Verslag Debat & Besluit 10-06-21 en vervolg 15-06-21
Tekst van het document
Ik hoop dat u mij dan ook de kans geeft om inhoudelijk te kunnen spreken over het regiobod zelf. De voorzitter: Dat doen we. Het betekent dat we op de 24e een finaal besluit nemen over agendapunten 12 en 13, met alle toeters en bellen die daarbij horen.
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
18
14. (R5.7-21) Krediet t.b.v. HVO-tankinstallatie gemeentewerf De heer De Vaan: Voorzitter. … [verbinding slecht] goed voor het milieu. De vraag is echter of het niet beter is dat we in de toekomst met elektrische en waterstofvoertuigen gaan werken. Ook in de mobiliteitsvisie wordt dat aangegeven. Is het dan niet verstandiger om de afschrijvingstermijn van 15 jaar te bekorten tot maximaal 10 jaar, mede omdat de verwachting is dat deze technieken dan beschikbaar zijn? Zou het ook niet goed zijn om alle logistieke bedrijven hierbij te betrekken? Ik hoor ze niet en ik zie ze niet. De heer Van Groos: Wij vinden dit raadsvoorstel typerend voor de werkwijze van het college. Een halfjaar geleden lag naast de begroting 2021 een document voor met als titel “Actualisering begroting 2021”, want vanwege de financiële situatie moest er stevig en structureel worden bezuinigd. In dat proces werd de raad buitenspel gezet en konden er geen wensen of ideeën worden ingediend. Een van de ombuigingsvoorstellen van het college was het plaatsen van een eigen brandstoftank. Daarbij is een structurele bezuiniging ingeboekt van € 10.000. Tegelijkertijd werd gemeld dat de installatie een investering van € 52.000 vergde. Amper een halfjaar later biedt hetzelfde college een raadsvoorstel aan om een HVO-tankinstallatie op de gemeentewerf te realiseren.
Hierbij wordt op geen enkele wijze verwezen naar het bezuinigingsvoorstel. Er wordt dus ook niet uitgelegd waarom het college 180 graden is gedraaid. Want omdat op een andere brandstof wordt overgegaan, bedragen de kosten juist structureel € 10.000 meer in plaats van minder. Toch durft het college dit nu een budgetneutrale investering te noemen, omdat de extra kosten vanuit bestaande budgetten kunnen worden betaald. Dat is een misleidende voorstelling van zaken, want we krijgen wel te maken met extra kosten die het bedrijfsresultaat negatief beïnvloeden. In antwoord op onze vragen in dit verband, meldt het college dat er de laatste jaren voordelen zijn behaald op het budget voor brandstoffen van respectievelijk € 35.000, € 30.000 en € 57.000. De fractie van de ChristenUnie stelt vast dat de bezuiniging van structureel € 30.000 mogelijk was. Het college heeft echter de gemeenteraad deze optie ontnomen. De hoofdlijn van ons betoog is: wij komen helaas bij te veel raadsvoorstellen en andere acties van het college wisselende standpunten, een verkeerde voorstelling van zaken en een gebrek aan transparantie tegen. Daarom is onze vraag of de portefeuillehouder hierop wil reageren. Beantwoording college Wethouder Van den Hoven: Voorzitter. Ik begin met de vraag van Lijst De Jongste.
Elektrisch wordt de toekomst; is het dan niet handiger om in plaats van in 15 jaar in 10 jaar af te schrijven. We hebben een nota van afschrijvingen en dit soort investeringen vragen gewoon om een afschrijving van 15 jaar. Dat is de reden waarom 15 jaar is genoemd in het voorstel. De heer Van Groos heeft allerlei opmerkingen over de transparantie en over het financieel beleid van het college. Laat ik vooropstellen dat dit college zeker niet de intentie heeft om de raad of wie dan ook te misleiden en financieel het verkeerde voorstellen of niet transparant te zijn. Volgens mij heb ik vorig jaar met de heer Van Groos al gedebatteerd over het voorstel dat toen voorlag. Ik heb toen aangegeven dat er een fout in zat. Een investering van een tank vergt ook een afschrijving en daar was geen rekening mee gehouden. Dat heb ik volgens mij ruiterlijk toegegeven namens het college. Nu ligt een voorstel voor – het is aan de raad om te beslissen – om over te stappen op een andere brandstof. Deze brandstof heeft, naast het feit dat het ook een investering is voor de toekomst met betrekking tot de duurzaamheid, ook de effecten die wij graag zien. Ik heb de heer Van Groos in een eerdere bijdrage vanavond ook de CO2-uitstoot horen noemen. Dat is een van de Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
19
dingen die daarmee naar beneden gaat. Het fijnstof en de stikstof worden daarmee aangepakt. U heeft gelijk dat de brandstof duurder is, maar de bezuiniging moet u zien in het feit dat € 10.000 extra kwijt zijn als wij deze duurzaamheidsmaatregel doorvoeren bij de brandstof en aan de pomp gaan betalen. Dat is de besparing die u moet zien. Ik geef toe dat het wat ongelukkig geformuleerd is, maar dat was niet met de intentie om mensen te misleiden. Dat wil ik nogmaals herhalen. Het feit dat wij dit uit de bestaande middelen kunnen doen, betekent voor mij dat het budgetneutraal is. Daarom wil ik het voorstel op deze manier doen. Daarbij teken ik nogmaals aan dat de aanloop naar dit raadsvoorstel niet de beste is geweest als het gaat om de voorstelling van financiële zaken, maar dat is wat mij betreft vorig jaar al aan de orde geweest. Daar wil ik niet meer op terugkomen. Ik wil over het voorstel dat nu voorligt, aangeven dat wij met deze investering een stap zetten richting duurzaamheid. De stap naar elektrisch zou op dit moment te groot zijn, want alle voertuigen die wij hebben, hebben een afschrijvingstermijn. De afschrijvingstermijn van deze tank hebben wij op basis van de nota van afschrijvingen gebaseerd en dat is 15 jaar. Tot zover. De heer Van Groos: Ik kan mij herinneren dat bij de bezuinigingsoperatie van vorig jaar melding is gemaakt van de investering.
Ik stel vast dat het investeringsbedrag dat in dit voorstel wordt genoemd, hetzelfde is als wat toen is aangegeven. Daar zit het verschil dus niet in. Het verschil is dat wat eerst als bezuinigingsvoorstel is gepresenteerd, nu een duurzaamheidsinvestering is geworden. Ik kan mij herinneren dat de fractie van de SGP toen heeft gevraagd waarom niet gekozen werd voor HVO. Die fractie zal blij zijn dat dit is gebeurd. Op zich zijn wij dat ook als het gaat om duurzaamheid, maar financieel hebben wij er moeite mee. Kunt u uitleggen waarom in dit raadsvoorstel niet is verwezen naar de actualisering van de begroting 2021 onder vermelding van het voorstel over de eigen tankinstallatie en de discussie die daarover heeft plaatsgevonden? De heer De Vaan: Er kan wel een nota liggen waarin staat dat een afschrijvingstermijn van 15 jaar reëel is, maar waarom zouden we dat niet eens veranderen? Het is toch veel realistischer, want over 10 jaar zijn die mogelijkheden er, dus dan kun je overstappen. Wethouder Van den Hoven: Zoals ik al zeg, doen wij het op basis van de nota van afschrijvingen. Volgens mij is die door de raad vastgesteld. Je kunt erop anticiperen, maar wij gaan op dit moment liever uit van de normale gebruiksduur van zo’n tank ten opzichte van het afschrijvingsbeleid van de gemeente. Ik ben er geen voorstander van om dat aan te passen.
