Bijlage 3 Definitief PlanMER GODE Waalwijk
Tekst van het document
1
Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied gewaarborgd blijven (C).
87 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 6.8 Beoordelingsschaal invloed op overige effecten op Natura 2000 Overige effecten op Natura 2000
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een significant negatief op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie door ruimtebeslag in een Natura 2000-gebied. Effecten op de aangewezen habitattypen of soorten leiden tot het niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000gebied
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie door plaatsing nabij Natura 2000-gebied. Effecten op de aangewezen habitattypen of soorten hebben naar verwachting geen significant effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect nabij Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Effecten op beschermde soorten Bij de aanlegfase en de gebruiksfase van windturbines en/of zonnevelden kunnen zich negatieve effecten voordoen op belangrijke onderdelen van de functionele leefomgeving van beschermde soorten, zoals verblijf- en nestplaatsen of foerageergebieden. Ook kunnen beschermde soorten worden verwond of gedood. Met name vogels en vleermuizen hebben een verhoogd risico op sterfte bij het in werking treden van windturbines, door aanvaringen met windturbinebladen of door barotrauma1. Om hier betrouwbaar de effecten van in beeld te brengen dient onderzoek gedaan te worden naar het voorkomen van individuele soorten in het zoekgebied en het verwachte effect wat windturbines hebben op hun instandhouding. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt van de 1 % mortaliteitsnorm2. Dit betekent dat per vogelsoort 1 % van de populatie mag overlijden door de voorgenomen ontwikkeling. In het geval van aantasting van de instandhouding van soorten, wordt sterk negatief (--) beoordeeld. Bij een negatief effect op de leefomgeving en/of het soort, wat niet de instandhouding aantast, wordt negatief (-) beoordeeld. Tabel 6.9 toont de beoordelingsschaal voor effecten op beschermde soorten.
Tabel 6.9 Beoordelingsschaal effecten op beschermde soorten vanuit Wet natuurbescherming Beschermde soorten
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op beschermde soorten ten opzichte van de referentiesituatie, door potentiële vernietiging van essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van beschermde soorten en daarmee hun lokale staat van instandhouding
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten ten opzichte van de referentiesituatie, door vernietiging van leefgebied of verblijfplaatsen. Deze vernietiging tast de lokale staat van instandhouding niet aan
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot effecten op beschermde soorten ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
1
Inwendig letsel bij vleermuizen, veroorzaakt door een drukverschil tussen de omgevingsdruk en de druk in lucht-houdende (lichaams)holten.
2
De 1 %-mortaliteitsnorm is 1 % van de gemiddelde jaarlijkse natuurlijke sterfte van een populatie van een soort. De norm is niet wettelijk vastgesteld, maar wordt vaak gebruikt om het effect van het aantal aanvaringsslachtoffers op de staat van instandhouding van de populatie van een soort te beoordelen.
88 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Effecten op NNB-gebieden De ecologische waarden van het NNB en bijbehorende ecologische verbindingszones kunnen direct en indirect worden aangetast. Directe aantasting vindt plaats door ruimtebeslag in een natuurgebied. Indirecte aantasting, verstoring, vindt plaats als gevolg van geluid, licht, betreding, schaduwwerking of windturbulentie. Hoe groot de verstoringscontour is waarbinnen dergelijke effecten kunnen optreden is van verschillende factoren afhankelijk (beheertype en aanwezige soorten, tussenliggende landschapselementen en barrières) en kan niet op voorhand worden gekwantificeerd. Zoals in bijlage IV beschreven, is deze verstoringscontour voor fysieke effecten maximaal 1,5 kilometer. De interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant schrijft voor dat overdraai van windturbinebladen eveneens gezien wordt als betreding van het gebied, waardoor plaatsing binnen een straal van een windturbineblad tot een NNB-gebied vergunningsplichtig is, en voor een compensatieopgave zorgt. Dit planMER hanteert daarom een halve rotordiameter als onderdeel van het natuurgebied. In het algemeen geldt dat hoe verder van het NNB windturbines worden gerealiseerd, hoe kleiner de kans dat sprake is van negatieve effecten als gevolg van externe werking. Plaatsingszones die zich in een NNB-gebied of ecologische verbindingszone bevinden, worden sterk negatief (--) beoordeeld.
Deze plaatsingszones tasten de waarden van het natuurgebied aan door ruimtebeslag met oppervlakteverlies tot gevolg. Op voorhand is niet uit te sluiten dat dit leidt tot een onvergunbare situatie: uit toetsing moet blijken dat door compensatie de negatieve effecten gemitigeerd kunnen worden. Bij werkzaamheden in of aan onderdelen van dit NNB of binnen de verstoringscontour van het NNB, is nader onderzoek in de vorm van een ‘nee-tenzij’ toets noodzakelijk. Hierin wordt nagegaan of en in welke mate het voornemen een mogelijk significant negatief effect heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNB. Wanneer negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet zijn uit te sluiten kunnen de werkzaamheden geen doorgang vinden, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Plaatsingszones die zich binnen een verstoringscontour van een NNB-gebied bevinden worden negatief (-) beoordeeld. Negatieve effecten op het natuurgebied zijn binnen deze contour niet op voorhand uit te sluiten. De verwachting is echter niet dat deze negatieve effecten leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied.
