CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5e Sint Clemenskerk Bijlagen toelichting

Raadsvergadering 21 mei 2026, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Herstelbesluit Clemenskerk nav uitspraak 26 nov 202518.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 14 Aerius memo

433/566

Memo

30 november 2022 Stephany Lie

Sint Clemenskerk Chopin Project B.V.

Het voornemen is om de Sint-Clemenskerk en pastorie te transformeren en op hetzelfde perceel ook nieuwbouw te realiseren. Momenteel zijn de kerk en pastorie nog in gebruik. Deze zullen worden herontwikkeld naar in totaal 23 appartementen. Daarnaast wordt nieuwbouw gerealiseerd met daarin 14 appartementen en 46 woonzorgappartementen. Daarmee komt het totaal op 83 woon(zorg)appartementen. De beoogde herontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt 2 kilometer. De locatie is gelegen op circa 3,5 kilometer van Natura 2000-gebied Langstraat. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.

Figuur 1 Locatie beoogde ontwikkeling (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS calculator)

Met het rekenmodel Aerius (versie 2021.2) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de realisatie- en gebruiksfase (na oplevering van de

beoogde ontwikkeling) beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in een aparte bijlage.

2/7

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Wet stikstofreductie en natuurverbetering De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is per 1 juli 2021 van kracht en bevat een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de vrijstelling in deze vorm juridisch niet houdbaar is. Om deze reden zijn in deze notitie ook berekeningen voor de realisatiefase opgenomen.

3/7

Realisatiefase In de onderstaande tabellen zijn de afzonderlijke emissiebronnen per realisatiejaar uitgewerkt welke gebaseerd zijn informatie vanuit vergelijkbare projecten. De werkzaamheden starten in 2023 en eindigen in 2025. De uitkomsten op jaarbasis (laatste kolom) zijn ingevoerd in AERIUS Calculator. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. De inzet van het overige materieel is ingevoerd als vlakbron aangezien dit materieel op het hele terrein werkzaam zal zijn. Met het bouwbedrijf zal de afspraak gemaakt worden dat machines uitgezet worden indien deze niet in bedrijf. Zodoende is er geen sprake van stationair draaien van machines. Tabel 1 Materieel inzet beoogde ontwikkeling 2023

Type werktuig

Stage klasse

Totaal aantal Verbruik per liter Totaal liter AdBlue draaiuren verbruik verbruik tijdens bouwfase Herontwikkeling kerk en pastorie (23 appartementen) 2023 Hoogwerker IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 30 15 450 31 Verreiker IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 16 20 320 22 Mobiele kraan IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 50 20 1.000 70 Totaal 1.770 123 Realisatie 20 appartementen 2023 Betonmixer IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 115 25 2.875 201 Betonstorter/pomp IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 37 25 925 64 Graafmachine IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 112 25 2.800 196 Kiepbak IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 13 20 260 18 Hijskraan IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 126 15 1.890 132 Minigraver IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 37 25 925 64 Totaal 9.675 675 Aanvoer materialen Vrachtwagens 500 vrachtwagens 1.000 zware bewegingen Woon-werkverkeer 1.250 busjes 2.500 lichte bewegingen Tabel 2 Materieel inzet beoogde ontwikkeling 2024

Type werktuig

Stage klasse

Realisatie 20 appartementen 2024 Betonmixer IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Betonstorter/pomp IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Graafmachine IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Kiepbak IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Hijskraan IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018

4/7

Totaal aantal Verbruik per draaiuren tijdens liter bouwfase 115 37 112 13 126

25 25 25 20 15

Totaal liter verbruik AdBlue verbruik

2.875 925 2.800 260 1.890

201 64 196 18 132

Minigraver IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Totaal Aanvoer materialen Vrachtwagens Woon-werkverkeer

