CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting en regels BP Gedempte Haven Waalwijk

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Gedempte Haven31.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3

Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 & CROW Handreiking parkeernormen deel B 2018

Hoofdstuk 5

27

Figuur 5.3: Benodigd aantal parkeerplaatsen o.b.v. Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 & CROW Handreiking parkeernormen deel B 2018, Bron Empaction

Aanwezigheidspercentages De behoefte aan parkeerplaatsen is over de week niet constant. De auto wordt namelijk ook gebruikt. Het CROW hanteert zogenaamde aanwezigheidspercentages. Sinds 2012 (vernieuwde versie in 2018) zijn voor de functie wonen twee kleine, maar belangrijke aanpassingen aan de aanwezigheidspercentages aangebracht, te weten:  Er is onderscheid gemaakt tussen Avond en Nacht;  Er is onderscheid gemaakt tussen Bewoners en Bezoekers. Voor de ontwikkeling Gedempte Haven wordt de vaste parkeerbehoefte voor bewoners opgelost in een voor bewoners exclusief toegankelijke parkeervoorziening onder de woningen. Voor het aandeel bewoners wordt in de aanwezigheidspercentages voor alle momenten derhalve gerekend met 100%. Als we aangepaste aanwezigheidspercentages toepassen op de ontwikkeling Gedempte Haven, dan komen we op basis van de parkeernorm tot de volgende behoefte aan parkeerplaatsen:

Hoofdstuk 5

28

Figuur 5.4 geeft de vraag naar parkeerplaatsen aan voor bewoners, bezoekers en de overige functies. De maximale behoefte ligt op een zaterdag avond op 247 parkeerplaatsen, dit is het maatgevend moment. Het dubbelgebruik van de parkeerplaatsen zorgt er daarmee voor dat er 48 parkeerplaatsen kunnen worden uitgespaard (295 pp -/- 247 pp).

Figuur 5.4: Benodigd aantal parkeerplaatsen na toepassen aanwezigheidspercentage, Bron Empaction

Bezoekersnorm Bij de functie wonen bedraagt de norm voor bezoekers 0,3 parkeerplaatsen per woning. Dit aantal lijkt redelijk voor kleinere ontwikkelingen. Als er een ontwikkeling is met 10 appartementen, dan is 3 parkeerplaatsen voor bezoek nodig voor het opvangen van piekbelasting, zoals bij een feestje. Maar op een ontwikkeling van 171 appartementen is 52 parkeerplaatsen voor bezoekers in de praktijk overdadig hetgeen zou leiden tot een niet-duurzaam ruimtegebruik.. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de gehanteerde norm van 0,3, zeker bij grotere ontwikkelingen, hoog is. Een aantal onderzoeken geeft aan dat ‘we minder gezellig zijn dan we denken’ en pleit voor een norm van 0,1 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Uit eigen onderzoek van Empaction met de input van de door het CBS gepubliceerde verplaatsingscijfers blijkt dat we in Nederland gemiddeld 0,11 vervoersbewegingen per dag met de auto maken ten behoeve van visite/logeren. Deze informatie maakt het hanteren van een andere norm voor bezoekers verantwoord. Bij de berekening van de parkeervraag voor de Gedempte Haven is er vanuit gegaan dat 0,2 parkeerplaats per wooneenheid voor bezoekers toereikend zal zijn. Als voor bezoekers gerekend wordt met 0,2 parkeerplaatsen per woning, dan wordt de piekbehoefte voor deze ontwikkeling terug gebracht naar 233 parkeerplaatsen.

Een verdere reductie van 14 parkeerplaatsen op het maatgevende moment ten opzichte van de vorige stap met het dubbelgebruik. Deeltijdmobiliteit De wens is een hoogwaardig woonproduct in de markt te zetten, daarom worden er bij oplevering van de ontwikkeling 3 deelauto’s aangeboden. Ook wordt onderzoek gedaan naar de inzet van deelfietsen.. Door de inzet van deelauto’s zal het autobezit onder de nieuwe bewoners afnemen. Gezien de ligging en de ontwikkeling is het realistisch dat 1 deelauto 5 auto’s vervangt. Dit betekent dat met 1 deelauto 4 parkeerplaatsen vrij komen. Als voor het dagdagelijks verkeer de auto niet of minder nodig is, omdat er voldoende alternatieven voor handen zijn, zal het autobezit lager zijn. Voor de niet-dagdagelijkse reizen, waar de auto wel een vereiste is, is het handig als er een deelauto beschikbaar is. Daarom zal de initiatiefnemer op zoek gaan naar een mobiliteitsaanbieder die deelmobiliteit aanbiedt. Het zal primair gaan om elektrische deel(bak)fietsen en auto’s. De vraag naar deelmobiliteit zal over de week niet gelijk zijn. Flexibiliteit in het aantal deelauto’s is een randvoorwaarde voor succes. Gezien de grote van de ontwikkeling lijkt een basisaanbod van 3 deelauto’s voldoende. Mocht