De plaatsingszones buiten een NNB-gebied, ecologische verbindingszone of verstoringscontour zijn als neutraal (0) beoordeeld. Een (sterk) positieve beoordeling is niet van toepassing. Er wordt op het niveau van het planMER geen positief effect op NNB ten opzichte van de referentiesituatie verwacht. Op projectniveau kan dit wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld door versterking van de natuurgebieden met de opbrengsten uit windturbines of zonnevelden. Tabel 6.10 toont de beoordelingsschaal voor invloed op NNB.
Tabel 6.10 Beoordelingsschaal effecten op NNB Effecten op NNB
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op NNB ten opzichte van de referentiesituatie. Significante aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB vindt plaats door ruimtebeslag in een NNB-gebied. Significante aantasting leidt tot een onhaalbare compensatieopgave, waardoor de ontwikkeling niet vergunbaar is
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op NNB ten opzichte van de referentiesituatie door plaatsing binnen een verstoringscontour van het NNB. De wezenlijke kenmerken van het NNB-gebied worden mogelijk aangetast, maar compensatie biedt voldoende mogelijkheden om deze wezenlijke kenmerken in stand te houden
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot effecten op het NNB ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
89 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Effect op overige beschermde gebieden Windturbines en zonnevelden kunnen invloed hebben op overige beschermde gebieden. Onder overige beschermde gebieden vallen bijvoorbeeld weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden, natte parels en stiltegebieden. Zoals in de referentiesituatie in paragraaf 4.4.3 is beschreven, zijn deze beschermde gebieden niet aanwezig in het zoekgebied. Wel zijn er gebieden bekend waar weidevogels aanwezig zijn, maar deze gebieden zijn niet wettelijk (vanuit de provincie) beschermd. Dit criterium wordt daarom niet verder onderzocht in het planMER.
6.4.4
Onderzoeksmethodiek thema landschap, cultuurhistorie en archeologie
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectbeoordeling van de alternatieven voor de thema’s landschap, cultuurhistorie en archeologie. Er wordt ingegaan op criteria aardkundige waarden, ruimtelijke-visuele kenmerken, landschapstype en -structuur, windturbineverlichting (voor windenergie), cultuurhistorische waarden, en bekende en verwachte archeologische waarden. Ruimtelijke kwaliteit in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant In de Interim Omgevingsverordening van provincie Brabant wordt de kwaliteit van de leefomgeving beschreven als samenspel van vier waarden1 (zie afbeelding in kader): - herkomstwaarde geeft aan dat de historische karakteristieken/ontstaansgeschiedenis niet uit het oog wordt verloren als wordt gekeken naar de toekomen. Deze elementen geven betekenis aan de leefomgeving en bepalen in belangrijke mate de identiteit; - belevingswaarde geeft de waardering aan voor een plek, gebied, of initiatief. Hierbij spelen begrippen als beeldkwaliteit, herkenbaarheid en diversiteit een rol; - gebruikswaarde duidt op de functionele kwaliteiten van een plek of gebied. Het gaat over de vraag of bij elkaar gesitueerde functies elkaar versterken; - toekomstwaarde duidt de mate van duurzaamheid, aanpasbaarheid en flexibiliteit. Het geeft aan of een ruimtelijk initiatief bestand is tegen de tand des tijds.
Deze elementen komen terug in diverse onderdelen van dit planMER. De herkomstwaarde is beoordeeld op basis van aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden, de belevingswaarde en gebruikswaarde zijn beoordeeld op basis van landschappelijke elementen en het gebruik van het landschap. Toekomstwaarde komt op twee manieren terug in het planMER: 1) de voorgenomen ontwikkeling vergroot tijdelijk2 de toekomstwaarde op het gebied van duurzame energie en 2) in de vorm van klimaatbestendigheid waarbij de plaatsingszones zijn beoordeeld op effecten in het doorstroomgebied van klimaatbestendigheid (de beoordeling van het criterium waterveiligheid). Invloed op ruimtelijk-visuele kenmerken Windenergie Windturbines hebben invloed op ruimtelijke-visuele kenmerken van het landschap. De beoordeling van het thema landschap is gebaseerd op bijlage II bouwsteen landschap die Rho Adviseurs in het kader van het planMER heeft uitgevoerd. Deze bouwsteen landschap bevat een landschapsanalyse en een visie hoe om te gaan met de essentiële kwaliteiten van het landschap in relatie tot de ontwikkeling van windparken.
1
Bron: Factsheet Ruimtelijke Kwaliteit en Omgevingskwaliteit (Provincie Noord-Brabant, 2022).
2
Windturbines en zonnevelden zijn tijdelijk, waardoor de toekomstwaarde niet op lange termijn wordt vergroot.