37

25

925 9.675

475 vrachtwagens 1.000 busjes

64 675

950 zware bewegingen 2.000 lichte bewegingen

Tabel 3 Materieel inzet beoogde ontwikkeling 2025

Type werktuig

Stage klasse

Totaal aantal Verbruik per draaiuren tijdens liter bouwfase

Realisatie 20 appartementen 2024 Betonmixer IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Betonstorter/pomp IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Graafmachine IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Kiepbak IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Hijskraan IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Minigraver IV, 75-560 kW, bouwjaar 2014-2018 Totaal Aanvoer materialen Vrachtwagens Woon-werkverkeer

115 37 112 13 126 37

Totaal liter verbruik AdBlue verbruik

25 25 25 20 15 25

2.875 925 2.800 260 1.890 925 9.675

475 vrachtwagens 1.000 busjes

201 64 196 18 132 64 675

950 zware bewegingen 2.000 lichte bewegingen

Het verkeer wikkelt via de Doctor Schaepmanlaan en Doctor Ariensstraat af op de Strausslaan. Een indicatie van de verkeersintensiteiten voor deze weg is te vinden op de NSL-monitoringstool 2021 (www.nsl-monitoring.nl/viewer/). Volgens de tool bedroegen de dagelijkse verkeersintensiteiten voor 2020 voor de Strausslaan 9.415 voor licht verkeer en 136 voor zwaar verkeer. Op de Strausslaan gaat het extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius juli 2020, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Gebruiksfase Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt uitgegaan van CROW publicatie 381. Per functie wordt hierbij een bandbreedte gegeven voor de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag. Daarbij wordt uitgegaan van de ligging van het gebied en

stedelijk uitgegaan van een verkeersgeneratie aan de bovenkant van de bandbreedte.

-case situatie. Dat betekent dat wordt

Tabel 4 Verkeersgeneratie

Aantal

Zorgwoningen (verpleeghuis)

5/7

46

Maximale bandbreedte verkeersgeneratie (weekdag) max 2,1

Totaal max 96,6

Middeldure koopappartementen Totaal

37 83

6,0

222 318,6

De nieuwe ontwikkeling genereert hiermee een gemiddelde weekdagintensiteit van 318,6 mvt/etmaal. Het verkeer wikkelt zich voor 50% (159,3 mvt/etmaal) af ten westen van het plangebied via de Loeffstraat en de Van Lovenlaan. De andere 50% (159,3 mvt/etmaal) wikkelt ten oosten van het plangebied af via de Loeffstraat en Hoogeinde. Uit de verkeersparagraaf in de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat op deze kruispunten het extra verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Vanaf de ontwikkellocatie kan op verschillende manieren van en naar het plangebied worden gereden. Daarvoor zullen veelal de Loeffstraat ten noorden van het plan en de Pastoor van der Zijlestraat gebruikt worden. Figuur 2 geeft een overzicht van de verkeersroutering, uitgangspunt daarbij is dat grofweg de helft van het verkeer in oostelijke richting rijdt en de andere helft in westelijke richting (veelal gebruik makend van de Loeffstraat).

Figuur 2 Geel gearceerd: gaat op in heersende verkeersbeeld

Te zien is waar het verkeer van de ontwikkeling op gaat in het heersende verkeersbeeld (geel gearceerd). In dit geval ter hoogte van de rotonde met de Groen van Prinstererlaan voor verkeer in westelijke richting en ter hoogte het kruispunt met het Vooreinde voor verkeer in oostelijke richting. Zowel vanaf de rotonde met de Groen van Prinsterenlaan als ter hoogte van het kruispunt met het Vooreinde komt er relatief veel verkeer bij uit de omliggende straten waardoor deze wegen vanaf hier fungeren als verzamelweg en daarmee het verkeer van de ontwikkeling relatief gezien gering is ten opzichte van het totaal aan verkeer. Voor de gebruiksfase is 2026 als rekenjaar aangehouden. Dat rekenjaar genereert voor het verkeer de hoogste emissies (worstcase). Wanneer een rekenjaar verder in de toekomst ligt, worden de emissies lager door een toename van elektrisch rijden en schonere technieken.

