Bijlage 3 Definitief PlanMER GODE Waalwijk
Tekst van het document
5.4.1
Alternatief Energieopbrengst
Het alternatief Energieopbrengst onderzoekt plaatsingszones die zorgen voor een maximale energieopbrengst binnen het zoekgebied. In het alternatief Energieopbrengst wordt gezocht naar de maximale theoretische opwekpotentie in het zoekgebied. Het alternatief Energieopbrengst moet beschouwd worden als een theoretisch alternatief. De plaatsingszones die in dit alternatief overwogen worden, beslaan meer fysieke ruimte dan nodig is om de opgave van 170.500 MWh/jaar te realiseren. Dit betekend dat binnen de plaatsingszones meer energie opgewekt kan worden dan de opgave. Het is niet de intentie van de gemeente om in de huidige fase meer duurzame energie te ontwikkelen dan vastgesteld is in de Kadernota. Dit alternatief zorgt ervoor dat binnen het zoekgebied alle mogelijke plaatsingszones en de effecten ervan zijn onderzocht. Hiermee worden in het milieuonderzoek de maximaal mogelijke milieueffecten in beeld gebracht. Het alternatief houdt geen rekening met de aanwezige zachte belemmeringen of een bepaald thematisch aandachtspunt (zoals natuur of leefomgeving). Doordat dit alternatief alle mogelijke plaatsingszones onderzoekt, worden de milieueffecten van windenergie in het gehele zoekgebied in beeld gebracht. Hiermee geeft dit theoretische alternatief ook een goede doorkijk naar de potentie voor toekomstige duurzame opwek van de gemeente Waalwijk.
Deze stelt namelijk de ambitie dat in 2043 alle energie in de gemeente volledig duurzaam opgewekt dient te worden. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in het alternatief Energieopbrengst zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - maximale invulling zoekgebied met windturbines, er geldt geen maximum aantal windturbines; - de contour van 400 m rond woningen in het buitengebied wordt niet gehanteerd. In plaats daarvan wordt een afstand van ½ rotordiameter (de PR10-5-contour) gehanteerd. Hiermee wordt het theoretisch maximaal aantal mogelijke windturbines in beeld gebracht; - de veiligheidscontour rond de bovengrondse hoogspanningslijn wordt teruggebracht tot de PR10-5contour (½ rotordiameter); - landschappelijke randvoorwaarden worden niet gevolgd; - de gebieden waarvoor zachte belemmeringen gelden worden maximaal benut.
58 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Alternatief op kaart Afbeeldingen 5.3 (variant A) en 5.4 (variant B) tonen de beschikbare plaatsingszones voor windturbines om een maximale energieopwek van windenergie te bewerkstelligen. De plaatsingszones bestaan hierbij uit het gehele zoekgebied exclusief de harde belemmeringen. Plaatsing van windturbines in deze plaatsingszones kan in verschillende mogelijke opstellingen. De opwekpotentie voor de varianten voor het thema energieopbrengst overschrijdt de opwekdoelstellingen om 170.500 MWh/jaar op te wekken en dient als theoretisch alternatief (een overschatting van de benodigde hoeveelheid ruimte voor de opwek van windenergie), om de maximale theoretische mogelijkheid te onderzoeken. Veiligheidscontouren die een harde belemmering vormen zijn afhankelijk van de grootte van een windturbine. Hierdoor is er in alternatief Energieopbrengst A meer ruimte beschikbaar rondom gebouwen en de hoogspanningsverbinding. Binnen de plaatsingszones van alternatief Energieopbrengst is ruimte voor: - circa 87 windturbines met een ashoogte van 130 m (opwekpotentie 1.044.000 MWh/jaar); - circa 56 windturbines met een ashoogte van 170 m (opwekpotentie 1.008.000 MWh/jaar).
Afbeelding 5.3 Plaatsingszones alternatief Energieopbrengst A (130 m)
59 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.4 Plaatsingszones alternatief Energieopbrengst B (170 m)
5.4.2
Alternatief Leefomgeving
Het alternatief Leefomgeving richt zich op het definiëren en onderzoeken van plaatsingszones die zo min mogelijk effecten veroorzaakt op het gebied van geluidhinder, gezondheid en slagschaduw. Het uitgangspunt hierbij is dat meer afstand tot gevoelige bestemmingen leidt tot minder (potentiële) effecten. Er zijn geen algemene landelijk vastgestelde afstandsnormen op basis waarvan de toegepaste afstanden kunnen worden gekozen (zie kader in hoofdstuk 5.3.1). In de Kadernota heeft de gemeente minimumafstanden vastgesteld om tegemoet te komen aan zorgen rondom effecten op de leefomgeving van windturbines nabij woongebieden (zie tekstkader). Om de volledige bandbreedte aan milieueffecten in kaart te brengen wordt in dit alternatief verkend of de minimumafstanden vanuit de Kadernota vergroot kunnen worden. Gebieden tot 1.000 m rond woningen in stedelijk gebied, buurtschappen en bebouwingsclusters zijn voor het alternatief leefomgeving buiten beschouwing gelaten en gebieden tot 750 m rondom woningen in het buitengebied worden als ‘beperkt geschikt’ aangemerkt. Deze afstanden zijn zo gekozen dat ze strenger zijn dan de gehanteerde afstanden uit de Kadernota en de leefomgeving zo veel mogelijk beschermen, maar voldoende ruimte overblijft voor het realiseren van de opgave van 170.500 MWh/jaar.
Bescherming leefomgeving woningen In de Kadernota heeft de gemeenteraad besloten om minimaal 750 m afstand te houden tot woningen in stedelijk gebied en 400 m tot woningen in het buitengebied. Later is ervoor gekozen ook 750 m aan te houden tot woningen in buurtschappen en bebouwingsclusters. Voor bedrijfswoningen geldt een afstand van 400 m, tenzij deze binnen stedelijk gebied staan of behoren tot een buurtschap en bebouwingscluster. Door deze afstand houdt de gemeente al op voorhand rekening met de bescherming van de leefomgeving. De contouren voor geluid, slagschaduw en veiligheid vallen daardoor veelal buiten de afstandscontouren, zoals hiervoor benoemd. In deze paragraaf wordt daarom onderzocht of een voldoende onderscheidend alternatief op het thema leefomgeving mogelijk is binnen het zoekgebied.
60 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in het alternatief Leefomgeving zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - zo ver weg mogelijk van (zoveel mogelijk) woningen. Hiermee worden geluidhinder, slagschaduwhinder en negatieve gezondheidseffecten zoveel als mogelijk voorkomen; - geen spreiding van windturbines door het zoekgebied (met andere woorden: er wordt één locatie voor de plaatsingszone(s) gezocht); - turbines plaatsen buiten gebied met een bestaande geluidbelasting van >47 dB om cumulatieve geluidshinder te beperken; - ruimte bieden voor de opgave van 170.500 MWh/jaar. Alternatief op kaart Afbeelding 5.5 (variant A) en afbeelding 5.6 (variant B) tonen de (beperkt) geschikte delen van het zoekgebied en de plaatsingszone van het alternatief Leefomgeving op kaart. De plaatsingszone ligt meer dan 1.000 m van woningen in stedelijk gebied, buurtschappen en bebouwingsclusters en zoveel mogelijk buiten 750 m van woningen in het buitengebied. De beperkt geschikte gebieden buiten de Overdiepse Polder waar de plaatsingszone is ingetekend, bevinden zich in een gebied waar de bestaande geluidbelasting >47 dB is (zie bijlage III voor een uitgebreide toelichting) en zijn daarom minder geschikt voor de ontwikkeling van windenergie vanuit het thema leefomgeving.