90 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
In bijlage II zijn criteria gedefinieerd waaraan het effect van het voornemen op de kwaliteit van het landschap getoetst kan worden. De invloed van windturbines op ruimtelijke-visuele kenmerken van het landschap is beoordeeld op grond van de aantasting van: - openheid: het zoekgebied kenmerkt zich in zijn geheel door een grote openheid van het landschap. De openheid van de polders en uiterwaarden is waardevol. Het effect op de aantasting van de openheid kan worden beoordeeld op grond van de mate van zichtbaarheid van de windturbines die de mate van verlies van openheid aanduidt. In een open landschap zijn de effecten van een windturbine groter dan in een besloten landschap. Plaatsing in een open landschap wordt hierdoor als negatief (-) beoordeeld. Plaatsing in een besloten landschap heeft een neutraal (0) effect op het landschap. Tabel 6.12 toont de beoordelingsschaal voor ruimtelijke-visuele kenmerken - openheid; - beleving door waarnemers: locaties waar veel mensen bijeenkomen, wonen en/of rijden leveren veel waarnemers op van de windturbines. In Waalwijk zijn er relatief veel waarnemers buiten het zoekgebied. De waarnemers buiten het zoekgebied bevinden zich onder andere op de A59 (passanten) en in de omliggende kernen en buurtschappen. Binnen het zoekgebied wonen relatief weinig mensen en komt beperkte mate recreatie voor.
Daarom ligt in dit planMER de focus met name op de waarnemers buiten het zoekgebied. De beleving van windturbineparken vanaf de routes die (veel) mensen volgen en waar (veel) waarnemers komen, én de beleving van en de zichtlijnen op windturbines vanuit kernen zijn van belang. De beleving van openheid door waarnemers verslechtert (-) als windturbines dominant zichtbaar zijn vrijwel vanuit elk standpunt in het blikveld (zie voorbeeld afbeelding 6.1). De beleving van openheid door waarnemers verandert (0) niet ten opzichte van de referentiesituatie als windturbines slechts waarneembaar zijn vanaf de horizon (zie voorbeeld afbeelding 6.2). Tabel 6.13 toont de beoordelingsschaal voor ruimtelijke-visuele kenmerken - beleving door waarnemers.
Afbeelding 6.1 Visuele indicatie van ‘waarneembaar vanaf de horizon’ waarbij de windturbines overeenkomen met de hoogte van de bestaande fysieke objecten op de locatie: Waarderweg (ten zuidwesten van Drongelen)
91 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Afbeelding 6.2 Visuele indicatie van ‘dominant zichtbaar’ waarbij de windturbines boven de bestaande fysieke objecten uitstekenlocatie A59 ten westen van Waalwijk
Ruimtelijke-visuele kenmerken in het zoekgebied kunnen niet leiden tot een sterk negatief (--) effect, doordat landschappelijke principes al meegenomen zijn in de uitwerking van de alternatieven. Daarnaast is landschappelijke inpassing niet bepalend zijn voor de (juridische) haalbaarheid van een plaatsingszone. Bovendien kan het ook niet leiden tot (sterk) positieve effecten (+/++), omdat windturbines de bestaande kenmerken van het landschap van het zoekgebied niet versterken. Het gehele gebied kenmerkt zich als open rivierenlandschap waarin het plaatsen van grootschalige windturbines niet kan leiden tot positieve effecten. Zonne-energie Zonnevelden hebben invloed op ruimtelijke-visuele kenmerken van het landschap. In bijlage II zijn criteria gedefinieerd waaraan het effect van het voornemen op de kwaliteit van het landschap getoetst kan worden. De invloed van zonnevelden op ruimtelijke-visuele kenmerken van het landschap is beoordeeld op grond van de aantasting van: - openheid: de plaatsingszones voor zonnevelden kenmerken zich in zijn gedeeltelijk door een grote openheid van het landschap. De openheid van de polders wordt gezien als waardevol. Het effect op de aantasting van de openheid kan worden beoordeeld op grond van de mate van zichtbaarheid van de zonnevelden die de mate van verlies van openheid aanduidt.
In een open landschap zijn de effecten van een zonnevelden groter dan in een besloten landschap. Plaatsing in een open landschap wordt hierdoor als negatief (-) beoordeeld. Plaatsing in een besloten landschap heeft een neutraal (0) effect op het landschap. Tabel 6.11 toont de beoordelingsschaal voor ruimtelijke-visuele kenmerken - openheid; - beleving door waarnemers: locaties waar veel mensen bijeenkomen, wonen en/of rijden leveren veel waarnemers op van de zonnevelden. In Waalwijk zijn er relatief veel waarnemers buiten het zoekgebied. De waarnemers buiten het zoekgebied bevinden zich onder andere op de A59 (passanten) en in de omliggende kernen en buurtschappen. Binnen het zoekgebied wonen relatief weinig mensen en komt beperkte mate recreatie voor. Daarom ligt in dit planMER de focus met name op de waarnemers buiten het zoekgebied. De beleving van zonnevelden vanaf de routes die (veel) mensen volgen en waar (veel) waarnemers komen, én de beleving van en de zichtlijnen op zonnevelden vanuit kernen zijn van belang. De beleving van openheid door waarnemers verslechtert (-) als zonnevelden dominant zichtbaar zijn vanuit plaatsen met veel waarnemers in het blikveld. De beleving van openheid door waarnemers verandert (0) niet ten opzichte van de referentiesituatie als zonnevelden slechts waarneembaar zijn vanaf de horizon of plaatsen waar relatief weinig waarnemers zijn.
Tabel 6.12 toont de beoordelingsschaal voor ruimtelijke-visuele kenmerken - beleving door waarnemers.
