Bijlage 5e Sint Clemenskerk Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Aanbevelingen Ten aanzien van omliggende Natura 2000-gebieden wordt aanbevolen aan de hand van een stikstofdepositie onderzoek vast te stellen of de ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000 gebieden: Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Langstraat. Wanneer de herontwikkeling gepaard gaat met enkele voorzieningen ten gunste van beschermde soorten is er geen sprake van een netto verlies aan geschikt leefgebied, voortplantingsplaatsen of rustplaats voor beschermde soorten. Geadviseerd wordt om de volgende adviezen uit te werken in een ecologisch protocol: Huismus Ten behoeve van de huismus wordt geadviseerd om bij de inrichting van de groene delen in de nieuwe situatie aandacht te geven aan de habitatseisen van de huismus: - Ontwikkeling van een dichte haag, deze haag mag gesitueerd worden tegen een gevel; - De haag dient te bestaan uit (een combinatie van) inheemse soorten zoals beuk of meidoorn. - Plantsoenen worden bij voorkeur ingericht met inheemse soorten, waaronder rozen soorten, die door de aantrekkingskracht op bladluizen van belang kunnen zijn voor huismussen; - Plantsoenen worden bij voorkeur ingericht met een combinatie van lage struwelen en hogere bomen. Slechtvalk De slechtvalk maakt naar verwachting op dit moment geen gebruik van de kerktoren als nestlocatie. Deze mogelijkheid is er echter wel.
De hoogte is zeer gunstig, ook de ligging van de kerk ten opzichte van de polder, foerageergebieden, is gunstig. Geadviseerd wordt om: - Een nestkast aan te brengen achter één van de onderste 4 koekoek ramen van de kerktoren, de nestkast wordt dus geplaatst in de spits; - De toegang kan worden verwezenlijkt door het glas van het raam te verwijderen, het karakter van de toren, en monumentale uitstraling, hoeven hierbij niet te worden veranderd. Gierzwaluw De gierzwaluw maakt naar verwachting op dit moment geen gebruik van het kerkgebouw als nestlocatie. Deze mogelijk is er echter wel, wanneer deze de juist nestlocaties aangeboden krijgt. De nestkasten voor gierzwaluw zijn relatief klein en kunnen mogelijk geïntegreerd worden in de huidige constructie. Vleermuizen Het kerkgebouw is van midden reeds geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen de zolder en spits waarschijnlijk echter nauwelijks tot niet bereiken door de afwezigheid van geschikte in- en uitvliegmogelijkheden. Door op de onderzoekslocatie de functie van voortplantingsplaats en rustplaats te creëren in het kerkgebouw, kan op voorhand worden gesteld dat wanneer de sloop van het bijgebouw en de renovatie van de pastorie leiden tot een verlies aan voortplantings-
Rapport 12415.001 versie D1
Pagina 22 van 23
plaats en rustplaats: de onderzoekslocatie als geheel zijn functie als voortplantingsplaats en rustplaats voor vleermuizen niet verliest. Hiervoor zijn een aantal richtlijnen van belang: - Een gleuf van maximaal 2,5 centimeter dient aangebracht te worden in bij voorkeur één koekoek raam van de spits; - In het koekoek raam kan ook gekozen worden voor een zogenaamde sluis of een relatief grote open doorgang die wel te smal is voor duiven; - Meerdere gleuven/openingen kunnen resulteren in tocht, tocht is niet gewenst; - Het koekoek raam dat toegang dient te verschaffen aan vleermuizen mag van buitenaf niet belicht zijn; - Een gleuf van maximaal 2,5 centimeter dient aangebracht te worden in bij voorkeur één koekoek raam van de zolder; - In het koekoek raam kan ook gekozen worden voor een zogenaamde sluis of een relatief grote open doorgang die wel te smal is voor duiven; - Voor ieder koekraam dat niet recht tegenover elkaar staat zijn openingen voor vleermuizen gewenst, door de onderlinge afstand en hoeken speelt tocht hier een minder grote rol; - Het koekoek raam dat toegang dient te verschaffen aan vleermuizen mag van buitenaf niet belicht zijn; - Op de zolder zullen enkel machines worden geplaatst.
Om de vleermuizen een eigen ruimte te geven kan ervoor worden gekozen om aan de zuidzijde enkele delen met een wand af te schermen; - De binnenzijde van de zolder en spits zijn in hun huidige vorm geschikt voor vleermuizen. Aanvullend kan mogelijk tussen de balken een houten plaat (van boven tegen de wand bevestigd, van onder open) worden aangebracht waarachter vleermuizen kunnen verstoppen; - In het ecologisch werkprotocol dienen gedragsregels opgenomen te worden wanneer de vleermuisruimtes worden betreden voor bijvoorbeeld onderhoud; - In het ecologisch werkprotocol dienen maatregelen opgenomen te worden zodat voorkomen kan worden dat eventueel aanwezige vleermuizen in het bijgebouw en pastorie niet worden opgesloten of gedood.
