1 Peter Zuidlaan Toelichting
Tekst van het document
Participatie voor dit koersdocument steunt op eerdere participatie trajecten Dit koersdocument is mede gebaseerd op de omgevingsvisie (vastgesteld in 2022), de transitievisie warmte (vastgesteld in 2021), de regionale energiestrategie (vastgesteld in 2021) en de klimaatstress test en risico dialoog (uitgevoerd in 2019). In deze projecten heeft een uitgebreid participatie traject plaatsgevonden. De participatie voor dit koersdocument maakt hier gebruik van. Ook is specifieke input van een aantal maatschappelijke partners meegenomen, zoals vertegenwoordigers van het Duurzaamheidsplatform Waddinxveen van en voor ondernemers (DPW), Woonpartners Midden-Holland, WaddGroen, de energie coöperatie Waddinxveen en de Fairtrade werkgroep Waddinxveen. Toetsing aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen De voorliggende ontwikkeling betreft een binnenstedelijke ontwikkeling. In het plangebied wordt ingezet op
33/66
het verminderen van hittestress, het versterken van de biodiversiteit en een duurzaam bouwproces. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door het toepassen van halfverharde parkeervakken, het groener inrichten van de openbare ruimte middels het planten van bomen en door een maximum te stellen aan het oppervlak dat verhard mag worden in tuinen. Daarmee wordt koers gezet op een duurzaam Waddinxveen. Ten slotte wordt het gebouw gasloos gerealiseerd en zal daarmee een bijdrage leveren aan de energieopgave. Gelet op het vorenstaande wordt met het voorliggend plan een bijdrage geleverd aan de Koers naar Duurzaam Waddinxveen.
34/66
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk, provincie en gemeente
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk De Rijksoverheid heeft het Nationaal Waterplan 2022-2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan (hierna: NWP3) is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP3 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP3 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken.
In het Nationaal Waterplan 2022-2027 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Het waterbeleid, zoals geformuleerd in het NWP3, werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het Rijksbeleid, zoals geformuleerd in het NWP, door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP3 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Een en ander is op Rijksniveau in het Barro vastgelegd.
35/66
5.2.2 Provincie Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen. Kaderrichtlijn Water: grondwaterrichtlijn; drinkwaterrichtlijn; richtlijn Overstromingsrisico's; zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat de provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
5.2.3 Gemeente Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Waterplan 2021-2025. Het gemeentelijk Waterplan (GWP) 2021-2025 beschrijft de bijdrage van de gemeentelijke zorgplichten en watertaken aan verschillende kernambitie. Het GWP geeft vorm aan de gemeentelijke visie en beleidskaders op het gebied van water en riolering om de leefomgeving toekomstbestendig en klimaatadaptief in te richten. De zorgplichten en watertaken van de gemeente gaan verder dan alleen de buizen onder de grond. Gemalen, sloten en greppels hebben bijvoorbeeld ook tot doel om (afval)water te verwerken. Dit moet op een zodanige manier zijn geregeld dat het, in samenspraak met de hoogheemraadschappen, geen problemen veroorzaakt. De riool- en watervoorzieningen hebben dan ook een aantal belangrijke functies in het dagelijks leven, namelijk: het beschermen van de volksgezondheid tegen infectieziekten; het schoonhouden van de bodem en het oppervlaktewater; het voorkomen van schade door hevige regenval en/of bij extreme droogte; het voorkomen en beperken van structureel nadelige gevolgen van grondwater. Het GWP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de gemeentelijke voorzieningen op het gebied van water. Hiermee geeft de gemeente invulling aan de wettelijke zorgplichten voor de inzameling, het transport en de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater.
Ook gaat het GWP in op de gemeentelijke watertaken voor oppervlaktewater. Daarnaast worden op hoofdlijnen de activiteiten rond onderzoek, jaarlijks een groot onderhoud en investeringen omschreven. We richten ons voor deze activiteiten en de financiering ervan via de rioolheffing op de planperiode 2021-2025. Tot slot dient het
36/66
GWP als instrument van de Omgevingswet nadat deze wet in werking is getreden.