92 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Ruimtelijke-visuele kenmerken in het zoekgebied kunnen niet leiden tot sterk negatief (--) effect, doordat landschappelijke principes al meegenomen zijn in de uitwerking van de alternatieven en niet bepalend zijn voor de (juridische) haalbaarheid van een plaatsingszone. Bovendien kan het ook niet leiden tot (sterk) positieve effecten (+/++), omdat zonnevelden de bestaande kenmerken van het landschap in principe niet versterken op planMER-niveau. Met lokale inpassing kan het landschap wel worden versterkt en kan de invloed op de beleving van het landschap door waarnemers behouden blijven, bijvoorbeeld door het toevoegen van groenstructuren of het plaatsen van zonnevelden op lage hoogte. Dit is echter een inpassingsvraagstuk welke niet passend is bij het schaal- en detailniveau van dit planMER. Op projectniveau zal dit nader onderzocht moeten worden. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de mogelijke mitigerende maatregelen.
Tabel 6.11 Beoordelingsmethode criterium ruimtelijke-visuele kenmerken - openheid Ruimtelijke-visuele kenmerken
--
niet van toepassing
-
de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie. Windturbines of zonnevelden zijn geplaatst in een open landschap en tasten de openheid van een landschap aan
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie. Windturbines of zonnevelden zijn geplaatst in een besloten landschap en tasten beperkt de openheid van een landschap aan
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Tabel 6.12 Beoordelingsmethode criterium ruimtelijke-visuele kenmerken - beleving door waarnemers Ruimtelijke-visuele kenmerken
--
niet van toepassing
-
de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie. Windturbines zijn dominant in beeld vrijwel vanuit elk standpunt in het blikveld. Zonnevelden zijn door veel waarnemers zichtbaar.
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie. Windturbines zijn slechts waarneembaar aan de horizon. Zonnevelden zijn door een beperkt aantal waarnemers zichtbaar.
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Invloed op landschapstype en -structuur Windenergie Windturbines hebben invloed op de kernwaarden van landschapstypen en -structuren (tabel 6.13, 6.14 en 6.15). In de beschrijving van effecten op landschapstype en -structuur worden drie schalen gehanteerd (zie ook bijlage II), namelijk macro-, meso- en microniveau. De effecten op mesoniveau1 en microniveau2 is in dit planMER niet beschreven, omdat dat sterk afhankelijk is van de inpassing van windturbines en daarmee niet bepalend is voor de locatiekeuze van windturbines.
1
Mesoniveau: op mesoniveau is de indeling van de polders, uiterwaarden en bijbehorende bedijkingen relevant. Hier speelt de beleving van de kijker een belangrijke rol: hoe wordt de samenhang van een gebied ervaren.
2
Microniveau: op microniveau is de landschappelijke situering en de feitelijke positie van windturbines aan de orde. De beleving is hier op de plek van de dichtstbijzijnde windturbine gericht.
93 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
De beoordeling van het thema landschap is gebaseerd op bijlage II. De invloed van windturbines op landschapstype en -structuur is beoordeeld op grond van de aantasting van de criteria: - landschappelijke samenhang: beoordeeld wordt in hoeverre de opstelling van de windturbines onderdelen van de landschappelijke hoofdstructuur aantast. De landschappelijke hoofdstructuur in het zoekgebied bestaat uit diverse polders, de Bergsche Maas en de A59. Een koppeling van windturbines met het landschap door het reageren op de hoofdstructuren of landschappelijke eenheden op macroniveau1 wordt landschappelijk als neutraal (0) gezien; - functionele samenhang: windparken hebben een industrieel karakter en passen daardoor beter bij gebieden met een industrieel karakter (0). Over het algemeen is het zo dat situering in of nabij een stedelijk landschap zoals industrieterreinen eerder geaccepteerd worden. Er is sprake van een functionele samenhang; - schaal van het landschap: grootschalige windturbineparken passen in een grootschalig landschap. Het rivierenlandschap is in zijn geheel als grootschalig te bestempelen. Er zijn deelgebieden waar, bijvoorbeeld door bebouwing, de schaal van het landschap is verkleind.
Deze deelgebieden zijn dan landschappelijk gezien minder geschikt (-) voor de plaatsing van windturbines; - herkenbaarheid: herkenbare structuren of figuren zoals lange, eenduidige lijnen of gebieden/clusters dragen in belangrijke mate bij aan de beleving van samenhang, ordening, ritme en rust op mesoniveau. Plaatsing van windturbines die ruimtelijk is gekoppeld aan een herkenbare structuur heeft een beperkt effect op het landschap. Dit is afhankelijk van de inpassing van de windturbines binnen de plaatsingszones en is niet bepalend voor de locatiekeuze voor windturbines. Daarom zijn de alternatieven niet beoordeeld op herkenbaarheid binnen dit planMER. Herkenbaarheid is een aandachtspunt voor het vervolg; - interferentie: interferentie tussen windturbineparken moet vermeden worden. Er dient dus voldoende afstand tussen de meerdere windparken te zijn. De impact op een landschap van vier keer één windturbine is vele malen groter dan van één keer vier windturbines. Door op één plek meerdere windturbines bij elkaar te plaatsen, ontstaat hier ‘concentratie met windturbines’, waardoor er ook plekken in het landschap overblijven met ‘leegte zonder windturbines’. Interferentie is een aandachtspunt voor het vervolg. Het gehele gebied kenmerkt zich als open rivierenlandschap waarin het plaatsen van grootschalige windturbines niet kan leiden tot positieve effecten.