De heer Van Groos vraagt waarom wij het niet hebben aangepast in de actualisatie van de begroting. Wij vragen nu gewoon een krediet aan voor de HVO-opslagtank. Om het voor iedereen overzichtelijk te houden, wil ik zeggen dat wij dat doen binnen het budget dat we nu hebben. Ik heb in mijn eerdere betoog aangegeven dat dit een bezuiniging is die niet zozeer financieel is, maar dat wij de brandstof uit onze eigen tank kunnen halen. Daar zit de financiële bezuiniging in. Het is daarnaast een duurzaamheidsvoorstel, waarmee niet alleen de raad maar ook het college heel blij is. 15. (R5.2-21) Gebiedsspecifiek beleid PFAS De heer Tiemstra: Voorzitter, geacht college en leden van de raad. Dit is een voorbeeld van een onderwerp waar de voornaamste expertise van de meeste raadsleden niet direct ligt. Dat geldt voor mij niet anders. Toch is het goed om dit onderwerp vanavond in de raad te behandelen. Dat zijn we ook aan de samenleving verplicht. Als wij het college mandateren om gebiedsspecifiek beleid PFAS vast te stellen, moeten we weten wat we doen. PFAS-stoffen komen van nature niet in het milieu voor. Ze hebben ongewenste Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
20
eigenschappen, breken niet of nauwelijks af in het milieu, verspreiden zichzelf in het milieu en kunnen zich ophopen in het menselijk lichaam, in dieren en in planten. Genoeg redenen derhalve om hier voorzichtig mee te zijn. Problemen voor de Waalwijkse situatie, onder andere vanwege plannen voor Haven 8 Oost en de GOL, dienden zich al aan en bleken niet voor 31 december 2020 te zijn opgelost, zo meldt ons het raadsvoorstel. Om ze echter toch op te lossen, is het wenselijk om het instrumentarium waarmee gebiedsspecifiek beleid kan worden gevoerd, zo snel mogelijk in te zetten, liefst vanuit het college, dat hiervoor gemandateerd is door de raad, aldus opnieuw het voorstel. Dan rijst natuurlijk de vraag of gebiedsspecifiek beleid de route is waarlangs problemen politiek en bestuurlijk kunnen worden opgelost of dat dit beleid daadwerkelijk leidt tot verlaging van de specifieke risico’s voor mens en milieu. Van het eerste zijn wij vrij zeker. Voor het tweede hebben wij nog wel een extra zetje nodig alvorens wij hiervan overtuigd raken. Niet voor niets is er vanuit een aantal fracties aangedrongen op meer informatie. Ik zal er één ding uitlichten, wat ook vanavond langskwam. Het raadsvoorstel spreekt van afvoergronden zonder extra kosten.
In het raadsvoorstel GOL, dat op 24 juni in de A-raad wordt behandeld, staat echter dat binnen de gemeente Waalwijk een PFAS-verontreiniging is geconstateerd, die de toepassingswaarden fors overschrijdt; extra kosten tot een half miljoen. Er is nog veel meer, maar we hebben maar 2,5 minuut spreektijd. Graag zouden wij van de portefeuillehouder in klare taal vernemen hoe hij het allemaal voor zich ziet, wat de kansen en bedreigingen zijn. Meerdere antwoorden op vragen van fracties of er een probleem is of niet, of het extra tijd kost en of het extra geld kost, wat de kansen en bedreigingen zijn en op welke momenten de raad wordt aangesloten. Graag uitleg en graag concrete toezeggingen. Dan zullen we daarna ons besluit nemen. Tot zover, voorzitter, in eerste termijn. De heer De Vaan: Voorzitter. Op basis van het verstrekte kaartje van het bewuste gebied heb ik het gebied bezocht en geconstateerd dat er recent diverse grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Ik vraag me af of deze werkzaamheden onder dit besluit vallen. Naar aanleiding van de antwoorden op de vraag waarom we een mandaat voor het PFAS-besluit moeten geven aan het college, vraag ik me af of dit wel juist is. Er is nog tijd genoeg om het juiste proces te volgen. Onzes inziens is er voldoende tijd om een goed onderbouwd besluit te nemen. De verwachting is dat het project dit jaar nog niet gaat lopen.
We kunnen die vier maanden dus nog gebruiken om onze inwoners de juiste inspraak te geven en daarna verder te gaan. De heer Van Groos: Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie is niet van plan om dit college een blancovolmacht te geven hoe om te gaan met het element PFAS dat tot de groep zeer zorgwekkende stoffen behoort. PFAS is een ongenormeerde stof die grote risico’s voor de gezondheid kent. Heel dit voorstel ademt de volgende gedachte: wij weten het ook nog niet, maar we hebben haast; laat het daarom maar aan ons over, want wij weten wat goed is voor Waalwijk. Eerst krijgen we een voorstel dat niet vooraf juridisch is getoetst. Vervolgens ontvangen we op de valreep het zoveelste gewijzigde raadsvoorstel. Alle achtergrondinformatie ontbreekt. In eerste instantie werd aangegeven dat er bijlagen zouden zijn, maar de raad krijgt die niet te zien. Pas na vragen van Lijst De Jongste komt er een kaartje. Op dat kaartje is te zien dat de volkstuinvereniging gevestigd is in het oranje gebied, waar het probleem lijkt mee te vallen. Daar worden groenten verbouwd die door inwoners van Waalwijk worden gegeten. En laat dat nu net de manier zijn om deze zeer schadelijke stoffen in het menselijk lichaam te krijgen! Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
21
Het probleem met deze forever chemicals is al een paar jaar bekend. Veel gemeenten hebben al beleid hiervoor vastgesteld, maar Waalwijk nog niet. Het college heeft het gevaar schromelijk onderschat en vraagt nu aan de raad om mandaat. Voor de coalitiefracties is dit geen punt. Zij zijn op voorhand al akkoord gegaan om zaken die de gezondheid bedreigen over te laten aan een college dat het zelfs niet nodig vindt om een risicoanalyse uit te voeren. Onze fractie vindt het voorstel niet rijp voor besluitvorming. Het moet terug naar het college totdat het huiswerk af is. De meerderheid van de raad lijkt dit niet nodig te vinden. Daarom kunnen wij straks niet anders dan uit volle overtuiging tegen het voorstel stemmen. Wij wensen de gezondheid van onze inwoners niet op deze manier in de waagschaal te stellen. Dank u wel. Mevrouw Pouw: Voorzitter. Tot een paar jaar geleden had waarschijnlijk nog niemand van PFAS gehoord. Tegenwoordig heeft PFAS een behoorlijke impact op de bouw en infrasector. PFAS kunnen negatieve effecten hebben op het milieu en de gezondheid van mensen. In Haven 8 Oost en de GOL zijn vorig jaar bij onderzoeken gehalten aan PFAS gevonden die boven de normen van het landelijk tijdelijk handelingskader PFAS liggen.
Tot 1 januari 2021 was het nog mogelijk voor het college om gebiedsspecifiek beleid PFAS vast te stellen door een landelijk besluit om het besluit bodemkwaliteit aan te passen. De minister deed dat om de vertragingen bij de bouw te lijf te gaan, vooruitlopend op de definitieve normstelling door het RIVM. Op 1 januari 2021 is het nieuwe bodembesluit van kracht geworden. Wij hebben begrepen dat de definitieve normen daarin verwerkt zijn en dat dat de reden is dat de afwijking van de normale procedure op 1 januari is gestopt. Het was ook nooit de bedoeling geweest om langdurig geldig te zijn. Het college vraagt ons vandaag om deze bevoegdheid voor dit project alsnog over te dragen aan het college. Het kan daarmee tijd en geld besparen. Het college laat ons weten dat het voorstel tot mandateren niet leidt tot aantasting van de rechtsbescherming, maar Lijst Pouw wenst zich ook kritisch op te stellen inzake de agenda democratische gehalte en impact van het probleem. Wij zijn van mening dat het publiek en de betreffende volksvertegenwoordiging voorafgaande aan de vaststelling van een gebied en de daarbij behorende gebiedsgerichte aanpak en normen in kennis moeten worden gesteld en in de gelegenheid moeten zijn om in te spreken. Een tijdsbesparing van twee maanden klinkt mooi, maar bij procedures achteraf wordt tijdswinst vaak al snel tijdsverlies.
