2. Bestemmingsplan Noordeinde 74, 122a en 134, regels (0401)
Tekst van het document
Noordeinde 134
screenshot nsl-monitoring luchtkwaliteitsmetingen ter hoogte van Noordeinde 134
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden slechts drie nieuwe woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als ‘niet in betekende mate’. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
Uit de achtergrondconcentraties over 2016 van fijnstof (PM10) (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
4.4
Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet Geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat de geluidsgevoelige objecten (in dit geval woningen) worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In dit plan is enkel wegverkeerslawaai aan de orde. In de nabije omgeving van de plangebieden zijn geen bedrijventerreinen en spoorlijnen gelegen. Aangaande wegverkeerslawaai is de provinciale weg N455 (Noordeinde) de meest maatgevende weg, maar in het akoestisch onderzoek zijn ook de Puttelaan en Snijdewijklaan meegenomen. 42
Planspecifiek Op de kavel ten noorden van Noordeinde 122 zullen geen geluidsgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd. De bestaande plattelandswoning Noordeinde 74 wordt, zonder fysieke ingrepen, omgezet naar een burgerwoning. Omdat de plattelandswoning reeds een geluidgevoelige bestemming is, is geen akoestisch onderzoek nodig naar deze woning. Het deelplan Noordeinde 134 gaat uit van de herbouw van de bestaande woning en daarnaast de bouw van vier nieuwe woningen. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens. De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. In het document ‘Beleidsregel Hogere waarden Regio Midden-Holland’ wordt het beleid wanneer grenswaarden worden overschreden verder uitgelegd en gespecificeerd. N455 Uit geluidsberekeningen uitgevoerd door een ingenieursbureau (zie bijlage) bedraagt de geluidsbelasting ten gevolge van het Noordeinde den hoogste 55 dB Lden (inclusief aftrek artikel 110 Wgh). De geluidbelasting voor de twee woningen die het dichtste bij de openbare weg Noordeinde liggen voldoen niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.
De maximale grenswaarde voor wegverkeerslawaai van, 63 dB Lden wordt niet overschreden. De overige woningen liggen onder de voorkeursgrenswaarde. Voor de twee woningen die het dichtst gelegen zijn bij de openbare weg Noordeinde wordt een hogere waarde aangevraagd. Er zal bij de nieuwbouw rekening gehouden worden om de wettelijke binnenwaarde van 33 dB te garanderen. Enkel één woning heeft een hogere waarde dan 53 dB. Deze woning heeft een geluidluwe gevel. Bij de woningindeling dient op elke verdieping ten minste één verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde te zijn gesitueerd. Er is voldoende ruimte op de kavel om aan de geluidsluwe zijde een geluidsluwe buitenruimte te realiseren. Puttelaan/Snijdelwijklaan De geluidbelasting ten gevolge van de Puttelaan/Snijdewijklaan is in het kader van goede ruimtelijke ordening toelaatbaar.
4.5
Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: ‘scheiden waar het moet, mengen waar het kan’. Het scheiden van milieubelastende en 43
milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct naast hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. In de omgeving van de planlocaties zijn woningen en andere functies gelegen zoals bedrijven en winkels. Tevens is aansluitend aan de planlocaties de provinciale weg de N455 gelegen. Gelet op deze ligging kan de omgeving van alle drie de planlocaties worden gezien als ‘gemengd gebied’ waardoor met 1 afstandsstap kan worden afgeweken van de richtafstanden van de VNG-publicatie. Noordeinde 74 Ten noorden van de naar een woonbestemming te wijzigen bedrijfswoning Noordeinde 74 zijn een bouwmarkt en een grondverzetbedrijf gevestigd.