5.3
Beleid hoogheemraadschap van Rijnland
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het Waterbeheersplan (WBP6) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. Op 8 februari 2022 is het WBP6 'Water wijst de weg' vastgesteld (https://wbp6rijnland.nl/). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden; maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.
In 2020 is de Keur 2020 in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een 'ja, tenzij' benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of
37/66
melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het Rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat, zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
5.4
Waterhuishouding
Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied gekenmerkt als verhard terrein met een gymzaal en scholencomplex. Rondom de bebouwing is sprake van klinker en tegelverharding. De parkeerplaats bestaat uit klinkers. Bodem en grondwater De bodemopbouw bestaat uit zand en/of veen in de toplaag en vanaf 1,0 -2,5 m -mv bestaat de bodem voornamelijk uit klei. Maaiveld hoogte is Circa 5,1 m -NAP. Bij het verkennend bodem onderzoek is huidige geohydrologie bepaald, zie onderstaande tabel.
38/66
Figuur 5.1: Geohydrologische parameters voor plangebied Waterkwantiteit Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de legger. Rondom het plangebied zijn watergangen gelegen. De watergang aan de oostzijde is getypeerd als een primaire watergang. De watergang in het westen betreft een overige watergang. Bij primaire watergangen is sprake van een beschermingszone van 5m breed, bij de overige watergangen is deze beschermingszone 2m breed.
Figuur 5.2. Uitsnede legger Rijnland
39/66
Beschermingszones zijn vastgelegd in de legger oppervlaktewateren om de volgende redenen: Beschermingszones beschermen de waterhuishoudkundige functies van de kernzone(aanvoer en afvoer). Beschermingszones maken het mogelijk om het onderhoud efficiënt en tegen relatief lage kosten vanaf de kant uit te voeren en om snel en efficiënt de oppervlaktewateren te kunnen inspecteren. De beschermingszones hebben een functie in het ontvangen van bij bagger- of onderhoudswerkzaamheden vrijkomende plantenresten en baggerspecie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel. 5.4.1 Wateradvies Toekomstige situatie Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater.
Waterkwantiteit Volgens het beleid van Hoogheemraadschap Rijnland dient een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd te worden. In het kader van de Keur dient bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m² of meer voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning te worden aangevraagd. Compensatie 15% van toename verharding (vanaf 500m² bij meer dan 1 ha is sprake van maatwerk). In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard. Door de beoogde ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet of nauwelijks toenemen. Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater,
40/66
mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron.
Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen van berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of – als laatste keus – aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. 5.4.2 Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
41/66
Hoofdstuk 6 6.1
Omgevingsaspecten
Geluid
6.1.1 Wet- en regelgeving Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh): a. Woningen b. Onderwijsgebouwen c. Ziekenhuizen en verpleeghuizen d. Verzorgingstehuizen e. Geluidsgevoelige terreinen f. Kinderdagverblijven. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld heeft de gemeente Waddinxveen op 5 maart 2019 de Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland vastgesteld. In deze Beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen.
In onderstaande tabel zijn de voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden ten aanzien van wegverkeer, railverkeer en industrie weergegeven. Tabel 6.1: Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai Bestemming Geluidsbron Geluidsbelasting Lden in dB VoorkeursMaximale grenswaarde grenswaarde Nieuw te bouwen of het bestemmen van Wegverkeer 48 63 geluidsgevoelige bestemmingen (binnenstedelijk) Railverkeer 55 68 Industrie 50 55 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidhinder. Voor cumulatie van geluid is in Bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 een
42/66
methodiek gegeven voor het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting. Hierin wordt de geluidsbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor bepaling van de milieukwaliteitsmaat is de gangbare rekenmethode Miedema gehanteerd. De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens tabel 6.2. Tabel 6.2: Milieukwaliteitsmaat (Miedema) Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB < 50 50-55 55-60 60-65 65-70 > 70
Milieukwaliteitsmaat MKM Goed Redelijk Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer Slecht
Afbeelding 6.2 Uitsnede contourenkaart (Bron: gemeente Waddinxveen) 6.1.2 Onderzoek Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Willem de Zwijgerlaan, Esdoornlaan, Beethovenlaan, Chopinlaan en het gedeelte van de Kerkweg-West met een snelheidsregime van 50 km/h. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Voor de 30 km/h weg Johannes Postlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de voorkeursgrenswaarde met maximaal 1 dB overschrijdt. Voor de overige 30 km/h wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen c.q. appartementen CPO overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/h wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn.