Tot hoeveel extra kosten leidt dat? Op dit moment wordt nog berekend wat de achtergrondwaarde in het gebied is. Het is daardoor nog niet mogelijk om te zeggen welke norm voor dit gebied acceptabel is. Dat vinden wij een te magere uitleg om het mandaat over te hevelen. Met de versnelde procedure voor de vaststelling van bodemkaarten kunnen mensen geconfronteerd worden met storting van grond op of bij de grens van hun perceel. Het is niet uit te sluiten dat daarbij grond gestort wordt met een hogere PFAS-waarde dan de norm en dat die hogere waarde uiteindelijk gangbaar wordt. Zonder dat zij hun belangen vooraf kenbaar hebben kunnen maken, kan mogelijk schade ontstaan voor deze eigenaren. Immers, onder het Omgevingswetstelsel zijn grondeigenaren en -pachters verantwoordelijk voor het oplossen van dergelijke vervuilingen. Dit kan dus grote impact hebben op de uiteindelijke economische waarde van hun percelen. Het college laat weten dat de grond verontreinigd is met PFAS. De overheid heeft een aantal stoffen gekenmerkt als zeer zorgwekkend. Dat betekent dat er strenge eisen worden gesteld aan het gebruik ervan. In welke mate PFAS aangetroffen is, is voor ons nog een raadsel. Wij hebben geen meetresultaat gezien. Tot slot. Een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart is een belangrijk instrument, waarmee lokale overheden de bestaande kwaliteit van de bodem kunnen weergeven.
Bedrijven Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
22
kunnen hiermee sneller weten welke toepassingen met de grond mogelijk zijn. Bodemkwaliteitskaarten zijn vijf jaar geldig en verlengen is mogelijk. De voorzitter: Wilt u afronden? Mevrouw Pouw: Ja. Is het een idee om vooruit te plannen en voor de komende vijf jaar alvast de bodemkwaliteitskaarten bij te werken met het PFAS-gehalte? Dat levert tijdwinst op en heeft ook nog een mooi democratisch gehalte. Beantwoording college Wethouder Odabasi: Voorzitter. Wellicht ten overvloede, maar ik wil toch nog heel even kenbaar maken dat de reden dat wij dit gebiedsspecifiek beleid via mandatering willen regelen, is gelegen in de ontwikkeling GOL en Haven 8. Stel dat de Raad van State voor het einde van deze maand het besluit neemt, dan willen ze op 1 oktober starten met de activiteiten van de GOL. Voor die tijd moet ons beleid vastgesteld worden en tot uitvoering komen. Dat is de enige reden waarom wij voor mandatering hebben gekozen. Op het moment dat voor het einde van deze maand de plannen uitgesteld worden, dan kan ik u bij dezen al toezeggen dat ik de reguliere procedure wil volgen en dat we dan ook al onderzoeksresultaten, die we op dit moment nog niet hebben, met u kunnen delen. We zullen dan geen gebruik maken van de mandatering. Het heeft dus puur te maken met de uitvoerbaarheid van de plannen voor GOL en Haven 8. Ik zal op een aantal vragen ingaan.
Bij ons zijn de eerste overschrijdingen in oktober vorig jaar bekend geworden. De termijn om het nog voor 1 januari te regelen, was te kort. Daarom is het niet gelukt om gebruik te maken van de verkorte regeling. Men was ook niet op de hoogte dat die regeling niet verlengd zou worden. Op de vraag van de SGP wil ik antwoorden dat het niet zo is dat wij deze regeling het liefst via het college willen doen, maar dat het vooral door noodzaak ingegeven is. Dat wil ik even benoemd hebben. Dat de volkstuinen in het oranje gebied liggen, weten we. De onderzoeksrapporten hebben we echter nog niet. Ik heb vandaag nog nagevraagd of ze er waren, want ik had heel graag voordat dit besluit voorlag, de rapporten met de raad gedeeld. Zodra ze beschikbaar zijn, zijn wij bereid om alles met de raad te delen. Zoals het proces geschetst is in de beantwoording van de vragen, willen wij u de komende tijd maximaal meenemen in dit proces en u op de hoogte houden van de ontwikkelingen. Het is dus geen onwil, maar het is eigenlijk meer een kwestie van roeien met de riemen die we hebben en gebruik maken van de mogelijkheden, zonder daarbij de raad buitenspel te willen zetten. Dat is absoluut niet de insteek. Het liefst had ik het voorstel via de reguliere kanalen aan u voorgelegd. De heer Tiemstra: Ik hoor de wethouder spreken over roeien met de riemen die ze heeft en dat het niet haar keuze is.
Het is eigenlijk een noodzaak om dit voorstel vanavond aan de raad voor te leggen. Dat snap ik niet helemaal. Zou de wethouder dat nog een keer kunnen uitleggen? De heer De Vaan: Ik heb geen antwoord op mijn vraag gekregen. Ik heb geconstateerd dat er recent grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in het paarse gebied. Vallen die onder het besluit? Volgens mij kan dat eigenlijk niet. De heer Van Groos: Aansluitend bij de vraag van de heer Tiemstra. De wethouder heeft het over de noodzaak, maar dan vraag ik me toch af waarom het college niet eerder met een beleidsnotitie naar de raad is gekomen. Het belang van de GOL is al jaren bekend. Het probleem van PFAS is ook al jaren bekend. De helft van de Nederlandse gemeenten heeft al beleid vastgesteld. Maar Waalwijk, waarvoor het zo belangrijk is, heeft dat niet. Dat Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
23
moet nu worden opgelost door een bevoegdheid bij de raad weg te halen en over te dragen aan het college, dat tot nu toe niet handig heeft opgetreden in dit dossier. De voorzitter: Een reactie van wethouder Odabasi. Ik kan me ook voorstellen dat andere collegeleden willen ingaan op de vraag van de heer De Vaan. Wethouder Odabasi: Ik heb de vraag van de heer De Vaan gecheckt en ik heb begrepen dat de grondwerkzaamheden die gestart zijn, niets te maken hebben met de PFAS-ontwikkeling. Het zijn de voorbereidingen van de GOL. Dat heeft geen betrekking op dit beleid. De noodzaak zit ‘m met name in de start op 1 oktober. Als we alle onderzoeken zouden afwachten en de reguliere procedure zouden inzetten, krijgen we het niet voor elkaar om voor 1 oktober een besluit te nemen. In de beantwoording van een van de vragen aan de raad is uitgelegd hoe dat proces er dan uit zou zien. Als we de reguliere procedure zouden doorlopen, zou de besluitvorming pas in februari plaatsvinden. Het heeft dus echt te maken met de termijnen en de stukken die aangeleverd moeten worden. Ik heb ambtelijk begrepen dat de eerste meldingen in dit gebied pas bij ons bekend zijn geworden. Begin februari, maart hebben de eerste gesprekken met de provincie plaatsgevonden. Ik ga ervan uit dat de aanleiding om het beleid eerder op te stellen er niet was.
Ik geef eerlijk toe dat ik dit een heel lastig onderwerp vind, zoals de heer Tiemstra ook aangaf. Het is niet mijn favoriete onderwerp, omdat ik er iets te weinig vanaf weet. Maar het heeft vooral te maken met het moment waarop het bij de organisatie bekend is geworden, de gesprekken die daaropvolgend gevoerd zijn en de noodzaak om dit beleid op te stellen. Wij hebben de achtergrondwaardenkaart PFAS in bezit. Als u wilt, kunnen wij die op korte termijn met de raad delen. De heer Van Groos: Ik heb de informatie niet paraat, maar ik meen me te herinneren dat de wethouder Economische Zaken eerder al heeft aangegeven dat we problemen hebben met PFAS en PFOS. Ik zal uitzoeken wanneer dat is geweest. Het was niet eind vorig jaar, maar eerder. Ter ondersteuning van de heer De Vaan. Als er in de grond PFAS zit, mag er dan wel in die grond worden geroerd? Het maakt niet uit wat de reden is waarom die werkzaamheden plaatsvinden. Of het nu voor de GOL is of voor uitbreiding van het bedrijventerrein of weet ik veel wat. Als er in die grond wordt geroerd, wordt er iets gedaan met grond waar PFAS in zit, in het paarse gebied. De vraag is of dat is toegestaan of dat het nog onder het mandaat moet vallen dat nog niet is verstrekt. Die vraag zou ik graag beantwoord willen hebben.