Een bouwmarkt is in de VNG-publicatie ingedeeld in milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Een grondverzetbedrijf is ingedeeld in maximaal milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. De afstand van de woning tot de bestemmingsvlakgrens van de bouwmarkt is circa 11 meter en tot het bestemmingsvlak van het grondverzetbedrijf 77 meter. Ten zuiden van het plangebied is op circa 60 meter een sierteeltbedrijf gelegen. Een sierteeltbedrijf is ingedeeld in milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Er wordt ten opzichte van omliggende bedrijven voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Daarnaast geldt voor de omliggende bedrijven de woning aan de Noordeinde 74 als ‘woning van derden’ met de bijbehorende beschermingsregeling. De aanwezigheid van deze bedrijfswoning bepaalt dus reeds in de huidige situatie de ontwikkelruimte van de nabijgelegen bedrijven. Of een woning in gebruik is als agrarische bedrijfswoning of als burgerwoning is daarop niet van invloed. Voor beide categorieën gelden op basis van de wet- en regelgeving dezelfde milieunormen. Dat betekent dat de omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun huidige bedrijfsvoering en ook niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden als de bestemming ter plaatse van de Noordeinde 74 wijzigt in Wonen.
Desondanks dient op basis van een goede ruimtelijke ordening wel sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming. Hierbij is van belang dat omliggende bedrijven ten aanzien van de woning gelegen aan de Noordeinde 74 reeds moet voldoen aan milieuvoorschriften zoals vermeld in hun vergunning of aan de milieuregels zoals vermeld in het Activiteitenbesluit. Ten tijde van vergunningverlening is al getoetst of aan de geldende milieunormen wordt voldaan ter plaatse van de woning Noordeinde 74. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woning Noordeinde 74 geborgd. Daarbij wordt tevens aan de richtafstanden voldaan. Noordeinde 134 De bestaande woning is gesloopt en zal herbouwd worden. Het gesloopte woonhuis (die op de kavel ten noorden van Noordeinde 122 staat) wordt herbouwd op de kavel Noordeinde 134, alsmede worden nog drie nieuwe (ruimte-voor-ruimte) compensatiewoningen gebouwd op Noordeinde 134. In totaal komen er op dit kavel 5 woningen te staan. Rondom deze locatie zijn uitsluitend woningen gesitueerd. Door de voorgenomen ontwikkelingen worden daarom geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering en is ter plaatse van de 5 beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De kavel ten noorden van Noordeinde 122 Ter plaatse van deze locatie is alle bebouwing gesloopt.
De locatie wordt bestemd als specifieke vorm van agrarisch Bentwoud zonder bouwvlak. Omliggende bedrijven worden niet beperkt. 44
Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
4.6
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen de invloedssfeer van natura 2000-gebieden liggen. Door middel van stikstofdepositie kunnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden verslechterende gevolgen hebben. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht.
Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming De nieuwe gebouwen zijn aardgasloos en kennen dus geen gebouwemissies van stikstof. In de gebruiksfase is er wel sprake van extra verkeersbewegingen met mogelijk relevante stikstofeffecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zoals de Nieuwkoopse Plassen & de Haeck (zie figuur hieronder). Met de meest recente versie van het programma AERIUS Calculator (versie 2023.2) is een berekening uitgevoerd van de aanlegfase en de gebruikfase om de gevolgen qua stikstofdepositie in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Omgevingswet. De berekening is opgenomen als bijlage.
ligging ontwikkellocaties ten opzichte van Natura 2000-gebieden Nieuwkoopse Plassen & de Haeck 45
Noordeinde 74 Aangezien de bestaande woning al voor de referentiedatum van de aanwijzing van de Nieuwkoopse plassen als Natura 2000-gebied (in dit geval 14 februari 1997) legaal aanwezig was, valt het nieuwe gebruik van de woning juridisch gezien onder bestaand gebruik en speelt dus geen rol in de stikstofberekening. De kavel ten noorden van Noordeinde 122 De hier aanwezige gebouwen zijn inmiddels gesloopt, zonder herbouw. Deze sloopwerkzaamheden worden daarom niet doorgerekend qua stikstofeffecten. Noordeinde 134 Hier zijn de sloop- en bouwfase qua stikstof relevant. In de gebruiksfase is sprake van in totaal 5 nieuwe, gasloze woningen. De verkeersgeneratie van de 2 herbouwde woningen van Noordeinde 74 en 122A valt onder bestaand gebruik. Derhalve dient het stikstofeffect van de verkeersgeneratie van de 3 nieuwe woningen te worden bepaald. Aanlegfase In de onderstaande tabel zijn de afzonderlijke emissiebronnen uitgewerkt. De werkzaamheden worden in 2024 uitgevoerd. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. De inzet van het overige materieel is ingevoerd als vlakbron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam zal zijn. Met het bouwbedrijf zal de afspraak gemaakt worden dat machines uitgezet worden indien deze niet in bedrijf zijn. Zodoende is er geen sprake van stationair draaien van machines.