De plaatsingszones voor beide varianten zijn gelijk omdat deze plaatsingszone voor beide varianten geschikt is om de opwekkingsdoelstellingen te behalen, uitgaande van de uitgangspunten in paragraaf 5.3. Hoewel de plaatsingszones voor beide varianten gelijk zijn worden de varianten wel afzonderlijk onderzocht. Dit komt omdat de effecten voor de verschillende windturbinetypes wel kunnen verschillen. Voor beide varianten is de gehele plaatsingszone benodigd om de opgave voor windenergie te kunnen realiseren. Windturbines kunnen hier in lijnvorm opgesteld worden. Doordat twee lijnen zich op minimale afstand van elkaar bevinden, vormen deze lijnen gezamenlijk ook een cluster.
Afbeelding 5.5 Plaatsingszones alternatief Leefomgeving variant A (130 m)
61 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.6 Plaatsingszones alternatief Leefomgeving variant B (170 m)
5.4.3
Alternatief Landschap
Het alternatief Landschap richt zich primair op het optimaal rekening houden met de landschappelijke effecten van windturbines. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de landschappelijke principes zoals toegelicht in bijlage II. Ontwerpprincipes De landschappelijke uitgangspunten die relevant zijn voor het ontwerp van dit alternatief zijn: - het waarborgen van de minimale afstand tot kernen en bebouwingsclusters/buurtschappen (Dussen, Drongelen, Waspik, Altena, Labbegat) van 750 m; - het zo mogelijk waarborgen van de minimale afstand tot woningen in buitengebied van 400 m. Hiervan kan worden afgeweken als dit leidt tot een landschappelijk meer wenselijke plaatsingszone; - toepassen van herkenbare structuren/figuren/patronen zoals lange, eenduidige lijnen of gridclusters is wenselijk. Een herkenbaar patroon betekent: · een gridpatroon is in grootschalig, rationeel gebied passend; · in de vorm van een of meerdere rechte lijn(en), bij voorkeur gekoppeld aan een landschappelijke lijn is passend; · een gebogen lijn is bij een landschappelijke gebogen lijn passend; - ligging buiten het cultuurhistorisch waardevol gebied ten oosten van het Drongelens Kanaal en langs de Bergsche Maas; - ruimte bieden voor de opgave van 170.500 MWh/jaar.
Alternatief op kaart Afbeelding 5.7 (variant A) en afbeelding 5.8 (variant B) tonen de (beperkt) geschikte delen van het zoekgebied en de plaatsingszone van het alternatief landschap op kaart. Landschappelijk gezien zou ook in de Overdiepse Polder een alternatief mogelijk zijn waarbij een herkenbare opstellingsstructuur mogelijk is. Dit alternatief wordt echter al onderzocht vanuit het alternatief Leefomgeving. Om een onderscheidend
62 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
alternatief Landschap te onderzoeken wordt hier dus gekozen voor een andere plaatsingszone. In deze plaatsingszone kunnen windturbines in lijnopstelling geplaatst worden. Afbeelding 5.7 Plaatsingszones alternatief Landschap variant A (130 m)
Afbeelding 5.8 Plaatsingszones alternatief Landschap variant B (170 m)
63 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5.4.4
Alternatief Natuur
Het alternatief Natuur heeft als doel plaatsingszones te ontwikkelen voor windenergie die rekening houden met de beschermde natuurgebieden en soorten vanuit het thema natuur. Op deze manier worden de effecten op beschermde natuurgebieden en soorten voorkomen. Met een QuickScan (zie bijlage IV van het planMER) is in beeld gebracht welke beschermde natuurgebieden aanwezig zijn en welke beschermde soorten potentieel voor kunnen komen. De gebieden die uit de QuickScan naar voren zijn gekomen vormen de input voor het ontwikkelen van het alternatief Natuur en worden vermeden. Hierbij geldt wel dat niet is uitgesloten dat beschermde soorten voor kunnen komen binnen de te onderzoeken plaatsingszones. Omdat het voorkomen van beschermde soorten nergens kan worden uitgesloten is dit niet meegenomen in de uitwerking van dit alternatief.
Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in het alternatief Natuur zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - ligging buiten Natura 2000-gebieden (niet binnen zoekgebied); - ligging buiten Natuurnetwerk Brabant (NNB); - ligging buiten ecologische verbindingszones; - ligging buiten natuurontwikkeling Capelsche Uiterwaard; - ligging nabij Oude Maasje vermijden om concentratiegebieden vogelsoorten te beschermen; - om meer ruimte te kunnen beschouwen voor het thematische alternatief natuur wordt: · de contour van 400 m rond woningen in het buitengebied teruggebracht tot de PR10-5 contour (½ rotordiameter); · de veiligheidscontour rond de bovengrondse hoogspanningslijn teruggebracht tot de PR10-5contour (½ rotordiameter); - ruimte bieden voor de opgave van 170.500 MWh/jaar. Alternatief op kaart Afbeeldingen 5.9 (variant A) en 5.10 (variant B) tonen de (beperkt) geschikte delen van het zoekgebied en de plaatsingszone van het alternatief Natuur op kaart. Op basis van de gehanteerde ontwerpprincipes voor het thema natuur (zie bijlage III) is, naast de plaatsingszones die zijn aangegeven op afbeelding 5.9 en 5.10, ook een groot deel van de Overdiepse Polder geschikt voor de ontwikkeling van windenergie. De Overdiepse Polder is echter al onderzocht vanuit het thema leefomgeving.
Om de alternatieven zo onderscheidend mogelijk te maken en de volledige bandbreedte aan oplossingsrichtingen te kunnen onderzoeken, is voor het alternatief Natuur gekozen voor plaatsingszones buiten de Overdiepse Polder. Beide varianten geven ruimte voor plaatsing in lijnopstelling in het centrum van het zoekgebied en plaatsing in een clusteropstelling in het oosten van het zoekgebied. Variant A geeft daarnaast de mogelijkheid voor een lijnopstelling in het westen van het zoekgebied.
64 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.9 Plaatsingszones alternatief Natuur variant A (130 m)
Afbeelding 5.10 Plaatsingszones alternatief Natuur variant B (170 m)
65 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5.4.5
Alternatief Defensie
Het alternatief Defensie heeft als doel plaatsingszones te ontwikkelen voor windenergie die maximaal rekening houden met de activiteiten die Defensie uitvoert in en direct aansluitend op het zoekgebied. Op deze manier wordt in beeld gebracht hoe en of de opgave voor duurzame energie opwek in de gemeente Waalwijk behaald kan worden als er niet wordt afgeweken van de voorschriften die Defensie stelt. Deze zachte belemmeringen komen voort uit de Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters. Wettelijk gezien is het gehele zoekgebied voor grootschalige opwek gereserveerd voor activiteiten van Defensie. Daarom geldt in het gehele zoekgebied ten minste een toetsingsplicht voor hoogbouw. In stakeholdergesprekken met Defensie is dit laagvlieggebied concreter ingekaderd om ruimte te scheppen voor de opgave. In paragraaf 4.4.5 en bijlage III wordt hier nader op ingegaan. Ontwerpprincipes Voor de plaatsingszones in het alternatief Defensie zijn de volgende ontwerpprincipes gehanteerd: - ligging buiten de oefengebieden Bergsche Maas 1, 2 en 3 en het laagvlieggebied Maas en Waal (hier geldt een maximale bouwhoogte van 30 m (artikel 9)); - ligging buiten de aanvliegroute voor het bereiken van het laagvlieggebied; - ruimte bieden voor de opgave van 170.500 MWh/jaar.