Hoofdstuk 5

29

blijken dat het basisaanbod te groot of te klein is, kan hier met de mobiliteitsaanbieder op bijgestuurd worden. Drie deelauto’s zouden vijftien auto’s vervangen. Dit komt overeen met 12 parkeerplaatsen. De parkeervraag van de nieuwe ontwikkeling komt hiermee op 221 parkeerplaatsen (233 pp -/- 12 pp). Huidige parkeerfunctie Een deel van de gronden binnen het plangebied worden in de huidige situatie gebruikt voor parkeren van functies van zowel binnen als buiten het plangebied. In de openbare ruimte binnen het plangebied zijn in de huidige situatie 75 openbare parkeerplaatsen beschikbaar 4. De parkeervraag van de oude functies zijn berekend door de parkeernorm van de oude functie toe te passen op het aantal m 2 van de functie. Het aantal parkeerplaatsen van de oude functie kunnen worden meegenomen in mindering op de huidige parkeerfunctie. De totale normatieve parkeerbehoefte voor de oude functies is 70,2 parkeerplaatsen. Dit is zonder dubbelgebruik. Op het maatgevend moment voor de nieuwe ontwikkeling (zaterdag avond) is de parkeervraag van de oude functies afgerond 3 parkeerplaatsen. De 3 parkeerplaatsen worden in mindering gebracht van de 75 aanwezige parkeerplaatsen. De te compenseren parkeerplaatsen in en/of buiten het plangebied bedraagt daarmee 72 parkeerplaatsen. Parkeerbalans In de parkeergarage voor bewoners (parkeergarage 1) komen 145 parkeerplaatsen.

Parkeergarage 2 heeft 19 parkeerplaatsen. In totaal zijn er 164 parkeerplaatsen. Daarmee is de parkeervraag voor bewoners (aandeel vast) voorzien. In het ontwerp van de nieuwe openbare ruimte binnen het plangebied zijn momenteel 101 parkeerplaatsen ingepast. De resterende parkeerbehoefte bestaat uit de parkeervraag van de nieuwe ontwikkeling (57 parkeerplaatsen) en de compensatie van de bestaande parkeerfunctie (72 parkeerplaatsen). In totaal 129 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er tijdens het maatgevende moment nog voor 28 parkeerplaatsen (129 pp -/- 101 pp) een beroep wordt gedaan op de restcapaciteit in de bestaande openbare ruimte. In het parkeeronderzoek van Groen Licht (bijlage bij onderbouwing parkeeropgave van Empaction) is de parkeerbezetting van de verschillende locaties in detail vastgelegd. Er is ruim voldoende restcapaciteit om 28 parkeerplaatsen buiten het plangebied van de ontwikkelplot op te vangen.

4

Parkeeronderzoek van Groen Licht d.d. mei 2022

Hoofdstuk 5

30

Figuur 5.5: Parkeerbalans, bron Empaction

Voor de gemeente Waalwijk is door Buitenruimte in maart 2023 een parkeertelling uitgevoerd voor de gehele gemeente Waalwijk. Op de werkdag overdag is er volgens de actuele telling minder restcapaciteit op de drie parkeerlocaties aanwezig, maar nog wel ruim voldoende. Op alle andere meetmomenten is er volgens de actuele telling, meer restcapaciteit beschikbaar dan volgens de telling van Groen Licht, zie figuren 5.6 en 5.7

Figuur 5.6: Beschikbare restcapaciteit tot max 85% bezetting | actuele telling buitenruimte

Figuur 5.7: Beschikbare restcapaciteit tot max 85% bezetting | telling groen licht

Fiets In de parkeergarage (parkeergarage 1) worden 171 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Naast de inrit voor auto’s is een trap met fietsingang. Daarnaast worden er fietsparkeerplaatsen gerealiseerd op maaiveld.

Hoofdstuk 5

31

5.2

Archeologie

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Om de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied vast te stellen is er door Antea Group Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en vervolgens een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Hieronder worden enkel de conclusies van deze onderzoeken weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan. Het uitgevoerde onderzoek heeft vooral plaatsgevonden in opgehoogde grond. Een deel van de boringen is gestaakt en in een ander deel lijkt een C-horizont aangetroffen, maar dat zou dus ook cunetzand met een humeuze ‘leeflaag’ kunnen zijn. Westelijk van de voormalige havenbak is dus sprake van een circa 1,5 m dik geroerd ophoogpakket. Dit komt (zeer) goed overeen met de AHN.

Op basis van deze gegevens is het advies van Antea Group tweeledig:  Het gebied westelijk van de voormalige havenbak kan worden vrijgegeven tot een diepte van 1,3 m – mv. Er wordt een bufferzone van 0,2 m gehanteerd, omdat deze laag niet overal even dik is. Mochten er bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan deze 1,3 m – mv is eventueel nader onderzoek noodzakelijk.  Het gebied van de voormalige havenbak en het gebied ten oosten daarvan houden een onverminderd hoge archeologische verwachting houden. Nader archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk indien de bodemingrepen dieper gaan dan 0,3 m – mv (conform vigerend gemeentelijk beleid). Het onderzoek dient hier te bestaan uit een archeologisch proefsleuvenonderzoek (eventueel gevolgd voor een archeologisch opgraving) waar dit mogelijk is, of uit een archeologische begeleiding waar dit moet (bijvoorbeeld vanwege aanwezige verontreinigingen en saneringen e.d.). Dit onderzoek zal uitgevoerd worden tijdens de bouwperiode. Bij de graafwerkzaamheden zal een archeoloog aanwezig zijn. Op figuur 5.8 zijn de twee advieszones weergegeven.

Hoofdstuk 5

32

Figuur 5.8: Advieskaart voor het plangebied

Het lijkt daarnaast ook nog aanbevelenswaardig om na te gaan of er in gemeentelijke of regionale archieven nog gegevens (vergunningen etc.) te vinden zijn over de werkwijze die gebruikt is bij het dempen van de oude haven en /of het ophogen van het gebied. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

5.3 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 5

33

Doorwerking plangebied De haven is voor de geschiedenis van Waalwijk van grote betekenis geweest. Het plan is gericht op het weer herkenbaar maken van de historische kwaliteiten van het gebied. Deze ambitie is, naast het realiseren van een goed woonmilieu, de belangrijkste opgave in de planvorming voor de transformatie van het gebied de Gedempte Haven. Bureau Lotte Zaaijer heeft de nog aanwezige cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. Het betreft de karaktervolle verbinding over de Winterdijk, het monumentale pand van Dosis aan de Gedempte Haven, de koepelhallen, het fabriekspand Taxandriaweg 2, de witte pandjes aan de oostzijde van de Gedempte Haven en de nog herkenbare restanten van de voormalige haven, zoals de hardstenen kadebanden, de meerringen en de keienbestrating. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin het herkenbaar maken van de historische kwaliteiten van het gebied geborgd is. Het beeldkwaliteitsplan is gekoppeld aan het bestemmingsplan. Beknopte geschiedenis Waalwijk ontwikkelt zich waarschijnlijk vanaf 1000 na christus. De stad kreeg in 1303 stadsrechten. In verband met de turfwinning werden turfvaarten naar de Oude Maas gegraven. De huidige haven was van oorsprong een verbrede turfvaart en onderdeel van het slagenlandschap, waarvan ook de Hugo de Grootstraat en de Zomerdijkweg deel uitmaakten. De Winterdijk is aangelegd als waterkering naar de St.

Elisabethvloed in 1421. De haven is later verbreedt en verdiept en ook gebruikt voor de leerindustrie en de schoennijverheid. Op de kadastrale minuut van 1811 is te zien dat de haven vanaf het havenhoofd naar de Oude Maas leidt. De haven was verbonden met het pad over de Winterdijk. De dijk is tussen de Hervormde kerk en de leerlooierij onderbroken. Ter hoogte van de haven worden kleinschalige werkpanden gerealiseerd, deels buitendijks, deels in de dijk. In het begin van de 20ste eeuw bestond het havenhoofd uit kademuren die aan de westzijde bestond uit hout en aan de oostzijde uit steen. Rond 1900 was er veel bedrijvigheid rond de haven. Er kwamen grotere pakhuizen buitendijks en ook cafés en herbergen. Toen Tilburg zelf per boot bereikbaar werd nam de betekenis van de haven af. Het gebied werd bedrijventerrein met grotere hallen en bedrijfspanden. De provinciale weg werd aangelegd, een nieuwe haven in het noorden gerealiseerd. De haven is in 1959 gedempt. Het gebied is tot heden een bedrijfsterrein gebleven.

Hoofdstuk 5

34

6.

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van ruimtelijke functies dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In deze paragraaf worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

6.1

Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Er is door Stantec een waterparagraaf opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het maaiveldniveau ligt gemiddeld op 2,90 m +N.A.P in het plangebied (AHN). De lokale bodemformatie staat bekend als Formatie van Kreftenheye, welke hoofdzakelijk bestaat uit zand, waarin ook klei en veenlagen kunnen voorkomen. In plangebied zijn geen gecategoriseerde waterlopen gesitueerd. Wel is de ontwikkeling ten noorden van de compartimenteringskering Winterdijk gelegen. Het freatisch grondwater bevindt zich op een diepte van ca. 0,60 m –mv, met een gemiddeld hoogste grondwaterstand (lees: GHG) op ca. 0,55 m –mv. Dit is gebaseerd op de meetdata van peilbuis W51 uit het grondwatermeetnet van de gemeente Waalwijk, welke gelegen is ter plaatse van Grotestraat 106. De verdeling van de oppervlaktes ten opzichte van de huidige en toekomstige situatie zijn weergegeven in tabel 6.1. Oppervlaktes Verharding (100% verhard) Bestaand dakoppervlak (100% ver-

Huidige situatie

Toekomstige situatie

8.796 m

2

8.632 m2

7.196 m

2

2.337 m2

hard) Nieuw dakoppervlak (groene daken)

4.143 m2

-

((0% verhard) Openbaar groen (0% verhard)

4.123 m2

4.440 m2

2

563 m2

Water (0% verhard)

0m

Totaal

20.115 m2

20.115 m2

2

10.969 m2

Verhard oppervlak

15.922 m

Tabel 6.1: Oppervlakteverdeling bestaande vs. toekomstige situatie, Bron Stantec

Hoofdstuk 6

35

Op basis van deze gegevens (tabel 6.1) is er sprake van een verhardingsafname van 5.023 m 2. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd tot de Keur 2015. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregel 13 is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 500 m², tussen de 500 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met een verhardingsafname valt planontwikkeling onder de grenswaarde van 500 m², waarmee geen compensatie vereist is. In het Integraal Waterplan Waalwijk 2021-2024 is aangegeven dat voor al het verhard oppervlak in de toekomstige situatie watercompensatie benodigd is. De compenserende waterberging moet worden aangelegd van 60 mm ofwel 600 m 3 per hectare nieuw verhard oppervlak. In de Gedempte Haven wordt in totaal aan 10.969 m2 aan verhard oppervlak gerealiseerd.

Dit komt neer op een waterbergingseis van 658,14 m3 (10.9692 * 60 mm). De waterberging zal moeten worden gerealiseerd op eigen terrein. Een dergelijke voorziening dient te voldoen aan de volgende eisen:  De bodem van de voorziening ligt boven de GHG.  De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze in verband met verstoppingen een minimale diameter van 4 cm te hebben.  Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om water van alle neerslaggebeurtenissen die groter zijn dan de berging af te kunnen voeren zodat wateroverlast in het plangebied kan worden voorkomen. Overige mogelijkheden voor de berging van hemelwater, zijn de volgende:  Vegetatiedaken;  IT-riolering;  Waterpasserende verharding;  Infiltratiekratten / aquaflow;  Wadi / rain gardens. Grasveld Civiele Techniek heeft de toepassing uitgewerkt voor IT-riolering en Infiltratiekratten. De uitwerking hiervan is te vinden in bijlage 3 van de Waterparagraaf. Regenwater Het streven van de gemeente is om hemelwater zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, bij voorkeur door het in de bodem te infiltreren. In het plangebied zijn de grondwaterstanden behoorlijk laag, waardoor infiltratie een goede oplossing is.

Hoofdstuk 6

36

Vuilwater Conform tabel B1.4 uit de Leidraad Riolering B2100, bedraagt de maatgevende belasting afvalwater 120 l/inwoner/dag. Uitgaande van 171 woningen en een woningbezetting van 2,5 personenequivalent, is er sprake van ongeveer 428 inwoners. Tezamen zorgen zij voor een vuilwaterproductie van 51,4 m 3/dag, met een piekbelasting van 5,1 m 3/uur (± 10% van de dagbelasting). De vuilwaterproductie vanuit de kantoorruimten, het gezondheidscentrum en de horeca kunnen beschouwd worden als bedrijfsafvalwater. Hiervoor kan een waarde van ongeveer 2 l/s/ha gehanteerd worden. Dit zorgt voor een belasting van ± 2,3 m3/uur. De totale vuilwaterproductie vanuit het plangebied komt hiermee op ongeveer 7,4 m 3/uur, wat neerkomt op ongeveer 2,1 l/s. Het vuilwater in het plangebied dient te worden aangesloten op een nieuw aan te leggen gemeentelijk rioolstelsel. In verband met mogelijke kook-/keukenfaciliteiten in het kader van horeca, zullen olie-/vetafscheiders moeten worden aangelegd op eigen terrein, om vervuiling van het gemeentelijk rioolstelsel te voorkomen. Ontwatering Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een bepaalde minimale ontwateringsdiepte bij de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).

Zo hanteert de gemeente Waalwijk voor bijvoorbeeld woningen met een kruipruimte een minimaal benodigde ontwateringsdiepte van +0,70 m ten opzichte van de maatgevende hoogste grondwaterstand. De maatgevende GHG-situatie bedraagt maximaal 0,55 m –N.A.P. met een bestaand maaiveldniveau ter plaatse van het plangebied van 2,90 m +N.A.P. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de minimale ontwateringsdiepte die gesteld wordt door de gemeente. Compartimenteringskering (S123) Ten zuiden van het plangebied is een compartimenteringskering (S123) gelegen. Bij de inrichting van het plangebied wordt er openbare verharding, parkeervakken en dakoppervlak in de zonering van de compartimenteringskering aangebracht. Dit betreft slechts een zeer klein deel van het plan, maar dit zal in detail ter beoordeling aan het Waterschap Brabantse Delta moeten worden overlegd. Mogelijk is e.e.a. vergunningplichtig of valt dit onder de werkingssfeer van Algemene Regel 25A. Het onderdeel ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen.

6.2

Natuur

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Hoofdstuk 6

37

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.

het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

Hoofdstuk 6

38

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Er is door Bureau Meervelt een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij liggende Natura 2000-gebied is Langstraat op een afstand van 1,2 kilometer. Ten aanzien van Natura 2000gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten door de voorgenomen ontwikkeling. Natura 2000-gebied Langstraat is zeer gevoelig voor tal van factoren.

Gezien de locatie van de ontwikkeling in het centrum van Waalwijk, op 1,2 kilometer afstand, de beperkte omvang en de aard van het tussenliggende gebied (stedelijke bebouwing en de provinciale weg N261) kunnen negatieve effecten in het licht van de instandhoudingsdoelen voor dit gebied op voorhand worden uitgesloten met uitzondering van het effect van stikstof, die is nader onderzocht. Er zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd voor de aanlegfase en de voorgenomen ontwikkeling (gebruiksfase). De berekeningen zijn uitgevoerd door Stantec en het stikstofonderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat het toekomstig gebruik van het plangebied niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied ligt buiten het Nationaal natuurnetwerk / Natuurnetwerk Brabant. Het afwegingskader van de Verordening Ruimte is niet van toepassing. Negatieve effecten op het natuurnetwerk zijn uit te sluiten.

Soortenbescherming Het plangebied maakt naar verwachting deel uit van het leefgebied van een aantal beschermde soorten. Tijdens en na het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling blijft het plangebied voor een deel van deze soorten onderdeel van het leefgebied (algemeen voorkomende soorten zoals muizen). Ten aanzien van deze soorten worden geen verbodsbepalingen overtreden mits de zorgplicht in acht wordt genomen. Voor een aantal soortgroepen/soorten zijn vervolgstappen

Hoofdstuk 6

39

nodig om overtredingen op grond van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Er is door Bureau Meervelt een faunaonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Voor vleermuizen is onderzoek naar de aanwezigheid van vast rust- en verblijfplaatsen uitgevoerd. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar jaarrond beschermde broedvogels. In het plangebied zijn twee soorten vleermuizen foeragerend aangetroffen. De aanwezige groene elementen in het plangebied fungeren voornamelijk als foerageergebied en in geringe mate als vliegroute. Voor deze functies zijn voldoende alternatieven aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet in de te slopen opstallen aangetroffen. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (onderdeel soorten) is niet nodig. Genoemde broedvogels met jaarrond beschermde nesten bleken afwezig in het plangebied. Mitigatie of compensatie voor deze soorten is niet nodig. De zorgplicht is bij alle werkzaamheden van kracht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming.

In het tweede lid wordt de zorgplicht nader geconcretiseerd door te bepalen dat deze plicht inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:  dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,  indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Mitigerende maatregelen algemeen voorkomende broedvogels:  Broeden op ongewenste locaties kan voorkomen worden door voorafgaand aan het broedseizoen begroeiing te verwijderen (indien deze toch verwijderd moet worden).  Bij voorkeur worden de werkzaamheden gestart voorafgaand aan het broedseizoen 5, deze kunnen vervolgens doorlopen tot in het broedseizoen. Storingsgevoelige soorten vestigen zich in dat geval niet in de invloedssfeer van de werkzaamheden.  Als tijdens het broedseizoen werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op een locatie waar nog niet gestart is met de sloopwerkzaamheden, dan moet zekerheid bestaan dat er geen broedgevallen aanwezig zijn in op de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Houtopstanden In Waalwijk mogen de meeste bomen op particulier terrein vergunningsvrij gekapt worden. Voor een aantal waardevolle bomen geldt echter wel een kapvergunningsplicht. In het plangebied staan echter geen bomen met een vermelding op de interactieve bomenkaart. Een kapvergunning voor eventueel te vellen bomen is niet nodig.

5

Een indicatie voor het broedseizoen is 15 maart - 1 augustus. Let op: ook buiten dit indicatief aangegeven broedseizoen kunnen broedende vogels aanwezig zijn, deze zijn ook dan beschermd.

Hoofdstuk 6

40

6.3

Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieu hygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’6. Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgens de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied.

Er bestaan twee type gebieden, te weten: 1) een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of; 2) een gemengd gebied: dat is een gebied waar sprake is van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend Doorwerking plangebied Er is door Stantec een onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt een samenvatting weergegeven. Omgevingstype Op basis van vigerende bestemmingsplannen blijkt dat in de omgeving van het plangebied Gedempte Haven veel verschillende functies aanwezig zijn binnen een gemengde bestemming. Daarnaast is ten noorden van het plangebied de Taxandriaweg en daaraan parallel de Rijksweg A59 gelegen. Ook ligt het gezoneerde Bedrijventerrein Haven te noorden van het plangebied. Hierdoor wordt geconcludeerd dat het plangebied is gelegen in een omgevingstype dat wordt aangemerkt als ‘gemend gebied’. De richtafstanden genoemd in de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één (afstands)stap worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar.

Milieugevoelige functies en bedrijven Woningen en een gezondheidscentrum zijn als milieugevoelige functies aan te merken. Daarom dient te worden bekeken in hoeverre de ontwikkeling resulteert in belemmeringen vanuit omliggende bedrijven en activiteiten. Anderzijds dient bekeken te worden in hoeverre de hindercirkels rond deze bedrijven en activiteiten het woon- en leefklimaat in het plangebied De Gedempte Haven beïnvloeden. In het plan zijn ook nieuwe lichte horeca, dienstverlening en een gezondheidscentrum voorzien. Deze functies worden ook als milieubelastend gezien.

6

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 6

41

Onderzoek Bedrijvigheid rondom het plangebied Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Gemengd Gebied’ zijn in en direct rondom het plangebied gemengde bestemming aanwezig. Geconcludeerd wordt dat de gereduceerde richtafstand van maximaal 30 meter van de bestemming Gemengd over meerdere toekomstige woonbestemmingen en over en de maatschappelijke bestemming van het gezondheidscentrum ligt. De gereduceerde richtafstand van 10 meter is ook over een tweetal woonbestemmingen en de maatschappelijke bestemming gelegen. Op basis van de regels van de bestemming Gemengd uit het bestemmingsplan Gemengd gebied is het toegestaan om binnen een bestaand bouwperceel maximaal één (bedrijfs)woning te realiseren. Onder een bouwperceel wordt verstaan een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het vigerend bestemmingsplan een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Dit betekent dat (planologisch) nu al de mogelijkheid bestaat een woning te realiseren waar de blokken D en H en het gezondheidscentrum zijn voorzien. Om deze reden leidt het bouwplan Gedempte Haven niet tot een aanscherping van de nu al vigerende rechten van de bestemming Gemengd. Op aanleiding van het voorgaande is geïnventariseerd welke bedrijven er nu feitelijk aanwezig zijn.

Uit die inventarisatie blijkt dat de gereduceerde richtafstanden van de aanwezige bedrijven niet over de nieuwe woonbestemmingen en maatschappelijke bestemming ligt. Waardoor dit niet leidt tot belemmeringen. Bedrijvigheid bedrijventerrein Haven Ten noorden van de Rijksweg A59 is het gezoneerde Bedrijventerrein Haven aanwezig. Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Haven’ zijn op dit terrein bedrijven toegestaan tot een maximale milieucategorie 5.3. De gereduceerde richtafstand behorende bij deze milieucategorie is 700 meter. De maximaal planologische situatie is beoordeeld. Daaruit blijkt dat deze niet leidt tot een onaanvaardbare situatie ter plaatse van het plangebied. Daarnaast leidt de bouw van de nieuwe woningen in het plangebied niet tot een aanvullende beperking voor de maximaal planologische mogelijkheden voor het bedrijventerrein Haven voor de ten opzichte van de vigerende planologische situatie. Uit onderzoek naar de feitelijk aanwezige bedrijven op het bedrijventerrein Haven blijkt dat nieuwe woningen binnen het plangebied zijn gelegen binnen de richtafstanden (omgevingstype gemengd gebied) van twee bedrijven. Dit betreft een laad-, los- en opslagbedrijf voor binnenvaart op het adres Emmikhovensestraat 4 en de veevoerfabriek op het adres Zomerdijksestoep 2. Voor het bedrijf op het adres Emmikhovensestraat 4 is geconcludeerd dat het aspect geluid maatgevend is.

Op basis van het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat door de laad-, los en opslagactiviteiten de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A) niet worden overschreden. Daardoor levert dit bedrijf geen belemmeringen op voor het bouwplan Gedempte Haven en is aangetoond dat het realiseren van het bouwplan aanvaardbaar is. Voor de veevoerfabriek op het adres Zomerdijksestoep 2 is geconcludeerd dat de aspecten geur en geluid maatgevend zijn. Ook voor de veevoerfabriek zijn ter plaatse van het bouwplan

Hoofdstuk 6

42

geluidbelastingen berekend door de activiteiten van het bedrijf die lager zijn dan de hoogst toelaatbare geluidbelasting en zodoende vanuit akoestisch oogpunt het aanvaardbaar is om het bouwplan toe te staan. Voor het in voorbereiding zijnde gemeentelijk geurbeleid is door de gemeente Waalwijk geconcludeerd dat de veevoerfabriek voldoet aan de gestelde randvoorwaarden uit de milieuvergunning omtrent het aspect geur. Daarnaast zijn in de huidige situatie rondom de veevoerfabriek nu al geurgevoelige objecten aanwezig. Om deze reden wordt ter plaatse van het plangebied Gedempte Haven het aspect geurhinder als aanvaardbaar geacht. Zodoende is ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit het aspect geurhinder en levert dit geen belemmeringen op voor de realisatie van het bouwplan. Het onderdeel ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

6.4

Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Doorwerking plangebied Er is door Stantec een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Figuur 6.1: Nummering bouwblokken

Hoofdstuk 6

43

Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wet geluidhinder) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg. In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de volgende wegen: rijksweg A59, Taxandriaweg, Zomerdijksestoep / Tempelierstraat, Emmikhovensestraat, Heulweg en Altenaweg). Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het wegverkeer op Emmikhovensestraat en de Heulstraat de hoogst toelaatbare geluidbelasting niet wordt overschreden. Vanwege het verkeer op de Rijksweg A59,Taxandriaweg, Zomerdijksestoep/Tempelierstraat en de Altenaweg wordt de maximale ontheffingswaarde van respectievelijk 53 dB en 63 dB wel overschreden. In het akoestisch onderzoek is aangegeven op welke gebouwen en welke bouwlagen een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde plaatsvindt.

Ter plaatse van de overschrijdingen van de maximale ontheffingswaarde dient de gevel als een zogenoemde ‘dove gevel’ te worden uitgevoerd. Indirecte hinder ontsluiting Taxandriahof De Taxandriahof aan de westzijde van de woningen is nu een doodlopende straat en wordt doorgetrokken richting het plangebied (zie ook paragraaf 3.3). Aan de westzijde van dit deel van de Taxandriahof worden parkeerplaatsen gerealiseerd. De woningen aan de Taxandriahof 1 t/m 17 zijn met hun achterzijde/bergingen gelegen aan nieuwe ontsluiting van het plangebied via de Taxandriahof. Om te beoordelen of er ter plaatse van de woningen aan de Taxandriahof sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een berekening uitgevoerd middels Standaardrekenmethode 1. Het uitgangspunt is dat op de Taxandriahof in totaal 317 mvt/etm aanwezig is. Dit aantal is als volgt bepaald:  252 mvt/etm a.g.v. bouwplan Gedempte Haven7;  65 mvt/etm a.g.v. 9 rijwoningen (Taxandriahof 1 t/m 17 oneven) met een verkeersaantrekkende werking van maximaal 7,2 mvt/etm/woning. Verder is aangenomen dat het verkeer bestaat uit lichte voertuigen. Qua verdeling over de dag-, avond- en nachtperiode is hetzelfde aangehouden als aanwezig om de Taxandriaweg, te weten:  6,67% voor een daguur,  3,75% voor een avonduur  0,63% voor een nachtuur.

Op basis van deze gegevens blijkt uit de berekeningen dat een geluidbelasting Lden op de achtergevel van de woningen Taxandriahof 1 t/m 17 is te verwachten van (afgerond) 47 dB. Op deze geluidbelasting is de aftrek artikel 110g Wet geluidhinder van 5 dB niet toegepast. Bij de

7

Verkeersintensiteit, zoals opgenomen in diverse onderzoeken o.a. het Akoestisch onderzoek van Stantac

Hoofdstuk 6

44

berekening is rekening gehouden met eventuele reflecties van de nieuwbouw, maar de afschermende werking van de schuurtjes is niet meegenomen. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt niet overschreden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Industrielawaai Rondom een industrieterrein waar ‘grote lawaaimakers’ aanwezig zijn (zoals omschreven in artikel 40 Wet geluidhinder), zijn geluidszones bepaald. Het plangebied is gelegen in de zone van het industrieterrein ‘Bedrijventerrein Haven’.

Figuur 6.2: Ligging plangebied en zone Bedrijventerrein Haven, bron Akoestisch onderzoek, Stantec

Een onderzoek naar de mogelijke geluidhinder afkomstig van dat bedrijventerrein is daarom noodzakelijk. In figuur 6.2 is de onderzoekszone van rond het ‘Bedrijventerrein Haven’ opgenomen, waarbij de globale ligging van het plangebied Gedempte Haven in het groen is aangegeven. Deze afbeelding is afkomstig uit het akoestisch onderzoek van DGMR ‘Bedrijventerrein Haven, gemeente Waalwijk - zonebeheersplan’ van 22 april 2013. De berekeningen naar industrielawaai laten zien dat bij verschillende bouwblokken de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A) wordt overschreden. In het akoestisch onderzoek is aangegeven op welke gebouwen en welke bouwlagen de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 50 dB(A) wordt overschreden en waar een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde plaatsvindt. Ter plaatse van de overschrijdingen van de maximale ontheffingswaarde dient de gevel als een zogenoemde ‘dove gevel’ te worden uitgevoerd. Hogere waarden Het treffen van geluidreducerende maatregelen is niet mogelijk of niet voldoende doeltreffend, waardoor hogere waarden dienen te worden vastgesteld. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van het aantal vast te stellen hogere waarden, waarbij rekening is gehouden met de toe te passen ‘dove gevels’ in het geval de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden vanwege

Hoofdstuk 6

45

wegverkeerslawaai of industrielawaai. Voor dergelijke gevels is het toepassen van een hogere waarde niet mogelijk. Als ontheffingscriterium is het vervangen van bestaande bebouwing van toepassing. De nieuwe appartementen worden gerealiseerd op de locatie van het voormalige bedrijfsbebouwing. Daarnaast kan een doelmatige akoestische afscherming worden aangevoerd als ontheffingscriterium voor de appartementen in bouwblok B, evenwijdig aan de Taxandriaweg. Bouwblok-