tabel Materieelinzet bouw 5 woningen, alles Stage IV, 75-560 kW, 2014-2018
Het bouwverkeer gaat op het Noordeinde direct op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor AERIUS 2019A (juli 2020), zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. De verkeersintensiteit op het Noordeinde bedroeg 2.560 motorvoertuigen per etmaal in 2022 (bron: Kaart | CIMLK). Het bouwverkeer voegt daar maximaal 0,1% aan toe. Gebruiksfase Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase is uitgegaan van de kengetallen van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317), hierbij is uitgegaan van ‘rest bebouwde kom’. Voor deze situatie geldt een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etm per woning. Omdat er per saldo 3 nieuwe woningen bijkomen gaat het in totaal om een toename van 24,6 mvt/etm (rekenjaar 2024). Dit 46
verkeer gaat op het Noordeinde direct op in het heersende verkeers-beeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor AERIUS 2019A (juli 2020), zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. De verkeersintensiteit op het Noordeinde bedroeg 2.560 motorvoertuigen per etmaal in 2022 (bron: Kaart | CIMLK). De nieuwe woningen voegen daar maximaal 1% aan toe. De AERIUS-berekeningen laten voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten zie die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de bijlage Memo Stikstofberekening van 24 mei 2024 met kenmerk 20221158 met bijbehorende berekeningen. Soortenbescherming Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Voor dit plan is specifiek een quickscan “Flora en Fauna” uitgevoerd, en zijn er soortgerichte onderzoeken, ecoeffectscans en activiteitenplannen gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en rugstreeppad uitgevoerd voor het kavel ten noorden van Noordeinde 122 en Noordeinde 134. In de quickscan is onderzocht welke beschermde planten en dieren mogelijk in het plangebied voorkomen.
Hieruit blijkt dat de mogelijkheid bestaat dat vleermuissoorten, egels en kleine marterachtigen, ringslangen, rugstreeppadden en broedvogels met jaarrond beschermde nesten voor kunnen komen. Overige broedvogels kunnen ook voorkomen, maar daarvoor is geen extra onderzoek nodig, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen vallen. Vooralsnog worden geen werkzaamheden verwacht aan (oevers van) watergangen. Dientengevolge wordt schade aan vissoorten uitgesloten. De drie locaties maken geen deel uit van een beschermd natuurgebied of het Natuurnetwerk Nederland of dusdanig in de nabijheid daarvan. Planspecifiek Noordeinde 74 Het woonhuis blijft behouden. Nader onderzoek naar soorten die zich in het pannendak of spouwmuren zouden kunnen bevinden wordt daarom niet uitgevoerd. In één van de elzensingels achter op de kavel is een nest geconstateerd die mogelijk gebruikt kan worden door de ransuil. De Elzensingels misstaan niet in het landschap en zullen behouden blijven. Werkzaamheden zullen niet plaatsvinden tussen 1 maart en half augustus, zodat geen broedende vogels verstoord worden. Planspecifiek ten noorden van Noordeinde 122 Rond het erf staan grote populieren. Gezonde bomen zullen niet gekapt worden. Mochten de bomen door ouderdam of ziekte gekapt moeten worden zullen deze voor het doorzicht vanaf het lint niet herplant worden.
