CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 14c (uitbreiding Distripark Doelwijk) toelichting en regels, versie 18-09-2024

Besluitvormende raadsvergadering 16 oktober 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c31.710 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De vraagstukken zijn groot en kunnen niet los van elkaar gezien worden. Ze vragen samen meer ruimte dan zomaar beschikbaar is. De koers hiervoor wordt uitgezet in de omgevingsvisie. Ambities voor de toekomst De ontwikkeling van Waddinxveen heeft zich altijd gekenmerkt door een krachtdadige houding ten opzichte van de omstandigheden van haar omgeving. De historie laat zien dat het landschap van Waddinxveen altijd is veranderd door - en naar de hand is gezet van - haar inwoners, om in te spelen op de ontwikkelingen die op haar afkwamen. Ook nu komen er grote ontwikkelingen op haar af. En ook nu moet de gemeente, net als in het verleden, de moed hebben om ingrijpende keuzes te maken. Zo kan de brug (tegen wil en dank toch medebepalend voor de identiteit van Waddinxveen) worden geslagen tussen verleden en toekomst, tussen stad en land, tussen landschappen (hoog en laag, nat en droog) en tussen mensen onderling. Het credo 'Waddinxveen; bruggen bouwen richting de toekomst' wordt verder uitgewerkt langs drie pijlers: 'Veelzijdig polderlandschap', 'Goed leven tussen stad en land' en 'Innovatieve knoop aan de Gouwe'. De belangrijkste ruimtelijke ingrepen zijn weergegeven op de integrale visiekaart Waddinxveen 2050 (figuur 10). De arceringen en icoontjes op de kaart zijn indicatief en de locaties liggen nog niet overal vast. Het plangebied is hierin bestemd als 'bedrijventerrein'.

Toelichting

29

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Figuur 10: Integrale visiekaart Waddinxveen 2050. Koers per deelgebied Op basis van de algemene koers, die voor de gemeente als geheel geldt, is per specifiek deelgebied een koers beschreven. Hierbij worden de gewenste gebiedskwaliteiten benoemd en zoveel mogelijk concrete ontwikkelingen. Waar relevant geeft de gemeente aan of kleinere locaties in dat deelgebied nog een afwijkende opgave hebben. De volgende deelgebieden worden onderscheiden: Woonwijken (Woonkern); Gouweplein centrum Waddinxveen en Sleutelkwartier (Woonkern); Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid); Glastuinbouwgebieden (Bedrijvigheid) Polders Achterof en Zuidplas; Veenweidegebied: Polder Bloemendaal & de Voorofsche polder); Recreatiegebieden Bentwoud, Gouwebos en 't Weegje (Buitengebied). Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid) Waddinxveen heeft de afgelopen jaren fors uitgebreid, met Logistiekpark A12, Businesspark Vredenbrugh, Coenecoop III en op Distripark. Door deze ontwikkelingen staat Waddinxveen landelijk op de derde plek van meest uitgegeven meters bedrijventerrein tussen 2008 en 2017. Distripark aan de A12 is een hoogwaardig terrein voor logistieke bedrijvigheid. Distripark heeft een hoog energieverbruik, doordat de distributie- en opslagcentra een grote koudevraag hebben. Eveneens aan de A12 zit het logistiek park, wat een locatie is voor grootschalige logistiek.

Aan de Bredeweg bevindt zich kleinschalige bedrijvigheid en Coenecoop I, II en III/West is een gemengd terrein met hoge arbeidsdichtheid. Dan zijn er nog drie terreinen met minder voorspoedige ontwikkeling. Noordkade is een gedateerd terrein, waar al een start is gemaakt richting transformatie naar een gemengd woon-werkgebied. In Zuid is vrachtverkeer momenteel problematisch en in Kouwehoek is sprake van verzakking van de N454. Het plangebied ligt aan de rand van het bedrijvenpark Distripark Doelwijk langs de Moordrechtboog (N457).

30

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Toetsing planinitiatief Een uitbreiding van het bedrijventerrein Distripark Doelwijk is in overeenstemming met de koers voor bedrijventerreinen, waarin het plangebied als 'bedrijventerrein' is aangeduid (figuur 11). Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. In paragraaf 4.4.3 wordt hierop ingegaan. De inrichting van het terrein is zodanig dat het terrein schoon en veilig wordt. De daken van de bedrijfsgebouwen worden zoveel mogelijk voorzien van zonnepanelen. De randen van het bedrijfsterrein worden groen ingericht overeenkomstig het landschapsinrichtingsplan zoals toegelicht in paragraaf 3.2. De landschappelijke inrichting wordt geborgd met een beplantingsplan in artikel 4.3.2 van de regels van het bestemmingsplan.