Wethouder Odabasi: Ik zou graag het woord even willen geven aan wethouder Bakker, omdat hij vanuit de GOL en vanuit Haven 8 veel meer bij dit onderwerp betrokken is geweest dan ik. Ik heb het pas opgepakt toen het beleidskader in beeld kwam. Als u het goed vindt, voorzitter, geef ik het woord aan hem. De voorzitter: Ik gaf die mogelijkheid net al. Ga uw gang. Wethouder Bakker: Voorzitter. Even een paar vragen waarvan ik wel weet waar het over gaat. De vraag van de heer De Vaan over de werkzaamheden die hij heeft gezien. Ik kan het natuurlijk niet helemaal precies inschatten, want het kunnen ook agrarische werkzaamheden zijn, maar in dat gebied zijn kabels en leidingen verlegd. Dan kom ik meteen bij de vraag van de heer Van Groos. Het gaat bij PFAS en bij de waarden die voor PFAS zijn vastgesteld om de verplaatsing van grond in het gebied. Als je grond afgraaft en over hebt, dan mag die niet zonder meer verplaatst worden. Het mag wel in hetzelfde gebied Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
24
blijven, wanneer het een bepaalde grenswaarde niet overschrijdt. Dit voorstel gaat over die grenswaarde, want die moet nog vastgesteld worden. Dan kunnen op lokaal niveau bepaalde waarden worden vastgesteld. Dit voorstel ziet erop toe dat die waarden, in dit geval gemandateerd door het college, kunnen worden vastgesteld. Als de situatie zich voordoet waar mijn collega op duidt, namelijk een uitspraak van de Raad van State waardoor de start van de werkzaamheden voor de GOL per 1 oktober moeten plaatsvinden, en er is geen besluit over de vraag of de grond met PFAS in het gebied kan worden verwerkt, dan zal deze afgevoerd moeten worden. Dat heeft tot een vrij hoge kostenpost tot gevolg. Om op 1 oktober te kunnen starten, moet je die grond gaan afvoeren. Dat kost een getal met zes nullen erachter. Dat kun je voorkomen door de grond te laten liggen waar die ligt in het eigen gebied. Maar dan moet je er wel voor zorgen dat je de juiste normwaarden ervoor hebt vastgesteld, volgens de daarvoor geldende regels. Zoiets ongeveer. De voorzitter: Oké. Zoiets ongeveer, maar toch redelijk specifiek. Zijn er vragen aan het college naar aanleiding van de laatste bijdrage? De heer Tiemstra: Dank voor de toelichting. Hoor ik wethouder Bakker nu zeggen dat de grond vies is, maar als wij hem schoon noemen, dan is ie schoon en kunnen we gewoon door; stemt u maar voor.
Is dat het verhaal? De heer De Vaan: De wethouder had het net over grenswaarden die vastgesteld moeten worden voor je iets mag doen. Dan moet je toch van dat paarse gebied weten wat de grenswaarden zijn? Dan kunnen ze daar nu toch niets doen? Wethouder Bakker: Ik ken natuurlijk niet de hele kaart uit mijn hoofd, want ik heb dit onderwerp niet voorbereid. Ik kom eerst even op de vraag van de heer Tiemstra. Hij zegt: als je het maar schoon noemt, dan mag het blijven liggen. In principe is de oplossing voorlopig van de PFAS-problematiek in Nederland dat je grond in het gebied mag laten liggen. Je mag het dus niet gaan verplaatsen. Al je het laat liggen, mag dat bij wisselende grenswaarden gedaan worden. Zoals u weet, werd er een jaar of twee, drie geleden in de zomer een hele lage grenswaarde vastgesteld door het ministerie. Dat betekende in de praktijk dat er geen kubieke meter grond verplaatst mocht worden. Dat leidde tot grote stilstand in de bouw en grote economische effecten. Toen is de waarde vermeerderd. Ik geloof dat deze vertienvoudigd werd toen we iets meer inzicht kregen in hoe je het kon meten en wat het precies betekende. De regeling waar mijn collega naar heeft verwezen, geeft aan dat je ter plaatse ook lokale beleidsvrijheid hebt om een bepaalde waarde vast te stellen.
Ik neem aan dat dit binnen wettelijk vastgestelde normen moet vallen, maar er zit een bepaalde bandbreedte in. Op het moment dat de waarden binnen die bandbreedte blijken te vallen, kun je erover besluiten. Dat kunt u als raad doen. Eerlijk gezegd hoop ik dat u dat niet doet, want dat zou betekenen dat de GOL extra vertraging oploopt. Normaal gesproken kan dat wel. Dan kunnen we besluiten om de grond in het gebied te laten waar hij op dit moment ligt. Op dat moment zou je kunnen vaststellen dat je met het project vooruit kunt. PFAS is een heel lastig verhaal, daar ben ik het helemaal mee eens. Zeker toen die eerste waarde bekendgemaakt werd, bleek dat als je in een tuincentrum een zakje potgrond uit China kocht er al meer PFAS in zat dan was toegestaan. Het zit eigenlijk overal in. In het gebied van de GOL zit een vrij hoge concentratie. Dat is inmiddels wel duidelijk. De heer Van Groos: Ik heb het even opgezocht. In raadsinformatiebrief 74-19 van oktober 2019 wordt er al melding van gemaakt dat er in dat gebied sprake is van PFAS- en PFOSproblematiek. Dat gaat om de voortgang aanbesteding Haven Waalwijk. Dat heeft niet alleen betrekking op de insteekhaven, denk ik, maar ook op de GOL. Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
25
De heer Ottens: Ik snap het grote financiële belang waar het gaat om de vertraging van de GOL. Binnenkort hopen we daar duidelijkheid over te krijgen bij de Raad van State. Hopelijk is dat eind juni. Toch een suggestie van mijn kant, om niet te veel inhoudelijk te discussiëren, maar vooral te kijken naar de belangen die spelen. We gaan op 24 juni een besluit nemen over het initiatiefvoorstel in het REKS. Als we in die week een uitspraak krijgen van de Raad van State en we weten waar we aan toe zijn, zou het dan een idee zijn om dan dat mandaatbesluit inhoudelijk te behandelen? De voorzitter: Ik had net een sterk pleidooi gehouden om mezelf een tweede B-vergadering te gunnen, maar zo bedoelde ik het nu ook weer niet. Nieuwe onderwerpen aan de agenda toevoegen, doet u maar gewoon via een normaal agendavoorstel. Daar gebruikt u de echte B-raad voor. Wat mij betreft is dat iets waarvan we moeten zeggen: jongens, nu hebben we gewoon even een praktisch voorstel van mijn kant. Dat moet je gebruiken, maar niet misbruiken. Wethouder Bakker: Nog even een reactie op de opmerking van de heer Van Groos. Hij refereert aan een raadsinformatiebrief. Ik denk niet dat die ging over de insteekhaven en de GOL. In 2019 ging het over de verontreiniging in het slib, dat is aangetroffen in de havenmonding zelf. Dat was in het begin van de landelijke PFAS-affaire.
Daar is later een oplossing voor gevonden, zodat de grenswaarden daar zodanig waren dat de grond toch afgevoerd mocht worden naar de Slufter voor opslag aldaar, op de Maasvlakte. De voorzitter: Ik wil proberen naar een afronding te gaan. Zijn er nog reacties? Wethouder Odabasi: Ik wilde even reageren op de vraag van de heer Ottens. Ik kan bij dezen toezeggen dat wij geen gebruik zullen maken van de mandatering op het moment dat de uitspraak is dat de plannen vertraagd worden. De voorzitter: Mogen we naar een afronding? Zijn er nog dringende mededelingen? De heer Van Groos: Ik wil reageren op het antwoord van de heer Bakker. Ik zal gelijk mijn tweede termijn eraan toevoegen, als u dat goed vindt. Anders vraag ik daarna nog om een tweede termijn. Dat is ook goed. De voorzitter: U kent uw rechten en ik mijn plichten. Daar zijn we allemaal heel duidelijk in. Reageert u eerst maar op de wethouder. Daarna vraag ik wie gebruik wil maken van de tweede termijn. De heer Van Groos: De heer Bakker heeft gelijk als hij zegt dat de raadsinformatiebrief van oktober 2019 ging over de insteekhaven en niet over de GOL, maar de raadsinformatiebrief ging over de problematiek van PFAS en PFOS. Dat zou de les moeten zijn geweest voor het college om zich te realiseren dat het verstandig is als daarvoor beleid is vastgesteld.