Mogelijk bevindt zich in de te kappen populieren een jaarrond beschermd nest. Hier zal voor een mogelijke kap eerst nader onderzoek worden verricht. Dode takken maken gebruik door vleermuizen mogelijk, samen met een mogelijk vaste vliegroute. Ook daarvoor zou nader onderzoek nodig zijn (periode mei). Werkzaamheden zullen niet worden uitgevoerd tussen 1 maart en half augustus, zodat broedende vogels niet verstoord zullen worden. Er is een vleermuisbunker en een paddenpoel voor de rugstreeppad aangelegd op het terrein. Nader onderzoek: eco-effectscan Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Soortbescherming Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het leefgebied van de strikt beschermde rugstreeppad. Nader 47
onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad is noodzakelijk. Tijdens werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels en algemeen voorkomende dieren. Nader onderzoek: soortgericht onderzoek Binnen het plangebied is een geschikte winterbiotoop van rugstreeppadden aanwezig. Er zijn geen essentiële vliegroutes en geen kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen in het plangebied aanwezig voor vleermuizen. Er zijn geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied van de huismus en het plangebied maakt geen deel uit van het leefgebied van de huismus. Voor nadere details wordt verwezen naar de onderzoeken zelf als bijlage bij dit document. Ontheffing Zoals uit het nadere onderzoek blijkt dient voor aanvang van werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden verkregen. Tevens is in dit kader is een mitigatie-/activiteitenplan opgesteld. Planspecifiek Noordeinde 134 Volwassen bomen worden niet verwijderd. Er wordt gekeken of een oude vermoedelijk dode wilg verwijderd zal worden. Daarvoor zal eerst onderzocht worden of de boom gebruikt wordt voor navigatie van vleermuizen. Indien dit het geval is zal met een ecoloog naar een passende oplossing worden gezocht.
Voordat werkzaamheden aanvangen op het terrein zal onderzoek gedaan worden naar het aldanniet aanwezig zijn van soorten als de egel, bunzing en hermelijn. Werkzaamheden zullen niet worden uitgevoerd tussen 1 maart en half augustus zodat er geen broedende vogels worden verstoord. Nader onderzoek: eco-effectscan Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijk Weidevogelgebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Soortbescherming Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het leefgebied van de strikt beschermde rugstreeppad. Nader onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad is noodzakelijk. Ten tijde van het nader onderzoek is op basis van aangetroffen sporen met zekerheid aangegeven dat een vaste verblijfplaats aanwezig was van de gewone grootoorvleermuis. Daarvoor is nader onderzoek naar de functie van de verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis uitgevoerd. Aanwezige boomholten in het plangebied zijn geschikte verblijfplaatsen van strikt beschermde boombewonende vleermuizen als de ruige dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis.
Nader onderzoek: soortgericht onderzoek Op basis van het soortgericht onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken: • het plangebied is onderdeel van de winterbiotoop van de rugstreeppad; • in de polder gelegen achter de het plangebied is voortplantingswater van de rugstreeppad aanwezig; • het groen binnen het plangebied is een onderdeel van een (essentiële ) migratieroute van en naar de (massa) winterverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis. In de toenmalige bebouwing zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Voor de sloop van deze bebouwing is een activiteitenplan opgesteld en is een ontheffingsaanvraag verkregen en is vervolgens de bebouwing op het kavel gesloopt. De verblijfplaatsen van de vleermuizen zijn daarmee ook verloren gegaan. Omdat in het plangebied rugstreeppadden aanwezig zijn, moet voordat werkzaamheden starten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd worden voor het overtreden van artikel 3.5, betreffende het beschadigen en vernielen van leefgebied van rugstreeppadden. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin onder andere het wettelijk belang, de alternatievenafweging en mitigerende en compenserende maatregelen in beschreven staan. De bomenrij en het leefgebied van rugstreeppadden in het plangebied mogen, zolang er geen ontheffing 48
is, niet aangetast worden. Zorgvuldige omgang van de aanwezige beschermde soorten op korte en lange termijn dient gewaarborgd te worden middels een ecologisch werkprotocol. Het opstellen van mitigerende maatregelen om verstoring van de gewone de rugstreeppad tijdens uitvoering van de werkzaamheden te voorkomen is noodzakelijk. Naar alle waarschijnlijkheid is door de sloop van de bebouwing ook de migratieroute van de gewone grootoorvleermuis niet meer aanwezig. Omdat dat niet in een apart onderzoek is aangetoond zal hiervoor voor aanvang van bouwwerkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moeten worden aangevraagd. Voor nadere details wordt verwezen naar de onderzoeken zelf als bijlage bij dit document. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling - de realisatie van drie nieuwe woningen, het planologisch omzetten van een plattelandswoning naar een burgerwoning en de herbouw van twee woningen - uitvoerbaar is conform het bepaalde in de Wro (artikel 4.1.6 Bro). Voorafgaand aan de nieuwbouw en eventuele bomenkap moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen (vliegroute) en rugstreeppadden (leefgebied) worden aangevraagd. Maatregelen De volgende maatregelen dienen worden getroffen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. • Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
• Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen.