Figuur 11: Uitsnede Kaart 'Bedrijventerreinen (Bedrijvigheid)'. Plangebied zwart gestippeld omkaderd. Conclusie De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 heeft een hoog abstractieniveau, waarin ontwikkelingen niet op perceelsniveau zijn beschreven. Het plangebied grenst aan Distripark Doelwijk ten westen van de N457. Op de Visiekaart Waddinxveen 2050 is het plangebied aangeduid als 'bedrijventerrein'. De planontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 4.4.2 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen.

Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan acht beleidskaders om de ambities te realiseren. Zowel de

Toelichting

31

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

beleidskaders als de maatregelen om de knelpunten te reduceren hebben als doel om de mobiliteitsambities te realiseren. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende beleidskaders relevant: 1. Toetsen van de verkeersafwikkeling van verkeersgenererende ontwikkelingen. 2. Alleen nieuwe verkeersgenererende ontwikkelingen toestaan binnen 3 kilometer van aansluitingen op de A12 en/of binnen 600 meter van de te realiseren Bentwoudlaan. 3. Alleen nieuwe verkeersgenererende ontwikkelingen toestaan binnen 200 meter van een gebiedsontsluitingsweg. 4. Inzetten op de juiste regionale ontwikkelingen. De beleidskaders worden gebruikt in het integrale afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen. Conclusie Het plangebied wordt via de Overslagweg ontsloten op de Moordrechtboog (N457). Het rijkswegennet is op korte afstand bereikbaar. De planontwikkeling genereert geen verkeer naar de kern van Waddinxveen. Het plan voldoet aan de relevante beleidskaders van het Mobiliteitsplan. 4.4.3 Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a.

aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). In de 'Koers naar Duurzaam Waddinxveen (her)verbinden met de natuur' (december 2021) zijn de volgende thema's uit de Omgevingsvisie nader uitgewerkt: circulaire economie, energietransitie, klimaatadaptatie en biodiversiteitsherstel. Uitgangspunt voor de gemeente is dat in 2050 alle ondernemers in gemeente Waddinxveen circulaire verdienmodellen hebben (zoals deelplatform, pay-per-use, lease and take back, enz.). Daarmee wordt het grondstofverbruik geminimaliseerd in gesloten kringlopen. De producent van het product blijft verantwoordelijk voor het product, ook na het einde van de levensduur. De producent kiest zelf een geschikt businessmodel, zoals terugname na verkoop of leasen van producten. Ondernemers hebben op lokale en regionale schaal grondstofketens ingericht zodat restgrondstoffen weer waardevol gebruikt worden door andere bedrijven. Net als inwoners gebruiken ondernemers schone energie (elektriciteit en warmte) voor hun werkzaamheden. De privé-gronden van de bedrijven en de bedrijventerreinen zijn groen, verbonden met omliggende natuur en kennen veel watergebieden.

De gemeente ziet er veel minder tegels en verharding en juist veel meer vogels, insecten en dieren. De bedrijven en bedrijventerreinen zijn daarom aantrekkelijk en gezonder voor ondernemers en medewerkers. Bedrijven worden gevraagd 100% bewust te zijn van klimaatadaptief handelen. Bedrijven op Distripark Doelwijk A12 dienen in 2030 klimaatbestendig en water robuust te zijn ingericht. 4.4.3.1 Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van het rapport "Verdiepende studie klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid: Fase 1" van Royal Haskoning van 29 november 2022, welke burgemeester en wethouders op 13 december 2022 hebben vastgesteld.

