1. Bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 14c (uitbreiding Distripark Doelwijk) toelichting en regels, versie 18-09-2024
Tekst van het document
Figuur 14: Uitsnede Signaleringskaart EV, onderdeel wegen (plangebied blauw aangeduid). Plasbrandaandachtsgebied In het Basisnet Weg wordt het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied (PAG) geïntroduceerd. Het PAG is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste kantlijn van de rechterrijstrook. Voor wegvak Z135 geldt geen PAG. Het plangebied ligt op meer dan 250 m van de buitenste kantlijn zodat het PAG geen belemmering vormt voor de
Toelichting
49
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
ontwikkeling van het plangebied. Dat betekent dat er geen aparte verantwoording in het kader van het PAG hoeft plaats te vinden. De N457 behoort niet tot de Basisnet. Een PAG is hier niet van toepassing. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt aan de zuidzijde (langs de Zuidelijke Dwarsweg) van het plangebied een aardgasleiding W521-01 van de Gasunie met een diameter van 12 inch en 40 bar. Voor deze hogedruk gasleiding dient voor kwetsbare objecten een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter vanaf het hart met een invloedsgebied van 140 m. Voor het overige liggen er in de directe nabijheid geen leidingen, die voor externe veiligheid relevant zijn. In figuur 15 is de buisleiding aangeduid. De omvang van het risico in relatie tot de oriëntatiewaarde bepaalt of en onder welke voorwaarden de bestemming op die locatie kan worden gerealiseerd. In verband hiermede is een risicoberekening uitgevoerd en een verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied opgesteld. In paragraaf 6.1.7 wordt hierop ingegaan.
Figuur 15: Uitsnede Signaleringskaart EV, onderdeel gasleidingen (plangebied blauw aangeduid). Windturbines Langs de A12 staan vier windturbines. De contour ligt voor een deel over het plangebied (figuur 16). Ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van het plan is beoordeeld wat de risico's zijn van de dichtstbijzijnde gelegen windturbine op het plangebied en de mogelijke effecten hiervan. Namens het Ministerie van economische zaken, Landbouw en Innovatie is er een informatiebrochure opgesteld met betrekking tot windenergie bij bedrijventerreinen. Hierin wordt aandacht geschonken aan de externe veiligheid van windturbines ten opzichte van objecten van derden. Hierin is er onderscheid gemaakt tussen de PR10-6- en PR 10-5-contour. Op basis kan worden geconcludeerd dat de PR 10-6-contour 150 meter is en de PR 10-5-contour 45 meter is. Het plangebied ligt op 435 meter afstand van de dichtstbijzijnde windturbine. In paragraaf 6.1.7 op kwalitatieve wijze ingegaan met betrekking tot de risico's van de windturbines.
50
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Figuur 16: Uitsnede Signaleringskaart EV, onderdeel windturbines (plangebied blauw aangeduid). Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Ten noorden van het plangebied aan de Overslagweg 1 is een tankstation (DCB Energy Hub) gevestigd waar het tanken van LNG, CNG en waterstof is vergund. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen richt- en grenswaarden van met name de 50 meter LNG contour. In verband hiermede is een risicoberekening uitgevoerd (zie paragraaf 6.1.7) en een verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied opgesteld. In paragraaf 6.1.7.1 wordt hierop ingegaan. Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven.
Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen. Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. Overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap zal bij nieuwbouw minimaal 1,3 m drooglegging voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. 6.1.7 Rapport 'Externe Veiligheid' Aardgastransportleiding, rijkswegen A12, A20 en Provincialeweg N457, windmolens en Energy Hub Ten behoeve van deze planontwikkeling is een risicoberekening voor het Plaatsgebonden Risico opgesteld in verband met de aan de zuidzijde gelegen hogedruk gasleiding, de noordelijk gelegen rijksweg A12, de westelijk gelegen A20 en oostelijk gelegen N457. Verder is op kwalitatieve wijze ingegaan op de risico's van de windturbines en de Energy Hub waar het tanken van LNG, CNG en waterstof is vergund. De risicoberekeningen zijn uitgevoerd door adviesgroep AVIV B.V. te Enschede (rapport van 17 november 2023, project 225168, Bijlage 7).