4.7
Water
De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat het water de ruimte moet krijgen. In het waterbeleid worden twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. 49
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater, alsmede verbetert het ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen, zoals vermindering van de regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan 2022-2027 Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld.
Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022 - 2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan 2022 - 2027 Voor de planperiode 2022 - 2027 is het Waterbeheerplan (WBP) van het hoogheemraadschap van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De drie hoofddoelen zijn: • een veilige en klimaatbestendige delta; • een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); 50
• Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); • De bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: • Het onttrekken en lozen van grondwater; • Het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek: watertoets Bij een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient, volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland, 15% te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. In verband met het slopen van de agrarische opstallen en het terugbouwen van veel kleinere woningen zal er juist een afname aan m² verharding plaatsvinden als gevolg van voorliggend initiatief. Voorts zal een groot deel van de bestaande erfverharding worden ingericht als tuin. Aangezien Noordeinde 74 in een ander peilvak (peilvak 25C) ligt dan de kavel ten noorden van Noordeinde 122 en Noordeinde 134 (peilvak 25D) is er een berekening gemaakt om te controleren of inderdaad in beide peilvakken de verharding niet toeneemt. Deze berekening is als bijlage opgenomen.
Uit de berekening volgt dat bij beide peilvakken geen toename is van verharding. Watercompensatie is niet noodzakelijk. Waterafvoer Het hemelwater zal in onderhavig plan zo veel als mogelijk afgekoppeld worden richting de bodem en oppervlaktewater. het vuilwater zal aangesloten worden op de bestaande riolering. Watergangen Binnen het vigerend bestemmingsplan geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Ontwikkelingen binnen de als zodanig aangewezen gronden dienen geen afbreuk te doen aan waterkeringen in het gebied. Uit raadpleging van de Legger Regionale Waterkeringen, blijkt dat ten oosten van het plangebied de polderkering ten behoeve van de polder de Noordplas is gelegen. Onderhavig plangebied valt binnen de beschermingszone van deze waterkering. In het kader van het vooroverleg zal voorliggend bestemmingsplan worden voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Rijnland.