Econsultancy Rotterdam, 14 april 2020
Rapport 12415.001 versie D1
Pagina 23 van 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Waalwijk, periode 2015-2020. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Rapport 12415.001 versie D1
Bijlage 1 fotomateriaal veldbezoek 25 maart 2020
Figuur 13. Middenschip SintClemenskerk met zicht op het orgel.
Figuur 14. Middenschip SintClemenskerk met zicht vanaf het orgel.
Figuur 15. Constructie toren, deel met klokken.
Figuur 16. Constructie toren, zicht op eerste platform met koekoek ramen, vanuit ruimte met klokmechanisme.
Figuur 17. Eerste platform met koekoek ramen, sporen aanwezig van stadsduif en kauw.
Figuur 18. Constructie toren, zicht op tweede platfrom met koekoek ramen.
Figuur 19. Constructie spits van de toren.
Figuur 20. Constructie dak, boven gewelven.
Figuur 21. Constructie dak, leistenen liggen direct op het houten dak dat hier zichtbaar is.
Figuur 22. Detailopname constructie dak.
Figuur 23. Ruimte achter het orgel.
Figuur 24. Koekoek ramen toren SintClemenskerk.
Rapport 12415.001 versie D1
Figuur 25. Losse pannen pastorie.
Figuur 26. Kozijn pastorie.
Figuur 27. Detailopname dakrand pastorie met open stootvoegen.
Figuur 28.
Figuur 29. Tuin Sint-Clemenskerk.
Figuur 30. Uitwerpselen dwergvleermuis in de spits van de toren.
Figuur 31. Platform bezaaid met dode vliegen, duivenuitwerpselen, vleermuisuitserpselen en takken aangedragen door kauw of stadsduif.
Figuur 32. Uitwerpselen dwergvleermuis boven het gewelf.
Figuur 33. Eksternest in Amerikaanse eik.
Rapport 12415.001 versie D1
Bijlage 2 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1. 2.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 12415.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 12415.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine arie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst,
roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige p op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 12415.001 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 12415.001 versie D1
Bijlage 3
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
Rapport 12415.001 versie D1
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 12415.001 versie D1
512/566
Bijlage 20 Nota inspraak en vooroverleg
513/566
Vervolg procedure Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens op grond van de Wet ruimtelijke ordening zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kunnen inwoners, organisaties en instellingen kennisnemen van wat er precies gaat gebeuren met een bepaald gebied. Tevens kan men kennisnemen van de wijze waarop de meningen van de inspraak zijn verwerkt. Het moment van de terinzagelegging wordt bekendgemaakt op de gemeentepagina in Weekblad Waalwijk, in het elektronisch gemeenteblad, de Staatscourant en via www.waalwijk.nl. Het bestemmingsplan inclusief alle bijlagen en achterliggende stukken is digitaal in te zien via www.waalwijk.nl/ruimtelijkeplannen en www.ruimtelijkeplannen.nl. Een analoge versie ligt tevens ter inzage bij de receptie van het gemeentehuis.
De voorliggende nota van inspraak en vooroverleg wordt na vaststelling door het college toegezonden aan de indieners van de inspraakreacties.
Daarnaast is er een adviesreactie ontvangen van het Waterschap Brabantse Delta. In deze nota zijn de inspraak- en adviesreacties samengevat en naar (hoofd)onderwerp weergegeven en worden deze van gemeentewege beantwoord. Dit betekent niet dat de onderdelen die niet expliciet zijn genoemd, niet bij de beoordeling zijn betrokken. De reactie is in zijn geheel beoordeeld. Indien een inspraak- of adviesreactie aanleiding heeft gegeven tot het aanpassen van het voorontwerp-bestemmingsplan is dit in de conclusies expliciet aangegeven.
Binnen de termijn van terinzagelegging zijn er door 31 personen veelal gelijkluidende inspraakreacties ingediend bij het college.
1
Het voorontwerp-bestemmingsplan Waalwijk, Sint Clemenskerk heeft in het kader van de inspraak met ingang van 25 juni 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld een reactie op het voorontwerp bestemmingsplan in te dienen. Op 4 juli 2020 is door initiatiefnemer een inloopbijeenkomst georganiseerd.
DEEL 1: INLEIDING Op 16 juni 2020 heeft het college van Waalwijk besloten in te stemmen met het voorontwerp-bestemmingsplan Waalwijk, Sint Clemenskerk en hierop inspraak te verlenen conform het bepaalde in artikel 4 van de Algemene inspraak- en participatieverordening. De raad van Waalwijk is gelijktijdig van dat besluit in kennis gebracht.
Nota van inspraak en vooroverleg voorontwerp-bestemmingsplan `Waalwijk, Sint Clemenskerk`
1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 1.9, 1.10, 1.11, 1.12, 1.13, 1.14, 1.15, 1.16, 1.17, 1.18, 1.19, 1.20, 1.21, 1.22, 1.23,
Samenvatting 1. Er is onduidelijkheid over het aantal appartementen dat gerealiseerd gaat worden. Er is een verschil tussen het aantal dat genoemd is op de informatie avond, het aantal dat genoemd is door de ontwikkelaar en het aantal dat genoemd is in het bestemmingsplan.