Alternatief op kaart Afbeeldingen 5.11 (variant A) en 5.12 (variant B) tonen de plaatsingszones voor het alternatief Defensie op kaart. Beide varianten hebben ruimte voor twee clusteropstellingen.
Afbeelding 5.11 Plaatsingszones alternatief Defensie variant A (130 m)
66 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.12 Plaatsingszones alternatief Defensie variant B (170 m)
5.4.6
Overzicht te onderzoeken alternatieven windenergie
In voorgaande paragrafen zijn de onderzochte plaatsingszones per thematisch alternatief voor windenergie getoond. Hierbij geldt dat enkel de geschikte gebieden (op basis van de ontwerpprincipes voor dat thematische alternatief) binnen de plaatsingszones daadwerkelijk zijn onderzocht. Zo vallen bijvoorbeeld (water-)wegen buiten de te onderzoeken plaatsingszone. Binnen de plaatsingszones zijn geen specifieke windturbineposities onderzocht. Voor sommige thematische alternatieven verschillen de onderzochte plaatsingszones voor de verschillende varianten, vanwege het verschil in ruimtebeslag. De plaatsingszones voor variant A en B verschillen voor de alternatieven Energieopbrengst, Natuur en Defensie. Voor alternatieven waarbij de plaatsingszones voor beide varianten gelijk zijn, worden nog steeds twee varianten onderzocht. Dit komt omdat de afmetingen en het aantal windturbines in beide varianten verschilt, waardoor voor dezelfde plaatsingszones andere effecten op kunnen treden. Als er geen onderscheid is in de milieueffecten tussen variant A en B, is dit beschreven in de effectanalyse. Energieopbrengst Afbeeldingen 5.13 en 5.14 tonen de plaatsingszones voor het alternatief Energieopbrengst.
67 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.13 Plaatsingszones alternatief Energieopbrengst variant A
Afbeelding 5.14 Plaatsingszones alternatief Energieopbrengst variant B
68 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Leefomgeving Afbeelding 5.15 toont de plaatsingszones voor het alternatief Leefomgeving.
Afbeelding 5.15 Plaatsingszones alternatief Leefomgeving, voor varianten A en B is de plaatsingszone gelijk
Landschap Afbeeldingen 5.16 en 5.17 tonen de plaatsingszones voor het alternatief Landschap.
69 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.16 Plaatsingszones alternatief Landschap variant A
Afbeelding 5.17 Plaatsingszones alternatief Landschap variant B
70 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Natuur Afbeeldingen 5.18 en 5.19 tonen de plaatsingszones voor het alternatief Natuur.
Afbeelding 5.18 Plaatsingszones alternatief Natuur variant A
Afbeelding 5.19 Plaatsingszones alternatief Natuur variant B
71 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Defensie Afbeeldingen 5.20 en 5.21 tonen de plaatsingszones voor het alternatief Defensie.
Afbeelding 5.20 Plaatsingszones alternatief Defensie variant A
Afbeelding 5.21 Plaatsingszones alternatief Defensie variant B
72 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5.5
Toelichting alternatieven zonne-energie
Om te onderzoeken of de ontwikkeling van zonnevelden vanuit milieuperspectief kansrijk is, zijn twee alternatieven ontwikkeld die voor de opwek van zonne-energie de bandbreedte van milieueffecten in beeld brengen. De uitgangspunten uit de Kadernota zijn hierin bepalend. Dit betreft de volgende uitgangspunten: - de alternatieven geven invulling aan de opgave om maximaal 15.000 MWh/jaar op te wekken met zonne-energie in 2030; - de alternatieven bieden ruimte voor het ontwikkelen van maximaal 15 ha aan zonnevelden, verdeeld over ten minste twee zonnevelden; - de minimale omvang van één zonneveld bedraagt 2,5 ha, de maximale bedraagt 10 ha (bruto): · de landschappelijke inpassing, toegangs- en onderhoudswegen en het inkoopstation dienen binnen de maximale oppervlakte van 10 ha te liggen; - de alternatieven grenzen met de langste zijde aan het bestaand stedelijk gebied; - harde belemmeringen gebaseerd op nationale wet- en regelgeving zijn uitgesloten; - er is geen keuze gemaakt in de oriëntatie van de zonnepanelen (oost-west, of zuid), dit is een inpassingsvraagstuk. Op basis van bovenstaande uitgangspunten zijn er vier gebieden in de gemeente te onderscheiden die voldoen aan bovenstaande voorwaarden (zie afbeelding 5.22).
Het is hierbij van belang te benoemen dat het gebied direct grenzend aan de geplande uitbreiding van bedrijventerrein Maasoever-Scharlo niet is meegenomen als zoekruimte. Voor dit gebied is een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, met een agrarische bestemming, waarbij een planologische reservering is opgenomen voor het realiseren van een hoogspanningsstation. Door dit gebied op te nemen als zoekruimte voor zonnevelden ontstaat een conflicterende ruimteclaim die vanuit de opgave voor grootschalige duurzame opwek in de gemeente Waalwijk als onwenselijk wordt beschouwd.
Afbeelding 5.22 Geschikte gebieden vanuit uitgangspunten voor zonnevelden
73 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Om de milieueffecten van zonnevelden te kunnen afwegen dient sprake te zijn van twee of meer alternatieven. Daarom zijn op basis van de bouwsteen landschap (bijlage II) twee onderscheidende alternatieven ontwikkeld: - alternatief Zon Besloten; - alternatief Zon Open.
5.5.1
Alternatief Zon Besloten
De plaatsingszones van het alternatief Zon Besloten (afbeelding 5.23) liggen in een relatief besloten landschap langs de A59 en direct aansluitend aan het bedrijventerrein. Het gaat om kleinschaligere percelen, waaromheen bestaande bebouwing, groenstroken of infrastructuur aanwezig is en/of dit vanuit autonome ontwikkelingen verwacht wordt. De zichtbaarheid van de locaties is door de bestaande situatie aan alle zijden relatief beperkt. De totale omvang van de twee gebieden is 22 hectare.
Afbeelding 5.23 Plaatsingszones alternatief Zon Besloten
5.5.2
Alternatief Zon Open
De plaatsingszones van het alternatief Zon Open (afbeelding 5.24) liggen ten westen aangrenzend aan bedrijventerrein Maasoever-Scharlo in de open polder. Het betreft grootschalige percelen, die aansluiten bij de perceelsgrenzen en landschappelijke structuren. Aan één zijde zijn de plaatsingszones begrensd door stedelijk gebied. Aan de noordzijde ligt de dijk van het Oude Maasje. De twee plaatsingszones zijn van elkaar gescheiden door de rechte Hooiweg. De totale omvang van de twee gebieden is 38 hectare.
74 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.24 Plaatsingszones alternatief Zon Open
75 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
6 ONDERZOEKSAANPAK Dit hoofdstuk start met een toelichting op de effecten van de ontwikkeling van wind- en zonne-energie in paragraaf 6.1. Vervolgens presenteert paragraaf 6.2 het beoordelingskader dat is toegepast. Paragraaf 6.3 beschrijft de hoofdlijnen van de bijbehorende methodiek. Paragraaf 6.4 geeft een nadere toelichting op de onderzoeksmethodiek per milieuthema.