4.8
Cultureel Erfgoed
Cultuurhistorie Qua cultuurhistorie kan gesteld worden dat inbreidingsplan op 134 wordt ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur. De bebouwing wordt binnen de bandbreedte van boerderij-bebouwing langs het polderlint geplaatst, zodat het open landschap aan de westzijde behouden blijft. De bebouwing wordt dicht tegen de bestaande kern gesitueerd. Juist door de kavel ten noorden van Noordeinde 122 weer leeg te maken ontstaat er weer meer “lucht” in het bebouwingslint zoals dit voorheen ook meer het geval was. Er gaan door deze ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden verloren en de bestaande landschappelijke ontginningsstructuur wordt versterkt. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is vastgelegd in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat de archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij de locatie Noordeinde 134 is, voordat er werkzaamheden aanvangen, nader onderzoek nodig omdat de kavels de dubbelbestemmingen Archeologie Waarde 2 en Archeologie Waarde 3 hebben. Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
4.9
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; 51
•
vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico’s die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg
Ligging ontwikkellocaties op de professionele risicokaart 52
en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Planspecifiek In onderstaande figuur zijn de risicovolle bronnen in de omgeving van de planlocaties weergegeven. Aangezien alle bebouwing wordt gesloopt op de locatie ten noorden van Noordeinde 122 is deze locatie niet weergegeven in de onderstaande figuur. Risicovolle inrichtingen Volgens de professionele risicokaart zijn in de omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen met een externe werking op de planlocaties. De planlocaties zijn niet gelegen binnen de PR10-6 risicocontour of het invloedsgebied van het groepsrisico van risicovolle inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Plaatsgebonden risico Aansluitend aan de planlocaties is de provinciale weg N455 gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In 2008 zijn in opdracht van de toenmalige Milieudienst Midden-Holland tellingen verricht en op basis hiervan berekeningen uitgevoerd voor o.a. de N455. Uit deze berekeningen blijkt dat er voor de N455 ter hoogte van de planlocaties geen PR 10-6 contour ontstaat buiten de weg. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
Groepsrisico Uit de hierboven genoemde berekeningen blijkt dat het groepsrisico voor de provinciale weg ter hoogte van de planlocaties kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling heeft een beperkte toename aan personen tot gevolg en zal in geen geval leiden tot een overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde. Een berekening van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Wel wordt een beknopte verantwoording gegeven van het groepsrisico vanwege de ligging in het invloedsgebied van de N455. Buisleidingen Op circa 600 meter ten oosten van de planlocaties is een hogedrukaardgasleiding genaamd W-51701 gelegen. De buisleiding heeft een diameter van 12 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De buisleiding heeft geen PR10-6 risicocontour. Het invloedsgebied van de buisleiding bedraagt 140 meter. De planlocaties liggen derhalve niet in het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleiding. Beknopte verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Het advies behelst opmerkingen over ventilatie en bluswatervoorziening. De adviezen zullen worden opgevolgd. Woningen worden voorzien van (mechanische) ventilatie die met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld. Er zal een brandkraan worden gerealiseerd op het terrein van Noordeinde 134. 53
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. De planlocaties zijn bereikbaar via de N455. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Aanwezige personen kunnen via de N455 van de bron af vluchten. Zelfredzaamheid Ter plaatse van de planlocaties worden woningen mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Bij aanwezigheid van verminderd zelfredzame personen wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers deze kunnen begeleiden. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid.
Schuilen Bij een incident met toxische stoffen bij de weg N455 is schuilen in een adequate afsluitbare ruimte de beste optie. Om goed te schuilen dient, indien aanwezig, de automatische verntilatie uitgezet te worden. Verder moeten deuren en ramen gesloten worden. Dit betekent dat bij in nieuwbouw aanwezige mechanische ventilatiesystemen een voorziening hebben waarmee het systeem handmatig uitgeschakeld kan worden bij een externe calamiteit. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
4.10
Verkeer en parkeren
Een onderdeel van gedegen ruimtelijke ordening is het rekening houden met het effect van een beoogd project op de verkeersstructuur. Enkel bij de ontwikkeling Noordeinde 134 wordt er hier nader ingegaan op de situatie. ontsluiting De toegangsweg naar de woningen wordt eigen grond, ofwel een “gewone” uitrit. De toegangsweg wordt aangelegd in een halfverharding en daarmee zal voor het verkeer op het Noordeinde duidelijk en herkenbaar zijn welke voorrangregeling er geldt én dat het een uitrit betreft van een erf en geen (doorgaande) weg. parkeren Bij het ontwerp is rekening gehouden met volledig parkeren op eigen terrein. Voor elke woning zijn twee parkeerplekken opgenomen. Ook is er voldoende ruimte voor bezoekers om te parkeren op het gezamenlijke erf.
4.11
Duurzaamheid
Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20% reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14% van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30% van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden 54
overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Vanaf 1 januari 2015 geldt voor woningen een wettelijke EPC van 0,4. In 2020 wordt deze verder aangescherpt en streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw.
GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Planspecifiek De gemeente Waddinxveen heeft een Duurzaamheidsvisie 2015-2025 opgesteld met daarin diverse ambities opgenomen voor 2025 op het gebied van leefbaarheid, CO2-neutraliteit, energieneutraliteit, duurzame energie, klimaatbestendigheid, groen en circulaire economie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij dit streven. Zo wordt met dit initiatief ingezet op een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Door het verwijderen van bebouwing en tunnelkassen op Noordeinde 74 en de kavel ten noorden van Noordeinde 122 ontstaat er een betere doorkijk vanaf het Noordeinde naar het achterliggende (agrarische) land en het Bentwoud.
Hiermee wordt de agrarische sfeer van dit westelijke gedeelte van Waddinxveen/Boskoop vanaf dit gedeelte meer beleefbaar vanaf de weg Noordeinde. Bovendien wordt voldaan aan de wettelijke eisen: de woning wordt aardgasvrij gebouwd conform de Wet Voortgang energietransitie en in het plan is opgenomen dat gestreeft wordt naar een EPC van 0,0. Voorts zal de ontwikkeling in elk geval conform het Bouwbesluit worden gerealiseerd. Onderzocht wordt of een warmtepomp met bodemwarmte voor een hoge efficiëntie en duurzame koeling kan worden gerealiseerd. Er is aandacht voor energieneutraal bouwen en waar mogelijk zal bij de bouw gebruik worden gemaakt van gerecyclede of duurzame materialen. De nadere uitwerking hiervan vindt buiten het kader van de ruimtelijke procedure plaats.
55
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2
Toelichting
5.3
Verbeelding
5.4
Planregels
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met ‘Inleidende regels’ (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de ‘Bestemmingsregels’, de ‘Algemene regels’ (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de ‘Overgangs- en slotregels’. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
Wonen De percelen 1466 en 1468 krijgen de bestemming ‘Wonen’. Hierdoor wordt bewoning losgekoppeld van agrarische bedrijfsvoering. Vanuit het oogpunt van belemmering van omliggende agrarische bedrijven én vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, zijn woningen enkel binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlak toegestaan. Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan buiten het bouwvlak. De goothoogte bedraagt maximaal 6 m; de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m. De maximale inhoud van woningen bedraagt 750 m3. 56
In het kader van een goede landschappelijke inpassing dient ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - zichtlijn’ een aaneengesloten strook met een breedte van minimaal 4 m onbebouwd te blijven ten behoeve van een doorzicht vanaf het Noordeinde naar het achterliggende land. In de woning is onder voorwaarden uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf toegestaan.
Agrarisch Een groot deel van het plangebied blijft de bestemming ‘Agrarisch’ behouden. Tuin De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de in de aangrenzende bestemming gelegen hoofdgebouwen (bestemd als ‘Wonen). Verkeer - Fietspad De voor ‘Verkeer - Fietspad’ aangewezen gronden zijn bestemd voor fiets- en voetpaden al dan niet in combinatie met een ondergeschikt gebruik voor landbouwvoertuigen. Daarnaast zijn groenvoorzieningen toegestaan. Waterstaat - Waterkering Dit betreft de door het waterschap te hanteren beschermingszone van het Noordeinde. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, tenzij advies is ingewonnen bij het hoogheemraadschap. Waarde - Archeologie 2 Uit het verkennend archeologisch onderzoek zijn eventuele archeologische waarden niet uitgesloten en is een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ opgenomen met daaraan gekoppeld een aanlegvergunningenstelsel. Waarde - Archeologie 3 Uit het verkennend archeologisch onderzoek zijn eventuele archeologische waarden niet uitgesloten en is een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen met daaraan gekoppeld een aanlegvergunningenstelsel.
57
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie’, artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook worden hierin zaken geregeld met betrekking tot de bouwroutes en ambtelijke kosten.