DEEL 2: SAMENVATTING EN BEANTWOORDING
2
Antwoord 1. Het aantal appartementen (maximaal 14 reguliere appartementen (deze mogen ook geheel of gedeeltelijk omgezet worden tot zorgappartementen) en 68 zorgappartementen) dat genoemd wordt in het bestemmingsplan is leidend. Het initiatief heeft zich in de loop van het proces verder ontwikkeld. Op basis van bouwkundige- en ruimtelijke eisen, marktwerking en reacties op informatieavonden is het plan op onderdelen (waaronder het aantal appartementen) aangepast. Aanpassingen in de loop van de procedure worden niet uitgesloten. Het totaal aantal van 82 appartementen geldt echter als maximum.
Het bestemmingsplan treedt in werking op de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Wordt er gedurende deze termijn beroep ingesteld, dan treedt het plan wel in werking, maar is het pas onherroepelijk nadat er uitspraak is gedaan in het beroep. Wordt er tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, dan treedt het plan pas in werking nadat over dit verzoek is geoordeeld.
Hierbij geldt dat slechts beroep kan worden ingesteld door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, tenzij het niet indienen van een zienswijze de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten of het beroep zich richt tegen onderdelen van het bestemmingsplan die gewijzigd zijn vastgesteld.
Belanghebbenden kunnen binnen 6 weken na de bekendmaking van de vaststelling bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep gaan tegen het vaststellingsbesluit, al dan niet in combinatie met een verzoek om voorlopige voorziening gericht aan de voorzieningenrechter van de Afdeling. Dit wordt aangekondigd op de gemeentepagina in Weekblad Waalwijk, in het elektronisch gemeenteblad, de Staatscourant en via www.waalwijk.nl. Het bestemmingsplan inclusief bijlagen en achterliggende stukken is digitaal in te zien via www.waalwijk.nl en www.ruimtelijkeplannen.nl. De analoge versie ligt tevens ter inzage bij de receptie van het gemeentehuis.
Binnen 12 weken na het einde van de terinzagelegging dient de gemeenteraad een beslissing te nemen over (eventueel gewijzigde) vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan, waarbij hij gemotiveerd ingaat op de zienswijzen.
Iedereen die het niet eens is met het plan of anderszins opmerkingen heeft, kan binnen deze periode een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen bij de gemeenteraad. Als dat niet in deze periode wordt gedaan, kan daar later niet meer op worden teruggekomen.
Basisreactie
1.24, 1.25, 2, 3, 6, 7, 8 en 9.
3. In het plan is verwerkt dat een groot gedeelte van het voorplein openbaar blijft. Daarnaast de 14 openbare parkeerplaatsen blijven aanwezig. Beoogd wordt dat deze elders in de directe nabijheid van het plangebied worden teruggebracht door initiatiefnemer in samenspraak met de gemeente Waalwijk. In de toelichting van het bestemmingsplan is een schetsontwerp opgenomen waarmee een indicatie wordt gegeven van de te realiseren parkeerplaatsen in het openbare gebied, buiten het bereik van dit bestemmingsplan. Het planvoornemen heeft een parkeerbehoefte van 75 parkeerplaatsen. 66 parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Op basis van de schets voor de herinrichting van de Pastoor van der Zijlestraat kunnen nog 33 parkeerplaatsen in het openbare gebied worden gerealiseerd. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernormen en wordt tegemoet gekomen aan de wens van de omgeving om de huidige ervaren parkeerdruk in het gebied te verlagen. 4. Zie antwoord onder 2. Indien het noodzakelijk is om bomen te rooien, zullen deze gecompenseerd of herplant worden elders binnen het plangebied. Op het plein zullen daar waar mogelijk bomen gehandhaafd worden of nieuwe bomen gepland worden.
Het autovrij maken van het plein is in onderhavige situatie niet mogelijk vanwege het aantal parkeerplaatsen dat in de bestaande reeds noodzakelijk is en ook in de nieuwe situatie noodzakelijk zal zijn. 5. De kerk is inderdaad een Rijksmonument. Het planvoornemen voorziet in een functionele en ruimtelijke ontwikkeling waarbij met respect voor de monumentale waarden wordt gebouwd, met RCE als adviserend orgaan.
3. Ten aanzien van het voorplein/parkeerterrein, behorende bij de kerk, merken reageerders op dat dit weliswaar overgaat naar de ontwikkelaar, maar dat het een openbaar parkeerterrein blijft. Dit is door verjaring openbaar geworden en de ontwikkelaar heeft te dulden dat dit een openbaar parkeerterrein blijft
4. In het bestemmingsplan staat aangegeven dat de bomen op het kerkplein niet waardevol zijn. De bomen zullen worden gekapt om aan voldoende parkeerplaatsen te komen. Reageerders hebben moeite met een leeg geveegd plein. In andere gemeenten worden juist initiatieven ontwikkeld om pleinen juist auto vrij te maken.