43/66
Voor de gezoneerde wegen Beethovenlaan, Esdoornlaan, Willem de Zwijgerlaan en het gedeelte van de Kerkweg-West met een snelheidsregime van 50 km/h geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen c.q. appartementen overschrijdt. Voor de Chopinlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen Woonpartners en de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 6 en 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Spoorweglawaai Voor spoorweglawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Gouda –Alphen aan den Rijn. Voor de spoorlijn Gouda –Alphen aan den Rijn geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor spoorweglawaai van 55 dB nergens wordt overschreden. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van spoorweglawaai niet aan de orde.
Maatregelen Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet erg doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Hogere waardenbeleid Voor vrijwel alle woningen geldt dat de geluidgevelbelasting niet meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde conform Wet geluidhinder ligt. Enkel voor de westelijk georiënteerde appartementen in het complex in het noordelijke deel van het plangebied geldt dat geluidbelasting op de westgevel de voorkeursgrenswaarde met 6 dB overschrijdt. Derhalve dienen deze appartementen te beschikken over een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte. De hogere waarden en de bijbehorende benodigde maatregelen worden opgenomen in een Besluit hogere waarden Wet geluidhinder.
In de planregels wordt geborgd dat woningen alleen gebruikt kunnen worden indien wordt voldaan aan dit besluit. Een goed akoestisch woon- en leefklimaat is hierdoor gewaarborgd.
44/66
6.1.3 Conclusie Voor de Chopinlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen Woonpartners en de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 6 en 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Voor de 30 km/h weg Johannes Postlaan geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de voorkeursgrenswaarde met maximaal 1 dB overschrijdt. Bij toepassing van de benodigde maatregelen uit het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
6.2
Luchtkwaliteit
6.2.1 Wet- en regelgeving Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3
24-uursgemiddelde n.v.t.
PM10 40 µg/m3
50 µg/m3
n.v.t.
Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Ten aanzien van tabel 6.3 wordt opgemerkt dat Pm2,5 niet is beoordeeld. Dit omdat: Wanneer voldaan wordt aan de grenswaarde voor PM10 over het algemeen eveneens wordt voldaan aan de grenswaarde voor Pm2,5. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden als: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.);
45/66
d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.) Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig is: Woningbouw = 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Woningbouw = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties = 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Ook is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatiebepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. 6.2.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in maximaal 60 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIML kaart. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Choplinlaan. Uit de CIML kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2022; 16,6 µg/m3 voor NO2, 17,3 µg/m3 voor PM10 en 9,7 µg/m3 voor Pm2,5.
Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. 6.2.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
46/66
6.3
Bedrijven en milieuzonering
6.3.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze brochure geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. In tabel 6.4 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.