Toelichting
51
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Plaatsgebonden Risico Plaatsgebonden risico gasleiding Voor leidingen met een druk van maximaal 40 bar, zoals het geval, geldt een belemmeringenstrook van ten minste 4 m aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. De belemmeringenstrook dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken opgericht worden. Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor een uitbreiding van het bedrijventerrein. Plaatsgebonden risico N457 Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook van de N457. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor een uitbreiding van het bedrijventerrein. Plaatsgebonden risico A12 en A20 Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook van de rijkswegen A12 en A20. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor een uitbreiding van het bedrijventerrein. Plaatsgebonden risico Energy Hub De minimum aan te houden afstand van 50 m rond het LNG-vulpunt reikt tot over de plangrens maar niet over het geprojecteerde bouwvlak, zoals aangegeven in figuur 17. Het plaatsgebonden risico vormt hiermee geen belemmering voor de ontwikkeling.
Groepsrisico Groepsrisico gasleiding In het rapport is het groepsrisico als factor ten opzichte van de oriëntatiewaarde vergeleken tussen de huidige en toekomstige situatie. Hieruit blijkt dat het groepsrisico door het plan niet toeneemt. Het groepsrisico is in de huidige en toekomstige situatie minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. De belemmeringenstrook legt geen beperkingen op aan het plangebied. Groepsrisico N457 In zowel de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico lager dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. De N457 behoort niet tot de Basisnet. Een Plasaandachtsgebied (PAG) is niet van toepassing. Groepsrisico A12 en A20 Voor beide snelwegen volstaat het om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Het groepsrisico van de A12 en A20 hoeft om die reden niet verder te worden behandeld. Voor de overige wegen kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan. Het bevoegd gezag dient de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. Risico's van de Energy Hub Binnen een straal van 50 meter mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze ligt voor een beperkt deel over het plangebied, doch buiten het geprojecteerde bouwvlak (figuur 17). Het groepsrisico is ongeveer 100 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. Voor het maken van een inschatting van de invloed van het plangebied op het groepsrisico is het aantal personen in het invloedsgebied opgevraagd via de BAG-populatieservice. Daaruit volgt dat overdag 605 personen aanwezig zijn en ’s nachts 20 personen. Door de voorgenomen ontwikkeling komen daar 43 personen overdag en 0 ‘s-nachts bij. Dat betekent een toename van respectievelijk 7,1 en 0%. Het groepsrisico zal hierdoor toenemen, maar zal naar verwachting 10% van de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Net als voor het plaatsgebonden risico worden voor het groepsrisico in het interim beleid de waarden en de systematiek uit het Bevi aangehouden. Dit betekent dat het groepsrisico conform artikel 13 van het Bevi dient te worden verantwoord. In paragraaf 6.1.7.1 wordt hierop ingegaan.
52
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Figuur 17. Minimum afstand en invloedsgebied tankstation ten opzichte van het plangebied. 6.1.7.1 Verantwoording groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een gasleiding en Energy Hub. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Bij de ontwikkeling van het plangebied moet voor een adequate hulpverlening rekening worden gehouden met bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Het plangebied moet bereikbaar zijn via minstens twee, bij voorkeur drie toegangswegen. De wegen binnen het plangebied moeten minimaal 4,5 meter breed zijn (minimale verharding breed 3,25 meter) met een vrije hoogte van 4,2 meter. Voor de gebouwen geldt dat primaire bluswatervoorziening binnen 40 meter vanaf de brandweeringang aanwezig dient te zijn.
De maximale afstand tussen de inzetlocatie en de dichtstbijzijnde secundaire bluswatervoorziening mag maximaal 160 meter zijn. In de Praktijkrichtlijn Bluswatervoorziening en de Praktijkrichtlijn Bereikbaarheid, zoals vastgesteld door de Regionale Brandweer Hollands Midden, staan deze en andere punten uitgebreid omschreven. Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is goed. Via de westzijde van de bedrijven kan in zuidelijke, westelijke en noordelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Overslagweg is goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.
Toelichting
53
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Verantwoordingsplicht groepsrisico De risico's van de gasleiding ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid Er worden alleen bedrijven mogelijk gemaakt waar zelfredzame personen werken. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. In de bedrijfsgebouwen wordt een uitschakelbare mechanische ventilatie aangelegd om te voorkomen dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit wordt geborgd in artikel 3.4.2 van de regels.