Zonne-energie Zonnevelden hebben invloed op de kernwaarden van landschapstype en -structuur. Landschappelijke- en functionele samenhang, de schaal van het landschap, en de herkenbaarheid van het landschap kunnen aangetast worden. De invloed van zonnevelden op landschapstype en -structuur is beoordeeld op grond van de aantasting van de criteria: - landschappelijke samenhang: beoordeeld wordt in hoeverre zonnevelden onderdelen van de landschappelijke hoofdstructuur aantast. De landschappelijke hoofdstructuur in het zoekgebied bestaat uit diverse polders, de Bergsche Maas en de A59. Een koppeling van zonnevelden met het landschap door het reageren op de hoofdstructuren of landschappelijke eenheden wordt landschappelijk als neutraal (0) gezien; - functionele samenhang: zonnevelden hebben een industrieel karakter en passen daardoor beter bij gebieden met een industrieel karakter (0). Over het algemeen is het zo dat situering in of nabij een stedelijk landschap zoals industrieterreinen eerder geaccepteerd worden. Er is sprake van een functionele samenhang; - schaal van het landschap: grootschalige zonnevelden passen in een grootschalig landschap. Het rivierenlandschap is in zijn geheel als grootschalig te bestempelen. De voorliggende zonnevelden hebben een oppervlakte die niet groter mag zijn dan 10 ha.
De omvang is dus relatief kleinschalig, waarmee de zonnevelden goed passen in een kleinschalig landschap. Er zijn deelgebieden waar, bijvoorbeeld door bebouwing, de schaal van het landschap is verkleind. Deze deelgebieden zijn dan
1
Macroniveau: Op het macroniveau wordt buiten het zoekgebied naar de invloedssfeer van de windturbines gekeken. Belangrijke lijnen hierbij zijn de Bergsche Maas en de infrastructurele lijn A59. Hier is de mogelijke afstand tussen cluster van windturbines (bijvoorbeeld in het verlengde langs de Bergsche Maas/ A59) belangrijk.
94 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
-
landschappelijk gezien geschikter (0) voor de plaatsing van zonnevelden dan grootschalige open gebieden, waar grootschalige zonnevelden beter zouden passen; herkenbaarheid: herkenbare structuren of figuren zoals lange, eenduidige lijnen of gebieden/clusters dragen in belangrijke mate bij aan de beleving van samenhang, ordening, ritme en rust. Plaatsing van zonnevelden die ruimtelijk is gekoppeld aan een herkenbare structuur heeft een beperkt effect op het landschap. Dit is afhankelijk van de inpassing van de zonnevelden binnen de plaatsingszones en is niet bepalend voor de locatiekeuze voor zonnevelden. Daarom zijn de alternatieven niet beoordeeld op herkenbaarheid binnen dit planMER. Herkenbaarheid is een aandachtspunt voor het vervolg (zie hoofdstuk 8 en 9).
Met lokale inpassing kunnen landschapstypen en/of -structuren wel worden versterkt, bijvoorbeeld door het toevoegen van groenstructuren. Dit is echter een inpassingsvraagstuk welke niet passend is bij het schaalen detailniveau van dit planMER. Tabel 6.13 bevat de beoordelingsmethode voor het criterium landschapstype en -structuur landschappelijke samenhang. Deze beoordelingsmethode is gecombineerd met de beoordelingsmethode voor windenergie. Tabel 6.14 bevat de bevat de beoordelingsmethode voor het criterium landschapstype en -structuur - functionele samenhang en tabel 6.15 de methode voor ‘schaal van het landschap’.
Tabel 6.13 Beoordelingsmethode criterium landschapstype en -structuur - landschappelijke samenhang Landschapstype en -structuur - landschappelijke samenhang
--
niet van toepassing
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de windturbines of zonnevelden meerdere landschappelijke eenheden doorsnijden
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de windturbines of zonnevelden binnen landschappelijke eenheden geplaatst zijn
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Tabel 6.14 Beoordelingsmethode criterium landschapstype en -structuur - functionele samenhang Landschapstype en -structuur - functionele samenhang
--
niet van toepassing
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de plaatsing van windturbines of zonnevelden niet aansluit op een gebied met industriële functie
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de plaatsing van windturbines of zonnevelden aansluit op een gebied met industriële functie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Tabel 6.15 Beoordelingsmethode criterium landschapstype en -structuur - schaal van het landschap Landschapstype en -structuur - schaal van het landschap
--
niet van toepassing
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de grootschalige windturbines geplaatst zijn in een kleinschalig landschap en/of zonnevelden zijn geplaatst in een grootschalig landschap.