Tabel 6.4 Richtafstanden volgens VNG richtlijn Milieucategorie van bedrijf Richtafstand rustige woonwijk (meter) 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100
Richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50
6.3.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt woningen mogelijk, deze woningen zijn getypeerd als milieugevoelige functies en dienen beoordeeld te worden ten aanzien van de milieu belastende activiteiten vanuit de omgeving. Rondom de locatie zijn de bestemmingen maatschappelijk en wonen van toepassing. De bestemmingen maatschappelijk hebben op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" een richtafstand van minimaal 30 meter. Hieraan kan niet worden voldaan. De kortste afstand tot het noordelijke plangebied is 15 meter. Hier bevindt zich het Dienstencentrum Anne Frank Centrum. Voor de rest is er geen sprake van milieubelastende activiteiten binnen of rondom het plangebied. Dienstencentrum Anne Frank Centrum Het Anne Frank Centrum betreft een locatie waar kerkdiensten plaatsvinden en tevens activiteiten voor ouderen worden georganiseerd. Bij een beschouwing van het programma wordt o.a. de volgende cursussen en activiteiten verzorgd:
47/66
Helpdesk computergebruik. Biljartvereniging “Onder Ons”. Vrij biljarten. Luisteren naar klassieke muziek. Plezier in bewegen. Deze activiteiten vinden uitsluitend binnenpands plaats, met werktijden van 09:30 tot hoogstens 16:00. Gezien het feit dat deze activiteiten binnenpands worden verzorgd en dat er sprake is van activiteiten waar het zeer aannemelijk is dat daar geen geluidshinder aan wordt ondervonden, wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van goed woon- en leefklimaat. Maatschappelijk en wonen In het noordelijke deel van het plangebied wordt een complex gerealiseerd met maximaal 35 huurappartementen en een begane grond met ruimtes die bestemd zijn als maatschappelijk(e ruimte). De beoogde maatschappelijke ruimte wordt gebruikt voor activiteiten buiten de kerkdiensten. De kerkdiensten blijven gehouden worden in het Anne Frank Centrum. Bij het vast stellen van een aanvaadbaar woon - en leefklimaat ter plaatse van de woningen dient het potentieel geluidoverlast beschouwt te worden. De kerkdiensten vinden plaats in de bestaande bebouwing, het Anne Frank Centrum. Hierbij geldt dezelfde onderbouwing als de cursussen en activiteiten voor ouderen; Deze activiteiten vinden uitsluitend binnenpands plaats, er is wekelijks één dienst om 10:00 op zondagen.
Gezien het feit dat deze activiteiten binnenpands worden verzorgd en dat er sprake is van activiteiten waar het zeer aannemelijk is dat daar geen geluidshinder aan wordt ondervonden, wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van goed woon- en leefklimaat. De bestemming maatschappelijk laat verschillende activiteiten toe; waaronder educatieve, medische-, culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen. Deze vormen van bedrijfsvoering brengen geen milieuhinder met zich mee. Deze activiteiten kunnen zonder knelpunten naast een woonbestemming worden uitgevoerd waarbij er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen en waarbij de bedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. 6.3.3 Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er voor de woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.
6.4
Externe veiligheid
6.4.1 Wet- regelgeving Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan de afstand tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen etc.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.
48/66
Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. 6.4.2 Beleidsnota Externe veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld.
In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. 6.4.3 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, is binnen en rondom het plangebied geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen via spoor, weg of vaarweg en zijn er geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Wel is er in de nabije omgeving van het plangebied een aardgasleiding aanwezig (figuur 6.5).
49/66
Figuur 6.5 Risicokaart, nadrukkelijk de buisleiding ten oosten van het plangebied. Aardgasleiding W-517-01 Conform de risicokaart blijkt dat de locatie zich in het invloedsgebied van de aardgasleiding W-517-01 bevindt. Het betreft een aardgasleiding met diameter van 12 inch en een druk van 40 bar. Er is sprake van een PR 10-7 (140m vanaf leiding) en PR 10-8-contour (240m) rond aardgasleiding W-517-01. Vanuit de beleidsnota EV Waddinxveen is er een kader voor hogedruk aardgasleidingen opgesteld. Hieruit blijkt dat binnen 70 meter van de gasleiding functies met een lage zelfredzaamheid uitgesloten moeten worden en binnen de zone 70-140 meter deze functie beperkt moeten worden. De beoogde ontwikkelingen zijn niet getypeerd als functies met lage zelfredzaamheid. Hierbij gelden wel maatregelen en moet er in worden gegaan op het groepsrisco. Omdat er momenteel al sprake is van een schoolfunctie en gymzaal, zal met de beoogde ontwikkeling geen sprake zijn van een grote toename aan personen. Tevens is het huidige groepsrisico van de W-517-01 in vigerende bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwing onderzocht en hieruit blijkt dat het groepsrisico van de buisleiding ruim onder de oriëntatie waarde ligt; het meest recente onderzoek gedateerd uit 2022 voor de herontwikkeling van de Dreef, ten noorden van het beoogde plangebied (AVIV, onderzoek externe veiligheid, 23-11-2022, 225047).