6/7

Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (2021.2) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000gebied in de realisatie- en gebruiksfase is uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

7/7

Bijlage 15 Stikstofberekening realisatiefase 2023

441/566

450/566

Bijlage 16 Stikstofberekening realisatiefase 2024

451/566

Bijlage 17 Stikstofberekening realisatiefase 2025

459/566

Bijlage 18 Stikstofberekening gebruiksfase

467/566

474/566

Bijlage 19 Quickscan flora en fauna

475/566

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING LOEFFSTRAAT 50 TE WAALWIJK

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Loeffstraat 50 te Waalwijk Opdrachtgever

Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

Rapportnummer Versienummer

12415.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

14 april 2020

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

C. van Tuijl, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

M.M.J. van der Aa, BSc

Paraaf Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ............................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ...................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................. 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK .................................................................................................. 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ........................................................................................................................ 10 Vleermuizen................................................................................................................ 12 Overige zoogdieren ..................................................................................................... 13 Reptielen, amfibieën en vissen.................................................................................... 14 Ongewervelden........................................................................................................... 14 Vaatplanten ................................................................................................................ 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ....................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht...................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ..................................................................................................... 7 Gebiedenbescherming .................................................................................................. 8 Houtopstanden ............................................................................................................. 9

Algemene broedvogels ............................................................................................... 16 Vleermuizen................................................................................................................ 16 Algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren ................................................... 17 Overige soort(groep)en ............................................................................................... 17

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ...................................................................... 18 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................ 18 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................... 19

8

HOUTOPSTANDEN ............................................................................................................. 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES .................................................................................... 21

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

fotomateriaal veldbezoek 25 maart 2020 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 12415.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rho adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Loeffstraat 50 te Waalwijk, in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 1 van 23

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 5.720 m²) ligt aan de Loeffstraat 50, circa 1,6 kilometer ten oosten van de kern van Waalwijk. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De stedelijke gelegen onderzoekslocatie is bebouwd met een kerk, de aaneengesloten pastorie, en een bijgebouw. Ten noorden van de bebouwing is een parkeerplaats gelegen waar afwisselend tussen de parkeerplaatsen perkjes met laurierkers en beuk zijn aangeplant. Aan de westzijde van de onderzoekslocatie, over de lengte van het kerkgebouw, is een bomenrij en een beukenhaag aangeplant. Ten zuiden van de kerk en de pastorie ligt een tuin met grasveld en enkele bomen, omgeven door een beukenhaag. Ook de westelijke helft van het scoutingterrein, gelegen ten noorden van het bijgebouw, is onderdeel van de onderzoekslocatie. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek. In de bijlage zijn detailopnames weergegeven van de onderzoekslocatie, waaronder ruimtes in de kerk.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 2 van 23

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Zuidaanzicht SintClemenskerk, rechts in beeld enkele oude Amerikaanse eiken.

Figuur 4. Toren Sint-Clemenskerk en pastorie.

Figuur 5. Clemenskerk.

Figuur 6. Achtergevel pastorie.

Figuur 7.

Figuur 8. Noordgeve

Rapport 12415.001 versie D1

Vieringtoren

Sint-

Pagina 3 van 23

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens in de Sint Clemenskerk een apotheek, praktijkruimte en restaurant te realiseren (figuur 9). Daarnaast worden 14 appartementen in het kerkgebouw gerealiseerd. In de pastorie, de bebouwing gelegen ten oosten van het kerkgebouw, worden kantoren gerealiseerd. Het bijgebouw zal gesloopt worden, en aan de oost- en zuidzijde van het kerkgebouw worden 48 woon(zorg)appartementen gebouwd (figuur 10). Een deel van de tuin aan de zuidzijde van de kerk en het plein ten noorden van het bijgebouw zal hiervoor bebouwd worden. Het groen met bomen aan de oostzijde van het kerkgebouw zal behouden blijven. De ontwikkeling is ten behoeve van het voorzien van een volledig aanbod in zorg, wonen, en werken voor de inwoners van Waalwijk.