95 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Landschapstype en -structuur - schaal van het landschap
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op landschap ten opzichte van de referentiesituatie doordat de grootschalige windturbines geplaatst zijn in een grootschalig landschap en/of zonnevelden in een kleinschalig landschap
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Invloed van windturbineverlichting op omgeving Zowel de reguliere als de innovatieve windturbines hebben een tiphoogte hoger dan 150 m waardoor voor de nachtsituatie geldt dat windturbines voorzien dienen te worden van obstakelverlichting voor vliegveiligheid. De windturbineverlichting zorgt voor een negatief effect op de beleving van het landschap door de uitstraling van wit licht overdag en ’s nachts rood licht. Het licht is met name ’s avonds zichtbaar en zorgt voor een onrustig beeld. De plaatsing van windturbines leidt voor alle alternatieven tot deze negatieve effecten waardoor windturbineverlichting niet onderscheidend is in de beoordeling van de alternatieven. De mate van verstoring (duur en aantal kwetsbare objecten) is niet onderzocht in het planMER en dient nader onderzocht te worden in het vervolg. Er zijn namelijk verschillende mitigerende maatregelen mogelijk om het effect van windturbineverlichting op de omgeving te verminderen. Zo kan er voor permanente verlichting gekozen worden in plaats van de reguliere knipperende verlichting. Ook is het mogelijk om de lichtintensiteit aan te passen op de weersomstandigheden. Daarnaast wordt onderzocht of het mogelijk is om obstakelverlichting in te schakelen op het moment dat er een vliegtuig nadert. In hoofdstuk 8 wordt hier verder op ingegaan.
Invloed op cultuurhistorische waarden In het zoekgebied zijn cultuurhistorische waardevolle gebieden aanwezig. Windturbines en zonnevelden hebben op twee manieren invloed op cultuurhistorische waarden: - de fysieke aantasting van cultuurhistorische waardevolle gebieden met fysieke objecten: tijdens de aanlegfase kunnen door trillingen of ruimtebeslag fysieke objecten aangetast worden (--); - de beleving van cultuurhistorische waardevolle gebieden: de windturbines of zonnevelden hebben een verstorende werking op de zichtbeleving in het open landschap. De bestaande kenmerkende cultuurhistorische waarden worden negatief (-) beïnvloed door de aanwezigheid in de directe omgeving. Gelet op de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle gebieden worden de effecten van de plaatsingszones op deze gebieden in de effectenanalyse van dit planMER onderzocht en beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal in tabel 6.16.
Tabel 6.16 Beoordelingsschaal criterium invloed op cultuurhistorische waarden Cultuurhistorische waarden
--
de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk negatief effect op cultuurhistorie ten opzichte van de referentiesituatie. De cultuurhistorische waarden wordt fysiek aangetast door plaatsing in gebieden met rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en waardevolle objecten
-
de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect op cultuurhistorie ten opzichte van de referentiesituatie. Plaatsing in gebieden met rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en waardevolle objecten, dijk- en afwateringsstructuur, infrastructuur, Defensie, nederzettingenstructuur leidt tot een afname van de beleving van cultuurhistorische waarden
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op cultuurhistorie ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
96 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Invloed op aardkundige waarden Op basis van de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart1 van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat er geen aardkundig waardevolle gebieden gelegen zijn binnen de begrenzing van het zoekgebied. De effecten zijn hiermee niet onderscheidend en zijn niet verder onderzocht in dit planMER. Aantasting van bekende en verwachte archeologische waarden Het realiseren van windturbines en zonnevelden heeft bodemroerende effecten. Zo is er tijdens de aanleg van de windturbines bodemverstoring door aanleg van de fundering en een bouwvlak voor onder andere een kraanopstelling. In het zoekgebied zijn gebieden aanwezig met een archeologische dubbelbestemming. Deze gebieden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Voor ontwikkelingen op deze gronden dient bij bouwwerken groter dan 100 m2 en dieper dan 0,70 m een archeologisch rapport overlegd te worden. Ook kunnen gebieden aanwezig zijn waarvan bekend is dat er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Hiermee is dit aspect onderscheidend in de beoordeling van de alternatieven. Per alternatief wordt onderzocht in hoeverre de plaatsingszones binnen deze gebieden zijn gelegen. De daadwerkelijke effecten van de plaatsingszones dienen in het vervolg nader onderzocht te worden.
Het uitgangspunt is dat grondroerende werkzaamheden voor zonnevelden tot circa 0,3 m -mv reiken. De effecten op archeologische waarden door de realisatie van zonnevelden zijn daarom niet onderzocht in dit planMER. Op projectniveau dient nader bepaald te worden wat de verstoringsdiepte is en kan worden bepaald of onderzoek nodig is. De gemeente Waalwijk hanteert de volgende regeling: - categorie 1 (beschermde archeologische monumenten): Rijks- provinciale - en gemeentelijke archeologische monumenten: alle bodemingrepen zijn vergunningsplichtig (behoud in situ). Deze categorie komt in Waalwijk op dit moment nog niet voor; - categorie 2 (archeologische waarde): AMK-terreinen (terreinen die zijn opgenomen op de archeologische monumentenkaart), historische bewoningslinten, kasteelterreinen en historische molenlocaties): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld, mits het zoekgebied niet groter is dan 100 m2; - categorie 3 (hoge archeologische verwachting): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen tot het niveau van NAP +4 m, mits het zoekgebieden niet groter is dan 500 m2; - categorie 4: (gematigde archeologische verwachting): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld, mits het zoekgebied niet groter is dan 5.000 m2; - categorie 5 (lage
archeologische verwachting): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek, tenzij het een m.e.r.-plichtig project betreft; - categorie 6 (geen archeologische verwachting): geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek. Categorie 1 en 2 zijn fysieke beschermde archeologische monumenten en bekende archeologische waarden waardoor deze bestaande waarden aangetast worden door ingrepen. Voor categorie 3 en 4 is er sprake van een verwachting van het treffen van archeologische waarden. Bij categorie 3 en 4 gaat het om een verwachting waardoor het onzekerder is dat archeologische waarden aangetast worden dan categorie 1 en 2. Tabel 6.17 toont de beoordelingsschaal voor bekende en verwachte archeologische waarde.