5. De kerk is een Rijksmonument. Reageerders gaan er van uit dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed betrokken zal worden bij de ontwikkeling. Voorts vragen reageerders zich af wat er gaat gebeurden met de klok van de kerk. Op die
3
2. Zowel initiatiefnemer als gemeente zien het belang van het kerkplein in combinatie met de Clemenskerk. Daar waar het, in verband met de herinrichting van het voorplein, noodzakelijk is om bomen te rooien, zullen de bomen gecompenseerd of herplant worden. Een inrichtingsplan voor het kerkplein wordt opgesteld.
2. Reageerders ondersteunen het idee om de combinatie van de neogotische Clemenskerk met de daarbij behorende kerkplein inclusief de bomen te behouden.
7. De naam van degene met wie de afspraak omtrent het terugbrengen van de 14 openbare parkeerplaatsen is gemaakt, is niet relevant. Initiatiefnemer komt hier tegemoet aan de wensen van meerdere omwonenden.
7. In de toelichting staat geschreven dat met omwonenden is afgesproken dat de 14 openbare parkeerplaatsen ter plaatse van het kerkplein worden terug gebracht elders worden teruggebracht. Reageerders willen graag weten met wie die afspraak is gemaakt. Daarnaast heeft de ontwikkelaar in individuele gesprekken aangegeven dat voor de koopappartementen op de plein 14 aangewezen parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Dit is in strijd met wat de jurist van de gemeente Waalwijk heeft gesteld.
8. Naast de 81 parkeerplaatsen op het leeg geveegde kerkplein worden ook parkeerplaatsen gerealiseerd in de Pastoor Van Zijlenstraat. De bewoners van de appartementen in het souterrain zullen aankijken tegen de banden van de in deze straat geparkeerde autos.
6. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Op basis van die normen en de aantallen en oppervlakten van de nieuwe functies, het bestaande aantal (openbare) parkeerplaatsen en de mogelijkheden voor dubbelgebruik, is de parkeerbehoefte berekend. Zie ook het antwoord onder 1.2.
6. Reageerders zijn van mening dat de parkeerbehoefte en het aantal aanwezige parkeerplaatsen onjuist is berekend. Er is uitgegaan van onjuiste normen.
4
8. Het transformeren van een monumentale kerk brengt vele uitdagingen met zich mee. Uitdagingen op het gebied van parkeren en een zo optimaal mogelijke bouwkundige en ruimtelijke indeling. Daglichttoetreding is daarbij ook relevant. In dit geval heeft het prioriteit om de appartementen in het souterrain van voldoende daglicht te voorzien. Verder draagt de initiatiefnemer het risico voor de indeling van het plangebied/gebouw.
Op het kerkplein zullen het aantal p-plaatsen worden gerealiseerd voor de appartementen, welke volgens de parkeernorm aangelegd moeten worden. Hetgeen in de toelichting is opgenomen is leidend. Niet duidelijk is wat de strijdigheid is met hetgeen de jurist van de gemeente heeft gesteld.
Inmiddels is ook een historisch bouwkundig onderzoek uitgevoerd. Op basis van dat onderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling een positieve invloed heeft op de instandhouding van het Rijksmonument. Het historisch bouwkundig onderzoek is als bijlage aan de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd. De twee genoemde appartementen in de kerktoren komen ter vervallen. Het uurwerk van de kerk zal gehandhaafd blijven. Zo ook de wijzerplaten en de klokken.
verdieping komen 2 zorgappartementen. Hiervoor zal het uurwerk moeten verdwijnen. Daarnaast vragen reageerders zich ook af wat er gaat gebeuren met de werkende wijzerplaten en de klokken gaat gebeuren.
1.11 aanvulling
1.2 aanvulling
Reageerders zijn van mening dat er te dicht op de locatie van de scouting wordt gebouwd. Zij
10. Zie antwoord onder 2 en 4. Eventueel te rooien bomen zullen worden gecompenseerd dan wel worden deze bomen herplant.
10. Het creëren van parkeerplaatsen en het offeren van groen lijkt haaks te staan op de trend juist meer groen in de stad te brengen. Er zullen 8 volwassen beuken en 4 geveerde beuken worden weggehaald. Er is ook een onjuistheid in het plan ten aanzien van de locatie van een waardevolle boom. Deze staat weergegeven op een verkeerd perceel. Deze staat op ingetekend perceel 1769. Dat moet op perceel 2704 zijn. Reageerders juichen de herontwikkeling van de Clemenskerk toe. Echter zij ervaren een enorme druk op de parkeercapaciteit in de directe omgeving. Zij verwachten dat deze druk alleen maar zal toenemen doordat er nog meer wooneenheden bijkomen. Er zal een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen moeten komen. Deze toename mag niet ten koste gaan van het in de buurt aanwezige groen.