Figuur 9. Digitale representatie van het concept van de onderzoekslocatie.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 4 van 23

Figuur 10. Luchtfoto van de onderzoekslocatie. Aangegeven zijn de voorgenomen ontwikkelingen.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 5 van 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 25 maart 2020. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van zolders in de kerk is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Zolders en eventuele kruipruimtes in de pastorie en het bijgebouw zijn niet betreden of onderzocht.

welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 6 van 23

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 2 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 2 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 7 van 23

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 8 van 23

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, N werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 2 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 9 van 23

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw en slechtvalk. Volgens verspreidingsgegevens (NDFF) zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie in de laatste 5 jaar de volgende beschermde broedvogels waargenomen: huismus, gierzwaluw, steenuil, roek, grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief maken naar verwachting gebruik van de omliggende polder en het nationaal park De Loonse en Drunense Duinen ten zuiden van de onderzoekslocatie, maar zullen geen gebruik maken van de onderzoekslocatie als broedlocatie. Deze soorten prefereren nesten in hoge bomen, die al dan niet zelf of door een andere vogelsoort gebouwd zijn. De bomen langs de onderzoekslocatie zijn veelal laag, staan in de nabijheid van bewoonde kavels en bevatten geen nesten die geschikt zijn als nest voor bovengenoemde roofvogels. Een nader onderzoek naar roofvogels wordt niet noodzakelijk geacht. Gierzwaluw en slechtvalk zijn soorten die gebruik maken van bebouwing als broedlocatie. De gierzwaluw is nog niet aanwezig in Nederland (vanaf half april) en is derhalve tijdens het veldbezoek niet waargenomen.

De kerktoren en de zolder boven de gewelven zijn van binnen uit geïnspecteerd op potentiële nestlocaties voor gierzwaluw, hierbij zijn geen geschikte openingen gevonden die mogelijk toegang bieden aan ruimtes in de constructie. Gelet op de hoogte van het gebouw zijn er wel mogelijkheden voor de gierzwaluw wanneer deze nestlocaties krijgt aangebonden. Ten behoeve van nestlocaties voor de soort zijn daarom enkele adviezen opgenomen in hoofdstuk 9. Twee overvliegende slechtvalken zijn tijdens het veldbezoek waargenomen. De buitenzijde van de kerktoren was niet volledig toegankelijk ter inspectie. Desondanks is het onwaarschijnlijk dat de slechtvalk broedt op de kerktoren. Zo zijn er geen geschikte nissen of afgedekte ruimtes aanwezig voor de slechtvalk om te nestelen. De aanwezigheid van de een tweetal slechtvalken tijdens het veldbezoek is wel een indicatie dat de toren geschikt kan zijn als nestlocatie voor de soort. Ten behoeve van nestlocaties voor de soort zijn daarom enkele adviezen opgenomen in hoofdstuk 9. Er zullen echter geen werkzaamheden plaatsvinden aan de buitenzijde van de kerktoren. Nader onderzoek naar gierzwaluw en slechtvalk wordt niet noodzakelijk geacht, mits bij de voorgenomen ingreep enkele voorwaarden in acht wordt genomen. Kerkuil en steenuil zijn gebonden aan bebouwing en afwisselend cultuurlandschap, welke niet aanwezig zijn op de onderzoekslocatie.