1
Aardkundig waardevolle gebiedenkaart, geraadpleegd op 22-08-2022 via https://www.brabant.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/landschap/aardkundig-waardevolle-gebieden.
97 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Tabel 6.17 Beoordelingsschaal criterium bekende en verwachte archeologische waarde Bekende en verwachte archeologische waarde
--
de voorgenomen ontwikkeling heeft een sterk negatief effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie, door plaatsing op/in een bekend wettelijk beschermd archeologisch monument en gebieden van archeologische waarde (categorie 2). Bekende archeologische waarde wordt hiermee aangetast
-
de voorgenomen ontwikkeling heeft een negatief effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie door plaatsing in gebieden met hoge archeologische verwachting (categorie 3) en/of gebieden met een gematigde archeologische verwachting (categorie 4). Hierdoor wordt verwachte archeologische waarde aangetast
0
de voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op archeologie ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
6.4.5
Onderzoeksmethodiek thema veiligheid en infrastructuur
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor de effectbeoordeling van de alternatieven voor het thema veiligheid en infrastructuur. Invloed op (beperkt) kwetsbare objecten Effecten op (beperkt) kwetsbare objecten, zogenaamde risico-ontvangers (zie kader), worden kwalitatief beoordeeld aan de hand van indicatief bereik PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten en PR10-6 voor kwetsbare objecten uit de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW). Op basis van artikel 3.15a lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is de PR-norm voor een kwetsbaar object 10-6. De HRW biedt richtlijnen voor het bepalen van de PR-10-6 contour, hierbij wordt de tiphoogte van een windturbine als bereik aangenomen. Het plaatsgebonden risico voor een beperkt kwetsbaar object mag niet groter zijn dan 10-5 hierbij wordt ½ rotordiameter als bereik aangehouden. Omdat aan deze afstanden ruimschoots voldaan is bij het definiëren van een zoekgebied, en hier bij het ontwerpen van de alternatieven niet vanaf geweken is, vinden er geen overschrijdingen van deze veiligheidseisen plaats. De effecten van de plaatsingszones op het plaatsgebonden risico zijn daarom niet verder onderzocht in dit planMER.
Risicobronnen en risico-ontvanger Externe veiligheid maakt onderscheid tussen: - risicobronnen zijn veroorzakers van een risico en zijn in twee groepen te verdelen: · transportassen, zoals buisleidingen, wegen en spoorwegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Windturbines (op land) vallen ook onder inrichtingen (type B inrichtingen in Activiteitenbesluit); · inrichtingen waarin productie, gebruik, verstrekking en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; - risico-ontvangers zijn beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten. Individuen die zich bevinden in (beperkt) kwetsbare objecten moet worden beschermd volgens het Nederlandse externe veiligheidsbeleid. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen en grote kantoorpanden. Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn winkels, restaurants, sporthallen en bedrijfswoningen. Woningen met een woningdichtheid van twee woningen per ha of minder worden beschouwd als een beperkt kwetsbaar object. Plaatsgebonden risico en andere onderzochte risico’s Bij het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen moet worden getoetst of het realiseren van het plan een extern veiligheidsrisico oplevert. Voor dit planMER wordt alleen het plaatsgebonden risico beschouwd.
Het groepsrisico is ook onderdeel van externe veiligheid, maar de beoordeling hiervan is niet opgenomen voor windturbines is het Activiteitenbesluit. Voor deze fase is het groepsrisico niet bepalend voor de locatiekeuze. Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico uitgedrukt in kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt door een calamiteit waarbij een gevaarlijke
98 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het PR wordt weergegeven met behulp van de norm PR 10-6 voor kwetsbare objecten en met de norm PR 10-5 voor beperkt kwetsbare objecten. Hoe dichter bij de bron, hoe groter het plaatsgebonden risico: - de PR 10-6 risicocontour is een gebied waar de kans gelijk of groter is dan 1 op de miljoen; - de PR 10-5 risicocontour is een gebied waar de kans gelijk of groter is dan 1 op de honderdduizend. Invloed op risicobronnen Windenergie Plaatsing van windturbines binnen veiligheidszones van risicobronnen kan voor vergroting van het plaatsgebonden risico voor (beperkt) kwetsbare objecten zorgen. Effecten op (beperkt) kwetsbare objecten zijn kwalitatief beoordeeld aan de hand van de aanwezige risicobronnen en daaruit volgende beperkingen. De aanwezigheid van windturbines heeft een risico-verhogende werking op andere risicobronnen, zoals het hoogspanningsnet, buisleidingen, inrichtingen en wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarom zijn in de HRW-adviesafstanden opgenomen. Deze zijn, waar relevant, verwerkt op de kansen- en belemmeringenkaarten (zie bijlage III). Voor enkele risicobronnen is sprake van een zachte belemmering. Met dit criterium wordt het externe veiligheidsrisico beoordeeld van plaatsing van een windturbine ten opzichte van de locatie van een risicobron.