5
Uit de inspraakreacties blijkt dat er zorgen zijn over de huidige en toekomstige parkeerdruk. In samenspraak met de gemeente is gezocht naar mogelijkheden om parkeren elders in de directe nabijheid op te lossen. Dit valt echter deels ook buiten het bereik van dit bestemmingsplan. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen conform de parkeernormen van de gemeente Waalwijk. Eventuele aanvullende maatregelen zullen door de gemeente in samenspraak met initiatiefnemer worden opgepakt. Eventueel te rooien bomen die voor herinrichting noodzakelijk zijn, zullen worden gecompenseerd dan wel worden herplant. In de paragraaf Bedrijven en milieuzonering in de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan is abusievelijk niets gezegd over
Voor de betreffende waardevolle boom en 27 andere bomen in of in de directe nabijheid van het plangebied is een zogenoemde Boom Effect Analyse uitgevoerd (hierna: BEA). De resultaten van de BEA zijn opgenomen in de bijlage van de toelichting.
9. De Loeffstraat kent op basis van het BBMA verkeersmodel in 2030 een intensiteit van 1.900 motorvoertuigen per etmaal. Erftoegangswegen, zoals de Loeffstraat, zouden tot maximaal 6.000 mvt/etm moeten kunnen verwerken. Het planvoornemen voorziet in een toename van de verkeersintensiteit met (worstcase) 823 mvt/etm. De intensiteit zou in 2030 dan 2.723 mvt/etm bedragen. Daarmee wordt geconcludeerd dat er nog voldoende restcapaciteit overblijft om de doorstroming en verkeersveiligheid te garanderen. Ook de Pastoor van Zijlenstraat (met een intensiteit van minder dan 500 mvt/etm in 2030) is een erftoegangsweg. Deze weg heeft zelfs nog meer restcapaciteit. Tevens zal de geplande wijziging van afslagen van de snelweg A59 (GOL-project) volgens de gegevens een minder intensief gebruik van de Loeffstraat tot gevolg hebben.
9. Naar de opvatting van de reageerders heeft de Loeffstraat de maximale verkeerscapaciteit reeds bereikt. De voorgenomen plan ontwikkeling zal ertoe leiden dat de verkeersstroom in deze straat verder zal toenemen. Dat kan de Loeffstraat, en ook de Pastoor Van Zijlenstraat (zeker na de herinrichting ivm de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen) niet aan.
2 aanvulling
1.22 aanvulling
6
De wijze waarop aangrenzende percelen worden ontsloten is niet de verantwoordelijkheid van initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom bij initiatiefnemer en er geldt geen recht van overpad. In overleg met reageerders is het bouwplan aangepast en is een ontsluiting van het scoutingterrein via het Clemenspad mogelijk gemaakt. Iedere inrichting/instantie/vereniging is in beginsel verplicht om in hun eigen parkeerbehoefte te voorzien. Het realiseren van voldoende (gehandicapten) parkeerplaatsen voor inrichtingen in de omgeving is niet de verantwoordelijkheid van initiatiefnemer. Zie verder ook het antwoord zoals gegeven in de aanvulling van 1.2. 2.1. Reageerder verwijst naar de regeling onder 3.2.2 onder h. sub 2: indien in de bestaande situatie geen sprake is van een goothoogte: de hoogte zoals is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'
Daarnaast vinden zij het onverantwoord om de kinderen/scouting te laten uitwegen via de dam van v/h Van Beijnen. Door toenemende verkeersdrukte wordt dit een levensgevaarlijke situatie.
Voor wat betreft het te verwachten verslechteren van de parkeersituatie merkt reageerder op dat het voor zijn cliënten, die slecht ter been zijn, wenselijk is dat er parkeerplaatsen in de buurt van zijn praktijk blijven. 2.1. Reageerders hebben in het plan een aantal onjuistheden geconstateerd. In de concept verbeelding staat 8 en 12 meter als maximale goot- en bouwhoogte. In de regels staat dat voor de maximale goothoogte wordt verwezen naar de maximale bouwhoogte van 12 meter. Daardoor is
de scouting en het kinderdagverblijf. De opgenomen tabel zal worden aangevuld. Met de beoogde inrichting wordt (geluids)overlast ter plaatse van de nieuwe (zorg)appartementen echter voorkomen. Bovendien zullen de nieuwe woningen met de achterzijde grenzen aan het terrein van de scouting/kinderdagverblijf. Aan deze achterzijde wordt een gesloten galerij gerealiseerd. Deze galerij zal tevens dienen als geluidsbuffer. De slaapkamers worden in de beoogde situatie ook aan de galerijzijde gesitueerd. In de avond- en nachtperiode is er namelijk geen stemgeluid en dus geen hinder van het kinderdagverblijf of de scouting. Om aan te tonen dat de scouting/kinderdagverblijf niet in haar functioneren wordt belemmerd, is alsnog een akoestisch onderzoek inrichtingslawaai uitgevoerd. Daaruit blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen bedrijven in hun functioneren worden belemmerd. De scouting/kinderdagverblijf heeft wel invloed op de nieuwe woningen. Echter, na toepassing van maatregelen, is ter plaatse van de nieuwe appartementen een akoestisch goed woonen leefklimaat gewaarborgd.
verwachten problemen met de geluidsoverlast zeker als in de nieuwe woningen hoofdzakelijk ouderen komen te wonen.