6.1
Effecten ontwikkelingen
6.1.1
Windenergie
De ontwikkeling van windenergie heeft milieueffecten en ruimtelijke impact. Er is sprake van diverse effecten. Deze zijn hieronder op hoofdlijnen omschreven, waarbij onderscheid is gemaakt tussen effecten die kunnen ontstaan in de gebruiksfase en in de aanlegfase. Locaties voor wind op land bestaan uit langdurige1, fysieke componenten. Hierbij gaat het om de volgende langdurige fysieke componenten: - één of meerdere windturbines, variërend in omvang en vermogen; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de windturbine(s) te verzamelen; - een inkoopstation waar vanuit de opgewekte elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder wordt gebracht; - toegangswegen om de bereikbaarheid van de windturbines tijdens de gebruiksfase te borgen; opstelplaatsen voor onderhoud en reparatie. Voor de fundering van windturbines worden graafwerkzaamheden uitgevoerd tot ongeveer 5 m -mv. Heipalen voor de fundering komen tot maximaal 30 m -mv. Het oppervlakte voor de fundering van de reguliere windturbine is geschat op 625 m2 (25 x 25 m) en voor de innovatie windturbine op 900 m2 (30 x 30 m). Daarnaast kent een locatie voor wind op land twee tijdelijke componenten: - opstelplaatsen voor de bouw van de windturbines (blijft gedeeltelijk behouden tijdens gebruiksfase); - bouwwegen voor de aanvoer van de windturbines, parkbekabeling en het inkoopstation.
De tijdelijke componenten zijn in dit planMER, waar relevant, beschouwd. Dit is met name het geval waar er tijdens de aanlegfase onderscheidende effecten zijn te verwachten ten opzichte van de gebruiksfase. Effecten van de verwijderingsfase zijn niet beschouwd. De effecten zijn beschouwd als gelijk aan de aanlegfase. De tijdelijke effecten van de verschillende onderdelen kunnen indien noodzakelijk verder worden onderzocht in de procedure tot vergunningverlening.
1
In dit planMER wordt gesproken over langdurige effecten als de effectduur langer is dan de gebruiksfase. Het kan daarbij gaan om permanente effecten, maar ook over tijdelijke effecten die na een (aantal) jaren weer afnemen. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij effecten door stikstofdepositie of verzilting.
76 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
6.1.2
Zonne-energie
De ontwikkeling van zonnevelden heeft diverse effecten. Deze zijn hieronder op hoofdlijnen omschreven, waarbij onderscheid is gemaakt tussen effecten die kunnen ontstaan in de gebruiksfase en in de aanlegfase. Zonnevelden bestaan uit verschillende fysieke componenten. Hierbij gaat het om de volgende langdurige fysieke componenten: - panelen, variërend in oriëntatie; - parkbekabeling om de opgewekte elektriciteit van de zonnevelden te verzamelen; - een omvormingsstation waarin de zonne-energie omgezet wordt in elektriciteit; - een inkoopstation waar vanuit de opgewekte elektriciteit op het openbare elektriciteitsnet van de netbeheerder wordt gebracht; - toegangswegen om de bereikbaarheid van het zonneveld tijdens de gebruiksfase te borgen; - opstelplaatsen voor onderhoud en reparatie. Naast de aanwezigheid en het functioneren van de fysieke componenten, kunnen de werkzaamheden om de fysieke componenten te installeren ook voor milieueffecten zorgen. Het uitgangspunt is dat de grondroerende werkzaamheden die plaatsvinden voor de aanleg van zonnevelden reiken tot een diepte van circa 0,3 m -mv. In dit planMER zijn de effecten van de benodigde netaansluiting, zoals bekabeling en de aanleg van het inkoopstation niet beschouwd. Deze effecten zijn namelijk afhankelijk van de situering van de zonnevelden en niet onderscheidend in de voorliggende keuzes voor locaties voor zonnevelden.
6.2
Beoordelingskader
Tabel 6.1 presenteert het beoordelingskader dat is gehanteerd voor het beoordelen van de effecten van windturbines en zonnevelden. De effecten (paragraaf 6.1) vormen de basis voor de invulling van het beoordelingskader. Bij het opstellen van het beoordelingskader zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - dit planMER onderzoekt alleen langdurige effecten en relevante tijdelijke effecten. Dit zijn effecten met een langere doorwerking dan de tijdelijke effecten die door de aanlegwerkzaamheden worden veroorzaakt en effecten die van belang zijn voor de vergunbaarheid en uitvoerbaarheid van het voornemen; - bij de alternatievenontwikkeling is een aantal gebieden bij voorbaat uitgesloten (de harde belemmeringen, zie bijlage III). Deze onderdelen komen daarom niet terug in het beoordelingskader: · overlap met bebouwing; · overlap met infrastructuur (weg, spoorweg, vaarweg), inclusief wettelijke veiligheidsafstanden; · overlap met (bekende) bestaande kabels en leidingen, inclusief wettelijke veiligheidsafstanden; - bij de ontwikkeling van het beoordelingskader is de input uit het eerder doorlopen omgevingsproces (tijdens het opstellen van de NRD) verwerkt. Tabel 6.1 geeft een korte toelichting op de onderzoeksmethodiek (zie toelichtend tekstkader) bij de verschillende thema’s. Paragraaf 6.4 geeft een nadere toelichting op de methodiek per thema en criterium.
Toelichting onderzoeksmethodes Het beoordelingskader verwijst naar de toe te passen methode om de effecten van de thema’s te onderzoeken. Dit kader licht toe wat onder de verschillende methodes wordt verstaan: - kwantitatief onderzoek: de onderdelen die meetbaar zijn op basis van numerieke data; - kwalitatief onderzoek: de onderdelen die worden gebaseerd op woorden en betekenissen (nietnumeriek), hier bestaat een wisselwerking met expert judgement en kwantitatief onderzoek; - expert judgement: een wetenschappelijk onderbouwde argumentatie ten aanzien van een onderwerp, vraag, of discussie, die is verwoord door een erkend specialist op dat vakgebied. Het planMER geeft aan wiens expert judgement is ingezet;
77 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
-
QuickScan; met een QuickScan worden knelpunten en eventueel ontbrekende informatie geïnventariseerd. Vervolgens wordt de noodzaak en omvang van nader onderzoek vastgesteld. Hierna dient eventueel nader onderzoek uitgevoerd te worden ten behoeve van het onderbouwen van de milieueffecten.
Tabel 6.1 Beoordelingskader wind- en zonne-energie Milieuaspect
Criteria
Relevantie voor wind of zon
Methode
invloed op bodemkwaliteit
wind en zon
GIS-analyse op basis van bekende en te verwachten bodemverontreinigingen
invloed op zettingen
wind
kwalitatieve analyse
invloed op trillingen
wind
kwalitatieve analyse
invloed op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
invloed op oppervlaktewaterkwaliteit en kwantiteit
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
invloed op waterveiligheid
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
invloed op hemelwaterafvoer1
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
Bodem en water bodem
water
Natuur beschermde soorten en habitattypen Natura 2000gebied
effecten op instandhoudingsdoelstelling Natura 2000-gebieden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
overige beschermde soorten
effecten op beschermde soorten
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
NNB-gebieden
effecten op NNB-gebieden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
overige beschermde gebieden
effecten op overige beschermde gebieden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
Landschap, cultuurhistorie en archeologie landschap
cultuurhistorie
archeologie
1
invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
invloed op landschapstype en structuur
wind en zon
kwalitatieve QuickScan en toetsing aan kernkwaliteiten
invloed van windturbineverlichting op omgeving
wind
kwalitatieve analyse
invloed op cultuurhistorische waarden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan en toetsing aan kernkwaliteiten
invloed op aardkundige waarden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
aantasting van bekende archeologische waarden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
In de NRD is dit criterium benoemd als ‘benodigde compensatie’, waarbij geduid werd op de regels met betrekking tot de compensatie van de aanleg van verharding. Vanwege de onduidelijke terminologie van het milieueffect, is gekozen om in het beoordelingskader dit criterium te veranderen in ‘invloed op hemelwaterafvoer’.
78 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Milieuaspect
Criteria
Relevantie voor wind of zon
Methode
aantasting van verwachte archeologische waarden
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
Veiligheid en infrastructuur externe veiligheid
invloed op (beperkt) kwetsbare objecten
wind
analyse indicatief bereik PR10-5 en PR10-6 op basis van Handreiking Risicozonering Windturbines
invloed op risicobronnen
wind en zon
analyse aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen
Invloed op verkeer
zon
kwalitatieve analyse op basis van literatuur
invloed op (Defensie)radar
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
invloed op (Defensie)laagvliegverkeer
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
risico op aanwezigheid ontplofbare oorlogsresten
wind en zon
kwalitatieve QuickScan
geluidbelasting op gevoelige bestemmingen (gebruiksfase)
wind en zon
kwantitatieve- en GISanalyse geluidscontouren
geluid in cumulatie (gebruiksfase)
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement en GIS-analyse
slagschaduw
invloed op kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten (onder andere kantoren) door slagschaduw
wind
kwalitatieve- en kwantitatieve analyse op basis van contouren slagschaduw
gezondheid
invloed op de gezondheidsscore; van gevoelige objecten
wind
kwalitatieve analyse op basis van literatuur en GES-score (zie §3.2.2)
dierenwelzijn
invloed op het dierenwelzijn; aantal dieren binnen geluidscontouren, inclusief laagfrequent geluid
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
luchtkwaliteit
invloed op de luchtkwaliteit
wind
kwalitatieve analyse
microplastics1
invloed van microplastics op omgeving
wind
kwalitatieve analyse op basis van expert judgement
elektromagnetische velden1
invloed van elektromagnetische velden
wind en zon
kwalitatieve analyse
radar en vliegverkeer
ontplofbare oorlogsresten
Leefomgeving geluid
gebruiksfuncties
1
Deze criteria zijn toegevoegd op basis van zienswijzen op de NRD
79 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Milieuaspect
Criteria
Relevantie voor wind of zon
Methode
ruimtegebruik
invloed op ruimtegebruik bestaande en toekomstige functies en meervoudig grondgebruik
wind en zon
ruimtelijke analyse naar oppervlakteverlies
6.3
Scoringsmethodiek
Voor een goede afweging is het van belang om inzicht te hebben in de onderscheidende effecten van de verschillende alternatieven. Om de effecten van de alternatieven per aspect te kunnen vergelijken zijn deze op basis van een plus- en min-schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor is de beoordelingsschaal gehanteerd zoals weergegeven in tabel 6.2. Deze generieke beoordelingsschaal is per criterium nader gespecificeerd in paragraaf 6.4. Voor alle thema’s geldt dat een criterium als sterk negatief (--) wordt beoordeeld als sprake is van een (in de basis) niet-vergunbare of niet haalbare situatie. Wetgeving, richtlijnen en beleid die leiden tot een niet-vergunbare zijn opgenomen in bijlage I. Als een sterk negatief effect optreedt, bijvoorbeeld een normoverschrijding of het niet kunnen uitsluiten van significant negatieve effecten op natuurgebieden, is mitigatie nodig om te onderzoeken of tot acceptabele effecten gekomen kan worden die binnen de normen van de benodigde vergunningen vallen.
Tabel 6.2 Generieke beoordelingsschaal Score
Toelichting
--
de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
de voorgenomen ontwikkeling heeft een positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
6.4
Onderzoeksmethodiek per thema
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksmethodiek voor elk van de thema’s uit het beoordelingskader (6.2). De beoordelingsschaal uit tabel 6.3 is per thema verder gespecificeerd.
6.4.1
Onderzoeksmethodiek thema bodem
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectbeoordeling van de alternatieven voor het thema bodem. Hierbij is ingegaan op: bodemkwaliteit, trillingen en zettingen. Invloed op bodemkwaliteit De bodem vervult verschillende functies. Zo slaat de bodem informatie op over de herkomst van materialen en het landschap, vormt de bodem de basis voor natuur en landbouw. Daarnaast draagt de bodem de constructies en funderingen van objecten en reguleert de bodem processen zoals filtratie en buffering van water. Om deze functies goed uit te kunnen voeren, is het belangrijk dat de bodem van goede kwaliteit is. Dit betekent dat bodemstructuren niet in ernstige mate worden aangetast en dat bodemleven zo min mogelijk wordt verstoord. Op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. De Wbb is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigd
80 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Eventuele aanwezige (spoedeisende) gevallen van bodemverontreiniging binnen het zoekgebied moeten volgens de Wbb gesaneerd of beheerd worden. Verspreiding van een verontreiniging kan bijvoorbeeld plaatsvinden via stroming van grond- en oppervlaktewater. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof, maar niet aangetoond kan worden dat het risico van verspreiding aanwezig is, dient sanering uitgevoerd te worden bij nieuwe ontwikkelingen in het gebied. Dit geldt ook voor de bouw van windturbines en zonnevelden. Naast effecten op verontreiniging kunnen zonnevelden ook op een andere manier milieueffecten veroorzaken. De bodem onder de zonnepanelen kan uitdrogen doordat hier geen of minder regenwater terecht komt. Dit heeft effect op het bodemleven en de vegetatie die er groeit 1, waardoor de bodem minder geschikt wordt voor agrarische functies (na verwijdering zonnevelden). Dit effect is groter bij een oost-west opstelling dan bij een zuid-opstelling. Een zuid-opstelling laat namelijk meer ruimte vrij tussen de rijen opgestelde zonnepanelen. Hierdoor kan water en licht hier gemakkelijker intreden. De opstelling, maar ook een richtlijn voor afstand tussen panelen, kan meegenomen worden als randvoorwaarde.
Om de bodemkwaliteit zo min mogelijk aan te tasten tijdens de gebruiksfase van zonnevelden, kan de bodem permanent met vegetatie worden bedekt, bijvoorbeeld door mulch2. Ook wordt aanbevolen geen toxische middelen als herbiciden te gebruiken bij het zonneveld. Dit planMER gaat uit van een worst-case beoordeling. Voor zonnevelden betekent dit een oost-west opstelling. De milieueffecten zijn ten aanzien van de bodemkwaliteit tijdens de gebruiksfase zullen op iedere locatie aanwezig zijn. Hiermee is dit aspect niet onderscheidend voor het planMER. In hoofdstuk 8 zijn mitigerende maatregelen ten aanzien van dit aspect opgenomen. Tabel 6.4 geeft de beoordelingsmethodiek voor het criterium bodemkwaliteit weer. Als referentiesituatie is de bodemkwaliteitsklasse AW2000 (achtergrondwaarde) van de gemeente Waalwijk van toepassing, zoals toegelicht in 4.4.1. Hier is de Overdiepse Polder ook onder beschouwd. Voor bodemkwaliteit geldt dat door sanering de bodemkwaliteit na aanleg beter is dan de referentiesituatie. Een alternatief wordt als positief (+) beoordeeld als de ontwikkeling leidt tot een verbetering van de huidige bodemkwaliteit ‘industrie’. Een alternatief wordt als zeer positief (++) als de ontwikkeling leidt tot een aanzienlijke verbetering van de huidige situatie, doordat deze (gedeeltelijk) is gelegen op de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’ en voormalig stortplaats(en).