Het college heeft dat niet tijdig aan de raad gevraagd, terwijl er anderhalf jaar tijd voor is geweest. Het gevolg daarvan is dat aan ons om een mandaat wordt gevraagd. Wethouder Odabasi: Het beleid is mijn portefeuille. Ik kan de heer Van Groos daarin gelijk geven. De voorzitter: Wilt u een tweede instantie? Tweede termijn
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
26
De heer Van Groos: Voorzitter. Dank voor de eerlijke reactie van de portefeuillehouder. Wat mij verbaast, is dat de overgrote meerderheid van de raad bij dit voorstel zwijgt, terwijl het hier ook gaat over de gezondheid van onze inwoners. Er werd mij net voor de voeten geworpen dat de ChristenUnie daar geen oog voor zou hebben. Als het gaat om de discussie over windturbines dan gaat het alleen maar over gezondheid, maar als het gaat om zeer zorgwekkende stoffen, lijkt het bij de andere fracties nauwelijks te gaan over de gezondheid van de inwoners van Waalwijk. Ik wilde dat even hebben vastgesteld. De voorzitter: Dank. Ik stel voor dat wij na deze laatste hartenkreet van de heer Van Groos naar het volgende onderwerp gaan. 16. (R5.6-21) Beleidskader inburgering Mevrouw De Bruijn: Voorzitter. In dit nieuwe beleidskader inburgering 2022 dat op 1 januari 2022 ingaat, staat vermeld dat wij willen bereiken dat elke inburgeraar door een vroegtijdig, integraal en doorlopend aanbod optimaal in staat is om volwaardig te integreren en te participeren in Waalwijk. Niemand zal en kan hiertegen zijn. Juist dit is waar het CDA beoogt te staan en beoogt een doel te bereiken. Daar blijven wij ook voor staan. Iedereen moet kunnen meedoen in deze maatschappij met de kwaliteiten waarover men beschikt. De regie en de uitvoering van de wet worden bij de gemeente neergelegd.
Dit geeft de mogelijkheid tot snel overleggen met de uitvoerende organisaties, de kwaliteitseisen en het resultaatgerichter kunnen volgen en zo nodig bij te stellen. Wij staan positief tegenover de genoemde beleidskaders. Wij begrijpen dat er in 2021 al zo veel mogelijk volgens de nieuwe wet en de beschreven beleidskaders wordt gewerkt. We lezen evenwel ook dat de verantwoordelijkheid tot januari 2022 bij de inburgeraar wordt gelegd. Blijkbaar moeten zij nu al zelfredzaam zijn als ze binnenkomen. Ons lijkt het dat dat wel ontwikkeld moet worden, maar dat er in eerste instantie een behoorlijke ondersteuning noodzakelijk is. Men weet dikwijls de weg niet te vinden en haakt vroegtijdig af. Dat is jammer en kost op den duur meer tijd en geld voor participatie en begeleiding naar de arbeidsmarkt of een langdurige uitkering. Wethouder, ik heb drie vragen voor u. Is er een overzicht van burgers die al lang in Nederland en niet voldoen aan de eisen die de wet stelt? Kunnen we een overzicht krijgen van de aantallen voor de kaderstelling in juli? Kunt u al aangeven of met deze werkwijze binnen de nieuwe beleidskeuzes al goede resultaten zijn bereikt, meegerekend dat ook de situatie dit jaar door corona vertraging kan oplopen? Het geeft ons zeker de gelegenheid om een goede beslissing te nemen bij de gemaakte keuzes in het verwachte uitvoeringsplan.
En wethouder, als CDA gaan we nu akkoord met het voorgestelde beleidskader Wet inburgering 2022, maar we hebben zeker nog vragen ten aanzien van de EU-arbeidsmigranten die zich blijvend vestigen in Nederland. Wij zien problemen die bij velen van hen voorkomen en denken hierbij zeker ook aan de ouders en de kinderen die in deze kinderen geboren worden. Beide ouders moeten vaak fulltime werken in ploegendienst. Hierdoor kunnen ze geen inburgeringslessen of Nederlandse taalles volgen, ook al zouden ze het nog zo graag willen om te integreren. Thuis wordt vaak de taal gesproken uit het geboorteland en leren hun kinderen pas Nederlands als ze leerplichtig worden. Meestal leren dan ook de moeders het van hun kinderen van vier jaar. Ik zie het bij mij naast gebeuren. Deze problematiek willen wij graag tijdens de kaderstelling inbrengen. Tot zover, voorzitter.
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
27
De heer Lodenstijn: Ik heb een klein vraagje aan mevrouw De Bruijn. Ze had het net over inburgeraars die aan de eisen voldoen. Ze vroeg of daar een lijst van is. Wat bedoelt zij precies met inburgeraars die aan de eisen voldoen? Mevrouw De Bruijn: Er zijn natuurlijk inburgeraars die in het verleden de eisen niet gehaald hebben, doordat ze niet kunnen of omdat ze op een andere manier de lessen niet hebben kunnen volgen. Dat hebben wij nooit gevolgd. Ik zou willen weten hoeveel mensen dat zijn, want die zouden we nog kunnen opnemen en meenemen in de nieuwe wet. De heer Lodenstijn: Volgens mij staat dat in het evaluatierapport, mevrouw De Bruijn. De voorzitter: Oké, dat checkt mevrouw De Bruijn eventjes. Ik ga naar de volgende bijdrage en die is van mevrouw IJpelaar. Mevrouw IJpelaar: Voorzitter, dank u wel. Ik begin met een bericht uit mijn inbox: “Mevrouw IJpelaar, hier iemand die deze meesten van zeer dichtbij kent en ziet. Ze willen heel graag de Nederlandse taal leren en werken. Wat zou de wereld toch een stuk mooier zijn als we eens probeerden de andere te leren kennen van dichtbij. Eng he? Maar zeker de moeite waard”. In het nieuwe beleidskader lezen wij dat u zich volop gaat inzetten voor de vluchtelingen. De regie heeft u nu zelf in handen om deze groep de Nederlandse taal bij te brengen en ze te begeleiden naar werk.
Maar er is meer dan deze twee doelstellingen nodig, want de mens moet ook als mens benaderd worden. Hij of zij heeft persoonlijke warmte van een ander nodig, dus niet alleen maar taal en werk, maar ook maatwerk door samen met de vluchteling te bekijken of hij of zij de trauma’s van de vlucht te boven zijn, capabel genoeg is om naar school te gaan. Men moet kansen bieden om bijvoorbeeld deel te nemen aan het verenigingsleven en de Nederlander in een informele sfeer te leren kennen. In de evaluatie, waar Lijst IJpelaar vorig jaar om vroeg, lezen wij wat er beter kan. Wat conclusie betreft: het valt niet te controleren of de gemaakte beweringen kloppen. Kunt u zich onze terughoudendheid voorstellen, portefeuillehouder? Bij het lezen van het rapport ziet Lijst IJpelaar een enorme bureaucratie voorbijkomen. Iedereen wil een vinger in de pap. We moeten oppassen dat de vluchteling geen verdienmodel wordt voor maatschappelijke instellingen die zich ontpoppen als commerciële bedrijven. Ook lezen wij dat de samenwerking tussen de instellingen nog niet altijd loopt zoals gewenst. Zo zou Vluchtelingenwerk frequenter contact moeten hebben met verschillende betrokken organisaties om concrete activiteiten te ontplooien op het gebied van maatschappelijke participatie. We zijn ondertussen al in de zesde maand van 2021 aanbeland.