Wateroverlast door overvloedige neerslag Het bedrijventerrein Doelwijk is gevoelig voor wateroverlast. In het plangebied is er op de Klimaatlabelkaart wateroverlast sprake van water op straat (meer dan 15 cm) bij maximaal 10-20% van

32

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

de straten. Naar verwachting is het risico voor waterschade bij een extreme bui kleiner dan op de huidige kaarten wordt getoond. Het vloerpeil van de nieuwbouw is zodanig dat water van de bedrijfserven niet naar binnen loopt. Onderzocht wordt of parkeerplaatsen van personenauto's op gestabiliseerd gras kan plaatsvinden. Aan de oostelijke rand van het plangebied wordt water aangelegd. Overtollig water kan worden afgevoerd naar de watergangen langs de N457 en de Zuidelijke Dwarsweg. Overstroming In het plangebied is er op Waterdieptekaart een kleine kans op overstroming. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Het gebied is gevoelig voor hittestress. Er wordt aan de oostzijde van het plangebied langs de N457 water en groen aangelegd. Aan de zuidzijde langs de Zuidelijke Dwarsweg worden bomen geplant in het groen wat voor meer schaduwwerking zorgt. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte.

De bodemdaling (2020-2050) is < 10 cm op grond van de klimaatlabelkaart bodemdaling. Nieuwe bedrijfsbebouwing daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Groenbeleid voor klimaatadaptatie Voor een klimaatbestendig Waddinxveen geldt zowel dat het vergroenen van de openbare ruimte als het vergroenen van de niet openbare ruimte bijdraagt aan een klimaatadaptieve inrichting. Daarom is er bij dit thema gekeken naar zowel het % groen per buurt in de openbare en niet-openbare ruimte. Op de kimaatlabelkaart groen is tussen 20-30% van de buurt groen per buurt. Distripark Doelwijk heeft label A: >40% van de buurt in de openbare ruimte (huidige situatie). Aan de randen van het plangebied wordt substantieel inheems groen toegevoegd (passend bij de aanwezige grondsoort) met een oppervlakte van circa 2.000 m³ (circa 15% van het plangebied), zoals aangegeven in het Beplantingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels. Dit is weliswaar minder dan 40%, doch niet ongebruikelijk op een bedrijventerrein. Dit percentage kan misschien worden verhoogd wanneer groen op de daken wordt aangelegd, tenzij deze daken worden voorzien van zonnepanelen. Daar waar mogelijk worden ook groene gevels aangelegd. Daarnaast wordt onderzocht of de parkeerplaatsen van personenauto's kunnen worden voorzien van grastegels of een anderszins water doorlatende verharding.

4.4.3.2 Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen Biodiversiteit Natuurvriendelijke oevers Het verbreden van de watergang langs de N457 zal natuurvriendelijk (zonder beschoeiing) worden aangelegd. Hierbij wordt een breedte van minimaal 1 meter aangehouden, zodat watervogels zonder belemmering het terrein kunnen oplopen. Bomen In de zone langs de Zuidelijke Dwarsweg worden nieuwe bomen worden geplant. In overleg met een ecoloog worden hier kasten geplaatst aan de blijvende bomen voor de Vleermuis. Natuur-inclusief bouwen Bij uitwerking van bouwplannen worden de volgende voorzieningen aan de bedrijfsgebouwen aangebracht voor de Gierzwaluw en Vleermuis: a. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in randen van gevels. b. Voor vleermuizen worden op diverse plaatsen kasten ingemetseld in de spouw. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied.

Toelichting

33

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van enkele bedrijven mogelijk. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. Voldaan wordt aan de eisen van de BENG. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: plaatsing zonnepanelen, opvang en recyclen van regenwater. Bij uitwerking van bouwplannen wordt rekening gehouden met door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, Klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen.

34

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader rijk, provincie en gemeente

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Rijk Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2 Beleid provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen).

Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Toelichting

35

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

5.2.3 Waterplan Boskoop en Waddinxveen De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn 'droge voeten', schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop. Op de visiekaart zijn de hoofdstructuren van het watersysteem (die fungeren als belangrijke ruimtelijke dragers), de ecologische verbindingszones en de landschappelijke elementen weergegeven. Bij herontwikkeling kunnen deze elementen dienen als basis voor de planvorming. In de visie is aan de hand van vier thema's het bestaande (water)beleid vertaald naar een optimaal watersysteem in 2030: veiligheid en wateroverlast: In 2030 is het watersysteem veilig voor wateroverlast, duurzaam en robuust. Lokaal betekent dit dat de veenkades veilig zijn en dat er ruimte is voor waterberging, zodat bij hevige buien de overlast zoveel mogelijk wordt beperkt. waterkwaliteit en ecologie: Het water in Waddinxveen is in 2030 helder met een gevarieerde planten- en dierenwereld.