Hierbinnen is het gehele invloedsgebied van de buisleiding onderzocht. De QRA geeft aan dat de berekende groepsrisicofactor op 0.29 ten opzichte van de oriëntatiewaarde ligt. Daarom wordt er voldaan met een verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Het uitgangspunt bij omgevingsveiligheid is dat mensen binnen aandachtsgebieden, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan het bevoegd gezag om, bij het mogelijk maken van in dit geval een kwetsbare groep binnen het aandachtsgebied, te bepalen of en wanneer er sprake is
50/66
van voldoende bescherming. Kern is dat het bevoegd gezag veiligheid als ontwerpvariabele meeneemt in de planvorming. Binnen het aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met externe veiligheid voor nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (art. 5.15 'Besluit kwaliteit leefomgeving') in 3 stappen: 1. Afstand houden van het aandachtsgebied; 2. Waarderen al bestaande bescherming; 3. Overwegen aanvullende bescherming. 1. Afstand houden van het aandachtsgebied: Er is weinig schuifruimte binnen het plangebied. De gebouwen liggen, voor het merendeel, gesitueerd aan westzijde van het plangebied. Verder afstand houden van het aandachtsgebied is geen optie. 2. Waarderen al bestaande bescherming Binnen het brandaandachtsgebied moet rekening worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand bij de gasleiding (oorzaak schade door derden) met enorme warmtestraling in de omgeving tot gevolg. Voor de blootstelling aan deze warmtestraling is het zeer relevant of de aanstraling direct is of dat er sprake is van schaduwwerking door objecten die tussen het incident en te beschermen gebouw zijn gelegen. Dit is ook gebleken bij incidenten als het ongeval in Gellingen (België) in 2004. Het beoogde ontwerp is in figuur 6.4 weergegeven. Vanuit dit perspectief is de buisleiding oostelijk gelegen, de rode lijnen geven de potentiële effecten van fakkelbrand weer.
Hierbij betreft het enkel de richting en verhouding tussen de beoogde ontwikkeling, bestaande objecten en buisleiding. Er worden geen aannames gemaakt met betrekking tot de omvang van fakkelbrand. Op te merken aan dit figuur is dat voor merendeel er sprake is van schaduwwerking door bestaande objecten. De gasleiding loopt parallel aan het spoor, langs het spoor is een dichte groenstrook waarbij mogelijk ook sprak is van (beperkte) schaduwwerking.
51/66
Figuur 6.4: Huidig ontwerp ten aanzien van fakkelbrand en schaduwwerking van bestaande objecten 3. Overwegen aanvullende bescherming Binnen aandachtsgebied afstand houden Afstand houden binnen aandachtsgebied is geen optie. Aanvullende risicocommunicatie op orde De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Voor de ingebruikname van het object is een ontruimingsplan benodigd, welke is afgestemd met de overige gebruiksfuncties in het object. In dit ontruimingsplan is niet alleen aandacht voor een gebouwbrand, maar ook voor het scenario van een fakkelbrand bij de gasleiding (verschillende handelingsperspectieven, zie ook advies van de Veiligheidsregio in bijlage III).