De volgende afstanden zijn gehanteerd in de beoordeling van de plaatsingszones (tabel 6.18):
Tabel 6.18 Gehanteerde adviesafstanden veiligheid overige risicobronnen Type object
Toe te passen adviesafstanden Turbine 130 m
Turbine 170 m
wegen
fysieke belemmering + 15 m uit hart weg verharding
ondergrondse buisleidingen
195 m (ashoogte + ½ rotordiameter)
255 m (ashoogte + ½ rotordiameter)
hoogspanningsverbinding
195 m (ashoogte + ½ rotordiameter)
255 m (ashoogte + ½ rotordiameter)
BRZO1 + inrichtingen
fysieke belemmering
Als de plaatsingszones binnen de in tabel 6.18 genoemde veiligheidsafstanden valt is het effect op dit toetsingscriterium onderscheidend in de effectbeoordeling. Dit wordt beoordeeld met de beoordelingsschaal in tabel 6.19.
Tabel 6.19 Beoordelingsschaal invloed op risicobronnen Overige risicobronnen
--
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een sterk negatief effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie door plaatsing binnen PR10-5 contour van buisleidingen, hoogspanningsverbindingen en BRZO + inrichtingen
-
de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een negatief effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie door plaatsing binnen de adviesafstanden voor veiligheid van overige risicobronnen
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
1
In Waalwijk zijn twee BRZO (Besluit risico's zware ongevallen) bedrijven aanwezig. Deze zijn gevestigd op Bedrijventerrein Haven (Sluisweg 10 en Sluisweg 12).
99 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief
Zonne-energie Zonnevelden vormen in principe geen risicobron en zijn geen risico-ontvanger. Wel gelden er aandachtspunten bij plaatsing boven bijvoorbeeld ondergrondse buisleidingen. Door zwerfstromen van elektriciteit kan een buisleiding beïnvloed worden. Hierdoor kan corrosie van de leiding optreden en een gevaarlijke situatie ontstaan. Om dit te voorkomen stellen leidingbeheerders voorwaarden aan zonnevelden, waarbij in elk geval geldt dat er geen zonneveld ontwikkeld kan worden in een straal van 5 m rondom een buisleiding1. Binnen deze afstand geldt een sterk negatief (--) effect. Daarnaast is een deel van de plaatsingszones gelegen onder de 150 kV-hoogspanningsverbinding van TenneT, waardoor een nadere afweging van de veiligheidsrisico’s nodig is. Er zijn in Nederland op verschillende locaties zonnevelden onder hoogspanningsverbindingen gerealiseerd. Met TenneT dient afgestemd te worden of negatieve effecten ontstaan door de aanleg van zonnevelden en hoe hier in de inpassingsfase rekening mee gehouden kan worden. Voor ligging onder de hoogspanningsverbinding geldt een negatieve (-) beoordeling. Voor de overige locaties, met uitzondering van de ligging nabij de hiervoor genoemde ondergrondse buisleiding, is geen sprake van een effect en volgt een neutrale (0) beoordeling. Tabel 6.20 toont de beoordelingsschaal voor het criterium invloed op risicobronnen.
Tabel 6.20 Beoordelingsschaal invloed op risicobronnen Overige risicobronnen
--
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen 5 m van een ondergrondse buisleiding en leidt tot een sterk negatief effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
-
de voorgenomen ontwikkeling vindt plaats onder de hoogspanningsverbinding en leidt mogelijk tot een negatief effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
0
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een effect op veiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
+
niet van toepassing
++
niet van toepassing
Invloed op verkeer Zonnevelden kunnen visuele hinder opleveren door lichtschittering. Dit heeft effect op scheepvaart 2 en wegverkeer3. Als deze effecten verwacht worden doordat zonnevelden in de nabije omgeving van (vaar)wegen geplaatst worden, is het mogelijk om hier nader onderzoek naar uit te voeren. De positie van de zonnevelden ten opzichte van de (vaar)weg is hierbij een belangrijk aandachtspunt, en schept mogelijkheden om visuele hinder te mitigeren. Dit kan onder andere door panelen toe te passen die minder lichtschittering veroorzaken of het zicht vanaf (vaar)wegen op het zonneveld te beperken door landschappelijke inpassingsmaatregelen. Er is geen geldend beleid of regelgeving over visuele hinder van zonnevelden voor verkeer. Ook is er geen informatie beschikbaar over adviesafstanden. Dit thema wordt daarom niet verder onderzocht in het planMER. Invloed op (Defensie)radar In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), is het toetsingskader voor radarverstoring geregeld. Daarin is voorgeschreven dat voor bouwwerken (zoals windturbines) met een grotere bouwhoogte dan is opgenomen in de Rarro, getoetst dient te worden aan de rekenregels voor radarverstoring. Voor nieuwe windturbines geldt dat toetsing verplicht is binnen een gebied van 75 km rondom een radarpost die in de Rarro is aangewezen.
Voor de 1
Spoelstra, M.B., 2023. Handreiking Plaatsing zonneweide nabij een stalen buisleiding. NIPV.
2
Emmerik M.L. van, Hoefsloot, P.C. en Sanden, K.P.H.M. van der, 2022. Radio en visuele hinder door zonnevelden naast vaarwegen. TNO.
3
Alferdinck, J. W. A. M., de Goede, M., van Buuren, R. A., & Uittenbogerd, G. (2016). Lichthinder zonreflectie voor weggebruikers– ontwikkeling beoordelingsmethode op basis van disability glare. Soesterberg: TNO.
100 | 162
Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief