Bijlage 3 Definitief PlanMER GODE Waalwijk
Tekst van het document
Afbeelding 4.6 Bodemtypen zoekgebied (bron: provincie Noord-Brabant)
Op basis van boormonsterprofielen van het DINOloket (Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond), verspreid in het zoekgebied, blijkt dat over het algemeen de toplaag bestaat uit klei, gevolgd door veen en zand. Trillingen Trillingen kunnen optreden tijdens zowel de aanlegfase als de exploitatiefase. Optredende trillingsintensiteiten gedurende de gebruiksfase zijn onder andere afhankelijk van weer en wind. Met betrekking tot trillingen geldt dat deze verder reiken in een harde bodem dan in een zachte bodem. Het bodemtype dat het meest voorkomt in het zoekgebied is, zoals te zien op afbeelding 4.6, zeeklei- en rivierklei. Dit is een bodemtype dat kan worden getypeerd als zachte bodem. In de referentiesituatie zijn er geen objecten aanwezig waarvan bekend is dat deze zorgen voor tijdelijke en/of permanente trillingen. Wel zijn er in het zoekgebied trillingsgevoelige functies aanwezig, zoals woningen, maar ook dijklichamen. In de hierop volgende paragrafen wordt hierop ingegaan en wordt de ligging ervan aangegeven.
30 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
4.4.2
Referentiesituatie water
Grondwater In het zoekgebied bevinden zich geen waterwingebieden. Wel is er een beschermingszone voor rivierwaterwinning. Ook ligt er een boringsvrije zone ten noordwesten van het industriegebied Haven ter behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. De maximale boordiepte bedraagt hier 30 m. In het gehele zoekgebied kwam in het begin van de vorige eeuw nog kwelwater naar boven, afkomstig uit de hogere zandgronden rondom de Loonse en Drunense Duinen1. Door aantasting van het watersysteem en veranderingen in landgebruik komt kwel tegenwoordig alleen nog grootschalig voor ten zuiden van het zoekgebied, rondom natuurgebied Langstraat, en in het oosten van het zoekgebied, rondom de Baardwijkse Overlaat en het Drongelens Kanaal2. Deze kwelstromen worden beschermd door rivierkleilagen die zich vlak onder het maaiveld bevinden. Bij het verstoren van deze lagen door boringen in de bodem kan het drukverschil dat nodig is voor het omhoog brengen van kwelwater aangetast worden, waardoor de kwelstroom verminderd. Het verstoren van dit drukverschil kan ook gevolgen hebben voor de stabiliteit van dijken. Waterkeringen Binnen het zoekgebied liggen verschillende waterkeringen.
Hierin kan onderscheid gemaakt worden tussen primaire waterkeringen, die beschermen tegen het water uit de grote rivieren, en regionale keringen, die beschermen tegen binnenlandse wateren, zoals bijvoorbeeld meren en regionale rivieren. Beide typen keringen moeten aan veiligheidseisen voldoen, waarvan die voor primaire keringen strikter zijn. Om keringen te beschermen tegen ongewenste effecten zijn beschermzones A en B aanwezig rondom de kernzone, waar extra regels gelden voor het bebouwen van de oppervlakte. Beschermzone A beschermt de directe invloedszone van de dijk. Beschermzone B beschermt de dijk tegen invloeden van grootschaliger handelen en kent mildere regels vanuit de Keur. In het zoekgebied ligt een primaire waterkering (langs Bergsche Maas en Oude Maasje) en een doorstroomgebied3 (Stroomvoerend regime Overdiepse Polder). Daarnaast zijn er enkele regionale waterkeringen in het gebied (zie afbeelding 4.7). Twee (delen van) regionale waterkeringen hebben een verbeteropgave. Deze waterkeringen onder beheer van Waterschap Brabantse Delta zijn afgekeurd, waardoor hier een potentieel verhoogd veiligheidsrisico geldt. Deze keringen moeten in 2023 weer voldoen aan veiligheidseisen4. De primaire waterkering langs de Bergsche Maas tussen het Drongelens Kanaal en Heusden in beheer van Waterschap Aa en Maas kent eveneens een verbeteropgave.
Hier zijn nog geen concrete plannen voor gemaakt. Beheerders zijn wettelijk verplicht om waterkeringen te onderhouden, zodat deze aan de normen voldoen. De genoemde verbeteropgaven worden in het planMER daarom niet als extra risico meegenomen.
1
Provincie Noord-Brabant. Brabant Waterland, watersystemen in beeld, april 2007.
2
Kwel- en infiltratiekaart van Provincie Noord-Brabant, te raadplegen via: https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html.
3
Een doorstroomgebied is een gebied dat onderdeel is van het rivierbed. Dit gebied is onder de waterwet beschermd als onderdeel van het watersysteem. In dit gebied mag doorstroming van water niet belemmerd worden.
4
Waterschap Brabantse Delta, geraadpleegd op 29-03-2023 via https://www.brabantsedelta.nl/onzedijken.
31 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.7 Overzicht van waterkeringen en doorstroomgebieden in het zoekgebied
4.4.3
Referentiesituatie natuur
Op basis van een eerste ecologische scan (zie bijlage IV) is onderzocht welke beschermde natuurwaarden (gebieden en soorten) in en rond het zoekgebied voorkomen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden van Natura 2000, beschermde gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB), overige beschermde gebieden en onder de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde soorten. Afbeelding 4.8 toont de ligging van Natura 2000-gebieden, NNB en de ecologische verbindingszones.
32 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.8 Overzicht van natuurgebieden in en nabij het zoekgebied
Natura 2000 In en rondom het zoekgebied bevinden zich verschillende typen natuurgebieden. In het zoekgebied zelf bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Wel ligt Habitatrichtlijngebied ‘Langstraat’ op relatief korte afstand (<350 m) van het zoekgebied. Andere Natura 2000-gebieden die in de buurt van het zoekgebied liggen zijn Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Biesbosch’ ten noordwesten, Habitatrichtlijngebied ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ ten noorden en Habitatrichtlijngebieden ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ ten zuidoosten van het zoekgebied (zie afbeelding 4.9). De volgende paragrafen bieden kenschetsen voor de Natura 2000-gebieden Langstraat en Biesbosch met inzicht in de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Deze gebieden worden beschreven vanwege de verwachte relatie tussen de doelstellingen van het gebied en de voorgenomen realisatie van windenergie. Zo kent Natura 2000-gebied de Biesbosch een vogeldoelstelling en Natura 2000-gebied Langstraat is gevoelig voor stikstof.
33 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.9 Overzicht Natura 2000-gebieden rondom het zoekgebied
Langstraat De Langstraat bij Sprang-Capelle bestaat uit een aantal natuurterreinen (het Labbegat, de Dullaert, Den Dulver en de Hoven) op de grens van de zandgronden, het rivierengebied en zeekleigronden. Het gebied is een ontgonnen laagveenvlakte en een restant van een oud slagenlandschap met zeer lange en smalle graslanden, begrensd door elzenhagen. Het gebied bestaat uit sloten, trilvenen, schrale en soortenrijke graslanden, zeggenmoerassen en plaatselijk vochtige heide. Ook zijn er verschillende veenplassen en wielen aanwezig. In Den Dulver ligt een eendenkooi. Voor dit gebied gelden instandhoudingsdoelstellingen, waarvan tien voor habitattypen en twee voor habitatsoorten, zie tabel 4.2. Van deze instandhoudingsdoelstellingen zijn vijf habitattypen toegevoegd in een ontwerpwijzigingsbesluit. Deze habitattypen maken nog geen onderdeel uit van het juridisch vastgelegde aanwijzingsbesluit of beheerplan voor het Natura 2000-gebied, maar zijn zekerheidshalve wel meegenomen in dit document. De reden hiervoor is dat gedurende het planMER het ontwerpwijzigingsbesluit vastgesteld kan worden en er zo ten tijde van het indienen van een eventuele vergunningaanvraag geen omissies bestaan met betrekking tot deze habitattypen.
34 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 4.2 Overzicht instandhoudingsdoelstellingen Langstraat Habitattype/Habitatrichtlijnsoort
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
zwakgebufferde vennen
=
=
kranswierwateren
=
=
meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
=
=
vochtige heiden (hogere zandgronden)
=
=
blauwgraslanden
>
>
ruigten en zomen (moerasspirea)
=
=
overgangs- en trilvenen (trilvenen)
>
>
overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
>
>
pioniersvegetaties met snavelbiezen
=
=
kalkmoerassen
>
>
Habitatrichtlijnsoorten
Doelstelling omvang leefgebied
Doelstelling kwaliteit leefgebied
grote modderkruiper
=
=
kleine modderkruiper
=
=
=
Behoudsdoelstelling
>
Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
Biesbosch Natura 2000-gebied de Biesbosch, ten noordwesten van Waalwijk, is een zoetwatergetijdegebied met rietmoerassen, vochtige bossen en graslanden. Dit gebied is aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied, met instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen, habitatsoorten en (niet-) broedvogelsoorten. Vanwege de grote afstand tot het zoekgebied, zijn vooral vogelsoorten van belang voor dit planMER. Het leefgebied van de aangewezen beschermde vogelsoorten die kenmerkend zijn voor dit gebied reikt namelijk verder dan alleen de grenzen van het natuurgebied. De broedvogel bruine kiekendief heeft bijvoorbeeld een foerageergebied van zeven kilometer rondom zijn nestplaats1. Daarnaast leven hier andere niet-broedvogels, zoals de zeearend en visarend, met grote foerageergebieden. Natuur Netwerk Brabant Binnen het zoekgebied bevinden zich verschillende gebieden van het natuurnetwerk van de provincie Noord-Brabant (NNB). Belangrijke onderdelen van het NNB binnen en in de directe omgeving van het zoekgebied zijn verschillende watergangen (Bergsche Maas, Oude Maasje, Zuiderkanaal, Drongelens Kanaal), een gedeelte van de oeverzones langs de watergangen, de Natura 2000-gebieden Langstraat en Loonse en Drunense Duinen en omgeving, en het poldergebied tussen Elshout en Heusden.
Natuurbeheertypen die veel voorkomen zijn kruiden- en faunarijk grasland, beken en bronnen, rivieren, droog en nat productiebos, en bloemdijken. Ook zijn er langs het Oude Maasje enkele dynamische moerassen te vinden. De grootschalige beheertypen in en langs de rivieren worden gekenmerkt door vegetatietypen en insecten, zoals vlinders. De kleinere bosrijke delen van het NNB binnen het zoekgebied bieden potentieel het juiste leefgebied voor verschillende broedvogels als de blauwborst, specht en wielewaal. Verschillende delen van het NNB worden met elkaar verbonden via ecologische verbindingszones. Deze zones zijn vaak onderdeel van het NNB en hebben als doel om flora en fauna te ondersteunen in migratie over land. Net als bij Natura 2000-gebieden is voor NNB toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden van toepassing. Dit betekent dat ontwikkelingen die plaatsvinden buiten NNB wel getoetst moeten worden op effecten voor NNB.
1
RVO. (2017). Natura 2000-beheerplan Biesbosch (112). Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
35 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Overige natuurgebieden Overige provinciaal beschermde gebieden als weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden, natte natuurparels en stiltegebieden zijn niet aanwezig in of direct nabij het zoekgebied. Wel liggen rondom het Oude Maasje en ten oosten van het Drongelens Kanaal gebieden die aangemerkt zijn als Groenblauwe Mantel. Deze gebieden zijn zones van multifunctioneel cultuurlandschap rond het NNB. Ze dienen als buffer tegen invloeden van buitenaf en versterken de ruimtelijke samenhang van het NNB. Het betreft geen natuurareaal. De realisatie van deze gebieden vindt plaats op basis van nieuwe economische dragers voor het platteland1, waar duurzame energie een passend onderdeel van kan zijn. Op gemeentelijk niveau is er geen beleid rondom weidevogels of natuur. Wel beschermt de gemeente weidevogels in delen van het buitengebied door activiteiten die het foerageergebied voor weidevogels beperken in het ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ te reguleren. Beschermde soorten In het zoekgebied en de directe omgeving hiervan zijn verschillende onder de Wnb beschermde soorten te verwachten. In bijlage IV is een ecologische QuickScan opgenomen met daarin een volledige lijst van beschermde soorten die in het zoekgebied zijn waargenomen, op basis van data uit de Nationale Database voor Flora en Fauna (NDFF). Deze data zijn verzameld door individuele waarnemers.
Hierdoor is de NDFFdata over het voorkomen van beschermde soorten slechts indicatief, er is een sterk waarnemerseffect2 aanwezig. Buiten de gebieden waar soorten waargenomen zijn kunnen ook beschermde natuurwaarden aanwezig zijn. De daadwerkelijke effecten op beschermde soorten zijn pas bekend wanneer de juiste ecologische onderzoeken zijn uitgevoerd in het gehele zoekgebied. Momenteel loopt er een uitgebreid onderzoek naar vleermuizen. Ook komt er een uitgebreid onderzoek naar wintergasten en broedvogels. De onderzoeken worden uitgevoerd door Waardenburg Ecology. De resultaten worden betrokken bij de vaststelling van het voorkeursalternatief, welke wordt vastgelegd in de ruimtelijke visie. Op basis van de NDFF-data lijken vleermuizen (soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) met name voor te komen binnen de bebouwde kom van Waalwijk en in het oostelijke gedeelte van het zoekgebied. Verder zijn binnen het zoekgebied een aantal potentieel belangrijke landschapselementen voor vleermuizen (bijvoorbeeld als essentieel onderdeel van foerageergebied of vliegroute) geïdentificeerd (zie bijlage IV). Het zoekgebied bevindt zich verder op basis van de windparkgevoeligheidskaarten van SOVON3 globaal in een zone met een lage tot gemiddelde kans op negatieve effecten van windturbines op (niet-)broedvogels.
De kans op de aanwezigheid van belangrijke trekroutes in dit gebied ligt volgens de kaart onder het Nederlands gemiddelde. Verspreid over het zoekgebied zijn nest-indicerende waarnemingen bekend van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is onder de Wnb. In stedelijk gebied betreft het waarnemingen van vogelsoorten, zoals huismus (gebouwbewonend), roek en ooievaar. In het buitengebied gaat het om boombroeders; met name buizerd, maar ook bijvoorbeeld havik, sperwer en steenuil. Hoewel er in het grootste deel van het zoekgebied geen bekende waarnemingen zijn van jaarrond beschermde nesten, kunnen deze wel voorkomen, met name in grotere bomen (bijvoorbeeld buizerd, sperwer, ransuil) en in woonhuizen en boerderijen (bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw). Weidevogelbeschermingsgroep Waalwijk e.o. onderzoekt de stand van de weidevogelpopulatie in Waalwijk. Op afbeelding 4.10 is zichtbaar in welke gebieden voornamelijk waarnemingen worden gedaan van weidevogels.
1
Agricola, H. J., Goosen, H., Opdam, P. F. M., & Smidt, R. A. (2010). Kansrijke gebieden voor groenblauwe mantels in de provincie Noord-Brabant. (Alterra-rapport; No. 2005). Alterra. https://edepot.wur.nl/222948.
2
Karakteristiek aan NDFF-data is een sterk waarnemerseffect, met typisch meer waarnemingen van aantrekkelijke of aparte soorten dan van meer gewone soorten, veel meldingen van eenzelfde opvallende groep en een voorkeur voor mooie en toegankelijke locaties.
3
SOVON is het kenniscentrum voor verspreiding en trends van in het wild levende vogels in Nederland.
36 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.10 Gebieden in het zoekgebied voor windenergie waar veel weidevogels voorkomen (bron: weidevogelvereniging)
4.4.4
Referentiesituatie landschap, cultuurhistorie en archeologie
Het landschap van Waalwijk is onder te verdelen in vier landschappelijke zones (bron: Structuurvisie Waalwijk 2025). De vier zones zijn weergegeven op afbeelding 4.11. - de uiterwaarden van de Bergsche Maas; - de komkleigronden (de polders); - de veengronden; - de zandgronden. In bijlage II is een landschapsanalyse opgenomen met een uitgebreide beschrijving van het landschap in het zoekgebied.
37 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.11 Landschappen van Waalwijk (Structuurvisie, 2025)
Het zoekgebied beslaat de eerste twee landschapstypen: de uiterwaarden en de kleigronden. De kleigronden zijn verder onderverdeeld in de Overdiepse Polder, de Polder Waalwijk en de Baardwijkse Overlaat (Afbeelding 4.11). In tabel 4.3 zijn de ruimtelijke kwaliteiten per landschappelijke eenheid opgenomen. De te behouden kenmerken (zoals openheid, grootschaligheid en de regelmatige, strakke opbouw van het gebied), de op verschillende schaalniveaus spelende eenheden en structuren, ordenende structuren en de beleving van het landschap vanaf de A59 en kernen en buurtschappen zijn belangrijke landschappelijke uitgangspunten.
38 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 4.3 Ruimtelijke kwaliteiten per landschappelijke eenheid Landschappelijke eenheden
Openheid en beleving door waarnemers
Landschappelijke samenhang
Functionele samenhang
Schaal van het landschap
Maas en uiterwaarden
de openheid van de uiterwaarden
de Bergsche Maas als belangrijke hoofdstructuur
cultuurhistorisch waardevol (op CHW van provincie Noord-Brabant1)
de zichtlijnen vanaf de dijk als balkon richting Maas, panorama van het rivierengebied
de zomerdijk, parallel aan de rivier
minder grootschalig karakter door smalle breedte van de uiterwaarden
functionele, strakke percelering loodrecht op het water van de rivier
in gebruik voor zowel landbouw als natuur; deels als weidegronden (hooilanden) en deels als natuurgebied (Gansooiense en Capelsche Uiterwaard)
bomen op de zomerdijk nabij de jachthaven ’t Stukske Polder Waalwijk
openheid (‘de leegte in de lage polder’)
herkenbaarheid van de oorspronkelijke (noordzuid) slagenverkaveling
lange zichtlijnen in oost-west richting, vanaf de dijken zuidwaarts op de dek-zandrug en vanaf de A59 in noordelijke richting Overdiepse Polder
openheid lange zichtlijnen
industrieel karakter door nabijheid bedrijventerrein Haven (westzijde) en bedrijventerrein Maasoever-Scharlo
grootschalig landschap
verspreid liggende boerderijen aan een viertal wegen
de inklemming tussen (de dijken van) de Bergsche Maas en de Oude Maas
geen samenhang met windturbines
grootschalig landschap
de Baardwijkse Overlaat is cultuurhistorisch waardevol (op CHW van provincie Noord-Brabant) omdat het sinds 1766 onderdeel van het systeem van de Beerse Maas is en nog steeds herkenbare elementen bezit
minder grootschalig karakter van Baardwijkse Overlaat
‘Oogvormige’ polder, met in het noorden de gebogen zomerdijk en in het zuiden de eveneens bedijkte Oude Maas ruime percelering/grote kavels. Voorheen zeer lange smalle kavels in noord-zuid richting overstromingsgebied aan zuidzijde terpen met boerderijen, allen met dezelfde voetprint Baardwijkse Overlaat
de openheid aan de oostzijde van het kanaal
het kanaal met aan beide zijden dijken is een bijzondere landschappelijke corridor
lange zichtlijnen over het kanaal
1
CHW Noord-Brabant verwijst naar de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. De CHW is vastgesteld in 2010 en op onderdelen aangepast in 2016.
39 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Landschappelijke eenheden
Openheid en beleving door waarnemers
Landschappelijke samenhang
Functionele samenhang
Schaal van het landschap
industrieel karakter door nabijheid bedrijventerrein Haven (oostzijde)
Cultuurhistorie Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant In de Wet milieubeheer (art. 1.1 lid 2, onder a) is bepaald dat onder gevolgen voor het milieu, ook de gevolgen vanuit het belang van bescherming van cultuurhistorische waarden wordt verstaan. De provincie Noord-Brabant heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart1 opgesteld in 2010, welke in 2016 is herzien. Binnen het zoekgebied liggen twee cultuurhistorisch waardevolle gebieden met een provinciaal belang. Dit zijn de Baardwijkse Overlaat en de Bergsche Maas. De Baardwijkse Overlaat wordt als volgt omschreven: ‘Het gebied van de Baardwijkse Overlaat, sinds 1766 onderdeel van het systeem van de Beerse Maas, heeft tal van waterstaatkundige elementen die een fascinerend beeld geven van 800 jaar waterbeheer’. Voor de Bergsche Maas geldt de volgende omschrijving: ‘De Bergsche Maas is een gegraven deel van de Maas, aangelegd om de Maas een eigen monding te geven en de Waal en de Maas van elkaar te scheiden’. Cultuurhistorische themakaart gemeente Waalwijk In 2010 is de bestaande cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Waalwijk geactualiseerd2. In het zoekgebied komen de volgende cultuurhistorische waarden voor: dijken, kades, verdwenen en bestaande vaarten, verdwenen batterij, verdwenen kade, een gemeentelijk monument, verdwenen kasteel, kanaal en overlaat (afbeelding 4.12).
1
Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, geraadpleegd op 22-08-2022 via https://www.brabant.nl/onderwerpen/erfgoed/erfgoed/erfgoed-en-ruimte/cultuurhistorische-waarden-in-brabant.
2
Actualisering erfgoedkaart gemeente Waalwijk, geraadpleegd op 22-08-2022 via waalwijk.nl.
40 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.12 Cultuurhistorische themakaart Waalwijk1
Daarnaast ligt in het zoekgebied één Rijksmonument (monumentnummer 38197). Dit betreft het voormalige Rijksstoomgemaal en Uitwateringssluis bij de mond van het Drongelens Kanaal. Het gemaal en het sluizencomplex is in 1896 - 1898 gebouwd in het kader van de aanleg van de nieuwe Maasmond (Bergsche Maas). Het is een uniek complex waterstaatkundige werken uit het laatste van de 19e eeuw. De bemalingsinstallatie is de enige in haar soort in Nederland. Bekende en verwachte archeologische waarde In het zoekgebied zijn wettelijk beschermde archeologische monumenten aanwezig (categorie 1 van afbeelding 4.13, voor betekenis zie tabel 4.4). Een bekend archeologisch waardevol gebied (categorie 2) komt eveneens voor, dit is een historische kern aan de Scharlo.
1
Brugman, B. A. & Simons, M. (2010, oktober). Actualisering erfgoedkaart gemeente Waalwijk. Via waalwijk.nl.
41 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 4.4 Toelichting bekende archeologische waarde Bekende waarden
Toelichting
Categorie beleidskaart
wettelijk beschermd archeologisch monument
rijksbeschermde archeologische terreinen (ex artikel 3 van de Monumentenwet)
categorie 1
archeologisch waardevol: -historische kern -kasteel, molen en klooster
cultuurhistorische elementen en terreinen (bewoningslinten) met (een hoge verwachting op) archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (‘jonge archeologie’; relatie cultuurhistorie/monumenten)
categorie 2
verdwenen Kasteel, molens, Retranchementen en Batterijen
verdwenen Kasteel en Molens waarvan de locatie op dit moment niet exact bekend is; Verdwenen cultuurhistorische elementen en terreinen waarvan de locatie met behulp van historisch kaartmateriaal bepaald is
categorie 3
Gebieden met hoge, gematigde, lage en geen archeologische verwachting komen eveneens voor in het zoekgebied. Tabel 4.5 geeft een toelichting van de verschillende verwachtingswaarden.
Tabel 4.5 Toelichting archeologische verwachtingswaarde Verwachting
Toelichting
Categorie beleidskaart
hoog
landschappelijke eenheden (jongere beddinggordels/stroomruggen) met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden
categorie 3
gematigd
landschappelijke eenheden (droge gooreerdgronden, moerige podzolgronden, veldpodzolgronden, liedeerdgronden, overslaggronden, zavelige polder- en ooivaaggronden, lage oeverwallen, terras- en getijafzettingswelvingen) met een gematigde kans op het aantreffen van archeologische waarden
categorie 4
laag
landschappelijke eenheden (overige veengronden, overige vaaggronden, vergraven en opgehoogde gronden, ontgonnen veenvlakte, getij- en riviervlakte, vlakte van verspoeld dekzand) met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden
categorie 5
geen
zones waar het bodemarchief is verstoord of al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden
categorie 6
42 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.13 Archeologiekaart: Archeologische beleidskaart
4.4.5
Referentiesituatie veiligheid en infrastructuur
(Beperkt) kwetsbare objecten en overige risicobronnen Binnen het zoekgebied liggen verschillende bronnen die een verhoogd veiligheidsrisico kunnen opleveren (zie afbeelding 4.14). Het zoekgebied wordt van oost naar west doorsneden door een bovengrondse hoogspanningsverbinding, bij het industrieterrein ten noorden van Waalwijk liggen buisleidingen, en door het hele gebied zijn er verschillende opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen als ammoniak, benzine en gassen. Twee bedrijven op het bedrijventerrein ten noorden van de kern Waalwijk, DSM en Stahl, zijn BRZObedrijven. Dit zijn bedrijven waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opgeslagen liggen boven een bepaalde drempelwaarde. Voor deze bedrijven geldt een extra groot veiligheidsrisico. Ten zuiden van het zoekgebied loopt de A59, verder liggen er in het zoekgebied hoofdwegen, lokale wegen en straten. In het zoekgebied bevinden zich ook verschillende objecten en gebieden die kwetsbaar, of beperkt kwetsbaar zijn volgens het besluit externe veiligheid inrichtingen. Op de industrieterreinen zijn kantoren gevestigd, en er zijn verschillende havens waar overnacht kan worden. Ook zijn er woningen in het gebied, die als beperkt kwetsbaar worden gezien, vanwege de ligging in het buitengebied.
43 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.14 Overzicht aanwezige risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten in het zoekgebied
Defensie en overige radar en laagvliegverkeer Het zoekgebied is gelegen binnen een toetsingsgebied voor radarverstoring waarvoor geldt dat bij hoogbouw van meer dan 90 m ten opzichte van NAP getoetst moet worden of het plan geen onaanvaardbare risico’s vormt voor de radardekking in het gebied (afbeelding 4.15, lichtblauw). Daarnaast ligt het noordoostelijk deel van het zoekgebied binnen het radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Herwijnen (binnen vijftien kilometer vanaf het radarstation, afbeelding 4.15, groen). Bij het aanbrengen van nieuwe windturbines dit gebied moet daarom getoetst worden of dit geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de radardekking. Dit is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Het uitgangspunt voor dit thema is dat het nieuwe radarstation van Defensie (Herwijnen) is gerealiseerd.
Afbeelding 4.15 Radarverstoringsgebied op kaart (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
44 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
In de ‘Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters’ zijn binnen het zoekgebieden gebieden aangewezen voor gebruik door Defensie. Dit zijn de volgende: - het laagvlieggebied Maas en Waal; - oefengebieden externe blusinstallatie helikopters, Bergsche Maas 1, en 2. Daarnaast ligt het oefengebied externe blusinstallatie helikopters Bergsche Maas 3 direct ten noordoosten van het zoekgebied. Voor bovenstaande gebieden geldt een minimale vlieghoogte van minimaal 30 m boven hindernissen of zoveel lager als voor het doel van de vlucht noodzakelijk is. In de praktijk worden deze gebieden gebruikt voor laagvliegoefeningen (tot op maaiveldhoogte) door Defensie. Ten zuiden van de A59 liggen twee zogenoemde ‘initial points’. Vanuit onder andere vliegbasis Gilze-Rijen vliegen de helikopters tot deze twee punten (in een corridor van ongeveer één kilometer breed) richting het laagvlieggebied Maas en Waal1. Vanaf de ‘initial points’ vliegen de helikopters vervolgens naar het laagvlieggebied, met inachtneming van de regels uit de ‘Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFRvluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters’. De helikopters dalen van een hoogte van ongeveer 300 m af tot maaiveldhoogte in de oefengebieden.
In dit planMER wordt de term ‘aanvliegroutes’ aangehouden voor de genoemde vliegbewegingen van de ‘initial points’ tot het laagvlieggebied. Deze aanvliegroutes zijn niet vastgelegd in de genoemde VFR-regeling, maar in zogenaamde NOTAMs (Notice to Airmen). Defensie heeft aangegeven dat deze aanvliegroutes het resultaat zijn van een zorgvuldig proces en dat het niet wenselijk is de aanvliegroutes te moeten heroverwegen en/of heronderhandelen. Afbeelding 4.16 toont de kaart met de vliegbewegingen van helikopters van Defensie in januari en februari 2023. Afbeelding 4.17 toont de overige laagvlieggebieden en een vertaling van de vliegroutes uit afbeelding 4.16.
Afbeelding 4.16 Vliegbewegingen van het DHC in januari en februari 2023
1
De ligging van de ‘initial points’ en de vliegbewegingen zijn afgestemd met Defensie.
45 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.17 Referentiesituatie Defensie: oefengebieden, gebieden die bestemd zijn voor laagvliegverkeer en geïndiceerde vliegbewegingen van Defensie
Ontplofbare oorlogsresten In de periode 1940 - 1945, tijdens de Tweede Wereldoorlog, hebben zich op diverse locaties in de gemeente Waalwijk oorlogshandelingen voorgedaan. Als gevolg van deze oorlogshandelingen kunnen op bepaalde locaties ontplofbare oorlogsresten (OO) of delen daarvan in de bodem voorkomen. Uit de NGE1-risicokaart blijkt dat na de Tweede Wereldoorlog voor het gehele gemeentelijk grondgebied sprake is van een verhoogde kans op aanwezigheid van OO. Op basis van de soort munitie kan de gemeente Waalwijk in twee gebieden worden opgedeeld, namelijk een noordelijke zone tussen de Bergsche Maas en de A59 en een zuidelijke zone ten zuiden van de A592. In het zoekgebied hebben voornamelijk rondom het Kapelsche Veer de meest intensieve gevechtshandelingen plaatsgevonden. In deze zone liggen OO-risicogebieden die verdacht zijn op onder meer geschutmunitie, afwerpmunitie, mijnen en luchtgronddoelraketten. In het grootste deel van dit gebied kunnen OO door de bodemopbouw tot ongeveer 2,5 m -mv in de bodem zijn gedrongen, afhankelijk van onder andere het soort en kaliber OO kunnen in enkele risicogebieden OO tot ongeveer 7 m -mv aanwezig zijn. Dit is weergegeven op afbeelding 4.18.
1
NGE = Niet-gesprongen explosieven, tegenwoordig wordt gesproken over Ontplofbare Oorlogsresten, ook wel afgekort tot OO.
2
Beleidsnota Omgaan met niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog, vastgesteld op 23 maart 2017.
46 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 4.18 Referentiesituatie risico op aanwezigheid ontplofbare oorlogsresten2
4.4.6
Referentiesituatie leefomgeving
Een gezonde inrichting van de leefomgeving bevorderd de gezondheid. Een gezonde leefomgeving is een omgeving die bewoners prettig ervaren, waar gezonde keuzes makkelijk en logisch zijn, en waar negatieve invloed op de gezondheid zo klein mogelijk is. Onderzoek van de Brabantse GGD’s1 wijst uit dat 12 % van de bewoners tussen 18 en 64 jaar in gemeente Waalwijk zich zorgen maakt over de invloed van de omgeving op de gezondheid. Dit komt bijvoorbeeld door het ervaren van geluidshinder. 24 % van de bewoners ervaarde in 2021 ernstige geluidshinder, en 8 % van de bewoners ervaart door geluidshinder verstoring van nachtrust. Inwoners maken zich nog meer zorgen over luchtkwaliteit dan over geluid. Uit het onderzoek van de Brabantse GGD’s blijkt dat 27 % van de volwassen inwoners van Waalwijk zich zorgen maakt over blootstelling aan fijnstof. Dit betekent niet dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door geluidbelasting of aanwezige stoffen, ook daadwerkelijk ondermaats is. Uit het onderzoek blijkt dat inwoners ook nadelige gezondheidseffecten kunnen ervaren door stress, veroorzaakt door zorgen om de leefomgeving. Uit de zienswijzen op de NRD blijkt dat inwoners zich ook zorgen maken over de effecten van windenergie op hun omgeving.
Thema’s als geluidbelasting, geluid in cumulatie, straling, luchtkwaliteit en de effecten van eroderende microplastics zijn in zienswijzen benoemd. Met het behandelen van al deze thema’s geeft dit planMER een compleet beeld van de effecten die windturbines in een worstcasescenario hebben op de leefomgeving. Hiervoor is het belangrijk om eerst de huidige staat van de leefomgeving te kenschetsen. Omdat in de referentiesituatie uitgegaan wordt van het verwijderen van de vier huidige windturbines, is de invloed van huidige windturbines op de leefomgeving niet meegenomen.
1
BrabantSCAN GGD. (2020). https://brabantscan.nl/dashboard/volwassenen--18--jaar-/fysieke-leefomgeving.
47 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Geluidbelasting Het zoekgebied voor windenergie ligt in het buitengebied van gemeente Waalwijk. In het zoekgebied en in de omgeving liggen verschillende geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, kantoren en logies. Rondom het zoekgebied liggen woonkernen. De huidige geluidbelasting in het gebied wordt voornamelijk veroorzaakt door wegverkeer en industrie. Bij sommige gevoelige bestemmingen zorgt dit al voor een slechte tot zeer slechte leefomgeving (zie afbeelding 4.19). Dit is voornamelijk zo op de industrieterreinen in het zoekgebied en langs hoofdinfrastructuur, zoals de A59, buiten het zoekgebied. Dit zijn locaties dicht bij de huidige geluidsbronnen. Als input voor afbeelding 4.19 is de kaart ‘Geluid in Nederland’ uit de Atlas Leefomgeving gecategoriseerd. Dit is gedaan door het toepassen van de Methode Miedema. Dit is een veelgebruikte methode om op een kwalitatieve manier de belasting door cumulatie van geluid te beoordelen. Bij deze methode wordt de geluidbelasting in cumulatie ingedeeld in categorieën. Vervolgens wordt hier een label aan gegeven. Een overzicht van deze classificatie is opgenomen in paragraaf 6.4.6, onder kopje geluid in cumulatie. De categorieën geven aan wat de kwaliteit is van de leefomgeving op het thema geluid. Een punt geeft de locatie aan van een geluidsgevoelig object, zoals een woning, verpleeghuis of kantoorgebouw.
Afbeelding 4.19 Overzicht huidige cumulatieve geluidbelasting op gevels bepaald met Methode Miedema
Luchtkwaliteit Recentelijk onderzoek van de GGD’s uit Noord-Brabant1 geeft een goed beeld van de luchtkwaliteit in de gemeente Waalwijk. Blootstelling aan fijnstof en stikstofdioxide is in kaart gebracht. Hieruit volgt een jaargemiddelde blootstelling van 18,46 µg/m3 stikstofdioxide, 18,25 µg/m3 PM10 en 10,89 µg/m3 PM2,5 in 2019. De blootstelling in Waalwijk is, net als in geheel Noord-Brabant, hoger dan de in 2021 aangescherpte WHO-norm, maar blijft voor de onderzochte stoffen wel ruim onder de normen die de Europese Unie voorschrijft.
1
Denissen, S. (2022). Luchtkwaliteit en gezondheid in de provincie Noord-Brabant. https://www.ggdhvb.nl/app/uploads/2022/06/Onderzoek-luchtkwaliteit-en-gezondheid-in-Brabant-2022-Rapport.pdf.
48 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Bronnen van straling In het zoekgebied voor windenergie is een bovengrondse hoogspanningsverbinding aanwezig. Deze verbinding doorkruist het zoekgebied in oost-westelijke richting. Bovengrondse hoogspanningsverbindingen veroorzaken een magnetisch veld. Naast hoogspanningsverbindingen kunnen zendmasten of telefoons een bron zijn van elektromagnetische straling. Hiervan is de blootstelling aan straling van telefoons relatief hoger. Nergens in Nederland worden de blootstellingslimieten voor straling overschreden1. Veehouderijen Ook dieren kunnen hinder van milieueffecten ondervinden in hun leefomgeving. In het zoekgebied voor windenergie liggen verschillende agrarische bedrijven, waarvan 29 bedrijven dieren huisvesten. Veel van deze bedrijven zijn melkveebedrijven, maar ook schapen, paarden en vleesvee worden hier gehouden. De locaties van deze veehouderijen zijn zichtbaar op afbeelding 4.20. De locaties van veehouderijen zijn als adresgegevens aangedragen door de Omgevingsdienst.
Afbeelding 4.20 Locaties veehouderijen in het zoekgebied
4.4.7
Referentiesituatie ruimtegebruik
De opwek van duurzame energie leidt tot ruimtebeslag waardoor de inpassing van windturbines kan leiden tot oppervlakteverlies voor andere gebruiksfuncties. Het zoekgebied heeft voornamelijk een agrarische gebruiksfunctie. Het gebied ten oosten van bedrijventerrein Haven 8 vormt heeft in de huidige situatie eveneens een agrarische functie, maar is in ontwikkeling tot bedrijventerrein. Dit is toegelicht in paragraaf 4.2 en 4.3. Deze ontwikkelingen komen terug in de Structuurvisie Waalwijk uit 2016. In deze Structuurvisie is een samenhangend ruimtelijk beleid geformuleerd op hoofdlijnen dat de ambities weergeeft voor 2035 en een visie uitgewerkt voor 2025. 1
Factsheet Straling - Brabantse Omgevingsscan.
49 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
De totaalkaart is weergegeven op afbeelding 4.211.
Afbeelding 4.21 Totaalkaart Structuurvisie Waalwijk
1
Structuurvisie Waalwijk, vastgesteld op 4 februari 2016, te raadplegen via ruimtelijkeplannen.nl, NL.IMRO/0867.SVwaalwijk2025-VA01.
50 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Op de totaalkaart uit de Structuurvisie zijn een aantal belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen, waarvan een deel inmiddels is gerealiseerd ofwel in ontwikkeling/voorbereiding is. De voor de ontwikkeling van windturbines meest relevante ontwikkelingen uit de Structuurvisie zijn de volgende: - ruimte voor de rivier, ter plaatse van de Overdiepse Polder (deze ontwikkeling is afgerond); - ontwikkeling ecologische verbindingszones langs de Oude Maasje, de Bergsche Maas, het Drongelens kanaal en ten westen van zowel bedrijventerrein Maasoever-Scharlo en bedrijventerrein Haven; - zoekgebied nieuwe verbinding (inmiddels bekend als gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat West); - versterken en verbreding landbouw in de polders; - ruimtelijke reservering voor uitbreiding bedrijventerrein Haven 8-Oost en Maasoever-Scharlo. De genoemde ontwikkelingen kunnen enerzijds zorgen voor belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling van windturbines, maar bieden ook mogelijkheden voor koppelkansen. Een voorbeeld hiervan is de versterking en verbreding van de landbouw in de polders.