2.2. De nieuwbouw heeft geen invloed op de stedenbouwkundigruimtelijke structuur in de Loeffstraat. Aan de Loeffstraat blijft de Sint Clemenskerk beeldbepalend. De nieuwbouw is voorzien achter de bestaande bebouwing aan de Loeffstraat 54c. De betreffende nieuwbouw (bouwdeel A) wordt voorzien van 2 bouwlagen met een kap en een maximale bouwhoogte van 12 meter. Daarmee wordt aangesloten bij de bouwmassas in de directe omgeving. De bestaande huurappartementen aan de Pastoor van der Zijlestraat bestaan uit 3 lagen met sporadisch hogere elementen. 2.3. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het inderdaad noodzakelijk om de planologische mogelijkheden te verruimen of aan te passen. Daarvoor wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Het staat reageerders vrij om een verzoek tot vergoeding om planschade in te dienen. 2.4. Ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan is het bouwplan op enkele punten aangepast. Ook naar aanleiding van de reacties op het planvoornemen. Er zijn verbeteringen aangebracht om het uitzicht, de privacy en het woongenot te verbeteren. Tevens zal initiatiefnemer zich houden aan de gestelde regels m.b.t. het burenrecht.
2.2. In de toelichting wordt geschreven over een zorgvuldige inpassing aan de Loeffstraatzijde. Er wordt verwezen naar bestaande hogere bebouwing (3 lagen met sporadisch hogere elementen) daardoor leent de omgeving zich wel voor een hoger bouwvolume. Reageerders vragen zich af op welke gebouw gedoeld wordt.
2.3. In het voorliggende bestemmingsplan worden eerder vastgelegde regels van het huidige plan losgelaten daardoor worden bestaande zekerheden weggehaald. Dat kan er toe leiden dat reageerders mogelijk een planschadeclaim zullen indienen.
2.4. Door de realisering van dit plan zullen reageerders veel woongenot verliezen. Aantasting van hun privacy omdat vanuit de hogere nieuwebouw in hun tuin gekeken kan worden. Ook stellen reageerders dat ze na voltooiing van het plan direct zicht hebben op het bouwwerk. Dat sluit aan direct op de tuin van reageerders. Hun
7
Met deze regeling worden bestaande gebouwen met een bepaalde goothoogte gehandhaafd, conform het geldende bestemmingsplan. Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan de regeling en hoogten zoals aangegeven op de verbeelding. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst of het bouwplan voldoet aan de regeling in het bestemmingsplan maar ook aan de welstandseisen. Hoeveel bouwlagen er uiteindelijk binnen de aangegeven hoogten worden gerealiseerd, is ruimtelijk niet relevant. In verband met de regelingen in het Bouwbesluit wordt het aantal bouwlagen al snel beperkt. De maximale goot-, en bouwhoogte wordt gedefinieerd aan de hand van een maximale bouwhoogte ten opzichte van het peil. Het peil is gedefinieerd als 3,5 meter boven N.A.P.
het mogelijk om maximaal 4 lagen te realiseren. Hoe nu de bouw van 2 lagen met een kap verplicht worden. Overigens is naar mening van reageerder nauwelijks sprake van een kap. In het ontwerp is een hele steile kap weergegeven waardoor twee lagen met een kap nauwelijks zal worden ervaren.
3 aanvulling
2.6. Zie de beantwoording onder 2.3 en 2.4. 2.7. Zie het antwoord bij de basisreactie onder 3, 6 en 9 alsmede het antwoord onder 1.2. 2.8. Zie het antwoord dat is gegeven in de basisreactie onder 2 en 4. 2.9. Initiatiefnemer zal de verbeteringsvoorstellen ter afweging meenemen. Echter is de verkoop van grond niet optioneel voor de initiatiefnemer.
2.6. Het plan zal ook bijdragen tot grotere schaduwwerking op het perceel van reageerder.
2.7. Reageerders verwachten veel verkeers- en parkeeroverlast.
2.8. Zij maken zich ook zorgen over het verdwijnen van veel groen.
2.9. Reageerders stellen een aantal verbeteringen voor. Het plaatsen van de muur van de appartementen op 12 meter afstand achter de tuin. Reageerders zijn bereid de grond te kopen. Eventueel kunnen zij akkoord gaan met niet gestapelde bouw op 12 meter afstand van de tuin. Daarnaast stellen zij dan een wijziging voor in de voormalige pastorie. De woningen naar beneden en de kantoorruimte naar boven. Met gedeeltelijk melkglas waardoor de inkijk in hun tuin verminderd wordt. 3.1. Reageerder vraagt aandacht voor het parkeren in de Loeffstraat. De druk op deze
8
3.1. Zie het antwoord bij de basisreactie onder 3, 6 en 9 alsmede het antwoord onder 1.2.
2.5. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt in respectievelijk de paragrafen 4.5, 4.6 en 4.9.2. ingegaan op de invloed van het planvoornemen ten aanzien van de aspecten geluid, fijnstof (luchtkwaliteit) en stikstof. Voor al deze aspecten wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de normen. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk of zinvol geacht.