Zijn er meters gemaakt in de verbeteringen tussen de organisaties onderling? Daar ben ik benieuwd naar. Beloftes op papier: hoe vaak worden die niet in beleidsstukken en in de uitvoering gemaakt? Samenwerken is ook een telefoontje plegen en kijken waarin je elkaar kunt versterken. Een beetje omdenken van alle partijen kan de samenwerking versterken. Of zie ik dat verkeerd, mevrouw de wethouder? Verder hebben wij aangekaart dat er te veel instanties zich met de vluchtelingen bezighouden. Ik zal een voorbeeld geven. Op pagina 8 staan zeven instanties genoemd die zich met de AMV-jongeren bezighouden. Mijn vraag: is er een coördinator die al deze contacten met de jongeren regelt en die het dossier bijhoudt? Moeten jongeren steeds langs al die instanties of komen ze bij hen op een centraal punt, bijvoorbeeld de ISK, waar zij onderwijs volgen? Lijst IJpelaar heeft gevraagd om zo’n centraal punt, waar alles gecoördineerd wordt en er één persoon is die alles bijhoudt. Heeft u er inmiddels over nagedacht? Zo
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
28
niet, kunt u dan toezeggen wanneer u daar een besluit over gaat nemen? U heeft nu toch zelf de regie in handen? Tot slot. Waarom moeten zowel landelijk als lokaal alle overgenomen taken uitbesteed worden aan commerciële bedrijven? Omdat het daar fout liep, is de boel overgeheveld naar de gemeenten. Nu doen wij hetzelfde. Raar toch? Tot zover, voorzitter. Mevrouw Schuijffel: Voorzitter. Vandaag werd er door Oxfam-Novib de noodklok geluid: Europa beschermt vluchtelingen die 18 worden onvoldoende. Ik weet dat er in het beleidskader inburgering ook wordt gesproken over de groep jongeren, onder de 18 jaar. Mevrouw IJpelaar hield er al een pleidooi voor. Ik heb gezien dat er in het beleidskader nadrukkelijk wordt gezegd dat er nog wel wat slagen te maken zijn. Ik kan me voorstellen dat er na dit bericht van vandaag nog eens ernstig naar gekeken wordt. Ik kan me heel erg vinden in de suggestie die mevrouw IJpelaar doet om de regie wat meer centraal te maken. Dat wilde ik even meenemen naar aanleiding van de actualiteit van vandaag. Dan ga ik even door naar mijn betoog. Wij kunnen ons in grote lijnen wel vinden in het voorliggende beleidskader inburgering. Met de invulling van de onderdelen van de nieuwe wetgeving lijken goede stappen te worden gezet naar goede opvang en hulp bij het zich thuis voelen van vluchtelingen in hun nieuwe land en hun nieuwe cultuur.
Ze worden geholpen om hun weg te vinden naar een baan of opleiding. Een nieuwe start dus. Inderdaad is aandacht voor trauma’s ook heel erg belangrijk in dat traject. Wat ons wel opvalt, is dat Vluchtelingenwerk in Waalwijk in de beleidskaders slechts één keer wordt genoemd, in tegenstelling tot Baanbrekers die vijf keer meer aandacht krijgt. Wij krijgen daarom ietwat het gevoel dat Vluchtelingenwerk slechts een rol in de marge wordt toebedeeld, terwijl deze organisatie belangrijk werk doet in de ondersteuning van de statushouder en zijn gezin. Het gaat niet alleen over werk, maar ook over de vraag hoe je het met je gezin in deze samenleving weer goed gaat doen. Het is wel goed dat we in de beantwoording van de vragen terugzien dat het college een duidelijke rol voor Vluchtelingenwerk ziet in de uitvoering van het nieuwe beleid. Het college geeft aan twee rollen voor Vluchtelingenwerk te zien, namelijk de maatschappelijke begeleiding, het deel dat Vluchtelingenwerk nu ook uitvoert voor onze vluchtelingen, en een rol bij de brede intake en oriëntatie. Omdat wij dit niet terugzien in het beleidskader horen wij graag van de portefeuillehouder een ietwat specifiekere toelichting hierop. Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Misschien verheldert het nog wat als u daarbij de rol van Baanbrekers, van Vluchtelingenwerk en van andere partners wat toelicht, ook ten opzichte van elkaar.
Tot zover, voorzitter. Mevrouw De Jongste: Voorzitter. Ik sluit mij graag aan bij alle voorgaande sprekers, zodat ik het vrij kort kan houden. Ik vind het erg jammer dat het beleidskader duidelijk gericht is op de statushouders binnen onze gemeente. Jammer, maar het zij zo. Geld is hierbij leidend. Juist in deze tijd, waarin we alle werknemers nodig hebben, gezien de logistieke hot spot die we pretenderen te zijn. Maar ook in alle andere sectoren hebben we een tekort aan medewerkers, denk maar aan de zorg, de horeca en de dienstverlening. Graag hadden wij de hand uitgestoken om iedereen de kans te geven om mee te doen. We zullen daar later bij de behandeling van de kadernota aandacht aan besteden. Tot zover. Mevrouw Pouw: Voorzitter. De regie voor inburgering ligt bij de gemeente. Wat gaan wij ermee doen? We lezen dat de gemeente Waalwijk samen met de Langstraatgemeenten en Baanbrekers de afgelopen jaren vorm en inhoud heeft gegeven aan de inburgering. Graag willen wij nog een aantal zaken onder de aandacht brengen.
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
29
De vrouwelijke inburgeraars. Er is alle reden om aandacht te besteden aan vrouwelijke inburgeraars. Vergeleken met mannen participeren zij minder op de arbeidsmarkt. Wij lezen in het verslag van het Joncker-Verwey- instituut dat veel vrouwelijke inburgeraars zich nog onvoldoende bewust zijn en onvoldoende kennis hebben van de mogelijkheden om ook buiten het gezin een rol te vervullen en te participeren op de arbeidsmarkt. Praktische belemmeringen en de neiging om gezinsleden voorop te stellen, weerhouden vrouwelijke inburgeraars ervan om te investeren in hun eigen toekomst. Vrouwelijke statushouders en gezinsmigranten zonder baan zijn in meerdere opzichten afhankelijk van hun partner: niet alleen in financieel opzicht, maar ook omdat de partner om allerlei redenen beter de weg weet in de Nederlandse samenleving. Deze sterke afhankelijkheid van een partner belemmert niet alleen de integratie van vrouwen, maar brengt ook veiligheidsrisico’s met zich mee. Vrouwen lopen een groter risico om slachtoffer te worden van huiselijk geweld, eer gerelateerd geweld, achterlating, misbruik en uitbuiting. De eerste vijf jaar in Nederland zijn vrouwelijke nareizigers en gezinsmigranten bovendien afhankelijk van hun partner voor een verblijfsvergunning.
Al met al is het van groot belang dat ook deze vrouwen de mogelijkheid hebben om financieel onafhankelijk te zijn en hun kwaliteit op de arbeidsmarkt te kunnen waarmaken. Het ontzorgen blijkt voor vrouwelijke inburgeraars van zeer groot belang te zijn. Het regelen van oppas voor de kinderen is daar een voorbeeld van. We zien in de kadernota gelukkig ook een vermelding van gezondheid. Uit het rapport van Pharos en KIS blijkt dat met name psychische en psychosociale klachten een negatief effect hebben op inburgering. Psychische klachten brengen minder concentratie en een slechter geheugen met zich mee. Dit heeft invloed op de mate van leerbaarheid en taalverwerving. Het vroeg signaleren van deze klacht is erg belangrijk. Gezondheidsklachten openbaren zich namelijk niet altijd meteen. Pas wanneer iemand tot rust is gekomen in Nederland, steken deze klachten vaak de kop op. Veel mensen durven deze klachten niet zelf aan te kaarten en weten de weg naar passende zorg niet. Zo blijven gezondheidsklachten vaak verborgen. Tot slot onze motie. We lezen in het rapport van het aanjaagteam onder leiding van Emile Roemer dat arbeidsmigranten zich vaak een tweederangsburger voelen, want faciliteiten die opgetuigd worden voor asielmigranten zijn vaak niet toegankelijk voor de arbeidsmigranten, terwijl zij een bijdrage leveren aan de economie.
Al vaker is er vanuit meerdere organisaties of groepen aandacht gevraagd voor het verbeteren van de inburgering van arbeidsmigranten. Lijst Pouw wil daarom een motie indienen over het betrekken van alle migranten, als het gaat om integratie en inburgering. We willen ons dus niet beperken tot de asielmigranten. Wij hebben op voorhand contact gehad met de wethouder. Zodoende vernamen wij dat zij onze motie wil ontraden. Niet vanwege de inhoud, maar vanwege het budget dat bij het kader voor inburgering alleen genoeg is voor de verwachte asielmigranten. Wij zullen ons beraden en komen er later op terug. De heer Van Groos: Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie ziet dit voorstel als een gemiste kans. Het enige wat is gedaan, is het lokaal invullen van de nieuwe Wet inburgering 2022. Wij vinden dat hierbij sprake is van een gebrek aan ambities die het college op andere punten, zoals het Centrum en slimme mobiliteit, wel laat zien. Terecht stelt het college dat dit document heel iets anders is dan het regionale, want daarin staat dat elke inburgeraar door een vroegtijdig, integraal en doorlopend aanbod optimaal in staat moet zijn om volwaardig te integreren en te participeren. In onze ogen geldt dit dus ook voor de AMA’s, de arbeidsmigrant en de liefdesmigrant. Het college heeft het vertrekpunt genomen in de nieuwe wet, die in onze ogen op een aantal punten tekortschiet.