Aangezien de uiterwaarden zijn uitgesloten, geldt hiervoor een positieve beoordeling, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bodemkwaliteit als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een positief effect. In beide gevallen (positief en sterk positief) is grondverbetering verplicht en is de bodemkwaliteit na de realisatie van de ontwikkeling beter dan de bodemkwaliteit in de referentiesituatie. Dit is een positief effect. Daarom kunnen alternatieven op het criterium bodemkwaliteit als (sterk) positief worden beoordeeld. Voor ditzelfde criterium zijn een sterk negatieve (--) en negatieve (-) effectbeoordeling niet van toepassing, omdat het wettelijk niet is toegestaan om de bodemkwaliteit te verslechteren. Sanering is in dit geval verplicht. Tabel 6.3 toont de beoordelingsschaal voor de invloed op de bodemkwaliteit. In deze beoordelingsschaal wordt het oppervlakteverlies van de bodem door het voornemen redelijkerwijs niet meegenomen. Dit effect is niet te voorkomen, en niet onderscheidend in een locatiekeuze.
1
Kok, L., Van Eekeren, N., Van der Putten, W., Van den Born, G.J., Schouten, T., Rutgers, M. (2017) Zonnevelden en bodemafdekking: trade-offs of win-win bij energieopwekking en bodemfuncties? Bodem 27(4):18-21.
2
Het afdekken van de bodem met organisch materiaal (gras, compost, stro of schors).
81 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 6.3 Beoordelingsschaal invloed op bodemkwaliteit Invloed op bodemkwaliteit
--
niet van toepassing
-
niet van toepassing
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op bodemkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie
+
de voorgenomen ontwikkeling heeft een positief effect op bodemkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van de verplichte ingrepen. Er zijn van meerdere (deel)saneringen van bekende verontreinigingen nodig en/of er is een grote verdachte locatie
++
de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk positief effect op bodemkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie als gevolg van (deel)sanering van complexe verontreinigingen
Invloed op zettingen De zettingsgevoeligheid van de bodem is de mate waarin de grond in elkaar wordt gedrukt bij een belasting en is afhankelijk van de bodemopbouw. Het risico op zettingen houdt sterk verband met de lithologische samenstelling van de bodem, waar in meer of mindere mate druk op wordt uitgeoefend. Hierbij zijn textuur, structuur en het watergehalte van de grond belangrijke parameters. Door lucht en water uit poriënruimte te persen (consolidatie) klinkt de grond in. Veen is zeer gevoelig voor zetting, aangezien dit veel water en lucht bevat (groot volume dat makkelijk kan worden samengedrukt). Klei en zand zijn aanmerkelijk beter bestand tegen zetting, waarbij geldt dat zand vanwege de gunstige textuur en structuur en een laag watergehalte (water stroomt makkelijk weg uit de poriën tussen zandkorrels) het minst gevoelig is voor zetting. Tabel 6.4 toont de beoordelingsschaal voor invloed op zettingen. Een (sterk) positieve beoordeling is niet voor toepassing, omdat de realisatie niet zorgt voor een positief effect ten aanzien van zettingen ten opzichte van de referentiesituatie. Een negatieve beoordeling (-) wordt gegeven aan ontwikkelingen op kleigronden, waarbij het effect beperkt is. Een sterk negatieve beoordeling (--) is van toepassing bij ontwikkelingen op veengronden. Hier bestaat een groot risico op zettingen met mogelijk permanente en negatieve effecten.
Dit criterium is alleen beoordeeld voor windturbines. De invloed van zonnevelden op zettingen wordt als laag ingeschat vanwege de lage belasting van de constructie en daarom niet beoordeeld.
Tabel 6.4 Beoordelingsschaal invloed op zettingen Invloed op zettingen
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op zettingen ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze volledig op veengronden wordt gerealiseerd. Ernstige bodemdaling en zetting als gevolg van de ingreep is niet te vermijden
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op zettingen ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze grotendeels op kleigronden wordt gerealiseerd
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op zettingen ten opzichte van de referentiesituatie, ze vindt niet plaats op zettingsgevoelige gronden
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Invloed op trillingen Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een windturbine) een kracht uitoefent op de bodem. Het risico op trillingen houdt sterk verband met de lithologische samenstelling van de bodem, waar in meer of mindere mate druk op wordt uitgeoefend. Hierbij zijn textuur en structuur van de grond belangrijke parameters die zorgen voor de verplaatsing van trillingen. De effecten van trillingen reiken verder in harde bodem dan in zachte bodem.
82 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Een bodemtype bestaande uit zand is gevoelig voor trillingen, aangezien dit bodemtype trillingen ver draagt. Dit geldt ook als deze op enige diepte is gelegen en wordt aangestoten door de fundatie. Tabel 6.5 toont de beoordelingsschaal voor invloed op trillingen. Een negatieve beoordeling (-) wordt gegeven aan ontwikkelingen op zachte bodems waarbij het effect beperkt is, maar niet kan worden uitgesloten doordat harde bodemtypen in de diepere ondergrond aanwezig kunnen zijn. Een sterk negatieve beoordeling (--) is van toepassing bij ontwikkelingen op harde bodemtypen. Hier bestaat een groot risico op trillingen met mogelijk negatieve effecten. Een (sterk) positieve beoordeling is niet voor toepassing, omdat de realisatie niet zorgt voor een positief effect ten aanzien van trillingen ten opzichte van de referentiesituatie. Dit criterium is alleen beoordeeld voor windturbines. De invloed van zonnevelden op zettingen wordt als laag ingeschat vanwege de lage belasting van de constructie en het ontbreken van heiwerkzaamheden.
Tabel 6.5 Beoordelingsschaal invloed op trillingen Trillingen
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op trillingen ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze volledig op harde bodemtypen gerealiseerd wordt. Ernstige effecten door trilling als gevolg van de ingreep zijn niet te vermijden
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op trillingen ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze plaats vindt op zachte bodems
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op trillingen ten opzichte van de referentiesituatie, ze vindt plaats op gronden waar geen risico bestaat op trillingen
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
6.4.2
Onderzoeksmethodiek thema water
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectbeoordeling van de alternatieven voor het thema water. Er wordt ingegaan op criteria grondwaterkwaliteit en - kwantiteit, oppervlaktewaterkwaliteiten kwantiteit, hemelwaterafvoer en waterveiligheid. Invloed op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit De aanleg van windturbines of zonnevelden kan tot een negatief effect op grondwaterkwaliteit en kwantiteit leiden. Grondwaterkwaliteit kan negatief beïnvloed worden door diepe boringen en/of het lekken van schadelijke stoffen. Gebieden zoals waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden, die sterk afhankelijk zijn van een goede kwaliteit van het grondwater, worden hier door wetgeving en beleid tegen beschermd. Deze gebieden liggen niet in het zoekgebied. De aanwezigheid van een boringsvrije zone (aangewezen in de Interim Omgevingsverordening) legt naar verwachting geen belemmeringen op, aangezien hiervoor een maximale boordiepte van 30 m geldt. In dit planMER wordt aangenomen dat heipalen voor funderingen van windturbines tot maximaal 30 m reiken. Voor de aanleg van funderingen voor windturbines is naar verwachting bemaling nodig. Dit kan eveneens invloed hebben op de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit. Het effect op de grondwaterkwaliteit is afhankelijk van de plaatsing van een windturbine en goed te mitigeren, bijvoorbeeld door het toepassen van retourbemaling.
In de gebruiksfase heeft het windpark geen effect op de grondwaterkwaliteit- en kwantiteit doordat bij de aanleg van de windturbines geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende materialen 1.
1
Uitlogende materialen zijn metalen zoals zink, koper en lood, Wanneer deze in contact komen met (regen) water komen kleine metaaldeeltjes in het water of in de bodem terecht. Dit kan giftig zijn voor het leven in het water of in de bodem.
83 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
In het zoekgebied zijn verschillende beschermende kleilagen aanwezig die zich vlak onder het maaiveld bevinden. Bij het verstoren van deze lagen door boringen in de bodem voor de aanleg van windturbines kan het drukverschil dat nodig is voor het omhoog brengen van kwelwater aangetast worden, waardoor de kwelstroom verminderd. Het verstoren van dit drukverschil kan ook gevolgen hebben voor de stabiliteit van dijken. Dit is een effect wat in het hele zoekgebied op kan treden, en niet onderscheidend is voor het kiezen van een plaatsingszone. Het blijft echter een aandachtspunt in vervolgonderzoek. Voor zonnevelden is het uitgangspunt dat de bodemroerende werkzaamheden tot een diepte van 0,3 m -mv reiken. Hiermee is er geen tot een zeer beperkt effect op de grondwaterkwaliteit- en kwantiteit in de aanlegfase. Wel kunnen zonnevelden in de gebruiksfase invloed hebben op de grondwaterkwaliteit. Zo worden bij het schoonmaken van zonnepanelen soms toxische middelen gebruikt. Daarnaast kan voor het beheer van flora tussen de zonnepanelen herbiciden of pesticiden ingezet worden. Deze toxische middelen kunnen afvloeien naar het grondwater en hiermee de kwaliteit negatief beïnvloeden. Het criterium grondwaterkwaliteit en -kwantiteit is niet verder onderzocht in dit planMER. In het zoekgebied bevinden zich namelijk geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden.
Negatieve effecten die veroorzaakt worden door mogelijke bemaling in de aanlegfase of tijdens de gebruiksfase zijn gelijk voor alle alternatieven, en daarmee niet onderscheidend. Invloed op oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit Voor de aanleg van funderingen voor windturbines op land is naar verwachting bemaling nodig. Dit kan invloed hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit. Het effect op de oppervlaktewaterkwaliteit is goed te mitigeren, bijvoorbeeld door het toepassen van retourbemaling. In de gebruiksfase heeft het windpark geen effect op de oppervlaktewaterkwaliteit- en kwantiteit doordat bij de aanleg van de windturbines geen gebruik wordt gemaakt van uitlogende materialen en de funderingen van de windturbines in Waalwijk niet op bestaand oppervlaktewater worden geplaatst. Dit geldt eveneens voor zonnevelden. Voor zonnevelden geldt als aandachtspunt dat er soms toxische middelen worden gebruikt voor het schoonmaken van panelen. Dit kan een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Eventuele effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit zijn in de aanleg- en gebruiksfase zijn over het algemeen goed te mitigeren. Het criterium oppervlaktewaterkwaliteit en -kwantiteit is daarom niet verder onderzocht in het planMER. Invloed op waterveiligheid Het watersysteem in Nederland is zo vormgegeven dat overstromingen niet of nauwelijks voorkomen.
Hiervoor zijn waterkeringen aangelegd en zijn gebieden langs rivieren bestemd tot doorstroomgebied. Plaatsing van een windturbine of zonneveld op of in de buurt van waterkeringen of doorstroomgebieden kan voor negatieve effecten op waterveiligheid zorgen. Deze negatieve effecten zijn in dit planMER getoetst aan de hand van de beoordelingsschaal in tabel 6.6, hieronder verder toegelicht. Windenergie De plaatsingszone van een windturbine kan binnen de beschermzones van keringen vallen. In de aanlegfase kunnen vervolgens trillingen ontstaan bij het heien van windturbinefunderingen die effect hebben op de stabiliteit van de dijk. De beschermzones rondom keringen zijn ingesteld om dit te voorkomen. Het wordt door Rijkswaterstaat en de waterschappen niet toegestaan om binnen deze beschermzones de bodem zo te verstoren dat dit effect heeft op de keringen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en regionale keringen. Primaire waterkeringen beschermen tegen buitenwater uit zeeën en grote rivieren. Plaatsing van windturbines op of in beschermzones van primaire keringen heeft een sterk negatief (--) effect op de waterveiligheid. Regionale keringen beschermen tegen binnenwateren. Plaatsing van windturbines op of in beschermzones van regionale keringen heeft eveneens een sterk negatief (--) effect op de waterveiligheid.
In de gebruiksfase is de maximale werpafstand van een windturbineblad tot een waterkering maatgevend voor het bepalen van het hoogwaterveiligheidsrisico. Bij plaatsing van een windturbine binnen deze zone, wordt het veiligheidsrisico verhoogt. Als een windturbineblad afbreekt, of een windturbine omvalt, kan deze de waterkering beschadigen. Plaatsing binnen een tiphoogte tot een waterkering heeft een negatief (-) effect op waterveiligheid.
84 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
De plaatsingszone van een windturbine kan eveneens binnen een doorstroomgebied vallen, dit is een onderdeel van het rivierbed. Plaatsing in dit gebied heeft een sterk negatief (--) effect op de doorstroming van afvoerkanalen en waterberging bij hoogwater. Om hoogwaterveiligheidsrisico te voorkomen, is het alleen mogelijk om windturbines te realiseren in dit gebied als er geen alternatieven zijn (en wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld door Rijkswaterstaat). Eén van de voorwaarden hiervoor is het compenseren van de bergingscapaciteit.
Tabel 6.6 Beoordelingsschaal van het criterium waterveiligheid Waterveiligheid
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op waterveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze plaatsvindt in een kernzone of beschermzone A van een waterkering, of in een rivierbed
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op waterveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie, doordat ze plaatsvindt binnen afstand van tiphoogte tot kernzone van een waterkering
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op waterveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Zonne-energie Zonnevelden kunnen verschillende effecten hebben op waterveiligheid. Zonnevelden die gebouwd worden in overstromingsgebied kunnen de doorstroming van het water belemmeren. Het toevoegen van obstakels heeft ook effect op het waterbergend vermogen. Zonnevelden die gebouwd worden op taluds van dijken kunnen de veiligheid van de dijken aantasten. Dit effect treedt op doordat de zonnepanelen regenwater tegenhouden, en daarmee de grasmat die de dijken beschermd verslechteren1. Als het talud beschermd wordt door verhard oppervlakte treedt dit effect niet op. Het zoekgebied voor zonnevelden in dit planMER ligt niet op dijken of taluds en is geen onderdeel van het overstromingsgebied van de rivieren. Bovenstaande milieueffecten treden daarom niet op en zijn niet verder onderzocht in het planMER. Invloed op hemelwaterafvoer De aanleg van windturbines of zonnevelden leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Dit leidt tot een afname van het bodemoppervlak dat beschikbaar is voor waterberging en afvoer van hemelwater. De waterschappen stellen als voorwaarde dat deze afname moet gecompenseerd worden om de bergingsruimte van het watersysteem te behouden. Deze voorwaarde is gelijk voor ieder alternatief en is daarmee niet onderscheidend in de keuze voor plaatsingszones voor wind- en zonne-energie.
Op projectniveau dient dit nader onderzocht en afgestemd te worden met het waterschap. Het criterium hemelwaterafvoer is daarom niet verder onderzocht in dit planMER.
6.4.3
Onderzoeksmethodiek thema natuur
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectbeoordeling van de alternatieven voor het thema natuur. De informatie die voor dit thema gebruikt wordt, komt uit een QuickScan en Knelpuntenanalyse die in bijlagen IV en XI zijn opgenomen. De aanpak van het onderzoeken van effecten op Natura 2000-gebieden, NNB en beschermde soorten wordt beschreven. Deze natuurelementen komen voor in of bij het zoekgebied voor windenergie, zoals beschreven in paragraaf 4.4.3.
1
Zon op Dijken, TNO, 2023
85 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Effecten op instandhoudingsdoelstelling Natura 2000-gebieden Voor de effectbeoordeling van het criterium ‘effecten instandhoudingsdoelstelling Natura 2000-gebieden’ zijn twee maatlatten gehanteerd. Er is gekeken naar de stikstofeffecten en overige effecten op Natura 2000. In de onderstaande alinea’s is een nadere toelichting hierop gegeven. Stikstofeffecten op Natura 2000 Werkzaamheden in de buurt van Natura 2000-gebieden kunnen leiden tot verzuring en vermesting. Door werk in de uitvoeringsfase (gebruik van stikstof-emitterend materieel), of tijdens de gebruiksfase (bijvoorbeeld door een veranderde verkeerssituatie of intensiever gebruik van het gebied) kan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden ontstaan en/of toenemen. Bij toenemende stikstofdepositie die tot gevolg heeft dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet gehaald kunnen worden, worden de effecten sterk negatief (--) beoordeeld. Als deze instandhoudingsdoelstellingen naar verwachting niet in gevaar komen, worden de effecten negatief (-) beoordeeld. De beoordeling is gespecificeerd in tabel 6.7. Wijzigingen in regelgeving rondom stikstof Tijdens de looptijd van voorliggend project deed de Raad van State op 2 november 2022 uitspraak in de zaak over het project Porthos ten aanzien van de bouwvrijstelling.
Deze bouwvrijstelling hield in dat stikstofemissie tijdens de bouwfase niet meer afzonderlijk hoeft te worden onderzocht en beoordeeld. In voorliggend project is initieel rekening gehouden met het blijven bestaan van de bouwvrijstelling. Na bekendmaking van de uitspraak op 2 november 2022 is het uitgangspunt in dit planMER gewijzigd. Hierdoor is de stikstofemissie in de aanlegfase van het voornemen wel van belang. Hier is echter in het opzetten van de effectanalyses geen rekening mee gehouden, waardoor de effectanalyse beperkt is tot een inschatting zonder kwantitatieve onderbouwing. Bij de verdere ontwikkeling van wind- en zonprojecten dient nadrukkelijk wel rekening gehouden te worden met de effecten van stikstofemissie. Een AERIUSberekening geldt hierbij als voorwaarde.
Tabel 6.7 Beoordelingsschaal stikstofeffecten op Natura 2000 Stikstofeffecten op Natura 2000
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie door te hoge tijdelijke of permanente stikstofemissie. De effecten zijn significant en hebben impact op de instandhoudingsdoelstellingen
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie door een te hoge tijdelijke of een permanente projectbijdrage. Er is mogelijk sprake van een effect op het natuurgebied, maar dit leidt niet tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verandering van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen ten opzichte van de referentiesituatie. De stikstofdepositie die optreedt tijdens de aanlegfase leidt op voorhand niet tot significante gevolgen
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Overige effecten op Natura 2000 De overige effecten op Natura 2000 zijn onder te verdelen in fysieke effecten en overige effecten. Fysieke effecten op Natura 2000 Fysieke milieueffecten, zoals oppervlakteverlies van leefgebied en versnippering, zijn relevant als er werkzaamheden in of nabij een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd. Effecten als oppervlakteverlies en versnippering treden op door ruimtebeslag in Natura 2000-gebied of door het verlies van essentieel foerageergebied van toegewezen soorten buiten het Natura 2000-gebied. Verstoring (door licht, geluid,
86 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
trilling of optische verstoring) kan optreden door zowel activiteiten binnen als buiten een Natura 2000gebied. Voor een ruimtelijke ontwikkeling nabij Natura 2000-gebieden moet onderzocht worden in welke mate de werkzaamheden zorgen voor een aantasting of verstoring van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Wanneer effecten op de aangewezen habitattypen of soorten kunnen leiden tot het potentieel niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen is nader onderzoek nodig. De nodige onderzoeken zijn een voortoets, mogelijk aangevuld door een Passende Beoordeling en een vergunning vanuit de Wet Natuurbescherming (Wnb). In het geval de Passende Beoordeling geen uitsluitsel geeft over de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, kan geen vergunning verkregen worden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn (de ‘ADC-criteria’1). In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Bij ruimtebeslag in Natura 2000-gebieden of buiten Natura 2000-gebieden maar in het leefgebied van beschermde soorten behorend tot de doelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen significant negatieve effecten niet worden uitgesloten.
Hierdoor is niet met zekerheid te zeggen dat er een vergunning verkregen kan worden. Deze gevallen worden als sterk negatief (--) beoordeeld. Activiteiten buiten Natura 2000-gebieden leiden niet tot oppervlakteverlies of versnippering, maar kunnen wel leiden tot verstoring. Nader (veld)onderzoek moet uitwijzen wat de ernst van deze verstoring is in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Omdat geen sprake is van ruimtebeslag en directe effecten op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten, worden activiteiten nabij Natura 2000-gebieden als negatief (-) beoordeeld. Als negatieve effecten uitgesloten kunnen worden, wordt neutraal (0) beoordeeld. Overige effecten op Natura 2000 Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging, verontreiniging, verzoeting of verzilting kunnen veroorzaakt worden door werkzaamheden. Bij de aanleg van windturbines vinden diepe boringen en bemaling plaats, wat kan leiden tot veranderingen in bodem en grondwater. Door doorboring van de kleilaag kan bijvoorbeeld de aanwezige kwelstroom aangetast worden. Zout grondwater van elders kan worden verspreid of meer aan het oppervlak worden gebracht, wat een negatief effect kan hebben op Natura 2000-gebieden. Dit effect heeft niet altijd invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied.
Als er een risico ontstaat op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling, is dit een sterk (--) negatief effect. Als er geen significant effect op de instandhoudingsdoelstelling verwacht wordt, is dit een negatief (-) effect. Als negatieve effecten uitgesloten kunnen worden, wordt neutraal (0) beoordeeld. Een (sterk) positieve beoordeling is niet van toepassing, omdat er geen positief effect op Natura 2000 ten opzichte van de referentiesituatie is verwacht. Tabel 6.8 toont de beoordelingsschaal voor invloed op overige effecten op Natura 2000.