Advies Veiligheidsregio Hollands Midden Bij brief van 21 december 2023 (zoals opgenomen in Bijlage 8) heeft de Veiligheidsregio het volgende advies uitgebracht om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren Er heeft geen goede beoordeling van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand kunnen plaatsvinden. Dit komt vanwege de onduidelijkheid over de maatvoering/bochtstralen binnen het plangebied als ook vanwege de mogelijkheden voor bluswaterwinning voor offensieve en defensieve bluswerkzaamheden. Om die reden wordt geadviseerd de ontbrekende gegevens aan te vullen en de Veiligheidsregio voor deze onderdelen om advies te vragen. Het is van belang dat de aanwezige werknemers bekend zijn met de handelingsperspectieven. Daarbij wordt aanbevolen om te investeren in risicocommunicatie. Door te communiceren over de mogelijke scenario's in een gebied worden mensen zich meer bewust van wat ze moeten doen bij het scenario. In paragraaf 5 van bijlage 1 van de brief zijn alvast enkele zaken onder de aandacht gebracht ten behoeve van het vervolgproces. Bij uitwerking van bouwplannen wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning gevolg gegeven aan de door de VRHM gegeven adviezen, omdat een specifiek bedrijf en bedrijfspand nog niet bekend is.
Voordat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd en zodra er meer duidelijkheid is over het exacte bedrijfsgebouw, dient met de Veiligheidsregio Hollands Midden afgestemd te worden of de veiligheidsaspecten omtrent bluswatervoorzieningen, aansluiting op de openbare weg en bereikbaarheid voor hulpdiensten voldoende zijn geborgd. Het regionale beleidsdocument voor de bereikbaarheid en bluswater is daarbij het uitgangspunt. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen. Restrisico Hoewel de kans op een zwaar ongeval of ramp met gevaarlijke stoffen in het algemeen klein is, blijft een restrisico aanwezig. Het restrisico geeft aan hoeveel slachtoffers en materiële schade er overblijven na het toepassen van risico reducerende maatregelen, zoals alarmering, verbeteren bereikbaarheid en bluswatervoorziening en verhogen zelfredzaamheid. Het aantal gewonden zal een veelvoud zijn van het aantal berekende dodelijke slachtoffers. Ondanks alle voorgestelde maatregelen is er een kans dat er een calamiteit ontstaat waarvoor in de eerste uren de inzet van de hulpverleningsdiensten niet toereikend is, met name omdat tegelijk getracht wordt de bron te bestrijden en de omgeving te ontruimen. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Waddinxveen hebben kennis
54
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het plangebied niet specifiek aangeduid.
Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied in stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld met hoge archeologische waarden van 0 tot ruim dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen). In figuur 18 is een uitsnede van de CHS opgenomen.
Toelichting
55
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Figuur 18: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Onderzoek/ beoordeling In het geldende bestemmingsplan 'Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied een middelhoge verwachtingswaarde (WA3). Zie hiervoor de uitsnede van de beleidskaart in figuur 19.
De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het op 19 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren', waarin het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' heeft gekregen. Op grond hiervan is archeologisch onderzoek nodig bij een oppervlakte groter dan 1.000 m² en dieper dan 2,5 m beneden het maaiveld. Voor je plangebied is in 2017 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door adviesbureau IDDS (rapport 1983, mei 2017). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied geheel ligt ingeklemd tussen verschillende gebieden die archeologisch goed zijn onderzocht. Uit deze onderzoeken (waaronder een onderzoek met diepe mechanische boringen) blijkt dat de bodem geheel bestaat uit afzettingen van zand, klei en veen en dat deze zijn afgezet in een zeer nat milieu. Het toenmalige landschap was te nat voor bewoning en krijgt daardoor een lage archeologische verwachting. Vanwege de lage archeologische verwachting is een vervolgonderzoek niet meer nodig, zodat een actualiserend onderzoek naar archeologie achterwege kan worden gelaten. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten
56
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Figuur 19: Uitsnede archeologische beleidskaart. 6.2.1 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied staat geen bebouwing. Er wordt voldoende afstand gehouden van het cultuurhistorisch waardevolle droogmakerijlint door binnen een zone van 30 meter de groenzone te handhaven. Cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied worden niet aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Toelichting
57
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
6.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Het gebied Broekvelden/ Vettenbroek, bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ). Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 7,2 kilometer ten oosten van het plangebied.
Sprake is van een uitbreiding van een bedrijventerrein; dit Natura2000-gebied wordt hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ten zuiden van het plangebied ligt de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard op circa 1,3 km. Verder ligt in zuidelijke richting op circa 1,45 km bestaande en nieuwe natuur van NNN van de provincie Zuid-Holland (figuur 20). De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor NNN, de ecologische verbindingszone en verderop gelegen weidevogelgebieden in de polder Bloemendaal en 't Weegje.
Figuur 20: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).
58
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 7,2 km ten oosten van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofrelevant habitatrichtlijngebied is het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. Dit gebied ligt evenwel op circa 13 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. De bedrijfsbebouwing wordt gebouwd volgens de eisen van het BENG. In de aanleg- en gebruiksfase is er geen sprake van toename van stikstofdepositie, zoals dat is aangetoond in de notitie effecten depositie van IDDS te Noordwijk van 21 december 2023, kenmerk A3584-07/VMI/rap1 Bijlage 9).
Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.2 Flora- en faunatoets Bij een bestemmingsplanherziening moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft IDDS te Noordwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van 27 december 2023, rapportnummer A3584-03/DME/qs2, Bijlage 10). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000- gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten.
Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Soortbescherming Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan worden alle strikt beschermde soorten, die volgens verspreidingsgegevens kunnen voorkomen in het plangebied, uitgesloten. Voor algemene broedvogels geldt dat kan worden volstaan door het treffen van mitigerende maatregelen. Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Conclusie Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er geen beperkingen tegen deze planontwikkeling. Bij uitwerking van bouwplannen zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen.
Toelichting
59
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
6.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
60
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische opzet
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.
7.2
Verbeelding
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.
7.3
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.
Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Artikel 2 In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3 Bedrijf De op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere
Toelichting
61
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van bedrijven. Aan de hand van de richtafstanden is binnen deze bestemming een milieuzonering opgenomen aan de hand waarvan wordt aangegeven welke categorie ter plaatse is toegestaan. In het plangebied zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Hiervoor is een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Binnen de bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken. In de regels zijn onder meer de toegestane bouwhoogte en het bebouwingspercentage van bedrijfsgebouwen vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de bebouwing is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend, waarin bedrijfsgebouwen gesitueerd dienen te worden. Niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 50% van de bruto vloeroppervlakte van een bedrijf, met een maximum van 3.000 m². Groen Artikel 4 De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. Binnen de bestemming is de aanleg van water mogelijk. Om de aanleg en instandhouding van groen langs de N457 en de Zuidelijke Dwarsweg publiekrechtelijk te borgen is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Artikel 5 Water Deze bestemming is gebruikt voor het (bestaande) oppervlaktewater die vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een belangrijke functie hebben. Op gronden met de bestemming ‘Water’ zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een bouwhoogte van 5 meter. 7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 7 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals kelders en ondergronds bouwen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen.
Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd. Artikel 10 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Overgangsrecht Artikel 11 Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van
62
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
de regels van het bestemmingsplan. Lid 11.1 e.v. van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 11.4 e.v. van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Slotregel Artikel 12 Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
7.4
Handhaving bestemmingsplan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.
Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
Toelichting
63
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
64
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Hoofdstuk 8 8.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.
Toelichting
65
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
66
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke betrokkenheid
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.
9.2
Zienswijzen
Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:12 e.v., heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage te leggen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.
Toelichting
67
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
68
Toelichting
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Regels
Regels
69
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan Het bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk) met identificatienummer NL.IMRO.0627.ZuidDwarsweg13c-0401 van de gemeente Waddinxveen. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 afwijking Een afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo juncto art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo. 1.6 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7 bebouwingsgrens Een grens van een bouwperceel, welke niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen.
1.8 bebouwingspercentage Indien het percentage van een bestemmingsvlak betreft de verhouding tussen de oppervlakte van het te bebouwen terreingedeelte en de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak; indien het percentage een bouwperceel betreft de verhouding tussen de oppervlakte van het te bebouwen terreingedeelte en de totale oppervlakte van het bouwperceel; dit percentage wordt slechts berekend over het gedeelte van het bestemmingsvlak of het bouwperceel, waarbinnen de bouwwerken mogen worden gebouwd. 1.9 bedrijf Een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen, waarbij detailhandel uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen. 1.10 bedrijfsgebouw Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 1.11 bedrijfswoning Een woning in of bij een bedrijf, slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op het legaal gebruik van het gebouw of terrein, noodzakelijk is. 1.12 begane grond bouwlaag De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.
70
Regels
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
1.13 bestaande situatie a. Bij gebruik: aanwezig op het moment van het van kracht worden van het plan; b. bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, en bouwwerken die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan mogen worden gebouwd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning. 1.14 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.15 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16 Bevi-inrichting Een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.17 bevoegd gezag Het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.18 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.20 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.21 bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitzondering van onderbouw (kelder), kap of kapverdieping.
1.22 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.25 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.26 bruto-vloeroppervlakte (bvo) Bruto-oppervlakte als bedoeld in NEN2580. 1.27 coffeeshop Gelegenheid waar softdrugs wordt verkocht.
Regels
71
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
1.28 detailhandel in volumineuze goederen Detailhandel in zeer volumineuze goederen zoals auto's, motoren, boten, caravans, keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering, tenten, grove bouwmaterialen en landbouwwerktuigen. 1.29 dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waaronder mede begrepen publieksgerichte dienstverlening, al of niet met baliefunctie, op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of cosmetisch gebied, zonnebanken, kleinschalige kantoren, fotostudio's, uitzendbureaus, reisbureaus, belwinkels, internetcafé en kapsalons; onder dienstverlening wordt niet begrepen: garagebedrijven, prostitutie, een prostitutie-inrichting of seksinrichting en escortbedrijven. 1.30 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.31 geluidgevoelige objecten Woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.32 geluidzoneringsplichtig bedrijf Een bedrijf als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, dat in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken en waarvoor op grond van die wet de verplichting geldt tot vaststelling van een geluidszone rond het betrokken terrein.
1.33 groothandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of het leveren van goederen aan wederverkopers dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit. 1.34 hoofdgebouw Eén of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.35 horeca Een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodaties. 1.36 kantoor Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie. 1.37 kelder Een afgedekt gedeelte van een gebouw, waarvan meer dan de helft van de inhoud niet boven peil is gelegen. 1.38 nutsvoorziening Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit en de telecommunicatie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.
1.39 openbare nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals gas-. water-, elektriciteits- en communicatievoorzieningen.
72
Regels
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
1.40 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.41 overkapping Een bouwwerk met een open constructie en een dak met maximaal één gesloten wand. 1.42 parkeren Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 1.43 peil a. Voor hoofdgebouwen: de wegkruin van de voorliggende weg; b. voor aan- en uitbouwen: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw; c. indien op of in het water gebouwd: het plaatselijk aan te houden waterpeil; d. in alle andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein. 1.44 plangrens De geometrisch bepaalde lijn, die de grens vormt van het plan. 1.45 productiegebonden detailhandel Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.46 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
1.47 risicovolle inrichting Een inrichting waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico dan wel een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in genoemd Besluit. 1.48 seksinrichting De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.49 Staat van Bedrijfsactiviteiten De Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uit maakt. 1.50 stallen van voertuigen Het in een garage of andere bewaarplaats zetten van voertuigen.
1.51 straatmeubilair Bij of op de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals verkeersgeleiders, verkeersborden en verkeerslichten, brandkranen, lichtmasten, parkeermeters, ondergrondse en bovengrondse vuilcontainers, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, alsmede telefooncellen, abri's, draagconstructies voor reclame, gedenktekens, kunstwerken en andere, hiermee gelijk te stellen bouwwerken.
Regels
73
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
1.52 verdieping De bouwlaag respectievelijk bouwlagen die boven de begane grondlaag gelegen is/zijn. 1.53 voorgevel Het voorste deel van de gevel van het (oorspronkelijke) hoofdgebouw die door zijn aard, ligging aan de weg, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.54 waterhuishoudkundige voorzieningen Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van de berging en infiltratie van hemelwater. 1.55 windturbine Een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding. 1.56 zeer kwetsbare groepen Personen, die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking of zeer jonge leeftijd, en ouderen.
74
Regels
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van een bouwwerk, waar de afstand het kortst is. 2.2 bebouwingspercentage Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels of op de verbeelding, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Ter verduidelijking: Indien de goot/de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel lager is gemonteerd dan het snijvlak van de gevel en het dakvlak, geldt de hoogte tot aan het snijvlak. 2.6 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.7 de lengte, breedte en diepte van een gebouw Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidingsmuren). 2.8 de ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, stoeptreden, dorpels, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, airco-units, warmtepompen, schoorstenen, antennes, gevel- en kroonlijsten, luifels, dakgoten, overstekende daken en balkons, voor zover deze niet boven de openbare ruimte gelegen zijn, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1.50 meter bedraagt. Voor lifthuizen op daken geldt dat deze niet meer dan 10 % van het dakoppervlakte van het dak mag bedragen. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 de verticale diepte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het laagste ondergrondse punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.
Regels
75
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Bedrijf
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de als bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten in: 1. categorie 1 en 2 zoals opgenomen op de verbeelding met de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2; 2. categorie 1, 2 en 3.1 zoals opgenomen op de verbeelding met de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1; met dien verstande dat bedrijven met zeer kwetsbare groepen als bedoeld in artikel 1.56 niet zijn toegestaan; b. niet-zelfstandige kantoren als onderdeel van de bedrijven als genoemd in sub a, met een oppervlak van maximaal 50% van de bruto-vloeroppervlakte met een maximum van 3.000 m²; met de daarbij behorende: c. opslag en uitstalling; d. erven en terreinen; e. wegen en paden; f. parkeervoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. water; i. waterhuishoudkundige voorzieningen; j. kunstwerken. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor 60% worden bebouwd; c. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt aan één zijde minimaal 3 m; d. de bouwhoogte bedraagt maximaal 12 meter, tenzij op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m) een andere bouwhoogte is aangeduid, waarbij: e. de afstand van gebouwen tot rijwegen en voet- en fietspaden, ten minste 6 meter bedraagt met dien verstande dat een kleinere afstand is toegestaan voor entreegebouwen en dergelijke, mits: 1. de afstand niet minder bedraagt dan 3 meter; 2. de breedte van deze entreegebouwen niet meer bedraagt dan 10% van de breedte van de voorgevel; 3. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m². 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 3 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 m.
76
Regels
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
3.2.4 Voorwaardelijke verplichting watercompensatie Een omgevingsvergunning voor bouwen, zoals bedoeld in lid 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals bedoeld in artikel3.2.2, lid a wordt niet verleend indien op eigen terrein of een (aangrenzend) terrein niet wordt voorzien in voldoende waterberging. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijking bebouwingspercentage Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder b, ten behoeve van een hoger bebouwingspercentage tot maximaal 70%, mits: a. dit stedenbouwkundig inpasbaar is; b. op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte kan worden voorzien. 3.3.2 Afwijking bouwhoogte gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder d, ten behoeve van een grotere bouwhoogte voor gebouwen tot maximaal 10 m, mits dit stedenbouwkundig inpasbaar is. 3.3.3 Afwijking bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3 onder c, ten behoeve van een grotere bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot maximaal 15 m, mits dit stedenbouwkundig inpasbaar is. 3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Algemeen Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. een geluidszoneringsplichtig bedrijf; b. een risicovolle inrichting; c. een m.e.r.-(beoordelings)plichtige inrichting; d. opslag en (uit)stalling van goederen buiten het bouwvlak dan wel voor de voorgevellijn; e. een sociale werkplaats; f. een bedrijfswoning. 3.4.2 Afsluiten mechanische ventilatie De gronden mogen uitsluitend worden gebruikt voor een bedrijf indien een afschakelbare ventilatie in het bedrijf aanwezig is ter voorkoming van het naar binnen zuigen van toxische gassen. 3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijking toegestane milieucategorie Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan bedrijfsactiviteiten als genoemd in 3.1, lid a, indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 3.1; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die, hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 3.1, maar niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden genoemd, met dien verstande dat: c. het bedrijf vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen onevenredige nadelige invloed heeft op de nabij gelegen woonbebouwing. Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp, gevaar, de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en
Regels
77
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
verkeersaantrekkende werking.
78
Regels
bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)
Artikel 4
Groen
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. ontsluitingspaden; c. water; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. kunstwerken; f. nutsvoorzieningen. 4.2 Bouwregels Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten hoogste 3 meter mag bedragen. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. 4.3.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het plan gelden de volgende regels: a. de landschappelijke inpassing dient uiterlijk het eerstvolgende plantseizoen na oplevering van het eerste bedrijf te worden gerealiseerd overeenkomstig het in Bijlage 2 opgenomen beplantingsplan; b. de landschappelijke inpassing dient vervolgens duurzaam in stand te worden gehouden door de eigenaar van het perceel.