Daarnaast wordt in de Structuurvisie ten aanzien van duurzame opwek verwezen naar het uitbreiden van het Ecopark ten oosten van het bedrijventerrein Haven in afstemming met de toekomstige ontwikkeling van Haven 8 en/of de ecologische verbindingszone Drongelens kanaal bijvoorbeeld met efficiëntere en/of nieuwe windturbines. Dit is wederom een voorbeeld van een koppelkans waarbij de ontwikkeling van windturbines niet hoeft te worden belemmerd door de referentiesituatie met betrekking tot het huidige ruimtegebruik. Naast de grote lijnen uit de Structuurvisie, die een beeld schetsen van het zoekgebied, komen op kleinere schaal eveneens andere functies voor. Hierbij is het ‘Bestemmingsplan Buitengebied’1 als uitgangspunt genomen, aangevuld met de wijzigingen die hierop volgen door bestemmingsplanwijzigingen en verleende omgevingsvergunningen. De volgende onderdelen in de referentiesituatie worden binnen het zoekgebied mogelijk beïnvloed door de voorgenomen ontwikkelingen: - volkstuinencomplex ten westen van het Drongelens Kanaal aan de Weteringweg; - pand met een horecabestemming aan de Valkenvoortweg 20 (in maart 2022 is voor dit terrein een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een migrantencampus); - Recreatie- en kampeerboerderij aan de Valkenvoortweg 31; - jachthaven ’t Oude Maasje aan de Overdiepsekade 2 te Waspik.
Binnen een straal van 500 m rond het zoekgebied zijn drie recreatieve verblijfsfuncties geïdentificeerd: - boerderijcamping aan de Provincialeweg 6 te Doeveren (gemeente Heusden); - camping aan de Tol 2 te Drongelen (gemeente Altena); - camping aan Peerenboom 32a te Hank (gemeente Altena).
1
Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 9 december 2010 door de gemeenteraad van Waalwijk
51 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5 ALTERNATIEVENONTWIKKELING Dit hoofdstuk beschrijft het proces dat is doorlopen voor de alternatievenontwikkeling voor wind- en zonneenergie in de gemeente Waalwijk. Het hoofdstuk beschrijft hoe de alternatieven en varianten tot stand zijn gekomen en welke afwegingen per alternatief gemaakt zijn. Paragraaf 5.2 licht toe in hoeverre de alternatieven afwijken ten opzichte van de hoofdlijn voor de alternatieven, die is opgenomen in de NRD. Paragraaf 5.3 geeft een algemene toelichting op de alternatieven in het planMER en de algemene uitgangspunten voor de alternatievenontwikkeling. Paragraaf 5.4 beschrijft de te onderzoeken alternatieven voor windenergie afzonderlijk, paragraaf 5.5 doet dit voor de zonnevelden. Bijlage III Notitie Alternatievenontwikkeling geeft een meer gedetailleerd overzicht van de alternatievenontwikkeling.
5.1
Aanpak op hoofdlijnen
Voor de opwek van windenergie zijn in het planMER vijf thematische alternatieven ontwikkeld en onderzocht. Voor zonne-energie zijn twee alternatieven ontwikkeld om de milieueffecten van de potentiële locaties te bepalen. Door de alternatieven voor enerzijds windenergie en anderzijds zonne-energie met elkaar te vergelijken wordt duidelijk welke voor- en nadelen bepaalde keuzes hebben voor het milieu en wat randvoorwaarden, belemmeringen en kansen zijn bij deze plannen. Op basis van de ontwikkelde alternatieven kan de gemeente Waalwijk een voorkeursalternatief (VKA) kiezen: een alternatief of combinatie van delen van alternatieven wat de voorkeur heeft om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. In de notitie van de milieueffecten van het VKA worden vervolgens de cumulatieve effecten bij de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden onderzocht. De alternatieven hebben tot doel om gezamenlijk de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen in beeld te brengen en geschikte plaatsingszones vanuit een specifiek thema in kaart te brengen. Daarmee bieden de alternatieven inzicht in het ‘gehele speelveld’. In de praktijk vindt er echter een belangenafweging plaats op meerdere thema’s en is het mogelijk om plaatsingszones uit meerdere thematische alternatieven te combineren in het VKA.
Het doel is dus niet om één alternatief te kiezen, maar om vanuit verschillende thematische invalshoeken geschikte plaatsingszones te onderzoeken. Hierdoor kan uiteindelijk een belangenafweging over alle onderzochte thema’s worden gemaakt. Doel is om op basis daarvan besluitvorming over een VKA, bestaande uit (een combinatie van) plaatsingszones voor zowel wind- als zonne-energie mogelijk te maken. Hierdoor wordt invulling gegeven aan de opwekdoelstellingen van de gemeente Waalwijk. Hoofdstuk 9 geeft een aanzet voor de integrale afweging. Terminologie: alternatieven, varianten en plaatsingszones Een alternatief is een voorgestelde plaatsingszone vanuit een specifiek milieuthema. Het alternatief Landschap laat bijvoorbeeld zien wat een geschikte invulling van de ruimte is bezien vanuit het landschap. Het gaat daarbij dan bijvoorbeeld om het volgen van de logische lijnen in het landschap bij plaatsing van de windturbines. Dit alternatief is zo ingericht dat dit vanuit het thema landschap bezien de meest optimale invulling is (minste impact).
52 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
In deze fase wordt nog geen keuze gemaakt voor het type windturbine. Om de bandbreedte van de effecten in beeld te brengen, afhankelijk van windturbinetypes, zijn binnen de alternatieven verschillende varianten uitgewerkt. Hierin is de verwachte energieopbrengst de basis en is bepaald hoe deze opbrengst kan worden gerealiseerd met windturbines in een bandbreedte van minimale en maximale grootte, zoals toegestaan door de gemeente. In dit geval zijn dit windturbines met denkbeeldige ashoogtes van 130 m en 170 m (zie hoofdstuk 5.3). Exploitanten van windenergie hebben ruimte nodig om een goede positie voor een windturbine te kunnen bepalen. De milieueffecten die in dit planMER beoordeeld worden, treden vaak erg lokaal op. Met wat flexibiliteit in de plaatsing van een windturbine, is een milieueffect soms te mitigeren. Daarom zijn er binnen de ruimte die de alternatieven bieden zones geselecteerd waarbinnen windturbines, maar ook zonnevelden, geplaatst kunnen worden. Dit worden plaatsingszones genoemd. Hiermee wordt de plaatsing van windturbines in een gebied concreet en realistisch gemaakt, met ruimte om te variëren.
5.2
Afwijkingen ten opzichte van de NRD
De alternatieven in dit planMER wijken op enkele onderdelen af van de voorgestelde alternatieven, zoals benoemd in de NRD. In de NRD zijn de alternatieven alleen op hoofdlijnen beschreven, zonder specifieke plaatsingszones. De in de NRD beschreven alternatieven bestaan uit een set van variabelen, zoals de ashoogte, de verhouding wind- en zonne-energie (en dus ook het aantal windturbines) en opstellingsvarianten (bijvoorbeeld in lijn, of in een cluster). De Commissie m.e.r. heeft advies gegeven over de NRD, waarin de Commissie m.e.r. onder andere het volgende aangeeft: ‘Voeg alternatieven toe die de maximale bandbreedte beslaan ten aanzien van leefbaarheid, natuur, landschap en energieopbrengst (zoek daarmee de ‘hoeken van het speelveld’ op)’. In de definitieve versie van de NRD is dit advies nog niet verwerkt. In dit planMER is dit advies wel verwerkt. In plaats van de algemene alternatieven zijn thematische alternatieven ontwikkeld, waarbij wordt aangesloten bij de genoemde vier thema’s. Het alternatief Defensie is als vijfde alternatief voor windenergie hieraan toegevoegd omdat de laagvlieggebieden en aanvliegroutes van Defensie in het zoekgebied zeer bepalend kunnen zijn voor de mogelijkheden voor windenergie. Hierbij blijven de variabelen met betrekking tot de windturbineafmetingen van toepassing (voor ieder alternatief worden twee varianten onderzocht).
