in voorschrift (1.2.58). Gewolmaniseerd C-hout moet volgens de minimumstandaard apart worden gehouden van niet-gewolmaniseerd C-hout en worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats (voorschrift 1.2.59). C-hout wordt niet geaccepteerd, maar kan onverhoopt worden aangetroffen en zal apart moeten worden opgeslagen. In de aanvraag is aangegeven dat het hout losgestort of in containers wordt opgeslagen op terreindeel A1. Ter voorkoming van verspreiding van ZZS-stoffen door de afvoer met (hemel)waterstromen is in voorschrift 1.2.60 opgenomen dat C-hout niet los op een buitenterrein van de inrichting mag worden gestort, maar dat C-hout droog en tegen regen beschermd moet worden opgeslagen.

Sectorplan 37 Asbest Asbest en asbesthoudend afval worden niet aan de poort geaccepteerd. Deze afvalstoffen kunnen wel onvrijwillig worden verkregen en worden aangetroffen tijdens het afvalverwerkingsproces. Om die reden is een beperkte opslag aangevraagd (één container). In de voorschriften is hier rekening mee gehouden en zijn eisen opgenomen aan de wijze van opslag. Er worden binnen Wagro geen bewerkingen aangevraagd en deze mogen ook niet worden uitgevoerd. De container wordt afgevoerd naar een daartoe gespecialiseerde verwerker. In voorschrift 1.2.67 is de maximale opslagcapaciteit voor asbest en asbesthoudende afvalstoffen beperkt tot 40 m3 (ter grootte van één container). Sectorplan 39 Grond In sectorplan 39 van het LAP is de minimumstandaard opgenomen voor grond. Als minimumstandaard wordt aangehouden: Nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit voor het betreffende toepassingsgebied met inachtneming van: 1. het algemene mengbeleid en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie; 2. de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’. De opslag van grond vindt plaats in containers of losgestort op terreindeel B. Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is geen maximum in de aanvraag opgenomen.

In de aanvraag is aangegeven dat de aangeleverde partijen grond van elkaar gescheiden worden gehouden. Partijen kleiner dan 25 m3 kunnen worden samengevoegd tot een maximale partijgrootte van 25 m3. Grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit (grond met kwaliteit Achtergrondwaarde (Aw)) valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Hiervoor zijn in deze vergunning geen voorschriften opgenomen. Partijen grond anders dan van kwaliteit Aw moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. Dit is in voorschrift 1.2.68 opgenomen. Als de kwaliteit van de grond onbekend is mag deze grond tot dat de kwaliteit is bepaald niet worden samengevoegd met andere partijen grond. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal een jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is. Verontreinigde grond In de aanvraag is voor verontreinigde grond de volgende be-/verwerkingsmethode beschreven. Identificatie D-2024-00016929

20 van 93

Afzonderlijke partijen grond en/of conform de BRL 9335 samengevoegde partijen grond, worden na tijdelijk opslag, eventueel na afzeven van de bodemvreemde materialen en/of stabilisatie, afgezet naar elders voor toepassing binnen de kaders van het Bbk. Partijen grond die op zich voldoen aan de toepassingseisen van het Bbk, maar enkel verontreinigd zijn met organische componenten in de vorm van biologisch afbreekbare koolwaterstoffen, kunnen eventueel nog biologisch gereinigd worden middels landfarming overeenkomstig BRL 7500 om een kwaliteitsverbetering van de grond te bewerkstelligen. Partijen grond die vanwege de fysisch/chemische samenstelling niet binnen de kaders van het Bbk toegepast kunnen worden, kunnen bij Wagro diverse be-/verwerkingen ondergaan, waarna deze vervolgens wel als grond/bouwstof binnen de kaders van het Bbk toegepast kunnen worden, namelijk: I. Partijen grond die verontreinigd zijn met biologisch afbreekbare koolwaterstoffen (bijvoorbeeld olie), worden eventueel voorafgegaan door mengen van diverse partijen te reinigen grond, biologisch gereinigd middels landfarming overeenkomstig BRL 7500, waarna de gereinigde grond vervolgens binnen de kaders van het Bbk toegepast kan worden. Hierbij dient in geval van mengen de te reinigen grond van vergelijkbare aard en kwaliteit te zijn overeenkomstig de BRL 7500 die opgenomen is in het Bbk. II.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464759/2