De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
58
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Overleg en inspraak
7.3
Zienswijzen
Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zal het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden worden aan diverse instanties, in dit geval de provincie ZuidHolland, het hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. P.M.
59
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Noordeinde 74 te Waddinxveen
Kenmerk: Versie: Datum:
20190684/rap01 1 25 september 2019
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
K. van den Hurk Drs. G.J.A.L. van Bergeijk Drs. G.J.A.L. van Bergeijk
Opdrachtgever:
Provincie Zuid-Holland Afdeling Ontwikkeling en Grondzaken Zuid-Hollandplein 1 2509 LP Den Haag Dhr. O. Manders
Contactpersoon:
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING
1
2 VOORONDERZOEK Algemeen Locatiegegevens Kadastrale gegevens Historisch kaartmateriaal Bodemopbouw en geohydrologie Bodemkwaliteitskaart Asbest Bodemloket Bedrijfsactiviteiten en opslagtanks Voorgaand bodemonderzoek Archeologie en niet gesprongen explosieven PFAS Terreinverkenning Conclusies en onderzoekshypothese(n)
2 2 2 2 2 3 3 3 3 3 4 4 4 5 5
3 UITVOERING Opzet Veldwerk 3.2.1 Uitvoering 3.2.2 Resultaten Analyseprogramma 3.3.1 Grond 3.3.2 Grondwater 3.3.3 Asbest Analyseresultaten
6 6 6 6 6 7 7 8 8 8
4 TOETSING EN INTERPRETATIE Toetsingskader NEN 5740 Toetsingskader PFAS Toetsingsresultaat en interpretatie 4.3.1 Grond 4.3.2 Grondwater
9 9 9 10 10 11
5 CONCLUSIES
12
6 KWALITEITSBORGING
13
TABELLEN Tabel 1. Tabel 1. Tabel 2. Tabel 3. Tabel 4. Tabel 5. Tabel 6. Tabel 7. Tabel 8. Tabel 9. Tabel 10. Tabel 11.
Locatiegegevens Beantwoording onderzoeksvragen NEN 5725 Onderzoeksopzet verkennend bodemonderzoek Bodemopbouw Afwijkingen aan bodemlagen Kenmerken peilbuizen en grondwater Analyseprogramma grond Analyseprogramma grondwater Toetsingskader Toetsingsresultaat NEN 5740 Toetsingsresultaat PFAS Toetsingsresultaat NEN 5740
BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6
Kadastrale gegevens Achtergrondinformatie Situatietekening onderzoek en locatiefoto’s Boorbeschrijvingen Analysecertificaten Toetsingstabellen
2 5 6 6 7 7 8 8 9 10 11 11
1 INLEIDING In opdracht van Provincie Zuid-Holland is door ATKB B.V. (verder: ATKB) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Noordeinde 74 te Waddinxveen. De aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen wijziging van de bestemming van de locatie. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de huidige kwaliteit van de bodem, dat wil zeggen de kwaliteit van de grond en het grondwater. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van PFAS in de bodem. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen uit de normen NEN 57251 en NEN 57402. Daarnaast zijn de richtlijnen voor onderzoek naar PFAS gevolgd 3. In de volgende hoofdstukken is een uitwerking van de locatie- en achtergrondgegevens, de opzet en uitvoering van het onderzoek en de behaalde resultaten opgenomen. Op basis van de interpretatie van alle gegevens en toetsing aan de doelstelling(en) van het onderzoek zijn conclusies getrokken. Gelijktijdig met onderhavig onderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Voor de resultaten wordt verwezen naar de rapportage van ATKB met kenmerk 20190684/rap02.
1
NEN 5725:2017 (NNI, oktober 2017) NEN 5740:2009 (NNI, januari 2009) en bijbehorend wijzigingsdocument NEN 5740/A1: 2016 (NNI, februari 2016) 3 Handelingskader voor PFAS (Expertisecentrum PFAS, 25 juni 2018) 2
Verkennend bodemonderzoek incl. PFAS Noordeinde 74 te Waddinxveen Kenmerk: 20190684/rap01, versie 1, 25 september 2019