Binnen de plaatsingszones zijn geen specifieke opstellingsvarianten uitgewerkt, met uitzondering van het thema landschap, waar specifiek een opstelling met beperktere landschappelijke effecten is onderzocht. In het planMER zijn expliciet enkel de effecten voor gehele plaatsingszones beoordeeld, uitgaande van een worstcasescenario. De alternatieven voor zonne-energie bestaan uit gebieden die voldoen aan de voorwaarden uit de Kadernota. Hiermee zijn de mogelijkheden voor de realisatie van zonnevelden al ingeperkt, maar is er nog steeds voldoende ruimte om het maximaal toegestane oppervlakte van 15 ha te realiseren. De alternatieven bieden een bijdrage aan het inzichtelijk maken van de milieueffecten binnen de overgebleven gebieden. Hierbij wordt gelijktijdig duidelijk welke plaatsingszones de minste milieueffecten hebben. Er zijn geen alternatieven ontwikkeld bestaande uit een variatie tussen wind- en zonne-energie, omdat de opgave voor windenergie (170.500 MWh/jaar) en zonne-energie (15.000 MWh/jaar) vanuit de opgave in de Kadernota niet variabel is. Daarnaast overlappen de gebieden waar windenergie en zonne-energie mogelijk is vanuit de voorwaarden uit de Kadernota en de harde belemmeringen vrijwel niet, waardoor de locatie-specifieke milieueffecten niet of nauwelijks uitwisselbaar zijn.
53 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5.3
Algemene uitgangspunten alternatievenontwikkeling windenergie
Aanpak alternatievenontwikkeling Er zijn vier thematische alternatieven ontwikkeld die vanuit een specifieke milieuperspectief kansrijk zijn voor de ontwikkeling van windenergie: Leefomgeving, Landschap, Natuur en Defensie (zie paragraaf 5.4 voor een toelichting per alternatief). Bij de ontwikkeling van deze alternatieven zijn de volgende aspecten bepalend geweest: - hinder op de leefomgeving; - invloed op het landschap; - effecten op de natuur; - invloed op gebruik door Defensie. Daarnaast wordt een vijfde, theoretisch alternatief onderzocht, met een maximale energieopbrengst. Dit betekent dat binnen het zoekgebied alle zoekruimte ingevuld is met plaatsingszones die niet op voorhand onhaalbaar zijn. De effecten van deze maximale invulling zijn onderzocht. Dit alternatief dient als vergelijkingsmateriaal voor de overige alternatieven. Tevens geeft dit beeld een doorkijk naar de mogelijke milieueffecten bij een verdere uitbreiding van de hoeveelheid windenergie om invulling te geven aan de opgave voor duurzame opwekking van de gemeente Waalwijk voor 2043 (100 % van het energieverbruik duurzaam opgewekt). Per thematisch alternatief zijn gebieden uitgesloten die vanuit het betreffende perspectief bij voorbaat (zeer) onwenselijk of niet haalbaar zijn. In de overige gebieden zijn plaatsingszones uitgewerkt die in het planMER nader onderzocht zijn als onderdeel van de alternatieven.
Alleen die gebieden die op voorhand niet haalbaar zijn (juridisch of vanuit maakbaarheid/ beheersbaarheid), komen in geen van de alternatieven terug. Overige gebieden die vanuit een bepaald thematisch perspectief zijn uitgesloten, zijn wel onderdeel van ten minste één van de andere onderzochte alternatieven. Ontwikkeling varianten Om de gehele bandbreedte aan oplossingsrichtingen voor de beoogde opwek door middel van windenergie in beeld te krijgen en te onderzoeken, gaan de alternatieven uit van twee varianten (A en B) met verschillende windturbinetypes. De windturbinetypes verschillen van elkaar in grootte en vermogen. Om de gehele theoretische bandbreedte aan oplossingsrichtingen in kaart te brengen wordt hierbij uitgegaan van de minimale en maximale toegestane windturbineafmetingen in de gemeente Waalwijk. Variant A gaat uit van de ‘minimale’ windturbines: ‘reguliere’ windturbines van ongeveer 4 MW met een ashoogte van 130 m en een tiphoogte van maximaal 195 m. In het planMER wordt deze windturbinevariant een reguliere windturbine genoemd, omdat dit formaat op verschillende locaties in Nederland gerealiseerd is of wordt. Variant B gaat uit van de ‘maximale’ windturbines: ‘innovatieve’ windturbines van ongeveer 6 MW met een ashoogte van 170 m en een tiphoogte van maximaal 255 m (zie ook tabel 5.1).
Deze variant wordt innovatief genoemd, omdat windturbines met dit vermogen en ashoogte op het moment van schrijven de grootste windturbines zijn die leverbaar zijn. Het is hierbij belangrijk om op te merken dat deze windturbinetypes en naamgeving voor het planMER enkel zijn gekozen om de volledige bandbreedte aan oplossingsrichtingen in kaart te brengen en dat er nog geen concreet windturbinetype of aantal wordt vastgelegd. Het planMER onderzoekt de verschillende varianten afzonderlijk omdat de effecten van de windturbinetypen van elkaar kunnen verschillen. Daarnaast is het ruimtebeslag van de windturbines verschillend. Om de opwekdoelstelling te behalen zijn voor variant A meer windturbines nodig dan voor variant B. Dit resulteert in een groter ruimtebeslag. Hierdoor zijn voor variant A ruimere plaatsingszones onderzocht dan voor variant B. Binnen de plaatsingszones is voldoende ruimte om met het bijbehorende windturbinetype de opwekdoelstellingen te behalen. Uitgangspunt hierbij is dat binnen het zoekgebied ook 15 ha zon wordt gerealiseerd. Uitzondering op de in te vullen opgave is het alternatief Energieopbrengst. Dit alternatief gaat uit van een maximale invulling van het zoekgebied met winturbines, om de energieopbrengst te maximaliseren en inzicht te geven in de milieueffecten van de gebieden die geen onderdeel zijn van één van de andere vier alternatieven.
Hierbij wordt meer opgewekt dan de beoogde hoeveelheid (>170.500 MWh/jaar).
54 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 5.1 Overzicht van in het planMER gebruikte varianten. Variant
Vermogen
Ashoogte
Rotordiameter
Tiphoogte
A
4 MW
130 m
130 m
195 m
B
6 MW
170 m
170 m
255 m
Uitgangspunten voor de invulling van de alternatieven: harde en zachte belemmeringen De ontwikkeling van windturbines is niet overal mogelijk. Om te bepalen welke gebieden binnen het zoekgebied op voorhand uit te sluiten zijn voor de opwek van duurzame energie door windturbines, zijn kansen- en belemmeringenkaarten opgesteld. De wettelijke- en regelgevende kaders en beleidskaders geven een beeld van de (on)mogelijkheden voor de ontwikkeling van duurzame energie binnen het zoekgebied en zijn vertaald in kansen- en belemmeringenkaarten (zie afbeelding 5.1 en 5.2, en bijlage III). Het planMER maakt onderscheid tussen drie soorten belemmeringen: - harde belemmeringen vanuit nationale wet- en regelgeving en vanuit fysieke belemmeringen (er kan fysiek geen windturbine worden geplaatst omdat het terrein ongeschikt is of er al bebouwing gerealiseerd is): · deze belemmeringen worden uitgesloten van de alternatievenontwikkeling; - harde belemmeringen die voortvloeien uit lokaal beleid zoals vastgelegd in de Kadernota (zoals de 750 m rond woningen in stedelijk gebied, buurtschappen en/of bebouwingsclusters, zie tekstkader) 1 waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken: · creatieve oplossingen waarbij wordt afgeweken van deze belemmeringen kunnen in het planMER worden onderzocht om het volledige speelveld van mogelijke milieueffecten in kaart te brengen; - zachte belemmeringen: · deze
belemmeringen worden alleen bij relevante thematische alternatieven beschouwd maar worden voor de overige alternatieven niet uitgesloten. De (effecten op) zachte belemmeringen die niet in de alternatievenontwikkeling worden beschouwd, worden in het planMER verder onderzocht (evenals alle andere zachte en harde belemmeringen). Uitspraak Raad van State 30 juni 2021 Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State een belangrijke tussenuitspraak gedaan over het bestemmingsplan ‘Windpark Delfzijl Uitbreiding 2020’ en de omgevingsvergunning voor de bouw van zestien windturbines in Delfzijl, welke ook gevolgen heeft voor het ontwikkelen van andere windprojecten op land. Voor de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid die in Nederland gelden voor de bouw en het gebruik van windturbines moet op grond van het Europese recht een beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. De regering zal nu zo’n milieubeoordeling moeten maken. Tot die tijd mogen deze algemene normen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet worden gebruikt voor windturbineparken. Deze uitspraak heeft ook gevolgen voor vergelijkbare ruimtelijke besluiten voor windturbineparken in Nederland.
Bij gebrek aan landelijke algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid en om tegemoet te komen aan zorgen rondom effecten op de leefomgeving van windturbines nabij woongebieden, heeft de gemeenteraad in de Kadernota besloten om ruime afstand tot woningen te hanteren. Hierbij wordt minimaal 750 m afstand gehouden tot woningen in stedelijk gebied en 400 m tot woningen in het buitengebied. Later is ervoor gekozen ook 750 m aan te houden tot woningen in buurtschappen en bebouwingsclusters. Voor
1
De belemmeringen die voortvloeien uit lokaal beleid zijn minder dwingend dan belemmeringen die voortvloeien vanuit nationale wet- en regelgeving omdat de gemeente dit beleid in theorie kan wijzigen. In het Raadsbesluit van 21 april 2022 heeft de gemeente Waalwijk besloten dat in het planMER mogelijke creatieve oplossingen die afwijken van de uitgangspunten in de kadernota niet worden uitgesloten. Voor een aantal alternatieven (bijvoorbeeld Energieopbrengst, Natuur en Landschap) wordt daarom afgeweken van de uitgangspunten in de kadernota om het ‘volledige speelveld’ aan mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen.
55 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
bedrijfswoningen geldt een afstand van 400 m, tenzij deze binnen stedelijk gebied staan of behoren tot een buurtschap en bebouwingscluster. Door deze afstand houdt de gemeente al op voorhand rekening met de bescherming van de leefomgeving. De contouren voor geluid, slagschaduw en veiligheid vallen daardoor veelal binnen de afstandscontouren, zoals hiervoor benoemd. Een voorbeeld van een harde belemmering die is uitgesloten van de alternatievenontwikkeling is infrastructuur, zoals een hoogspanningslijn of wegen. Het is niet mogelijk een windturbine te plaatsen boven op infrastructuur. Een voorbeeld van een harde belemmering waarbij gekeken wordt naar creatieve oplossingen is de afstand tot woningen (zoals vastgesteld in de kadernota). Een voorbeeld van een zachte belemmering is de veiligheidscontour rond snelwegen. De veiligheidscontour is opgenomen in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020), maar in de praktijk zijn er onder voorwaarden mogelijkheden om hiervan af te wijken.
Voor de alternatievenontwikkeling zijn de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd: - de alternatieven geven invulling aan de opgave om minimaal 170.500 MWh/jaar op te wekken met windenergie in 20301; - de alternatieven liggen binnen het zoekgebied dat in de Kadernota Grootschalige Opwek is vastgelegd door de gemeenteraad; - voor de alternatieven en varianten wordt voldoende ruimte gezocht om te voldoen aan de opwekkingsdoelstellingen voor windenergie; voor variant A zijn dit circa veertien windturbines à 4 MW (ashoogte 130 m), voor variant B zijn dit circa negen windturbines à 6 MW (ashoogte 170 m).
Voor het alternatief Energieopbrengst wordt gekeken naar een theoretische maximale invulling van het zoekgebied met windturbines, waarbij de opbrengst groter is dan de opwekkingsdoelstellingen; - geen alternatieven ontwikkelen die een combinatie van ashoogtes bevatten, om zo de hoeken van het speelveld, de bandbreedte en de verschillen tussen windturbinetypes te kunnen onderzoeken; - uitsluiten van harde belemmeringen gebaseerd op nationale wet- en regelgeving (zie afbeelding 5.1 en 5.2); - binnen harde belemmeringen gebaseerd op aanlegrichtlijnen en de kadernota van de gemeente Waalwijk alleen gemotiveerd ‘creatieve oplossingen’ onderzoeken; - zachte belemmeringen alleen beschouwen in het ontwikkelen van alternatieven als deze vanuit het betreffende thema relevant zijn om uit te sluiten ofwel te benadrukken; - een windpark bestaat uit ten minste drie windturbines (op basis IOV Noord-Brabant); - geen windturbineposities bepalen, alleen plaatsingszones. De plaatsingszones brengen samen de bandbreedte aan milieueffecten in kaart. De alternatieven hebben tot doel om het gehele speelveld in kaart te brengen. Daarom zijn de alternatieven bewust onderscheidend ingevuld.
Als voor een thema niet alle geschikte locaties benodigd waren om de beoogde opwekdoelstellingen te behalen, is gekozen voor plaatsingszones die zoveel mogelijk verschillen van de plaatsingszones in andere alternatieven.
1
Hierbij is het uitgangspunt dat separaat van de opwek van duurzame energie door middel van windenergie 15 ha duurzame energie wordt opgewekt door zonnevelden.
56 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 5.1 Harde belemmeringen reguliere windturbine
Afbeelding 5.2 Harde belemmeringen innovatieve windturbine
57 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
5.4
Toelichting op de vijf thematische alternatieven windenergie
Van ontwerpprincipes naar thematische alternatieven en onderzoeksgebieden binnen plaatsingszones Voor ieder thematisch alternatief zijn ontwerpprincipes gedefinieerd, aanvullend op de algemene uitgangspunten (stap 2). Uit deze ontwerpprincipes volgen gebieden die geschikt zijn voor de ontwikkeling van windenergie vanuit het desbetreffende thema (er kan aan alle ontwerpprincipes worden voldaan) of die beperkt geschikt zijn (er kan aan een deel van de ontwerpprincipes worden voldaan). Op basis van deze (beperkt) geschikte gebieden zijn mogelijke plaatsingszones gedefinieerd. Binnen deze plaatsingszones dient voldoende ruimte te zijn om aan de opwekdoelstellingen van de gemeente Waalwijk te voldoen. Als deze doelstellingen niet gehaald kunnen worden, wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om aanvullende plaatsingszones te bepalen. Dit kan gebeuren na het al dan niet opnieuw definiëren of afwijken van de ontwerpprincipes. Hiervoor is bij het vaststellen van de plaatsingszones een standaard marge gehouden om schuifruimte te houden voor een nadere inpassing in een vervolgfase. De afbeeldingen in hoofdstuk 5.4 geven deze plaatsingszones inclusief marge per thematisch alternatief weer. Binnen deze plaatsingszones worden echter alleen gebieden onderzocht die vanuit de betreffende thema’s (beperkt) geschikt zijn voor het opwekken van windenergie.
Het is immers niet nuttig om gebieden die vooraf al uitgesloten worden in het planMER op effecten te onderzoeken. De hieruit resulterende verfijnde plaatsingszones die in dit planMER zijn onderzocht, zijn weergegeven in hoofdstuk 5.5. Bij het bepalen van de plaatsingszones is er rekening mee gehouden dat de te onderzoeken (beperkt) geschikte gebieden voldoende ruimte bieden voor het realiseren van de opwekdoelstellingen van de gemeente Waalwijk.