Als wij aan nieuwkomers vragen wat er minimaal nodig is om mee te doen en zich thuis te voelen, antwoorden zij steevast: een baan en contact met Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
30
Nederlanders. Precies wil of kan de nieuwe wet, net als de oude, niet bieden. Het contact met Nederlanders biedt de wet slechts via professionals. Dat is natuurlijk geen gelijkwaardige situatie, terwijl normaal sociaal contact cruciaal is voor meedoen. Een sociaal isolement ligt aan de basis van veel problemen. Integratie is een dynamisch en wederkerig proces waarvoor de ontvangende samenleving en overheid ook verantwoordelijk zijn. Natuurlijk zijn de vaardigheden die men leert bij de inburgering belangrijk, maar integratie vraagt om het voelen van een thuis. Wij moeten bij nieuwkomers te rade gaan om te weten wat daarvoor nodig is. De nieuwe wet introduceert drie verschillende inburgeringsroutes die in de praktijk nog niet bestaan. Experimenteren, reflecteren, leren een aanpassen, zijn de komende jaren van groot belang, maar het college lijkt te kiezen voor een klassiek aanbestedingsproces, waarin het als opdrachtgever een prestatiecontract afsluit met een opdrachtnemer, vermoedelijk Baanbrekers. Daar wordt ook nog de regierol belegd, die bij de gemeente hoort. Baanbrekers zal verantwoording moeten afleggen, het liefst over kwantitatieve resultaten. Samenwerking gericht op ontwikkeling, hoe voor de hand liggend dan ook, is uitgesloten.
Wanneer gemeenten de wet niet zullen invoeren als een lerend stelsel, zullen ze over een aantal jaren vooral bezig zijn met het controleren en mogelijk sanctioneren van individuele opdrachtnemers. Daarmee gaan ze voorbij aan de eigenlijke opgave: het faciliteren dat de nieuwe inwoners zo goed mogelijk kunnen meedoen. De ChristenUnie vreest dat de focus te veel op handhaving komt te liggen, want de inburgeringswet heeft maar liefst negen momenten in het inburgeringsproces om sancties op te leggen aan de inburgeraar. Nieuwkomers moeten zich vanaf 2022 open en meewerkend, daarmee dus kwetsbaar, opstellen tegenover professionals, die nog altijd de mogelijkheid hebben om te straffen. Het is precies deze disbalans in macht waarom er nu zo veel beerputten opengaan over de relatie tussen de overheid en de burger, die op wantrouwen lijken te zijn gebaseerd. Het is ook maar zeer de vraag of de lokale overheden in de huidige context van het sociaal domein en met de huidige wet überhaupt wel aan zet zijn om mensen zich daadwerkelijk vanuit vertrouwen thuis te laten voelen. In Nederland, en straks dus ook in Waalwijk, is het vertrekpunt allesbehalve de nieuwkomer zelf: wel in woord, maar niet in daad.
Een klankbordgroep van nieuwkomers die het ministerie adviseert, is iets anders dan vertrekken vanuit de overtuiging dat ervaring en expertise van degene voor wie je iets ontwerpt, leidend moeten zijn voor het beleidsontwerp. Denkend aan de discussie over de menselijke maat zouden hier allerlei alarmbellen hebben moeten gaan rinkelen. Als gemeenten zich alleen met hun systeemwerkelijkheid bezighouden, zien we in het sociale domein het zoveelste voorbeeld waarin de burger zich moet aanpassen aan de wereld en de taal van ambtenaren. Die systeemwerkelijkheid leidt tot opmerkingen als: samenredzaamheid begint echter bij zelfredzaamheid. Bij de komst in Nederland hebben statushouders een aantal belangrijke stappen te zetten om samenredzaamheid te kunnen realiseren. Eén voorbeeld is het beheersen van de Nederlandse taal. Dit is van essentieel belang om te integreren in Waalwijk en contacten te leggen met de inwoners in Waalwijk. Door in te zetten op zelfredzaamheid streven we naar een vorm van maatschappelijke participatie waarin zowel inwoners als nieuwe inwoners met en voor elkaar participeren. Dit draagt bij aan de samenredzaamheid. Tot zover het citaat uit het antwoord dat we op een vraag hebben gekregen. Voorzitter, het is juist andersom. De taal leer je door het contact met mede-inwoners.
Als we de ambitie koesteren dat nieuwkomers naar potentie meedoen en zich thuis voelen, hebben we meer nodig dan alleen een beleidsstrategie op inburgering. Een visie op integratie is noodzakelijk, want integratie vertrekt vanuit het gegeven dat mensen alleen aan een toekomst in een nieuw land kunnen bouwen, wanneer zowel zijzelf als de ontvangende samenleving daarvoor ontvankelijk zijn. Tot zover onze eerste termijn.
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
31
Beantwoording college Wethouder Odabasi: Voorzitter. Er zijn heel veel vragen gesteld. Ik ga proberen ze zo veel mogelijk te beantwoorden. De voorzitter: U heeft maximaal tien minuten. Wethouder Odabasi: Ik weet het. Mocht ik niet alles kunnen beantwoorden, dan hoor ik dat graag. Misschien eerst even algemeen. Het is altijd heel erg lastig om in een beleidskader emotie te leggen. Je hebt bepaalde uitgangspunten, je hebt budgetten, je hebt feiten die je erin moet vastleggen. Ik weet niet of het toevallig is, maar vanochtend hebben wij een bijeenkomst gehad in het kader van Wereldvluchtelingendag, die volgende week is. In dat kader hebben wij vanochtend een bijeenkomst gehad, waarbij we met een aantal dames met Contour/deTwern en Vluchtelingenwerk een aantal autochtone dames in SprangCapelle op een terrasje bij elkaar zijn gekomen om die ontmoeting met elkaar te organiseren. Die dames gaan ook met elkaar wandelen en met elkaar in gesprek. Dat heeft verschillende redenen: dat ze elkaar beter leren kennen, dat de statushouders de taal beter leren spreken en dat ze van elkaar leren en van elkaars culturen proeven. Daardoor kan integratie tot stand komen. De heer Van Groos heeft gelijk: dat is een wederkerig proces. Als het van één kant komt en als het verplicht wordt, gaat het niet lukken.
Ik denk echter dat u allen weet dat het heel moeilijk is om dat wederkerig proces vanuit het gemeentehuis te organiseren. Dat vraagt meer van ons allemaal. Het vraagt iets van onze inwoners, van de raad, van het college. Het vraagt eigenlijk van ons allemaal wat. Wat mij betreft moet u het beleidskader vooral zien als een feitelijk kader waar we op zijn minst aan moeten voldoen. In dat kader hebben wij afgeweken van wat men op landelijk niveau heeft aangegeven. Daar is de focus vooral gelegd op arbeid, maar wij hebben gezegd: op basis van onze ervaring zien wij dat vooral die Z-route in onze gemeente veel meer gaat spelen. Die Z-route wil zeggen dat we een hele groep statushouders hebben die meer nodig hebben dan een arbeids- of taalaanbod. Zij hebben ook zorg en aandacht nodig en tijd om te acclimatiseren. Er zitten namelijk behoorlijk wat trauma’s aan gekoppeld. Daar heeft mevrouw IJpelaar een punt. Wat we proberen te doen – daar zijn allerlei gesprekken over – is die mensen al in het AZC opvangen. De brede intake vindt dus al plaats op het AZC, voordat ze naar Waalwijk komen. Wij hebben de budgetten en wij zijn regievoerder, maar het is niet zo dat de ambtenaren de statushouders gaan begeleiden. Daarvoor hebben wij drie soorten instanties voor ons samenwerkingsnetwerk. De eerste is Baanbrekers, die de vaste regievoerder is.
