CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Definitief PlanMER GODE Waalwijk

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Concept Beleidsvisie Grootschalige Opwek Duurzame Energie32.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk planMER

Gemeente Waalwijk 17 mei 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s)

Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Grootschalige Opwek Duurzame Energie Waalwijk Gemeente Waalwijk

planMER Definitief 17 mei 2023 130946/23-008.419

130946 L.F. de Visser-Bleijenberg MSc Ir. A.H.J. van Kuijk

R. de Jong MSc, F.D. Kesmer MSc, S.F. Apperloo MSc, L.F. de Visser-Bleijenberg MSc, M.E. Graff MSc A.T.W. van Breukelen MSc L.F. de Visser-Bleijenberg MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding en doel van het MER

7

1.1.1 1.1.2

7 9

Grootschalig Opwek Duurzame Energie Doel en diepgang van de milieueffectrapportage

1.2

Leeswijzer

9

2

M.E.R.-PROCEDURE

11

2.1

Noodzaak van een MER

11

2.2

Doorlopen procedure

13

2.3

Te doorlopen procedure en verdere besluitvorming

14

2.4

Bevoegd gezag, initiatiefnemers en betrokken partijen

15

3

KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN

17

3.1

Europees beleid

17

3.2

Nationaal beleid

17

3.3

Provinciaal beleid

18

3.4

Regionaal beleid

19

3.5

Gemeentelijk beleid

20

4

REFERENTIESITUATIE

22

4.1

Zoek- en studiegebied

22

4.2

Huidige ruimtelijke situatie: hoe ziet het gebied eruit?

22

4.2.1 4.2.2

22 24

Beschrijving van het zoekgebied Beschrijving omgeving zoekgebied

4.3

Autonome ontwikkelingen

25

4.4

Thematische referentiesituatie

26

4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5 4.4.6

26 31 32 37 43 47

Referentiesituatie bodem Referentiesituatie water Referentiesituatie natuur Referentiesituatie landschap, cultuurhistorie en archeologie Referentiesituatie veiligheid en infrastructuur Referentiesituatie leefomgeving

4.4.7

Referentiesituatie ruimtegebruik

49

5

ALTERNATIEVENONTWIKKELING

52

5.1

Aanpak op hoofdlijnen

52

5.2

Afwijkingen ten opzichte van de NRD

53

5.3

Algemene uitgangspunten alternatievenontwikkeling windenergie

54

5.4

Toelichting op de vijf thematische alternatieven windenergie

58

5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.4.5 5.4.6

58 60 62 64 66 67

5.5

Alternatief Energieopbrengst Alternatief Leefomgeving Alternatief Landschap Alternatief Natuur Alternatief Defensie Overzicht te onderzoeken alternatieven windenergie

Toelichting alternatieven zonne-energie

73

5.5.1 5.5.2

74 74

Alternatief Zon Besloten Alternatief Zon Open

6

ONDERZOEKSAANPAK

76

6.1

Effecten ontwikkelingen

76

6.1.1 6.1.2

76 77

Windenergie Zonne-energie

6.2

Beoordelingskader

77

6.3

Scoringsmethodiek

80

6.4

Onderzoeksmethodiek per thema

80

6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.4.7

80 83 85 90 98 102 112

Onderzoeksmethodiek thema bodem Onderzoeksmethodiek thema water Onderzoeksmethodiek thema natuur Onderzoeksmethodiek thema landschap, cultuurhistorie en archeologie Onderzoeksmethodiek thema veiligheid en infrastructuur Onderzoeksmethodiek leefomgeving Onderzoeksmethodiek ruimtegebruik

7

EFFECTENANALYSE EN -BEOORDELING

114

7.1

Samenvatting effectanalyses

114

7.2

Bodem

117

7.2.1 7.2.2 7.3

Water 7.3.1 7.3.2

7.4

Effectanalyse Effectbeoordeling

Natuur

117 119 120

Effectanalyse Effectbeoordeling

120 121 121

7.4.1 7.4.2 7.5

7.6

7.7

7.8

7.9

Effectenanalyse Effectbeoordeling

121 124

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

125

7.5.1 7.5.2

Effectanalyse Effectbeoordeling

125 129

Veiligheid en infrastructuur

130

7.6.1 7.6.2

130 133

Effectanalyse Effectbeoordeling

Leefomgeving

134

7.7.1 7.7.2

134 141

Effectanalyse Effectbeoordeling

Ruimtegebruik

142

7.8.1 7.8.2

142 144

Effectanalyse Effectbeoordeling

Cumulatieve effecten van wind- en zonne-energie

145

7.9.1 7.9.2

145 146

Cumulatieve effecten op natuur Landschap

8

MITIGERENDE MAATREGELEN

147

8.1

Bodem

147

8.1.1 8.1.2 8.2

Water 8.2.1 8.2.2

8.3

8.5

8.6

147 147 148

Maatregelen Voorwaarden

Natuur 8.3.1 8.3.2

8.4

Maatregelen Voorwaarden

148 148 148

Maatregelen Voorwaarden

148 150

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

150

8.4.1 8.4.2

150 151

Maatregelen Voorwaarden

Veiligheid en infrastructuur

152

8.5.1 8.5.2

152 153

Maatregelen Voorwaarden

Leefomgeving

153

8.6.1 8.6.2

153 153

Maatregelen Voorwaarden

8.7

Ruimtegebruik

153

9

INZICHTEN VOOR VERDERE BESLUITVORMING

154

10

LEEMTEN IN KENNIS EN AANZET TOT MONITORING

158

11

BEGRIPPENLIJST

160

Laatste pagina

162

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Wetgeving, richtlijnen en beleid

10

II

Bouwsteen Landschap Rho adviseurs

36

III

Notitie alternatievenontwikkeling

37

IV

Natuur, QuickScan Witteveen+Bos

30

V

Geluid en gezondheid

14

VI

Slagschaduw

5

VII

Reactienota

74

VIII

Bodem, beoordeling op kaart

9

IX

Water, beoordeling op kaart

6

X

Natuur, beoordeling op kaart

6

XI

Ecologische knelpuntenanalyse

56

XII

Radartoets

69

XIII

Landschapsvisualisaties

15

1 INLEIDING Voor u ligt het planmilieueffectrapport Grootschalige Opwek Duurzame Energie (GODE) Waalwijk (hierna: planMER). Het planMER toetst de milieueffecten van windturbines en zonnevelden, om op deze manier milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming in de gemeente Waalwijk. Deze inleiding geeft een toelichting op de aanleiding voor en het doel van het planMER GODE in de gemeente Waalwijk (1.1) en sluit af met een leeswijzer (1.2).

1.1

Aanleiding en doel van het MER

1.1.1

Grootschalig Opwek Duurzame Energie

In het Klimaatakkoord van Parijs (2015) hebben 192 landen de afspraak vastgelegd om de opwarming te beperken tot maximaal 2 °C. Deze afspraken zijn vervolgens vertaald in nationaal, provinciaal en regionaal beleid, zoals het landelijk Klimaatakkoord uit 2019 en de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS) van Hart van Brabant van juli 2021. Ook het beleid van de gemeente Waalwijk houdt rekening met deze afspraken. De gemeenteraad van Waalwijk heeft op 24 juni 2021 de Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie (GODE) (hierna: Kadernota) vastgesteld. Hierin heeft de gemeenteraad als doel gesteld om in 2030 tenminste 50 % van het totale elektriciteitsverbruik binnen de gemeente duurzaam op te wekken op het eigen grondgebied. In de Kadernota wordt het elektriciteitsverbruik in 2030 geschat op ongeveer 431.000 MWh/jaar. Dit vertaalt zich in een opgave om in 2030 per jaar minimaal 215.500 MWh/jaar aan elektriciteit op een duurzame wijze op te wekken. Om de opgave in te vullen, focust de gemeente op een combinatie van zonne-energie en windenergie. De ruimtelijke uitwerking van de opgave voor duurzame opwek moet worden vertaald naar het ruimtelijk beleid van de gemeente Waalwijk. De gemeenteraad van Waalwijk wijst hiervoor de plaatsingszones voor nieuwe windturbines en zonnevelden aan door middel van een beleidsvisie op de grond van de Wet ruimtelijke ordening1.

In dit planMER verder aangeduid als ruimtelijke visie. Opgave en zoekgebied De gemeente Waalwijk wil binnen de gemeente ruimte te bieden voor: - gebieden (plaatsingszones) voor de opwek van windenergie met een gezamenlijke opbrengst van 170.500 MWh/jaar (hierbij wordt uitgegaan van een situatie waarbij de bestaande windturbines rond het Ecopark zijn verwijderd); - ten minste twee gebieden voor de opwek van zonne-energie met een gezamenlijke totale omvang van 15 ha (geen onderdeel van dit planMER). Het zoekgebied is het gebied waarbinnen de gemeente zoekt naar een geschikte invulling voor bovengenoemde opgave. Het zoekgebied voor windenergie en zonne-energie (afbeelding 1.1 en 1.2) is

1

Vanwege de beperkingen die de provincie Noord-Brabant daaraan stelt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) kan de gemeenteraad van Waalwijk geen bestemmingsplan vaststellen voor nieuwe windturbines en zonnevelden.

7 | 162

Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk in de Kadernota en ligt ten noorden van de rijksweg A59 en ten zuiden van rivier de Bergsche Maas.

Afbeelding 1.1 Zoekgebied voor windenergie in de gemeente Waalwijk

Afbeelding 1.2 Zoekgebied voor zonne-energie in de gemeente Waalwijk

8 | 162

Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

1.1.2

Doel en diepgang van de milieueffectrapportage

Voorliggend rapport is het planMER voor de ruimtelijke visie. Het planMER beschrijft wat de (milieu)effecten zijn van de ontwikkeling die de gemeente Waalwijk voor ogen heeft om grootschalige opwek van wind- en zonne-energie mogelijk te maken. In het planMER zijn verschillende alternatieven onderzocht. Door de alternatieven te vergelijken wordt duidelijk welke voor- en nadelen bepaalde keuzes hebben voor het milieu en wat randvoorwaarden, belemmeringen en kansen zijn bij deze plannen. Op basis hiervan kan de gemeente Waalwijk een voorkeursalternatief (VKA) kiezen. Dit is een alternatief of een combinatie van delen van alternatieven dat de voorkeur heeft om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. Onderscheid in definitie tussen m.e.r. en MER Binnen de procedure van milieueffectrapportage worden de volgende afkortingen gebruikt: de m.e.r. en het MER. De m.e.r. duidt de procedure van milieueffectrapportage aan, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport. Waarom een milieueffectrapportage? Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Het voornemen betreft het mogelijk maken van windparken en zonnevelden. De aanleg van een windpark is aan te merken als een activiteit waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure verplicht is.

Recent is een procedure doorlopen bij de Raad van State. Hierin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geconcludeerd dat een zonneveld niet valt in categorie D22.1 (installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770). In lijn met die uitspraak geldt dat bij de ontwikkeling van 15 ha aan zonnevelden in de gemeente Waalwijk geen m.e.r.-plicht bestaat. Omdat de gemeente in de ruimtelijke visie gebieden en randvoorwaarden vastlegt voor zowel wind- als zonne-energie ontstaat een samenhangend kaderstellend plan waarbij negatieve effecten op Natura 2000gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten. Hierdoor is ook de ontwikkeling van zonnevelden in de gemeente Waalwijk plan-m.e.r.-plichtig. Paragraaf 2.1 beschrijft de m.e.r.-procedure in meer detail. Scopeverandering planMER Bij de start van de m.e.r.-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD beschrijft de voorgenomen reikwijdte en het detailniveau van dit planMER. De definitieve NRD is op 21 april 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk. Paragraaf 2.2 beschrijft de procedure rondom de NRD. Hoofdstuk 2.2 licht toe welke wijzigingen er zijn ten opzichte van de vastgestelde NRD, bijvoorbeeld naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r.

op de NRD en het concept-planMER (Bijlage VII beschrijft daarnaast uitgebreid hoe met het advies van de Commissie m.e.r. op het concept-planMER is omgegaan). Paragraaf 5.2 beschrijft welke wijzigingen in de alternatievenontwikkeling hebben plaatsgevonden ten opzichte van de NRD.

1.2

Leeswijzer

Tabel 1.1 Toont de leeswijzer voor dit planMER.

Tabel 1.1 Leeswijzer Hoofdstuk

Wat leest u hier?

1

de doelstellingen van GODE de aanleiding en het doel van dit planMER

2

de noodzaak van een milieueffectrapportage

9 | 162

Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Hoofdstuk

Wat leest u hier? het proces tot nu toe het vervolg van het proces

3

de Europese, nationale, provinciale, regionale en lokale beleidskaders

4

de referentiesituatie van het zoek- en studiegebied autonome ontwikkelingen die er zijn er in het zoekgebied referentiesituaties per onderzocht thema

5

het proces voor de alternatievenontwikkeling een introductie in de thematische alternatieven

6

de verwachte ingreep-effectrelaties van windenergie het beoordelingskader de toegepaste scoringsmethodiek

7

de milieueffecten per thema de milieubeoordeling per thema

8

voorwaarden en mitigerende maatregelen per thema

9

inzichten verdere besluitvorming

10

leemten in kennis en aanzet tot monitoring

11

begrippenlijst

10 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

2 M.E.R.-PROCEDURE Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de milieueffectrapportage en de samenhang met de procedure van de ruimtelijke visie.

2.1

Noodzaak van een MER

Wanneer wordt een m.e.r. procedure doorlopen? Als een activiteit mogelijk significante nadelige gevolgen op het milieu heeft, kan een m.e.r.-procedure aan de orde zijn (dit hangt mede af van het type activiteit). Het doel van de m.e.r.-procedure is om milieu- en natuurbelangen, naast andere belangen, een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. De m.e.rprocedure is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving, indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Deze 175 activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), een Algemene Maatregel van Bestuur op grond van art. 7.2 Wm van de Wet milieubeheer (Wm). Het Besluit m.e.r. vormt het kader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.- (beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Een milieueffectrapport (MER) beschrijft op objectieve wijze welke milieueffecten te verwachten zijn wanneer een bepaalde activiteit wordt ondernomen. Twee vormen van de procedure De m.e.r.-procedure kent twee vormen die relevant zijn om de doelstellingen uit de Kadernota te realiseren: de plan-m.e.r. en de project-m.e.r. De plan-m.e.r. dient als basis voor de op te stellen ruimtelijke visie, de project-m.e.r. is noodzakelijk voor de onderbouwing van de vergunningsaanvragen voor concrete windenergieprojecten.

In tabel 2.1 is de m.e.r.-plichtige, dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit opgenomen die van toepassing is op het voornemen. Voor de middelgrote zonnevelden die de gemeente Waalwijk wil ontwikkelen, bestaat geen individuele m.e.r.-plicht. Recent is een procedure doorlopen bij de Raad van State. Hierin heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geconcludeerd dat een zonneveld niet valt in categorie D22.1 (installatie voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770). Doordat met de ruimtelijke visie echter een samenhangend, kaderstellend plan voor zowel windturbines als zonnevelden ontstaat, is de ontwikkeling van zonnevelden echter wel plan-m.e.r.-plichtig. Hierbij is de ontwikkeling gekoppeld aan categorie D9 (een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan).

11 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Tabel 2.1 Categorieën uit het Besluit m.e.r. van toepassing op voornemen

D 22.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

activiteiten

gevallen

plannen

besluiten

een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; vestiging van een glastuinbouwgebie d of bloembollenteeltge bied van 50 hectare of mee

de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, het plan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden

de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet

de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark

in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 2°. tien windturbines of meer

de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet

het besluit bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet, het besluit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet windenergie op zee of de besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn dan wel waarop titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is

Plan-m.e.r.-beoordelingsplicht Een planMER is vereist voor plannen waarin de locatie voor een activiteit met potentieel aanzienlijke milieueffecten wordt aangewezen. Een windturbinepark met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit tien windturbines of meer is m.e.r.-(beoordelings)plichtig op grond van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat een planMER moet worden opgesteld ter onderbouwing van een ruimtelijke visie (zie paragraaf 2.3). Daarnaast geldt ook een plan-m.e.r.-plicht in het geval dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In dat geval is ook een passende beoordeling vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Omdat op voorhand negatieve effecten ten gevolge van de uitvoering van de plannen uit de ruimtelijke visie niet zijn uit te sluiten geldt de plan-m.e.r.plicht ook voor de zonnevelden.

12 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Project-m.e.r.-plicht Indien sprake is van een concreet project voor een windpark van 15 MW of meer, dient het bevoegd gezag (onder meer in het kader van de omgevingsvergunning) een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt onderbouwd of een projectMER nodig is of niet. Initiatiefnemers kunnen ook besluiten om vrijwillig invulling te geven aan de project-m.e.r.-plicht. In dat geval is een m.e.r.-beoordelingsprocedure voor het aanvragen van een omgevingsvergunning niet meer van toepassing. Per windpark-initiatief wordt beoordeeld of de noodzaak bestaat om een projectMER op te stellen. Deze procedure volgt na het afronden van de ruimtelijke visie. Voor de ontwikkeling van concrete projecten voor zonnevelden geldt geen individuele project-m.e.r.-plicht.

2.2

Doorlopen procedure

In het kader van de m.e.r.-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD beschrijft de voorgenomen reikwijdte en detailniveau (onderzoeksaanpak) van dit planMER. De NRD heeft vanaf 23 december 2021 tot en met 16 februari 2022 ter inzage gelegen. Iedereen had in deze periode de mogelijkheid om een reactie te geven. Ook zijn betrokken bestuursorganen geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. Het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk heeft gereageerd op de ingebrachte reacties uit de inspraak. Dit heeft zij gedaan met een Reactienota. De NRD op basis van de ingebrachte zienswijzen waar van toepassing aangepast. De definitieve NRD is op 21 april 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Waalwijk. De adviezen en de Reactienota vormen samen met de NRD het kader voor dit planMER. Deze documenten zijn integraal te raadplegen (NRD). Ontvangen zienswijzen NRD In totaal zijn er 45 zienswijzen tijdens de reactieperiode ontvangen, met in totaal 284 reacties. 28 zienswijzen van omwonenden: zes uit Waspik, vijf uit Sprang-Capelle, zeven uit Waalwijk en negen uit de omliggende gemeenten Altena en Heusden.

Daarnaast waren er negen zienswijzen van belangengroeperingen als het Platform Waspik, de Dorpsraad Drongelen, de ZLTO, de Weidevogelvereniging, Energie Gezond Waalwijk en Heusden, de Brabantse Milieufederatie en de belangenvereniging Overdiepse Polder. Drie zienswijzen zijn binnengekomen van het waterschap Brabants Delta, het Rijksvastgoedbedrijf namens Defensie en de gemeente Altena. Daarnaast zijn er vijf zienswijzen ingediend door ontwikkelaars en/of initiatiefnemers. Advisering door de Commissie voor de milieueffectrapportage en de GGD Het college van burgemeester en wethouders heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) en het GGD Team Gezondheid, Milieu & Veiligheid Brabant (hierna: GGD) gevraagd om advies uit te brengen over de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen planMER. Ook zijn alle ontvangen zienswijzen toegezonden aan de Commissie m.e.r., zodat de Commissie m.e.r. deze in haar advies kon betrekken. De Commissie heeft op 3 maart 2022 een uitgebreid advies uitgebracht aan de gemeente over de reikwijdte en detailniveau van het op te stellen planMER. Besloten is om het advies van de Commissie m.e.r. grotendeels over te nemen in de definitieve NRD. Het belangrijkste advies dat niet volledig is overgenomen, is het advies om het zoekgebied minder ‘streng’ af te bakenen (minder randvoorwaarden toepassen).

Hierdoor zouden bijvoorbeeld windturbines in een lijnopstelling langs de A59 als te onderzoeken alternatief in beeld kunnen komen. De gemeenteraad heeft echter besloten niet af te wijken van de 750 m rond woningen in stedelijk gebied en/of bebouwingsclusters. Wel biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om voor sommige alternatieven af te wijken van de in de Kadernota afgebakende veiligheidsafstanden tot hoogspanningsverbindingen en de vastgestelde 400 m tot woningen in het buitengebied. Hiermee is, naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r., het zoekgebied voor windenergie vergroot. Bijlage VII geeft een complete beschrijving van hoe met het advies van de Commissie m.e.r. is omgegaan. Ecologisch onderzoek Bij vaststelling van de NRD is besloten om parallel aan de procedure voor het opstellen van het planMER ecologisch veldonderzoek op te starten. Door vroeg dit onderzoek op te starten zijn de eerste resultaten bekend als input voor de keuze voor een voorkeursalternatief (VKA). Het ecologisch veldonderzoek voor

13 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

specifieke projecten kan vervolgens gericht in meer detail worden uitgevoerd, waarbij de resultaten uit het al uitgevoerde veldonderzoek de basis vormen. Ter inzagelegging concept-planMER De gemeente Waalwijk hecht erg aan het tijdig en uitgebreid informeren en consulteren van betrokken partijen en inwoners. Daarom heeft de gemeente de concept-planMER eind 2022 vrijwillig ter inzage gelegd. Er zijn in deze periode 39 zienswijzen ontvangen van bewoners en andere belanghebbenden. In deze periode is eveneens tussentijds advies gevraagd van de Commissie m.e.r. en de GGD op de conceptplanMER. De zienswijzen en het advies zijn te vinden in de reactienota, opgenomen in bijlage VII. Dit heeft geleid tot aanpassingen van het planMER (zie reactienota voor de doorgevoerde wijzigingen). Besloten is om het tussentijdse advies van de Commissie m.e.r. van 2 februari 2023 grotendeels over te nemen in het definitieve planMER. De belangrijkste wijziging in het definitieve planMER is het toevoegen van zonnevelden als alternatief. Dit heeft een relatie met de plan-m.e.r.-plicht die ontstaat bij het niet kunnen uitsluiten van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van de uitvoering van de ruimtelijke visie. Bijlage VII geeft een complete beschrijving van hoe met de adviezen is omgegaan.

2.3

Te doorlopen procedure en verdere besluitvorming

Van zoekgebied naar plaatsingszones in een ruimtelijke visie De plaatsingszones voor windenergie en zonne-energie uit dit planMER moeten worden vertaald naar het ruimtelijk beleid van de gemeente Waalwijk. Dit kan door met van een (structuur-)visie op de grond van de Wet ruimtelijke ordening. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt (naar verwachting op 1 januari 2024), wordt dit een Omgevingsvisie als bedoeld in die wet. Voor de inhoud van dit planMER maakt de vorm (structuurvisie of Omgevingsvisie) geen verschil. In dit planMER is daarom gesproken over een ruimtelijke visie. In het planMER zijn alternatieven ontwikkeld die samen de bandbreedte aan mogelijke ontwikkelrichtingen van wind- en zonne-energie binnen het zoekgebied in beeld brengt. De resultaten van het planMER en de keuze voor het voorkeursalternatief worden vervolgens vertaald in plaatsingszones in de ruimtelijke visie. Het voorkeursalternatief wordt op basis van milieu-informatie (dit planMER), de economische haalbaarheid (business case), techniek en omgevingsfactoren bepaald door de gemeente. Dit planMER biedt de gemeente Waalwijk de benodigde milieu-informatie. Van plaatsingszones naar omgevingsvergunningen voor windturbines en zonnevelden Binnen de plaatsingszones die in de ruimtelijke visie worden aangewezen, kunnen ontwikkelaars onder voorwaarden een omgevingsvergunning aanvragen bij de gemeente.

Die omgevingsvergunning kan, eveneens op grond van de Interim Omgevingsverordening van de provincie, voor een periode van ten hoogste 25 jaar worden verleend (zie paragraaf 3.4 voor een nadere toelichting). Voor de windprojecten die worden gerealiseerd geldt straks nog wel de verplichting om te beoordelen of een projectMER moet worden opgesteld. De noodzaak hiervoor hangt af van de uitkomsten van het planMER. De gemeente Waalwijk gaat vooralsnog uit van een projectMER ofwel een m.e.r.-beoordeling voor alle toekomstige windinitiatieven. Overdragen van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen voor windprojecten Voor omgevingsvergunningen voor windparken met een opgesteld vermogen van meer dan 5 MW geldt op dit moment dat het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is. In lijn met de huidige afspraken binnen de REKS zal het gemeentebestuur van Waalwijk voorafgaand aan het vaststellen van de ruimtelijke visie de provincie Noord-Brabant verzoeken om de rol van het bevoegd gezag over te nemen voor de omgevingsvergunningen.

14 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

2.4

Bevoegd gezag, initiatiefnemers en betrokken partijen

Bevoegd gezag Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke visie (met dit planMER als bijlage) is de gemeenteraad van Waalwijk. Initiatiefnemer Initiatiefnemers planMER Voor het planMER geldt dat het college van burgemeester en wethouders optreedt als initiatiefnemer van de ruimtelijke visie. Initiatiefnemers windturbines en zonnevelden Na het kiezen van de plaatsingszones kunnen initiatiefnemers een aanvraag doen bij de gemeente voor planologische medewerking voor de bouw van wind- en zonneprojecten. Deze dienen te voldoen aan de criteria die door de gemeenteraad van Waalwijk voor de betreffende plaatsingszones zijn gesteld. De initiatiefnemers kunnen professionele ontwikkelaars zijn, maar bijvoorbeeld ook lokale energiecoöperaties. Het is ook mogelijk dat de gemeente Waalwijk zelf één of meerdere projecten gaat ontwikkelen. De initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor de vergunningsaanvragen en het doorlopen van de bijbehorende procedures. Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde GODE Waalwijk Tegelijkertijd met het uitbrengen van de concept-NRD heeft de gemeente Waalwijk aan ontwikkelaars waarvan het bij de gemeente bekend was dat zij interesse hebben in het realiseren van een wind- of zonneproject, gevraagd om zich aan te sluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde GODE Waalwijk (hierna: Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde).

Het aansluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde is een voorwaarde voor ontwikkelaars om te zijner tijd in aanmerking te kunnen komen voor planologische medewerking voor een initiatief. Het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde is ondertekend door de gemeente en de ontwikkelende partijen. Voor andere partijen die ook interesse hebben in het ontwikkelen van een zon- of windproject in de gemeente Waalwijk, staat de mogelijkheid open om aan te sluiten bij het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde. Voorwaarde daarbij is wel dat de ontwikkelaar de uitgangspunten van het Afsprakenkader Maatschappelijke Meerwaarde onderschrijft en in een vergelijkbare positie verkeert als de al deelnemende ontwikkelaars. Betrokken partijen Adviseurs en bestuursorganen In het kader van het ontwikkelen van grootschalige opwek duurzame energie heeft de gemeente Waalwijk de omliggende gemeenten (Heusden, Altena, Geertruidenberg) vanaf de start van het project bij de planvoorbereiding betrokken. Alhoewel deze gemeenten niet binnen het zoekgebied zijn gelegen, liggen de gemeenten wel binnen het mogelijke beïnvloedingsgebied van de ontwikkelingen. Alle adviseurs en bestuursorganen die op grond van de Wro en het Besluit m.e.r. een rol hebben zijn betrokken.

Dit zijn onder andere de genoemde gemeenten, provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta, Defensie en Rijkswaterstaat. Commissie m.e.r. De onafhankelijke Commissie m.e.r. heeft op 3 maart 2022 een advies uitgebracht aan het bevoegd gezag over de reikwijdte en het detailniveau van dit planMER. Op 20 december 2021 is hiervoor een digitaal locatiebezoek afgelegd door de Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. heeft op 2 februari 2023 een tussentijds advies uitgebracht aan het bevoegd gezag op het concept-planMER en beoordeelt vervolgens het planMER op juistheid en volledigheid.

15 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

GGD De gemeente Waalwijk vindt volksgezondheid een belangrijk aspect voor het maken van afwegingen rondom de ontwikkeling van wind- en zonne-energie. Daarom vraagt de gemeente de GGD gedurende het gehele proces om advies. De GGD heeft een advies uitgebracht op de concept-NRD. De GGD heeft eveneens op 12 juli 2022 deelgenomen aan de publieke inloopbijeenkomst over geluid, slagschaduw en gezondheid in Waalwijk. Het advies van de GGD op de concept-NRD is meegenomen bij het uitvoeren van het milieuonderzoek en het advies concept-planMER (14 februari 2023) is, indien van toepassing, verwerkt in het definitieve planMER. Overige belanghebbenden Omwonenden, natuur- en milieuorganisaties en andere maatschappelijke organisaties worden bij de planvorming betrokken. Gedurende de plan-m.e.r.-procedure zijn een aantal informatieavonden (stakeholder- en publieksbijeenkomsten) georganiseerd. Hierbij zijn verschillende thema’s behandeld en Tijdens de tervisielegging van de ruimtelijke visie, waarbij dit planMER een bijlage is, krijgt eenieder de mogelijkheid zienswijzen kenbaar te maken.

16 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

3 KADERS VANUIT WETGEVING, BELEID EN RICHTLIJNEN Dit hoofdstuk beschrijft de hoofdlijnen van relevante wetgeving, beleid en richtlijnen voor de voorgenomen activiteit.

3.1

Europees beleid

Klimaatdoelstellingsplan 2030 Het voorstel van de Europese Commissie is om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met minstens 55 % te verminderen. De Europese Unie zet hiermee naar eigen zeggen op een verantwoorde manier een goede stap om tegen 2050 klimaatneutraal te worden. Op basis van een uitgebreide effectbeoordeling heeft de Europese Commissie voorgesteld om de ambitie van de Europese Unie voor het terugdringen van broeikasgassen te vergroten en dit ambitieuzere pad voor de komende tien jaar uit te stippelen. De beoordeling van het voornemen laat zien hoe alle sectoren van de economie en de samenleving kunnen bijdragen en beschrijft de beleidsmaatregelen die nodig zijn om dit doel te bereiken. Het vastgelegde doel geeft zekerheid aan beleidsmakers en investeerders, zodat zij concrete stappen kunnen zetten. Hiermee wil de Europese Commissie mede bijdragen aan: - een ambitieuzer en kosteneffectiever pad uitstippelen om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; - het creëren van groene banen stimuleren en de staat van dienst van de EU voortzetten op het gebied van het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en tegelijkertijd de economie laten groeien; - internationale partners aanmoedigen om hun ambitie te vergroten om de stijging van de mondiale temperatuur te beperken tot maximaal 2 °C en de ernstigste gevolgen van klimaatverandering te vermijden.

3.2

Nationaal beleid

Klimaatakkoord Het Klimaatakkoord uit 2019 bevat een pakket aan afspraken, maatregelen en instrumenten waarmee de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 49 % en in 2050 met ten minste 95 % moet zijn teruggedrongen ten opzichte van 1990. In het coalitieakkoord van Kabinet-Rutte IV staat de ambitie om 55 % minder CO2 uit te stoten in 2030 ten opzichte van 1990. Het kabinet wil ook dat Nederland in 2050 klimaatneutraal is. Bijstelling beleidsprogramma voorjaar 2023 Op 2 juni 2022 stuurde de Minister voor Klimaat en Energie een kamerbrief met het betrekking tot het ontwerp beleidsprogramma klimaat. Zowel in het licht van het Urgenda-vonnis als de realisatie van de 55 % reductie in 2030 is een versnelling van de emissiereductie volgens de Minister van Klimaat en Energie noodzakelijk. Om met voldoende zekerheid het aangescherpte doel van 55 % reductie in 2030 te realiseren, wil het kabinet zich bij de uitwerking van het klimaatbeleid richten op 60 % emissiereductie, zodat ook bij tegenvallers de 55 % reductie niet in het geding is.

17 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Om dit mede te bewerkstelligen is in het Klimaatakkoord afgesproken dat 35 TWh elektriciteit op land duurzaam moet worden opgewekt per 2030 of zoveel eerder als mogelijk is. Dit betreft voornamelijk winden zonne-energie. Het voornemen is om decentrale overheden in staat te stellen een goed plan met maatschappelijke acceptatie op te stellen. Het Rijk heeft daarvoor het instrument van de Regionale Energiestrategieën (RES) geïntroduceerd. Hierin is Nederland verdeeld in 30 regio’s (afbeelding 3.1). Per regio verkennen provincies, gemeenten, waterschappen en netbeheerders gezamenlijk de (on)mogelijkheden om op hun grondgebied duurzame energie op te wekken. Maatschappelijke acceptatie van de energietransitie en de manier waarop dat in de regio kan worden gerealiseerd zijn daarbij belangrijke doelen van de RES.

Afbeelding 3.1 De 30 RES-regio’s op kaart, met in blauw ‘Hart van Brabant’

Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid kiest in de Nationale Omgevingsvisie voor het realiseren van de opgave van duurzame energie voor de kwaliteit van de omgeving en het combineren van functies. Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) heeft de voorkeur. Daarbij moet rekening gehouden worden met andere waarden, zoals landschappelijke kenmerken, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water en bodem én maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Bewoners moeten betrokken zijn, invloed hebben en meeprofiteren in de opbrengsten. Dit kan onder andere door middel van een participatietraject waarbij kernwaarden van het gebied bij burgers van de gemeente Waalwijk worden opgehaald.

3.3

Provinciaal beleid

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft in haar op 15 april 2022 geconsolideerde ‘Interim Omgevingsverordening’ (IOV) de nodige spelregels opgenomen met betrekking tot nieuwvestiging van wind- en zonne-energie.

18 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Artikel 3.37 van de verordening stelt nadrukkelijk regels voor het plaatsen van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 m: - de windturbines moeten inpasbaar zijn in de omgeving; - er is sprake van een geclusterde opstelling van minimaal drie windturbines; - de ontwikkeling dient maatschappelijke meerwaarde te geven, waaronder de mogelijkheid om te participeren voor de omgeving: · de plannen moeten zijn afgestemd met de omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder; · de plannen moeten borgen dat wordt voldaan aan het treffen van mitigerende maatregelen om faunaslachtoffers te voorkomen en de daaraan gekoppelde onderzoek- en monitoringsplicht, zoals opgenomen in het bouwstenendocument ‘Natuurinclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land’; - de verleende omgevingsvergunning is ten hoogste 25 jaar geldig. Voor zonnevelden gelden soortgelijke voorwaarden, waarbij de ontwikkeling dient te passen binnen de omgeving en maatschappelijke meerwaarde geeft. Vanuit het beleid bestaat een voorkeur voor de plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst, wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. De provinciale verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien.

Daarom wordt de mogelijkheid geboden om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied. Het m.e.r.-proces anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening wordt bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen door de Omgevingsverordening. Deze Omgevingsverordening is op 11 maart 2022 vastgesteld door de Provinciale Staten. De nieuwe verordening geldt pas bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ten opzichte van de Interim Omgevingsverordening zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot de ontwikkeling van zonnevelden en windturbines.

3.4

Regionaal beleid

Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant (REKS) Alle RES-regio’s in Nederland maken plannen over hoe en waar duurzame energie met zon en wind kan worden opgewekt. Voor de regio Hart van Brabant komen deze plannen samen in de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS). De REKS geeft daarmee namens de regio Hart van Brabant (afbeelding 3.1) invulling aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het landelijke Klimaatakkoord (paragraaf 3.2). In de REKS is opgenomen dat de regio 1 TWh aan duurzame energie met zonne- en windenergie wil opwekken in 2030. Voor de opwek van windenergie zet de regio in op twee ruimtelijke ordeningsprincipes: zonering en clustering. Vanuit zonering volgt dat het open rivierenlandschap in het noordelijke deel van de regio zeer geschikt is voor de opwek van windenergie. Het gaat hier om een relatief grootschalig landschap, waarbij grootschalige vormen van opwek relatief gemakkelijk kunnen aansluiten. In de REKS wordt benoemd dat windturbines bij voorkeur geclusterd worden geplaatst, om de visuele impact op de omgeving te verminderen. De clusters duiden een plek aan en geven de locatie identiteit. Vanuit de clustering van windturbines en de benoemde zonering is het noorden van de gemeente Waalwijk aangemerkt als kansrijk voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie (zie afbeelding 3.2).

Het gebied kan zich ontwikkelen tot energiehub waar opwek, opslag, overslag en distributie worden gekoppeld en gecombineerd. Naar inschatting van de regio kunnen voor 2030 in de open poldergebieden in het noorden van de regio in totaal twintig windturbines worden ontwikkeld. De ontwikkeling van zonnevelden wordt gezien als belangrijk om extra elektriciteit op te wekken. De REKS maakt inzichtelijk waar zonnevelden wel en waar niet zouden kunnen, echter de gemeenten maken de uiteindelijke afweging.

19 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Afbeelding 3.2 Duurzame opwek, warmtetransitie en klimaatadaptatie in Hart van Brabant

3.5

Gemeentelijk beleid

Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie De inhoud van de Kadernota, vastgesteld op 21 juni 2021, onderbouwt de inbreng van de gemeente voor de elektriciteitsopgave in de REKS. De ambitie van de gemeente is om 50 % van het totale verwachte elektriciteitsverbruik duurzaam op te wekken (ongeveer 215.500 MWh per jaar) in 2030. Elke twee jaar wordt de Kadernota geëvalueerd parallel aan de REKS. Dit wordt gedaan door te monitoren of de gerealiseerde capaciteit overeenkomt met de verwachte opwek. In 2043 dient de energie volledig duurzaam opgewekt te worden. De inpassingsprincipes uit de REKS zijn in de Kadernota opgenomen. Voor de situering van grootschalige opwek door middelgrote zonnevelden en van windenergie zijn grote open gebieden nodig. Binnen de gemeente Waalwijk zijn deze gebieden te vinden nabij het huidige Ecopark en bedrijventerrein Haven 8-Oost, en ten noorden van de A59. Binnen het zoekgebied is in de Kadernota onderscheid gemaakt tussen het grootschalige open rivierlandschap en het overgangsgebied. Voor het grootschalige open rivierenlandschap wil de gemeente dat de grootschalige opwek van windenergie niet leidt tot onaanvaardbare en onomkeerbare aantasting van de belangrijkste pijler van ruimtelijke kwaliteit, namelijk de grootschalige openheid van het gebied.

Windenergie Voor de grootschalige opwek van windenergie gaat de gemeente in de Kadernota uit van een opgave van 170.500 MWh/jaar. Hierbij wordt uitgegaan van vervanging van de vier bestaande windturbines op het Ecopark (huidige opwek ongeveer 12.000 MWh/jaar). Hoeveel windturbines nodig zijn en de grootte ervan zal blijken uit nader onderzoek. In de Kadernota is vastgelegd dat locaties van windturbines op minimaal 750 m van een woning in het stedelijk gebied en op minimaal 400 m van woningen in het buitengebied liggen. Hierbij wordt uitgegaan van de begrenzing van stedelijk gebied, zoals aangegeven in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. In haar raadsbesluit van 24 juni 2021 heeft de gemeenteraad besloten om voor het buurtschap Labbegat eveneens 750 m als minimum afstandscriterium op te nemen. In de raadsvergadering van 21 april 2022 is bij de vaststelling van de NRD besloten om ook voor andere buurtschappen (en bebouwingsclusters) dan Labbegat een contour van 750 m aan te houden. Op afbeelding 3.3 is dit uitgewerkt op kaart. In dezelfde raadsvergadering heeft de gemeenteraad eveneens

20 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

besloten dat in het planMER mogelijke creatieve oplossingen niet worden uitgesloten. Dit besluit is genomen om de beschikbare ruimte in het planMER te maximaliseren, en verdere afbakening van de zoekruimte beargumenteerd door milieueffecten te laten plaatsvinden. Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk om molenaarswoningen te realiseren in het buitengebied, binnen de vastgestelde 400 m tot woningen in het buitengebied.

Afbeelding 3.3 Zoekgebied (inclusief Ecopark en Haven 8-Oost) grootschalige opwek windenergie (bron: NRD, 2022)

Zonne-energie De gemeente zet in op de ontwikkeling van zon op bedrijfsdaken, boven parkeerterreinen, op taluds en op restgronden. Dit zijn locaties met minimale landschappelijke impact. Daarnaast wil de gemeente ook de ontwikkeling van zonnevelden in het buitengebied mogelijk maken. De gemeente wil ruimte bieden aan tenminste twee middelgrote zonnevelden op agrarische grond, tot een gezamenlijke totale omvang van 15 ha. Daarbij heeft elk middelgroot zonneveld een minimale omvang van 2,5 ha en een maximaal oppervlakte van 10 ha. De middelgrote zonnevelden moeten aansluiten op het bestaande stedelijk gebied ten noorden van de A59.

21 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

4 REFERENTIESITUATIE Dit hoofdstuk beschrijft de referentiesituatie in het zoek- en studiegebied. Paragraaf 4.1 definieert het zoeken studiegebied. Paragraaf 4.2 beschrijft de huidige situatie en paragraaf 4.3 beschrijft de autonome ontwikkelingen in het zoekgebied. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de referentiesituatie ten aanzien van de verschillende thema’s. De referentiesituatie is de situatie die in de toekomst ontstaat als het voornemen níet wordt uitgevoerd en bestaat uit de optelsom van de huidige situatie en de (effecten van) autonome ontwikkelingen. Het gaat om de situatie waarbij geen nieuwe installaties voor de grootschalige opwek van duurzame energie zijn gerealiseerd binnen het zoekgebied. Het gebied zal zich dan ontwikkelen volgens vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder verdere realisatie van grootschalige wind- en zonne-energie. Dit planMER vergelijkt de effecten van de alternatieven (hoofdstuk 5) met de toestand in de referentiesituatie.

4.1

Zoek- en studiegebied

Zoekgebied Het zoekgebied is het gebied waarbinnen wordt gezocht naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van wind- en zonne-energie in de gemeente Waalwijk. Afbeeldingen 1.1 en 1.2 in hoofdstuk 1 laten het zoekgebied voor wind- en zonne-energie zien. De getoonde gebieden zijn het zoekgebied van dit planMER. Voor de eenduidigheid wordt in dit planMER met de beaming zoekgebied het gebied bedoeld zoals weergegeven op afbeelding 1.1 en 1.2 (zoekgebied voor wind- en zonne-energie). Dit zoekgebied is het grootste in omvang en omvat alle relevante onderdelen welke ook toegepast kunnen worden in de milieueffectenbeoordeling voor zonnevelden. Dit zoekgebied kent een geografische afbakening van de gemeentegrenzen, de A59 en de Bergsche Maas. De randvoorwaarden uit de Kadernota worden in de alternatievenontwikkeling verder toegepast. Studiegebied Milieueffecten reiken in een aantal gevallen verder dan het zoekgebied. Bewoners buiten het zoekgebied kunnen bijvoorbeeld last hebben van geluidhinder of slagschaduw van windturbines. In het planMER worden de effecten onderzocht en beoordeeld voor het gebied waarbinnen mogelijk effecten optreden (het studiegebied).

4.2

Huidige ruimtelijke situatie: hoe ziet het gebied eruit?

4.2.1

Beschrijving van het zoekgebied

Open rivierenlandschap Het gehele zoekgebied kenmerkt zich als grootschalig open rivierenlandschap met de volgende landschappelijke eenheden (afbeelding 4.1): - Bergsche Maas en de uiterwaarden van de Bergsche Maas (strook van ongeveer 250 m); - Overdiepse polder;

22 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

-

Polder Waalwijk; Baardwijkse Overlaat met Drongelens Kanaal.

De uiterwaarden en de polders van het rivierengebied kenmerken zich door: - grootschaligheid; - openheid en weidsheid; - verre zichtlijnen met name in oostwest richting; - kortere zichtlijnen in noord-zuid richting (vanaf de snelweg A59 en de dijken langs de Bergsche Maas); - rechtlijnig, strak landschap. Bedrijventerreinen Het doorgaande karakter van de uiterwaarden en polders in oostwest richting wordt onderbroken door twee bedrijventerreinen: het bedrijventerreinen Haven van Waalwijk (met Ecopark/Haven 7 en Haven 8) en het bedrijventerrein Maasoever-Scharlo in Waspik.

Afbeelding 4.1 Landschappelijke eenheden en bedrijventerreinen in het zoekgebied

Het overgangsgebied Het overgangsgebied ligt ten oosten van het bedrijventerrein Haven (onder andere Haven 8-Oost). Hier ontmoeten tal van landschappelijke elementen, zoals industrie en landbouw, elkaar. Het is een multifunctioneel gebied met een industriële uitstraling en grootschalige logistieke bedrijvigheid in combinatie met (grootschalige) opwek van duurzame energie. Op het Ecopark bevinden zich op dit moment vier windturbines en twee zonnevelden. Dit wordt gecombineerd met een gebied dat een groen en agrarisch karakter heeft en kansen voor recreatief medegebruik biedt. Het zoekgebied voor grootschalige opwek van duurzame energie De bovengenoemde gebieden zijn binnen de Kadernota te definiëren als ‘het zoekgebied’ voor de grootschalige opwek van duurzame energie. Dit geldt ook voor het deel van het overgangsgebied ten westen van het Drongelens Kanaal. Dit gebied heeft in overeenstemming met de structuurvisie Waalwijk

23 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

(2016) de status ‘ontwikkeling Ecopark’ en ‘ruimtelijke reservering uitbreiding bedrijventerrein’, maar wordt in het planMER beschouwd als onderdeel van het zoekgebied.

4.2.2

Beschrijving omgeving zoekgebied

Het zoekgebied grenst direct aan drie gemeenten, namelijk de gemeenten Altena, Geertruidenberg en Heusden. Daarnaast zijn er ten zuiden van de A59 verschillende landschappen gelegen. De kenmerken van de omgeving van het zoekgebied worden hieronder kort beschreven (zie ook afbeelding 4.2). Een uitgebreidere thematische beschrijving is in hoofdstuk 4.4 te vinden. Altena De gemeente Altena ligt ten noorden van het zoekgebied, aan de overzijde van de Bergsche Maas. Evenals het grootste gedeelte van het zoekgebied wordt het gebied gekenmerkt door grootschalig agrarisch grondgebruik. Langs de N283 liggen diverse woonkernen en buurtschappen, zoals Peerenboom, Dussen, Meeuwen, Eethen en Genderen. Daarnaast zijn dichter bij de Bergsche Maas verschillende bebouwingsclusters aanwezig, waarvan Drongelen een dorp is. Geertruidenberg De westzijde van het zoekgebied grenst aan de gemeente Geertruidenberg, specifiek aan het buitengebied van het dorp Raamsdonk. Het grootschalige open rivierenlandschap zet zich richting het westen door tot aan de A27. Het meest oostelijke deel van de Overdiepse Polder is gelegen in Raamsdonk. Hier heeft Defensie een terrein in gebruik. Nationaal Park de Biesbosch ligt in het noorden van de gemeente Geertruidenberg. Vanaf het zoekgebied is er zicht op de Amercentrale aan de westkant van Geertruidenberg.

Heusden Ten oosten van het zoekgebied ligt de gemeente Heusden, met onder andere het dorp Doeveren nabij het zoekgebied. Het gebied kenmerkt zich door het agrarische polderlandschap, met ten oosten van de N267 de kernen Oudheusden en de historische vesting Heusden. Elshout en Drunen zijn andere kernen nabij de gemeentegrens. De Zeedijk vormt een dynamische structuur op de grens tussen beide gemeenten, afwijkend van de rest van het grootschalige landschap is hier meer opgaand groen aanwezig. Ten zuiden van de A59 De A59 is een kenmerkende structuur in het landschap, welke oost-west richting loopt. Ten zuiden hiervan zijn de kernen van de gemeente Waalwijk gelegen: Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik. Tussen Waspik en Waalwijk ligt het Natura 2000-gebied Langstraat. Het gebied ten zuiden van de A59 wordt gezien als een zogenaamd ‘leisure-landschap’ op kleinschalige zandgronden in het zuiden. Een tweetal voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van de Efteling en de Loonse en Drunense Duinen.

24 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Afbeelding 4.2 Overzicht kernen rondom het zoekgebied

4.3

Autonome ontwikkelingen

De autonome ontwikkelingen omvatten alle ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook al gaan de voorgenomen activiteiten van grootschalige duurzame opwek niet door. De volgende autonome ontwikkelingen zijn relevant voor het voornemen: - afronding van de ontwikkeling van bedrijventerrein Haven 8-Oost1. Deze ontwikkeling omvat ook de plaatsing van een migrantencampus ten westen van de Gansoyensesteeg en ten oosten van het Drongelens Kanaal aan de Valkenvoortweg; - de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL), aan de oostzijde van Waalwijk, is een integraal pakket aan verbeteringen op en langs de A59 op het gebied van ruimte, economie, verkeer, waterveiligheid, natuur, landbouw en recreatie. Het omvat onder andere de volgende onderdelen: · de aanleg nieuwe parallelweg langs de A59 en nieuwe op- en afrit voor de A59 ter ontsluiting van het bedrijventerrein Haven 8-Oost en woonkern Waalwijk2, ter verbetering doorstroming A59 en weghalen (sluip)verkeer uit de dorpen; · het verbinden van natuurgebieden door het realiseren van twee ecologische verbindingen in noordzuidrichting; · de aanleg van waterberging; · realiseren van betere fietsvoorzieningen (zoals een snelfietsroute); · het stimuleren van toerisme, recreatie en economische ontwikkeling; - uitwerking bestemmingsplan Oostelijke Insteekhaven.

Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een nieuwe insteekhaven, een containerterminal en watergebonden logistieke bedrijvigheid mogelijk op de plaats van de huidige Jachthaven Waalwijk; 1

Op 10 januari 2023 is het ontwerp van het bestemmingsplan BP Haven 8 Oost-afronding door de gemeente Waalwijk ter inzage gelegd.

2

Op 15 juli 2022 is het inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat West door de provincie Noord-Brabant vastgesteld.

25 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

-

verdere ontwikkeling Kerkvaartse Haven ten oosten van de huidige haven en ten westen de uitbreiding van bedrijventerrein Maasoever-Scharlo1; de aanleg en afronding van Natuurbod Regio Hart van Brabant in het kader van Natuurnetwerk Brabant (NNB) (onder andere Baardwijkse Overlaat); natuurontwikkeling Westelijke Langstraat ten zuiden van de A59 (toevoeging ongeveer 650 ha natuur); natuurontwikkeling in Capelsche Uiterwaard, waaronder de realisatie van getijdengeulen, herstel van het historische slagenlandschap en afgraving van een deel van het maaiveld voor verschraling van de uiterwaard; realisatie nieuw militair radarstation in Herwijnen (gemeente West Betuwe) door het ministerie van Defensie.

-

-

Vervanging bestaande windturbines Naast de autonome ontwikkelingen, spelen er ook nog ontwikkelingen waarover nog geen formele besluitvorming heeft plaatsgevonden. Eén van deze ontwikkelingen heeft betrekking op het Ecopark. De vier bestaande windturbines zijn in 2005 gerealiseerd. De windturbines hebben elk een vermogen van 1,5 MW (ashoogte 80 m, rotordiameter 70 m). De levensduur van de windturbines is ongeveer 25 jaar, waardoor in 2030 de verwachte eindtijd is met betrekking tot de levensduur. De gemeente Waalwijk gaat er dan ook vanuit dat de windturbines voor 2030 vervangen worden door windturbines met een hoger vermogen. In het planMER is daarom uitgegaan van een situatie waarbij de bestaande windturbines niet aanwezig zijn (zoals ook toegelicht in hoofdstuk 1). De windturbines zorgen dus niet voor een belemmering voor het bepalen van plaatsingszones voor nieuwe windturbines. Generieke plan-overstijgende ontwikkelingen Daarnaast zijn er generieke ontwikkelingen die het gebiedsniveau overstijgen. Op het gebied van milieu is dit bijvoorbeeld de trendmatige verbetering van de luchtkwaliteit door (inter-)nationale afspraken of de klimaatverandering die op basis van verschillende scenario´s te verwachten is.

Ook zijn er technologische, demografische, politieke, economische en sociale ontwikkelingen die in meer of mindere mate invloed hebben op de autonome ontwikkeling van het zoekgebied. Deze generieke plan-overstijgende ontwikkelingen zijn in het planMER betrokken en, indien van toepassing, beschreven per thema.

4.4

Thematische referentiesituatie

4.4.1

Referentiesituatie bodem

Bodemkwaliteit Voor de aanleg van windturbinefunderingen, kabels en onderhoudswegen worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De bodemkwaliteit in het zoekgebied is vooral afhankelijk van de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Om de huidige situatie op hoofdlijnen in beeld te kunnen brengen is gebruik gemaakt van de gegevens uit de Nota Bodembeheer (29 september 2022) van de gemeente Waalwijk2. De ontgravingskaart zoals opgenomen in de Bodembeheernota uit 20133 blijft van toepassing geeft de kwaliteitsklasse van de bodem aan op het moment dat deze wordt ontgraven voor hergebruik elders (= beoordeling als een partij grond). In de huidige situatie kan de bodemkwaliteit van het zoekgebied (met uitzondering van de Overdiepse Polder) worden ingedeeld in verschillende zones, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de bovengrond (0-0,5 m -mv4) en de ondergrond (0,5-2 m -mv). Tabel 4.1 toont de betekenis van de legenda van afbeelding 4.3 en 4.4.

1

Op 13 oktober 2022 is het voorontwerpbestemmingsplan voor Bedrijventerrein Maasoever-Scharlo ter inzage gelegd.

2

Nota bodembeheer 29 september 2022 (Deelnemende gemeenten in regio Midden-en West-Brabant), vastgesteld op 22 september 2022 door de gemeenteraad van Waalwijk.

3

Bodembeheernota gemeente Waalwijk 2013-2023, juli 2023.

4

M -mv staat voor het aantal ms onder maaiveld.

26 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

-

-

-

AW2000 is een bodemkwaliteitsklasse voor landelijk geldende achtergrondwaarden die de bovengrens aangeeft. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten, zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden; de bodemkwaliteitsklasse wonen omvat de bodemkwaliteit die nodig is voor functies waarbij sprake kan zijn van veel bodemcontact en een beperkte gewasconsumptie. Hierbij moet worden gedacht aan een gewasconsumptie uit eigen tuin van rond de 10 % van de totale gewasconsumptie. Wordt verwacht dat een grotere gewasconsumptie plaatsvindt dan moet worden gekozen voor de bodemkwaliteitsklasse AW2000; onder de bodemkwaliteitsklasse industrie valt de bodemkwaliteit die de minst kwetsbare functies kan toestaan, met andere woorden die functies waarbij sprake is van weinig bodemcontact en geen gewasconsumptie (bijvoorbeeld terreinen voor sport en recreatie en bepaalde stadsparken).

Tabel 4.1 Kwaliteitsklasse vrijkomende grond Bodemkwaliteitszone

Kwaliteitsklasse

Bodemkwaliteitszone

bovengrond (0-0,5 m -mv)

Kwaliteitsklasse

ondergrond (0,5-2 m -mv)

zone 1

AW2000

zone 7

AW2000

zone 2

industrie

zone 8

AW2000

zone 3

wonen

zone 9

AW2000

zone 4

industrie

zone 10

industrie

zone 5

industrie

zone 6

industrie

De kaarten met de bodemkwaliteitsklassen zijn weergegeven op afbeelding 4.3 en 4.4. Hierop is te zien dat binnen het zoekgebied voor windturbines het grootste gedeelte van de bodem (0-2 m -mv) kan worden ingedeeld als AW2000 (klasse achtergrondwaarde). Voor het gebied ten oosten van het industrieterrein Haven 8 tot aan het Drongelens Kanaal geldt de kwaliteitsklasse industrie (voor de bovengrond). Deze slechtere kwaliteit wordt veroorzaakt door chroom. De stof chroom is afkomstig van de vroegere leerlooierijen.

27 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Afbeelding 4.3 Indeling bodemkwaliteitszones ondergrond (0-0,5 m -mv)

Afbeelding 4.4 Indeling bodemkwaliteitszones ondergrond (0,5-2 m -mv)

28 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

Voor de Overdiepse Polder geldt dat na de grootschalige herontwikkeling de bodemkwaliteit goed is. De gronden van de oude erfpercelen in de Overdiepse Polder zijn gesaneerd, zoals blijkt uit de toelichting bij het Inpassingsplan1. Dit planMER gaat uit van een bodemkwaliteit AW2000 voor de Overdiepse Polder. De uiterwaarden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten. Voor deze gebieden vindt geen beoordeling plaats. Naast de ontgravingskaart uit de Bodembeheernota zijn in het zoekgebied diverse voormalige stortplaatsen gelegen. Een stortplaats zorgt voor een instabiele bodemopbouw en de bodem is hier mogelijk vervuild. De grootste voormalige stortplaats is de gelegen aan de Gansoyensesteeg 202 (98.419 m2). Rond deze stortplaats staan de bestaande windturbines. Andere stortplaatsen zijn de ‘Achterste Dijk’ (546 m², ten westen van bedrijventerrein Scharlo), ‘Mannenbeemdweg’ (1.979 m2 op de kruising van de Valkenvoortweg en de Mannenbeemdweg) en de ‘Veldsteeg’ (46 m2, ten westen van de Valkenvoortweg). Afbeelding 4.5 toont de voormalige stortplaatsen in het zoekgebied.

Afbeelding 4.5 Voormalige stortplaatsen in het zoekgebied

Zettingen Zettingen kunnen optreden als gevolg van ingrepen in de bodem/ondergrond. Bovengrondse en ondergrondse constructies kunnen, indien zwaarder dan de omliggende lithologie, tot zettingen leiden. Ook een aanpassing in de dominante bodemopbouw kan (op termijn) leiden tot zettingen. Het risico op zettingen houdt sterk verband met de lithologische samenstelling van de bodem, waar in meer of mindere mate druk op wordt uitgeoefend. Hierbij zijn textuur, structuur en het watergehalte van de grond belangrijke parameters. Door lucht en water uit poriënruimte te persen (consolidatie) klinkt de grond in. Veen is zeer gevoelig voor zetting, aangezien dit veel water en lucht bevat (groot volume dat makkelijk kan worden samengedrukt). Klei en zand zijn aanmerkelijk beter bestand tegen zetting, waarbij geldt dat zand 1

Inpassingsplan Overdiepse Polder, vastgesteld op 5 juni 2009, IMRO-code: NL.IMRO.9930.ipoverdiep2009-cs01.

2

Kaart Voormalige stortplaatsen op de kaart, provincie Noord-Brabant.

29 | 162 Witteveen+Bos | 130946/23-008.419 | Definitief

vanwege de gunstige textuur en structuur en een laag watergehalte (water stroomt makkelijk weg uit de poriën tussen zandkorrels) het minst gevoelig is voor zetting. In het zoekgebied voor windturbines in de gemeente Waalwijk is het bodemtype ‘zeekleigronden: voedselrijk en vochtig tot nat’ het meest voorkomende bodemtype (afbeelding 4.6). In het meest oostelijke gedeelte van het zoekgebied komen ‘rivierkleigronden: voedselrijk en vochtig tot nat’. Rond het Ecopark en het Drongelens Kanaal komen ‘zandgronden: voedselarm en vochtig tot droog’ voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13011619/1