2.5. Verder verwachten reageerders dat er een toename zal zijn van geluid, stikstof en fijnstof. Voor wat betreft het geluid vrezen zij dat de hoogbouw een reflecterende werking zal hebben zodat het geluid weerkaatst wordt naar de tuin. De verkeersaantrekkende werking heeft tot gevolg dat er een hogere uitstoot van vervuilende stoffen zal zijn. Reageerders willen dat er een nader onderzoek wordt gedaan naar de effecten op de omgeving.
uitzicht wordt in ernstige mate aangetast. Zij verzoeken dan ook om een aanpassing van het plan.
4 aanvulling
4.3. Verder voorziet reageerder dat er problemen ontstaan voor de scouting. Een door de scouting geleend veld zal worden betrokken bij het project. Daardoor wordt de toegang tot het feitelijke scouting terrein anders. In de toekomst zullen ze over de dam van reageerder komen. Hierdoor ontstaat overlast voor reageerder en haar buren. Ook vreest ze dat de ouders die hun kinderen ophalen met de auto op de dam gaan staan. Daar zijn in het verleden al een problemen mee geweest. Reageerder stelt voor om de toegang tot het scouting terrein te laten lopen via de binnentuin. Mogelijk kan dit leiden tot een mooie samenwerking tussen de bewoners van de zorgwoningen en de scouting.
3.2. Daardoor zal er veel groen opgeofferd moeten worden. Juist het behoud van de bomen ten tijde van klimaat verandering en hittestress is belangrijk. Reageerder stelt voor zoveel als mogelijk groen te betrekken bij het bouwen. Reageerder heeft lof voor het plan. 4.1. Echter, zij ziet ook problemen met name daar waar het gaat om de toename van de parkeerdruk en het verkeer. 4.2. Zij vreest een toename van fijnstof en stikstof uitstoot ten gevolge van de verkeerstoename. Het aantal openbare parkeerplaatsen neemt af dus zal er meer langs de randen van de weg worden geparkeerd. Daardoor zullen er meer opstoppingen ontstaan in de omliggende straten.
parkeerplaatsen zal zeker toenemen. Met die toenemende vraag zal een aantal parkeerplaatsen in de directe omgeving worden gerealiseerd.
4.3. Zie het antwoord bij de basisreactie onder zie 1.11
4.2. Zie het antwoord onder 2.5.
9
4.1. Zie het antwoord bij de basisreactie onder 3, 6 en 9 alsmede het antwoord onder 1.2.
3.2. Zie het antwoord dat is gegeven in de basisreactie onder 2 en 4.
5
5.2. Zie antwoord onder 2.5. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor de locatie bedroegen in de prognose voor 2020; 18 µg/m³ voor NO2, 18,7 µg/m³ voor PM10 en 11,5 µg/m³ voor PM2,5. De grenswaarden voor deze stoffen liggen op respectievelijk 40 µg/m³ voor NO2, 40 µg/m³ voor PM10 en 25 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,7 dagen waar deze maximaal 35 dagen overschreden mag worden. Het verkeer dat door het initiatief wordt gegenereerd zal zorgen voor een toename van 0,90 µg/m³ NO2 en 0,16 µg/m³ PM10. Hierdoor is geconcludeerd dat ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het initiatief Niet in Betekenende Mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 5.3. in de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan is onderbouwd dat de berekeningen voor de aanlegfase gezien worden als een uitvoeringsaspect. In dat kader zou een stikstofberekening niet noodzakelijk zijn om de haalbaarheid van het bestemmingsplan aan te tonen. De gemeente Waalwijk is echter van mening dat een dergelijke berekening toch noodzakelijk is. De berekening is inmiddels uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
5.2. Reageerder maakt zich ook grote zorgen over de luchtkwaliteit. Als gevolg van de verkeerstoename zal de toch al matige luchtkwaliteit verder verslechteren. Dit in combinatie met de komst van de tijdelijke Lidl in de directe omgeving.
5.3. Uit het bestemmingsplan blijkt dat er alleen onderzoek is gedaan naar de stikstof uitstoot in de gebruiksfase. Niet in de uitvoeringsfase. Moet dat ook niet op voorhand berekend zijn.