Waarnemingen van kerkuil en steenuil zijn afkomstig uit het aangrenzende poldergebied. Van de bebouwing op de onderzoekslocatie zou de kerktoren een geschikte broedlocatie kunnen vormen, aangezien de roosters op de eerste verdieping van de kerktoren (de

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 10 van 23

verdieping waar de kerkklokken hangen) voldoende openingen bevatten om uilen toegang te geven tot de toren. Echter zijn geen andere nesten dan een duivennest of sporen van gebruik door uilen aangetroffen in de gehele toren. De inspectie die is uitgevoerd bij de quickscan heeft een voldoende duidelijk beeld verschaft van de huidige situatie ten aanzien van mogelijke rustplaatsen van uilen. Nader onderzoek naar uilen wordt niet noodzakelijk geacht vanwege de afwezigheid van sporen en de afwezigheid van geschikt leefgebied in de directe omgeving. Huismus nestelt veelal onder dakpannen en in nissen bebouwing. Na het broedseizoen (broedseizoen maart augustus) van de huismus maakt de huismus naast het nest ook gebruik van andere elementen binnen het leefgebied die van belang zijn voor het behoud van de lokale populatie (het functioneel leefgebied). Huismus is tijdens de quickscan gehoord op de Pastoor van der Zijlestraat. De pastorie biedt geen geschikte openingen voor nestgelegenheden. Het bijgebouw is laag en daarom ook niet geschikt als nestlocatie. De beukenhagen rondom de tuin kunnen mogelijk onderdeel vormen van het functioneel leefgebied van de huismus, wanneer deze in de directe omgeving broedt. Nader onderzoek naar de huismus wordt niet noodzakelijk geacht mits bij de nieuwe inrichting rekening wordt gehouden met de habitateisen van de huismus (hoofdstuk 9).

De onderzoekslocatie biedt onvoldoende geschikt broedhabitat voor de grote gele kwikstaart. Grote gele kwikstaarten zijn sterk gebonden aan snelstromende watergangen en vaarten. Volgens de broedvogelatlas zijn ook geen broedterritoria bekend in de nabijheid van de onderzoekslocatie. Waarnemingen van grote gele kwikstaart in de omgeving van de onderzoekslocatie betreffen trekvogels en wintergasten. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht. Voor ooievaar en roek geldt dat de bomen op de onderzoekslocatie geen functie vervullen als broedlocatie. Ooievaar gebruikt nestpalen en hoge plateaus als broedlocatie, zoals schoorstenen en elektriciteitsmasten. Het kerkgebouw heeft voldoende hoogte, maar bied geen geschikte nestgelegenheid door het ontbreken van plateaus. De ooievaar wordt geregeld waargenomen in de omliggende polders. De onderzoekslocatie zal geen onderdeel vormen van het foerageergebied van de ooievaar door de lage dichtheden van wormen, grote insecten en muizen. De roek is een koloniebroeder die typisch in hoge bomen langs snelwegen broed. Ten noorden, langs de A59, is een roekenkolonie aanwezig. Tijdens het veldbezoek is ook een roek op het aangrenzende perceel gezien. Ook voor de roek zal de onderzoekslocatie geen belangrijk onderdeel vormen van het foerageergebied. Roeken foerageren met name in agrarisch gebied.

Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht voor ooievaar en roek. 5.1.2

Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie is een eksternest aangetroffen in één van de Amerikaanse eiken in de achtertuin van de pastorie. Deze bomen zullen behouden worden. Er is geen indicatie dat het nest gebruikt wordt door soorten die jaarronde bescherming hebben. Dezelfde aanbevelingen als bij paragraaf 5.1.3 zijn van toepassing. Voor de mogelijk te verwachten broedvogelsoorten van categorie 5 op de onderzoekslocatie geldt dat er in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid aanwezig is. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventuele nesten van de genoemde soorten een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 11 van 23

5.1.3

Algemene broedvogels

Op de tweede verdieping van de kerktoren, de verdieping met het klokmechanisme, is een dode duif aangetroffen en op de derde verdieping een oud duivennest. Ook is in de ruimte boven de kerkgewelven een oud duivennest aangetroffen. Dit wijst erop dat duiven en mogelijk ook andere vogels toegang hebben (gehad) tot deze ruimtes. Op de eerste verdieping van de kerktoren, waar de kerkklokken ook hangen, is voldoende ruimte tussen de roosters aangetroffen voor vogels als duiven of kauwen om toegang te geven tot het gebouw. Er zijn echter geen sporen aangetroffen van huidig gebruik van de toren. Voor incidenteel aanwezig broedgevallen ten tijden van de werkzaamheden wordt verwezen naar hoofdstuk 6. De vegetatie op de onderzoekslocatie biedt op dit moment geschikt nesthabitat voor verschillende soorten algemene broedvogelsoorten door de aanwezigheid van groen. De nesten van deze soorten zijn beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te plannen, zodat een overtreding van de Wet natuurbescherming kan worden voorkomen. 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De pastorie is geschikt voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van losliggende dakpannen en geschikte openingen in de vorm van enkele open stootvoegen die toegang verlenen tot de open spouw. Het bijgebouw is relatief laag maar heeft geschikte openingen onder de dakranden voor vleermuizen. Eventuele verblijfplaatsen zijn niet waarschijnlijk, maar kunnen aan de hand van het veldbezoek niet worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn in de kerktoren en de ruimte boven de gewelven vleermuiskeutels aangetroffen, wat wijst op de aanwezigheid van (dwerg)vleermuizen.

Uitwerpselen van typische zolder bewoners als laatvlieger en gewone grootoorvleermuis zijn niet aangetroffen, ook zijn geen dode vleermuizen gevonden. Het dak van zowel de spits als de zolder is echter erg dicht de houten plakken sluiten goed op elkaar aan, hier zijn geen geschikte openingen gevonden. Het leiendak ligt direct op de planken waardoor het geheel erg dicht is. Bij hoeken in de constructie zijn geen geschikte openingen gevonden. Wij achten het waarschijnlijk dat de uitwerpselen dateren van de periode voordat de ramen nog open stonden. De binnenzijde van de spits en zolder: de balkconstructie in de nok van het dak van het gewelf en de kerktoren bieden wel voldoende ruimtes voor vleermuizen om te verblijven. Het gebouw biedt de potentie om omgevormd te worden . Wanneer deze adviezen worden gevolgd hoeft er geen sprake te zijn van het vernietigen of beschadigen van de functie voortplantingsplaats en rustplaats op de onderzoekslocatie en dus van een ontheffingsplichtige situatie (hoofdstuk 6).

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 12 van 23

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast omdat de hoge elementen rondom het perceel intact blijven. Er zal geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. De voorgenomen ingreep zal grasland en beukenhagen vervangen door bebouwing. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, zoals de omliggende polders en het nationaal park De Loonse en Drunense Duinen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, eekhoorn en kleine marterachtigen (bunzing en weze). Op voorhand kan de bever uitgesloten worden. Bevers zijn incidenteel in de polder rondom Waalwijk aangetroffen, maar zijn sterk gebonden aan meren en rivieren als foerageergebied. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust of verblijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. Ook als foerageergebied is de onderszoekslocatie onvoldoende geschikt, enkel de Amerikaanse eiken kunnen als voedselbron dienen, deze liggen echter geïsoleerd in de bebouwing waardoor deze geen onderdeel kunnen uitmaken van het leefgebied.

Voor kleine marterachtigen is de onderzoekslocatie niet geschikt omdat deze midden in de plaats Waalwijk (Baardwijk) ligt, vrijwel volledig bebouwd is, geen geschikt foerageergebied aanwezig is, of geen migratieroutes aanwezig zijn. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. In het grasveld zijn muizenholen aangetroffen. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van muizen en potentieel ook andere diersoorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 13 van 23

5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie exemplaren van de levendbarende hagedis, een streng beschermde reptielensoort, waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van levendbarende hagedissen hebben naar enkel betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden nationaal park De Loonse en Drunense Duinen Amfibieën De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting. De sloot die grenst aan de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan beide soorten. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin en erf is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 14 van 23

plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 15 van 23

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Alle bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, de kerk is echter waarschijnlijk niet geheel toegankelijk voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing en geplande werkzaamheden zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming wanneer daar niet op voorhand maatregelen voor worden getroffen. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Wanneer het bijgebouw wordt gesloopt, de open spouw van de pastorie nageïsoleerd wordt en het dak van de pastorie gerenoveerd wordt, bestaat de mogelijkheid dat vleermuisverblijven worden vernietigd of ongeschikt worden gemaakt. De functie van de onderzoekslocatie als voortplantingsplaats of rustplaats voor gebouwgebonden vleermuizen kan daarmee verloren gaan. Het kerkgebouw biedt verschillende kansen voor gebouwgebonden vleermuizen als voortplantingsplaats of rustplaats, mogelijk ook voor gewone grootoorvleermuis en zeldzamere soorten als ingekorven vleermuis.

De kerk vervuld naar verwachting in zijn huidige staat geen functie als voortplantingsplaats of rustplaats doordat de ruimtes goed zijn afgesloten en vleermuizen deze nu niet kunnen bereiken.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 16 van 23

Wanneer het kerkgebouw geschikt wordt gemaakt als verblijfplaats voor gebouwgebonden vleermuizen kan de onderzoekslocatie zijn functie als voortplantingsplaats en rustplaats blijven behouden. Verdere maatregelen dienen getroffen te worden om te voldoen aan de zorgplicht. Voor adviezen om de onderzoekslocatie geschikt te houden voor vleermuizen wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van dit document. Het advies is om een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin de adviezen en maatregelen uit het onderhavig rapport om te voldoen aan de zorgplicht uit te werken in. 6.3

Algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden vast te leggen in een ecologisch werkprotocol. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 17 van 23

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 11). Ook het Natura 2000 gebied Langstraat is een stikstof gevoelig gebied, met habitattypen als blauwgrasland.

Figuur 11. Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen nieuwbouw op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstofdepositie wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 18 van 23

Afhankelijk van de uitkomst van het stikstofdepositie onderzoek hoeft (1) geen verder onderzoek plaats te vinden, (2) dient een verschil-berekening uitgevoerd te worden, of (3) dient een passende beoordeling te worden gemaakt. 7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 0,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De provincie Noord-Brabant houdt rekening met de externe effecten van werkzaamheden ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland. Externe effecten zijn gelet op de aard van de ontwikkeling en de relatief grote afstand niet aan de orde.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 19 van 23

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

Rapport 12415.001 versie D1

Pagina 20 van 23

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Loeffstraat 50 te Waalwijk. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens in de Sint Clemenskerk een apotheek, praktijkruimte en restaurant te realiseren. Daarnaast worden 14 appartementen in het kerkgebouw gerealiseerd. In de pastorie, de bebouwing gelegen ten oosten van het kerkgebouw, worden kantoren gerealiseerd. Het bijgebouw zal gesloopt worden, en aan de oost- en zuidzijde van het kerkgebouw worden 48 woon(zorg)appartementen gebouwd. Een deel van de tuin aan de zuidzijde van de kerk en het plein ten noorden van het bijgebouw zal hiervoor bebouwd worden. Het groen met bomen aan de oostzijde van het kerkgebouw zal behouden blijven. De ontwikkeling is ten behoeve van het voorzien van een volledig aanbod in zorg, wonen, en werken voor de inwoners van Waalwijk. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren.

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

nee*

nee**

Aandacht voor nieuwe inrichting volgens habitateisen van de huismus.

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

nee*

nee**

Aandacht voor de adviezen ten aanzien van (ontwikkeling van) verblijfplaatsen voor vleermuizen.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van zoogdieren.

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van amfibieën.

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Rapport 12415.001 versie D1

Bijzonderheden / opmerkingen*

Pagina 21 van 23

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

2 en 3,6 km

mogelijk

ja

nee

Onderzoek naar stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling

Natuurnetwerk Nederland

0,5 km

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t

-

-

-

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek. ** In acht nemend de adviezen die in hoofdstuk 9 van dit document zijn opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16817602/1