De randvoorwaarde daarvoor is een goede (ecologische) waterkwaliteit. De bronnen die dit beletten worden zoveel mogelijk aangepakt. gebruik en beleving: In 2030 is een hoge belevingswaarde en een optimale benutting op en rond het water bereikt. De verbeteringen zijn zoveel mogelijk gecombineerd met (recreatieve) ontwikkelingen. Hiervoor zijn zoveel mogelijk duurzame bouwmethoden toegepast en zijn de (cultuur)historische waarden zoveel mogelijk hersteld. beheer en onderhoud: Het onderhoud en beheer van het oppervlaktewater is in 2030 afgestemd op de gebruiksfuncties van het water (en de oevers). Het hoogheemraadschap en de gemeente werken efficiënt samen, waardoor de totale kosten zo laag mogelijk zijn. Om de visie in 2030 te bereiken, zijn maatregelen benoemd voor de komende vijf jaar. Het waterplan zet vooral in op de verbetering van de waterkwaliteit en ecologie. De bedoeling is meer oevers natuurvriendelijk in te richten en hier werk van te maken zodra lokaal groot onderhoud van oevers nodig is. Met de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterkwaliteit in Waddinxveen verbeterd. Tegelijk wordt een onderzoek gestart naar de oorzaken van de slechte/ matige waterkwaliteit om de waterkwaliteit te kunnen verbeteren. Hierbij wordt samengewerkt met de hoogheemraadschappen.

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2.

Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen

36

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1.

Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Middelgrote plannen Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied. Grote plannen (Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak) Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast.

Bij dergelijke plannen wordt het plangebied veelal grotendeels heringericht. Dit biedt mogelijkheden om systeemaanpassingen door te voeren. Het is daarom gewenst om de waterhuishouding in het gebied apart te beschouwen. HHSK zal daarom het watersysteem bij grote plannen apart doorrekenen.

5.4

Waterhuishouding

Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. Het plangebied wordt doorsneden door een waterscheiding. Ten westen van de waterscheiding ligt het plangebied in peilgebied 834 met een zomer- en winterpeil van respectievelijk NAP -6,92/-7,12. Aan de oostzijde van de waterscheiding ligt het plangebied in peilgebied 847 met een peil van -632/-642 NAP. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. Het hoogheemraadschap adviseert minimaal 1,2 m drooglegging (vloerpeil) voor bebouwing om (grond) wateroverlast te voorkomen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering. Er zijn geen

Toelichting

37

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Zuidplas. Aan weerszijden van het plangebied liggen overige watergangen met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud. Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning- of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. Verder ligt er een waterbassin. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 12. De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt buiten de beschermingszone gerealiseerd. Voor het dempen van het waterbassin en graven van compensatiewater wordt tijdig een watervergunning aangevraagd. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Figuur 12: Uitsnede Legger oppervlaktewatersysteem. Plangebied blauw gestippeld omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit Het bestaande agrarisch perceel en waterbassin worden gewijzigd naar bedrijfsdoeleinden. In de bestaande situatie is dit perceel in gebruik als grasland en waterbassin. Voorheen stond hier de bebouwing van Dierdorado. In de nieuwe situatie worden er twee bedrijven gerealiseerd met verharding en ontsluitingswegen. Aan de rand langs de N457 komt er groen en extra water. Aan de zuidzijde blijft vanaf de Zuidelijke Dwarsweg een 30 meter brede groenstrook behouden. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap geldt voor de toename van verharding de volgende percentages voor watercompensatie: Voor peilgebied -7,10: 5% Voor peilgebied - 6,32: 15% Dit betekent na overleg met het Hoogheemraadschap dat 2.945 m² watercompensatie nodig is in een peilgebied met -7,10 Mv en 487 m² watercompensatie nodig is in een peilgebied met - 6,32 Mv. Het extra water wordt deels gegraven in Distripark Doelwijk en deels ten noorden van de A12. Hiervoor wordt tijdig een watervergunning worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bedrijfsbebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem

38

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de bebouwing zal op het oppervlaktewater worden geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke riolering overeenkomstig de eisen van het gemeentelijke rioleringsbeleid. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.4.1 Conclusie Het ontwerpbestemmingsplan is om advies voorgelegd aan het hoogheemraadschap. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling, nadat het hoogheemraadschap een watervergunning heeft verleend op de door initiatiefnemer in te dienen aanvraag. Op basis hiervan kan het Hoogheemraadschap een positief advies uitbrengen omtrent het plan.

Toelichting

39

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

40

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Hoofdstuk 6

Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat het plangebied wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.3, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar de oppervlakte minder dan 75 ha is, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.

In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. In het onderhavige situatie is sprake van een herontwikkeling van een bedrijventerrein met circa 1,5 ha, waar nu een dierenpension en bedrijven in een lichte milieucategorie zijn toegestaan. In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, waarin circa twee bedrijven mogelijk gemaakt, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Bij het oprichten van de bedrijfsbebouwing wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen hout, grond en baksteen. Deze hulpbronnen zijn niet schaars en kunnen gemakkelijk worden aangewend. Gelet op de tijdelijkheid van de bouwfase kan blijvende negatieve milieueffecten worden uitgesloten.

Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden. Bij de realisatie van het plan wordt bouwafval geproduceerd (o.a. beton, staal, hout, verf etc). Dit afval is eenmalig. Er is dus geen sprake van een continue productie van afval als gevolg van dit project. Het bouwafval wordt hergebruikt daar waar mogelijk. Het overige afval wordt afgevoerd naar de daarvoor bestemde milieudepots (bijvoorbeeld Milieustraat). Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieugevoelige activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde planontwikkeling. Plaats van het project Voor het plangebied is in 2017 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door adviesbureau IDDS (rapport 1983, mei 2017). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied geheel ligt ingeklemd tussen verschillende gebieden die archeologisch goed zijn onderzocht. Uit deze onderzoeken

Toelichting

41

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

(waaronder een onderzoek met diepe mechanische boringen) blijkt dat de bodem geheel bestaat uit afzettingen van zand, klei en veen en dat deze zijn afgezet in een zeer nat milieu. Het toenmalige landschap was te nat voor bewoning en krijgt daardoor een lage archeologische verwachting. Vanwege de lage archeologische verwachting is een vervolgonderzoek niet meer nodig, zodat een actualiserend onderzoek naar archeologie achterwege kan worden gelaten. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 6.2. Het gebied ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. Ook is er op basis van uitgevoerde stikstofberekeningen geen sprake van toename van stikstofdepositie. In paragraaf 6.3.1 wordt hierop ingegaan. De wijzigingen ten opzichte van de geldende regeling zijn gering. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben.

Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. Het M.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 4. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld.

Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m Onderzoek/ beoordeling Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat het plangebied aan een gebiedsontsluitingsweg grenst (N457). Voorts ligt aan de west- en noordzijde Distripark Doelwijk. Verder staat er aan de westzijde een bedrijfswoning aan de Zuidelijke Dwarsweg 13d. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande milieugevoelige functies relevant kunnen zijn voor de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein. Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied. Bedrijfswoning Zuidelijke Dwarsweg 13d

42

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

De bedrijfswoning aan de Zuidelijke Dwarsweg 13d ligt binnen het invloedsgebied van het plangebied. Overige verderop gelegen (bedrijfs)woningen liggen op een grotere afstand dan 100 meter. De woning op nummer 13d ligt op minimaal 15 meter vanaf het nieuwe bedrijventerrein. Initiatiefnemer is in overleg met deze eigenaar om de gronden te verwerven, waarna het gebruik als bedrijfswoning wordt beëindigd. In afwachting hiervan zullen de bedrijfsactiviteiten tot 30 meter vanaf de woning worden beperkt tot milieucategorie 2. Bedrijven in milieucategorie 3.1 zijn toelaatbaar vanaf 30 m afstand. Met inachtneming hiervan kan vanuit oogpunt van milieuzonering worden voldaan aan de richtafstanden. DCB Energy Hub Aan de Overslagweg 1 is een tankstation gevestigd waar het tanken van LNG, CNG en waterstof vergund is. In de paragraaf 6.1.6 Externe veiligheid wordt hierop ingegaan in relatie tot de uitbreiding van het onderhavige plangebied. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er aan de westzijde van het plangebied een bedrijfswoning van derden staat. De richtafstanden voor 'gemengd gebied' worden in acht genomen door in het plangebied bedrijven toe te staan in maximaal milieucategorie 2 tot 30 meter vanaf de woning aan de Zuidelijke Dwarsweg 13d. Voor het overige zijn bedrijven toegestaan in milieucategorie 3.1.

Met inachtneming hiervan is er geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woning behoudt een goed woonen leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan. 6.1.3

Geluid

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuis en psychiatrische inrichting; Kinderdagverblijf. Onderzoek/ beoordeling De bedrijfsactiviteiten vallen niet onder de noemer geluidgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Overslagweg, Zuidelijke Dwarsweg, Moordrechtboog (N457) en rijksweg A12. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.

Toelichting

43

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. De afstand tussen het plangebied en de spoorlijn Alphen aan den Rijn - Gouda is circa 270 meter. De spoorlijn Den Haag Utrecht ligt op circa 670 meter afstand. Het plangebied valt buiten de zone van respectievelijk 100 en 600 meter voor spoorweglawaai. Bovendien vallen bedrijfsactiviteiten niet onder de noemer geluidgevoelige objecten, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.

De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidzone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. De richtafstanden voor milieuzonering ten opzichte van de bestaande bedrijfswoning aan de Zuidelijke Dwarsweg 13d wordt gerespecteerd, omdat rekening wordt gehouden met de richtafstanden vanuit bedrijven en milieuzonering. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er met inachtneming van de omschreven beperkingen en maatregelen, geen belemmeringen voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

Voor de woningen blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid

44

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband met onderhavige planontwikkeling heeft Waders Milieu te Waddinxveen een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd (rapport van 1 februari 2023, Bijlage 5). Uit de resultaten van dit onderzoek kan fhet volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Ter plaatse van de onderzoekslocatie worden, op basis van de resultaten van voorgaande bodemonderzoeken, over het algemeen licht verhoogde gehalten zware metalen, PCB, PAK en minerale olie verwacht. Op het voormalig bebouwde deel van de onderzoekslocatie, gelegen aan de zuidoostzijde van de locatie, zijn een sterk verontreinigde ophooglaag (met zware metalen) en een asbestweg aanwezig (geweest). Daarnaast bevindt zich hier een (toegangs)dam. Op het noordwestelijke gedeelte van de locatie zijn tijdens de locatieinspectie aan het maaiveld puinresten geconstateerd. Verder is op het centrale deel van de locatie een gedempte sloot aangetroffen.

Geadviseerd wordt om op de locatie een verkennend bodem- en asbest in grond- /puinonderzoek uit te voeren volgens de NEN 5740 en NEN 5707/NEN 5897, waarbij extra aandacht uit dient te gaan naar de hiervoor vermelde verdachte deellocaties (voormalig bebouwd locatiedeel met verontreinigde ophooglaag, asbestweg en toegangsdam, noordwestelijk deel locatie met puinresten op maaiveld en de gedempte sloot). Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historische (bodem)onderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie niet zondermeer geschikt is voor bedrijfsdoeleinden. Er is overeenkomstig het gemeentelijk beleid een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5740/NEN5897 noodzakelijk in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Conclusie Voor het oprichten van bedrijfsbebouwing kan planologisch vergunning worden verleend, omdat er geen grootschalige bodemverontreiniging wordt verwacht. Echter voor het onderdeel bouwen van de omgevingsvergunning moet een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 worden aangeleverd. Binnen de exploitatie wordt hiermee rekening gehouden. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.4.1 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2021 heeft de gemeente Waddinxveen door REASeuro een actualisatie laten uitvoeren van de NGE-Risicokaart uit 2012. Het gebied is aangemerkt als verdacht (figuur 13). Naar aanleiding van verschillende bombardementen op de spoorlijn Gouda-Den Haag en de rijksweg ten noorden daarvan zijn diverse Verdachte gebieden Ontplofbare oorlogsresten (OO) afgebakend waarin mogelijk afwerpmunitie van de kalibers 250 lbs en/of 500 lbs zijn achtergebleven. In de periode november 1944 – april 1945 werd een groot aantal (duik)bombardementen op de spoorlijn uitgevoerd. Afbakening van een verdacht gebied heeft plaatsgevonden bij locaties waar bekend is dat er bombardementen hebben plaatsgevonden. Grenzend aan het plangebied ligt de onlangs gerealiseerde N457 (met tunnel) en een Energy Hub.

Overeenkomstig artikel 4.10 van het Arbobesluit dient een initiatiefnemer bij werkzaamheden op of in de bodem rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Een projectgebonden risicoanalyse is nodig, waarin de risico's kunnen worden beoordeeld van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in relatie tot het toekomstige gebruik van het plangebied waar de activiteiten c.q. het project gepland zijn. Met inachtneming hiervan is het project uitvoerbaar.

Toelichting

45

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

Figuur 13: Uitsnede actualisatie NGE-Risicokaart. Plangebied zwart omkaderd aangeduid. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

24-uursgemiddelde n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3

Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in

46

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek luchtkwaliteit Met het plan wordt beoogd een uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren. In verband hiermede heeft IDDS te Noordwijk een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd (rapport van 15 februari 2023, kenmerk A3584-07/VMI/not1, Bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat de optredende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van twee nieuwe bedrijven ten hoogste voldoen aan de wettelijke grenswaarden.

Ook de aantallen overschrijdingen per jaar van de uurgemiddelde concentraties voldoen aan de wettelijke grenswaarden, uitgaande van 792 verkeersbewegingen met etmaal zoals aangegeven in tabel 6.3. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt. Tabel 6.3: NIBM-tool.

Verder is nog de monitoringstool van CIMLK geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Moordrechtboog N457 (x: 104006.725613993 en y: 447970.105432861). Uit de CIMLK-kaart blijkt dat hier de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 20,5 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,5 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,8 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt het oprichten van twee bedrijven mogelijk. In het onderzoek naar luchtkwaliteit is berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht, zodat er geen gevolgen zijn voor deze bestemming. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling niet in de weg.

Toelichting

47

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld.

In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.

Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt binnen 200 m van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Ten noorden van het plangebied ligt circa 220 meter de A12 (basisnetwegvak Z135). De A20 ligt op 550 meter afstand (basisnetwegvak Z136). De Provinciale weg N457 ligt binnen het invloedsgebied van het plangebied (figuur 14). Provinciale wegen De Provinciale weg N457 (Gouweknoop) ligt op circa 15 m afstand van de geplande uitbreiding van het

48

Toelichting

bestemmingsplan Zuidelijke Dwarsweg 13c (uitbreiding Distripark Doelwijk)

bedrijfsterrein. Deze weg is aangeduid als route gevaarlijke stoffen. Als toetsingskader voor de beoordeling van risico's ten gevolge van transport is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing. De weg heeft, evenals alle wegen in de regio Midden-Holland (met uitzondering van de rijkswegen) een PR van 0 meter en een GR van < 0,1 OW. Het risico van EV van deze wegen is dus zeer beperkt. Dat tezamen met de geplande ontwikkeling van bedrijfsbebouwing betekent dat het risico beperkt is. In paragraaf 6.1.7 wordt de uitgevoerde risicoberekening toegelicht. Rijksweg A12 en A20 Om te voorkomen dat het transport van gevaarlijke stoffen over snelwegen ongeremd groeit, met alle gevolgen van dien voor bestaande of geplande ruimtelijke ontwikkelingen, zijn de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en het bedrijfsleven in gezamenlijk overleg gekomen tot het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet weg schept duidelijkheid over het maximale risico vanwege het transport van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Plaatsgebonden risico (PR) Voor het transport gevaarlijke stoffen over de A12 moet rekening worden gehouden met het wegvak Z135 met een afstand van 0 meter. Ook de A20 ligt buiten de belemmeringenstrook van het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

Groepsrisico (GR) Rijksweg A12 en A20 hebben een invloedsgebied van 200 meter. Het groepsrisicoplafond van de A12 ligt op een afstand van 48 m, gemeten vanaf het midden van de weg. Het plangebied ligt op circa 220 meter ten zuiden van rijksweg A12 (basisnetwegvak Z135), op circa 550 meter ten oosten van het plangebied ligt rijksweg A20 (basisnetwegvak Z136). Het plangebied ligt daarmee buiten de 200 meter zone ter verantwoording van het groepsrisico van beide wegvakken, maar binnen het invloedsgebied van 880 meter vanwege transport van giftige vloeistoffen (stofcategorie LT2). In paragraaf 6.1.7 worden de uitgevoerde risicoberekeningen toegelicht. Vanwege de (beperkte) toename van het groepsrisico is het groepsrisico verantwoord in paragraaf 6.1.7.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14511593/2