10
4.4. Het staat reageerder vrij om een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in te dienen. 5.1. Het oorspronkelijke bouwplan zoals verwerkt in het concept principeverzoek voorzag in een (veel) grotere bouwmassa. De gemeente heeft na aanpassingen destijds positief over het initiatief geadviseerd. Op basis daarvan is het plan verder uitgewerkt en is uiteindelijk de huidige opzet en bouwmassa meer passend bevonden. Overigens is het bouwplan ten opzichte van het voorontwerp gewijzigd en verbeterd. Uiteindelijk is er in onze optiek een balans gevonden tussen kwaliteit en financiële haalbaarheid. Met het huidige planvoornemen is naast de nieuwbouw een duurzame invulling van het Rijksmonument gevonden. Met de transformatie wordt het behoud van dit Rijksmonument gewaarborgd.
4.4. Tot slot vreest reageerder een daling van de waarde van haar woning. 5.1. Reageerder is van mening dat het bouwvolume te groot is. En zodanig groot dat het Rijksmonument voor een deel aan het zicht onttrokken wordt.
6 aanvulling
6.2. Het terrein wordt ook gebruikt om te koken en het stoken van vuur. Reageerders vrezen dat dit op den duur tot overlast zou kunnen leiden voor de nieuwe bewoners. Het gebouw van de scouting wordt ook gebruikt voor kinderopvang. Dat de nieuwbouw zo dichtbij het scouting gebouw wordt gerealiseerd kan leiden tot aantasting van de privacy op de kinderopvang
5.5. Bij verkoop zullen er nieuwe afspraken gemaakt moeten worden tussen de nieuwe eigenaar en het bisdom. Overigens heeft initiatiefnemer geen reden om aan te nemen dat het beoogde concept niet zal slagen.
5.5. Tussen het bisdom en de ontwikkelaar zijn afspraken gemaakt met betrekking tot het gebouw. Wat nu als het concept niet slaagt en er gekozen moet worden voor een andere invulling dan wel dat de ontwikkelaar het pand moet verkopen. Wat blijft er dan over van de afspraken. 6.1. Het verbaasd reageerders dat zij niet worden genoemd in het voorontwerp, juist te meer dat zij veel aangrenzende gronden heeft en zeker belanghebbende is. Door de omvangrijke bebouwing zal er minder licht en lucht zijn op de speelweide van de scouting. Daarnaast zal het geluid van spelende kinderen worden weerkaatst door de muren en zeker tot klachten gaan leiden.
11
6.2. Voor koken en het stoken van vuur geldt de APV van de gemeente Waalwijk (Afdeling 8, Artikel 5:34. 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
6.1. De scouting is inderdaad niet concreet genoemd in de toelichting van het bestemmingplan. Dit zal aangepast worden. Voor de scouting geldt conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering in gemengd gebied overigens dezelfde aan te houden richtafstand tot milieugevoelige bestemmingen zoals woningen. Deze aan te houden afstand betreft 10 meter. Hieraan wordt in de beoogde situatie niet voldaan. Uit akoestisch onderzoek inrichtingslawaai blijkt dat, na toepassing van maatregelen, ter plaatse van de nieuwe woningen alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
5.4. Uit marktonderzoek is gebleken dat er voldoende ruimte is voor de beoogde functies in de kerk. In enkele gevallen zal het overigens ook gaan om verplaatsing van de betreffende functie van elders in Waalwijk naar de locatie in de kerk.
5.4. Voor wat betreft de invulling van de voormalige kerk. Deze wordt als zorgcentrum ingericht terwijl de verderop eveneens een zorgcentrum komt. Is dat niet wat veel in deze buurt. Te meer dat het reeds bestaande zorgcentrum een zieltogend bestaan leidt.
Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de aanleg- en gebruiksfase uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
6.4. In het gebouw van de scouting bevinden zich op de begane grond twee grote ramen. Dit is de enig lichtinval voor een van de inpandige ruimtes. Door de omvangrijke nieuwbouw zal de lichtinval aanzienlijk afnemen en min of meer onbruikbaar worden. En daarmee onverhuurbaar. Dit heeft dan weer gevolgen voor de inkomsten van de scouting. In dat verband wordt gewezen naar de feitelijke onjuistheden in de tabel 4.1 van de toelichting. Wat hier is opgenomen over afstanden is niet juist.
6.3. Het is niet de verantwoordelijkheid van initiatiefnemer om een alternatief te bieden voor de speelplaats en fietsenstalling. De gronden zijn in bezit van initiatiefnemer en het staat hem vrij om, binnen de geldende regels, de gronden te benutten ten behoeve van de transformatie.
6.3. Doordat een groot deel van de grond, die in bruikleen is gegeven aan de scouting betrokken wordt bij de planrealisatie, zal de scouting en ook de kinderdagopvang haar speelplaats kwijt raken. En eveneens de fietsenstalling. Hiervoor is geen alternatief geboden. Doordat de toegangsweg aan het Clemenspad ten gevolge van de bouw komt te vervallen zijn de scouting en de kinderdagopvang aangewezen op de enige andere toegangsweg, te weten op een oprit die uitkomst op de Loeffstraat. Dit is een aanzienlijke achteruitgang in de veiligheid van de kinderen. Te meer dat de verkeersdruk op deze straat en de omliggende straten in de komende tijd alleen nog maar zullen toenemen.