52/66
Beperken van het aantal aanwezige personen Het beperken van het aantal aanwezige personen is geen optie. De provincie Zuid-Holland, de regio en de gemeente Waddinxveen hebben namelijk een grote woningbouwopgave. Daarbij is het uitgangspunt om deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Met het vrijkomen van de locatie aan de Peter Zuidlaan is heir een mogelijkheid om te voorzien in een aantal woningen, dat aansluit op de lokale, regionale en provinciale woningbehoefte. Daarbij is zorgvuldig rekening gehouden met dichtheid aan woningen in de directe omgeving. Indien er minder woningen worden gerealiseerd sluit de ontwikkeling niet aan op de behoefte en is de ontwikkeling niet passend in de omgeving. Tevens zijn er elders binnen de gemeente niet genoeg geschikte locaties om deze woningen te realiseren. Voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden Gezien de ligging van het pand ten opzichte van de gasleiding zijn er voldoende mogelijkheden om te schuilen in het pand of zo nodig te vluchten van de gasleiding af onder bescherming van gebouwen. Omgevingsmaatregelen Omgevingsmaatregelen zijn maatregelen die in het gebied tussen de risicobron en het te beschermen object kunnen worden getroffen. Zoals bij stap 2 al aangegeven zijn er gebouwen aanwezig tussen het pand en de gasleiding. Dit levert in belangrijke mate bescherming tegen warmtestraling.
Meerwaarde aanvullende bouwmaatregelen Aanvullende bouweisen zijn verplicht voor nieuwe 'zeer kwetsbare gebouwen', zoals een basisschool, kinderdagverblijf, ziekenhuis, enz. Dat is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde. Daarnaast is er al een zekere mate van bescherming door de ligging van bebouwing tussen het pand en de gasleiding. Wel wordt aanbevolen om te voorzien in mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. Dit is onder de Omgevingswet een verplichte maatregel bij nieuwbouw. Hierop vooruitlopend is deze maatregel vastgelegd in de planregels van dit bestemmingsplan. 6.4.4 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een aardgasleiding W-517-01 . Vanwege de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico echter niet aanzienlijk toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De ligging van het plangbied ten opzichte van de gasleiding, in de schaduw van gebouwen ten westen, zorgt in belangrijke mate voor afscherming in geval van een fakkelbrand bij de gasleiding. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.5
Bodem
6.5.1 Wet- en regelgeving Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van
53/66
de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren: Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren: Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerkingtreden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht.
Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. 6.5.2 Onderzoek Het milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd door IDDS. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek en conclusies gegeven. Het volledige rapport staat in bijlage 4. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. 6.5.3 Resultaten Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld: In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. In de bovengrond betreft het resten baksteen ter plaatse van boring 26 (traject 0,0-0,5 mmv).
In de ondergrond (voornamelijk klei) is in een groot gebied sprake van bijmengingen met slib en plaatselijk riet (resten tot zwak); Visueel en analytisch is geen asbest aangetoond; De bovengrond (veen) is over het algemeen licht verontreinigd met diverse zware metalen en PAK. Zeer plaatselijk is de grond matig verontreinigd met nikkel. Het zand is plaatselijk hooguit licht verontreinigd met PCB. De zeer plaatselijk afwijkende bodemopbouw in de ondergrond (zand) waarin een lichte verontreiniging met PCB is aangetoond kan potentieel wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een gedempte sloot;
54/66
De ondergrond is niet (klei) tot hooguit licht (veen) verontreinigd met enkele zware metalen en/of PCB; Het grondwater is licht verontreinigd met diverse zware metalen en plaatselijk met naftaleen, dichloormethaan en xylenen (som). Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn zo laag dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel niet noodzakelijk is. Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. 6.5.4 Conclusie Het bodemonderzoek heeft de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoek locatie onderzocht. Bovenstaande resultaten laten zien dat er geen aanname is voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen en het toekomstige gebruik. Het aspect bodem vormt geen belemmering.
6.6
Archeologie
6.6.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft in 2012 het eigen archeologiebeleid vastgesteld.
Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Deze kaart is in 2018 geactualiseerd en vastgelegd in het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg.
55/66
6.6.2 Onderzoek In het plangebied komen geen archeologisch bekende vindplaatsen voor. Evenmin is er sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied valt buiten de reikwijdte het parapluplan Archeologie & Parkeren dat door de gemeente is vastgesteld in 2018. Op grond van de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Waddinxveen blijkt de locatie een lage verwachting te hebben voor archeologische vondsten. Voor de realisatie van beoogde ontwikkeling is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Figuur 6.6. Uitsnede archeologische verwachtingenkaart Cultuurhistorie In het plangebied staat geen cultuurhistorische bebouwing. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. 6.6.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is voorafgaand aan de werkzaamheden geen onderzoek nodig.