Baanbrekers gaat zich richten op de uitkering, inkomen, zeg maar de basisvoorzieningen. Voor het taalaanbod zal op basis van de positie van de migrant zelf bepaald worden welk aanbod passend is. Als we kijken naar de groep waar mevrouw Pouw het over had, de dames, dan zie je bij bepaalde groepen dat er veel analfabeten bij zijn. Je ziet dat de leerbaarheid bij sommige groepen een stuk lager is en dat zij iets anders nodig hebben dan de taalroute via een mbo of wat dan ook. Daar moet maatwerk op toegepast worden. Die ruimte is er ook. Maar die ruimte creëren we op het moment dat we het taalaanbod gaan aanbesteden. Daarin willen we verschillende varianten kunnen aanbieden. We willen dus maatwerk toepassen, waarbij er voor elke individuele inburgeraar een passend taalaanbod beschikbaar is. Een andere partner is Vluchtelingenwerk. Vanochtend was Vluchtelingenwerk er ook bij. Daar hebben we goede gesprekken mee. In het verleden is door de raad besloten om Vluchtelingenwerk onderaannemer te laten zijn bij Baanbrekers. We zijn aan het kijken of dat nog de methodiek is om met elkaar samen te werken. We kijken ook heel kritisch naar de toegevoegde waarde van Vluchtelingenwerk: waar zijn zij goed in? De partners moeten de dingen gaan doen waar ze goed in zijn. Vluchtelingenwerk is goed in de
Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
32
maatschappelijke begeleiding. Dat willen ze graag doen en dat blijven ze ook doen. Daar gaan we ze voor inzetten. Het taalaanbod door professionals, Baanbrekers als het gaat om het inkomen. Wij zijn all over regievoerder. Daarnaast is er nog Contour/DeTwern voor de taalmaatjes, gesprekspartners en de contacten in de buurt. Daar is Contour/DeTwern voor. Daarnaast zijn er ook nog hele leuke inwonersinitiatieven. Die mensen doen ook hun best om de statushouders een warm welkom te heten en ze te accepteren. Er vinden burengesprekken plaats. Op zich denk ik dat we ook op sociaal gebied redelijk wat doen. Natuurlijk kan het altijd beter, maar voor nu wil ik alleen maar aangeven dat er veel meer is dan alleen het beleidskader. Er komt straks een uitvoeringsprogramma waarin we straks het hele proces gieten, zodra dat is ingevuld, Mevrouw IJpelaar en de heer Lodenstijn hebben een gesprek gehad over hoe we de trajecten inzichtelijk gaan maken voor onze inwoners, zodat het op een infographic of een A4’tje komt en iedereen weet bij wie men moet zijn. Het moet duidelijk zijn waar men met welke vragen moet zijn. Ook daar wordt aan gedacht. Ook daarin zetten we nu stappen. Achter de schermen wordt heel hard gewerkt om onze nieuwe Waalwijkers zo goed mogelijk op te vangen. Voor de jongeren, 18-minners, ligt de regie bij Nidos.
Dat is de organisatie die daarvoor verantwoordelijk is tot ze 18 jaar zijn. Daarna worden ze overgedragen aan de gemeente. Wij hebben met Nidos goede contacten. De zorg van Nidos wordt verleend door Sterk Huis. Daar hebben we ook recent gesprekken mee gevoerd, om te kijken wat de jongeren nodig hebben, omdat we die groep liever nog eerder hier willen hebben, om te voorkomen dat de periode dat ze die zorg krijgen te kort is, ook gezien de trauma’s waar zij mee te maken hebben. Maatwerk is er dus volop. Dat komt ook terug in de persoonlijke inburgeringsplannen die in het beleid beschreven staan. De vraag over commerciële bedrijven begrijp ik niet goed. Volgens mij hebben wij de regie inburgering zelf. Verder hebben we Baanbrekers. Taalaanbod moet wel commercieel, maar daar zit ook Koning Willem I bij. Dat zijn zeg maar de reguliere onderwijsinstellingen. Maatschappelijke begeleiding zit bij Vluchtelingenwerk, dus ik weet niet wat u precies bedoelt met andere commerciële bedrijven. Mevrouw De Jongste merkte op dat zij wat mist als het gaat om het iedereen kunnen laten meedoen. Dat begrijp ik ook niet goed, want volgens mij is het hele beleid erop ingericht dat we zo goed mogelijk proberen om onze inburgeraars te helpen. Mevrouw Pouw stelde een vraag over de dames. Er speelt een aantal aspecten mee. Je hebt te maken met culturele aspecten, waarbij de dames zelf soms niet willen.
Ik wil geen nationaliteiten noemen, omdat ik niet wil generaliseren. Dat is altijd heel erg lastig in dit soort gesprekken. We kijken eigenlijk naar het niveau van een persoon, de wensen van de persoon en het toekomstperspectief. Zo wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn en wat er nodig is. Op basis daarvan worden persoonlijke inburgeringsplannen gemaakt. Ook wordt er gekeken wat er voor die persoon nodig is om zo goed, zo gezond en zo gelukkig mogelijk te leven binnen onze gemeente. De voorzitter: Wilt u afronden? Wethouder Odabasi: Ik wil nog even terugkomen op de arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten hebben we in dit plan niet meegenomen, omdat het gaat om de verplichte Wet inburgering. Die is gericht op statushouders. We moeten op drie onderdelen een aanbod doen voor de andere migranten, maar in principe is dit beleid gericht op statushouders. We zijn echter ook bezig met het herzien van het beleidskader arbeidsmigranten, waarin we veel Notulen raadsvergadering 10 en vervolg op 15 juni 2021
33
meer aandacht gaan besteden aan inburgering en de zaken die we op dat gebied doen. Daar kom ik op een later moment op terug. Mevrouw De Bruijn: Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vragen. Alleen op het onderdeel Wet inburgering en op de arbeidsmigranten heb ik antwoord gekregen en daar kom ik nog op terug bij de kaderstelling. Mevrouw IJpelaar: Allereerst dank ik de wethouder voor haar uitgebreide antwoord. Ze heeft heel veel gezegd. Antwoorden zaten er ook in verwerkt. U vroeg aan mij welke commerciële instellingen ik bedoelde. Die heeft u genoemd: Contour/DeTwern en Baanbrekers. Wat mij opviel, is dat u helemaal niet over het onderwijstraject heeft gesproken. Kunt u daar nog iets over zeggen? De heer Van Groos: In eerste termijn heb ik niet zo veel vragen gesteld. Ik had de tijd vooral nodig om uit te leggen wat er in onze ogen niet goed is aan de wet en aan de vertaling van de gemeente Waalwijk van die wet. De wethouder is daar niet echt op ingegaan. Het enige wat ik daarover hoorde, was in het begin, namelijk dat je in een beleidskader moeilijk emotie kunt vastleggen. Kennelijk kun je er ook geen ambitie in vastleggen. Dat is onze grootste kritiek op dit beleidskader. Er zit geen enkele ambitie in. We doen alleen maar wat het Rijk vraagt en we besteden het uit. Daarmee is het afgedaan. Als ik het zo onsympathiek samenvat, is het voor mijn gevoel niet veel meer dan dat.
Deze mensen vragen juist om een heel andere en veel ambitieuzere behandeling. Mevrouw Schuijffel: Ik had één aanvullende vraag. Het ging over die AMA’s. De wethouder zei iets over 17+’ers. Dat is een lastige groep, omdat ze maar voor een korte periode ondersteuning krijgen. Dat triggerde me, want wat er in het nieuws kwam van OxfamNovib ging er juist over dat jonge statushouders als ze 18 worden, worden losgelaten. Feitelijk zouden ze dan geen recht meer hebben op alle ondersteuning die ze tot dan toe hebben gekregen. Ik wilde een verduidelijkende vraag stellen: hoe zit dat in Waalwijk? Er zijn dus gesprekken gaande, maar als je als 15-jarige of als 17-jarige in Waalwijk komt, wat gebeurt er dan op het moment dat je 18 wordt? Wethouder Odabasi: Op mevrouw De Bruijn wil ik reageren dat ik niet precies weet welke informatie ze mist, maar dat in het evaluatierapport inburgering staat welke statushouders het traject hebben behaald. De cijfers staan erin. Wellicht is het handig dat u daar even naar kijkt. Als u er vragen over heeft, hoor ik ze graag. Dat kan schriftelijk, maar ook in een gesprek. Dan kan ik de vragen beantwoorden als u nog informatie mist. Op het onderwijstraject ben ik volgens mij ingegaan. Het onderwijstraject wordt bepaald aan de hand van het niveau en de ambitie van de inburgeraar.