56/66
6.7
Ecologie
6.7.1 Wet- en regelgeving Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de volgende landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Provinciale Omgevingsverordening (2021), met bijbehorende beleidsregels voor vergunningplicht voor stikstofuitstoot bij activiteiten, van de provincie Zuid-Holland; natuurbeheerplan 2021. Indien beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in een plangebied dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en een veldbezoek) te worden vastgesteld of het voornemen redelijkerwijs uitvoerbaar is, en: Er overtreding van de verbodsbepalingen voor beschermde soorten plaatsvindt (toetsing soortbescherming Wnb); Er mogelijke significante gevolgen zijn voor beschermde gebieden (toetsing aan Wnb gebiedsbescherming, ook wel voortoets genoemd); Er wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) aangetast worden, maar ook of provinciaal compensatiebeleid met betrekking tot door de provincie aangewezen 'belangrijke weidevogelgebieden' aan de orde is. Indien deze beschermde natuurwaarden niet worden aangetast, wordt het project conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht.
In dat geval dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende zorgplicht (artikel 1.11) van de Wnb. De zorgplicht bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is maatregelen te nemen die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. 6.7.2 Onderzoek De voormalige schoolgebouwen zijn gesloopt. Voor deze sloop en voor de realisatie van de nieuwbouw zijn de benodigde ecologische onderzoeken uitgevoerd. Daarnaast is door het bevoegd gezag een ontheffing verleend voor vleermuizen om de schoolgebouwen te kunnen slopen. De ontheffing is opgenomen in bijlage 7. Het bijbehorende activiteitenplan, inclusief onderliggende onderzoeken, is opgenomen in bijlage 8. 6.7.3 Resultaten 6.7.3.1 Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 3km en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt 1 km. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden.
Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden
57/66
uitgesloten.Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. In de bijlagen bij het bestemmingsplan zijn daarom de depositie-effecten als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op het Natura 2000-gebied bepaald. uit deze berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.De AERIUS berekening en bijbehorende memo zijn opgenomen in de bijlage. 6.7.3.2 Soortenbescherming In het kader van de sloop van de voormalige bebouwing is een quickscan flora en fauna uitgevoerd en aanvullend onderzoek naar vleermuizen (zie bijlage 2). Uit het aanvullend onderzoek bleek dat vleermuizen aanwezig zijn en is er ontheffing aangevraagd en verleend (zie bijlage 7). Er is geen sprake van overige beschermde soorten in het plangebied. Op 1 april 2022 is door ODH de ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel soortenbescherming voor vleermuizen verleend. Wel geldt de algemene zorgplicht voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventuele aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten en eventuele aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt voldaan aan de zorgplicht. 6.7.3.3 Houtopstanden Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied.
6.7.4 Conclusie De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Op 1 april 2022 is door ODH de ontheffing Wet natuurbescherming onderdeel soortenbescherming voor vleermuizen verleend.
6.8
Conventionele explosieven
6.8.1 Algemeen IDDS heeft op 3 maart 2023 een QuickScan Ontplofbare Oorlogsresten opgesteld, zie bijlage 9. Hierbij wordt nagegaan of er mogelijk sprake is van blindgangers uitgerust met trillingsgevoelige ontstekers. Achtergebleven ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse bodem kunnen een risico vormen binnen de realisatie van een project. 6.8.2 Onderzoek Het onderzoeksgebied Peter Zuidlaan is in de directe nabijheid van een op afwerpmunitie verdacht gebied gelegen. Mogelijk zijn er vliegtuigbommen aanwezig uitgerust met ontstekers met een voorgespannen slagpinveer. Derhalve moet binnen 10 meter van het verdachte gebied voorkomen worden dat de Vereniging voor explosieven Opsporing (VEO) normwaarde voor de invloedsfactor trillingen niet wordt overschreden.