Rijksweg A59

Taxandriaweg

ken

Zomerdijkse-

Altenaweg

stoep/ Tempelier-

Bedrijventerrein Haven

straat Blok A *

53 dB 13 appartemen-

58 dB: 9 appartemen-

49 dB: 5 apparte-

ten

ten

menten

53 dB: 11 appartemen-

61 dB: 8 appartemen-

-

-

ten

ten

53 dB: 6 appartemen-

52 dB: 11 apparte-

-

-

ten

menten

Blok D

-

-

-

-

-

Blok E

53 dB: 6 appartemen-

-

-

-

-

53 dB: 10 appartemen-

53 dB: 15 apparte-

-

-

51 dB(A): 6 appar-

ten

menten

49 dB: 3 appartemen-

-

-

-

-

-

-

-

52 dB(A): 4 appar-

Blok B *

Blok C

-

54 dB(A): 6 appartementen 52 dB(A): 7 appartementen 51 dB: 3 appartementen

ten Blok F *

Blok G

tementen

ten Blok H

50 dB: 3 appartementen

Gezond-

-

tement 50 dB: 1 stuk

52 dB: 1 stuk

-

-

heidscentrum Tabel 6.2: Voorstel vast te stellen hogere waarden * Hierbij is rekening gehouden dat een ‘dove gevel’ buiten toetsing grenswaarde Wgh valt

Op basis van de opsomming in tabel 6.2 dient voor het totale bouwplan 128 hogere waarden te worden vastgesteld, onderverdeeld in 56 hogere waarden voor de Rijksweg A59, 44 hogere waarden voor de Taxandriaweg, 6 hogere waarden voor de Zomerdijksestoep/Tempelierstraat en 26 hoger waarden voor het Bedrijventerrein Haven. Het ontwerpbesluit tot vaststelling hogere waarden gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage te leggen. De hogere waarden worden door het college van Waalwijk vastgesteld. Nadere voorwaarden gemeentelijk hogere waarde beleid In het gemeentelijk hogere waarde beleid van de gemeente Waalwijk is aangegeven dat alle appartementen in beginsel dienen te beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte (als geluidluw wordt aangemerkt een zijde waar de hoogst toelaatbare geluidbelasting niet wordt overschreden). Op basis van de berekeningsresultaten blijkt dat voor de bouwblokken C en E op het noordelijke gedeelte van de 5e bouwlaag niet alleen de noordzijde maar ook op oost- of westzijde een overschrijding ondervinden van de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Voor de beide bouwblokken zijn op de 5e bouwlaag penthouses voorzien die noord-zuid georiënteerd

Hoofdstuk 6

46

zijn. Daarmee beschikken de penthouses over een geluidluwe gevel aan de zuidzijde. Geadviseerd wordt om aan de zuidzijde minimaal één verblijfsruimte te situeren waaraan ook een buitenruimte wordt gesitueerd. In dat geval wordt voldaan aan de voorwaarden over het beschikken van een geluidluwe gevel/buitenruimte. Het merendeel van de appartementen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Daar waar appartementen in beginsel niet aan deze voorwaarden voldoen is het met bouwkundige maatregelen een geluidluwe gevel en buitenruimte te creëren. Dit kan bijvoorbeeld door de buitenruimte afsluitbaar uit te voeren of de buitenruimte te voorzien van een gesloten balustrade. In de verdere architectonische uitwerking dient rekening gehouden te worden dat alle appartementen dienen te beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Op basis van de berekeningsresultaten blijkt dat alleen de appartementen in de toren van bouwblok B op de 6e bouwlaag niet beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte (toetspunt B-19 en B-20, hoogte16,5 meter). Uit de nadere berekening blijkt dat een geluidluwe gevel en buitenruimte kan worden gecreëerd. Daarvoor dient de balustrade aan de zuidzijde akoestisch gesloten te worden uitgevoerd tot 1,25 meter boven vloerpeil en de zijkanten verdiepingshoog akoestisch gesloten moeten worden uitgevoerd.

Geconcludeerd wordt dat met bouwkundige maatregelen het mogelijk is dat alle appartementen in bouwblok B beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Streven één dove gevel per appartement Het uitgangpunt van het gemeentelijk hogere waarde beleid is geen dove gevels toe te passen. Indien dit toch nodig is dan wordt er naar gestreefd per appartement maximaal één dove gevel per appartement toe te passen. Gelet op de berekende geluidbelastingen op de zijden van de bouwblokken A, B en F is op de hoekappartementen niet mogelijk. Er wordt in dit bestemmingsplan afgeweken van dit streven en ter plaatse van de hoekappartementen worden maximaal twee dove gevels toegestaan. Dit is in de regels van het bestemmingsplan geborgd. Op basis van de volgende argumenten is het verantwoord voor de hoekappartementen twee dove gevels toe te staan:  de tussenappartementen in de bouwblokken A, B en F hebben ook één zijde (de zuidzijde) waar te openen delen kunnen worden geplaatst.  de woning scheidende tussenmuren bij de tussenappartementen zijn als een soort van dove gevel te beschouwen.  aangetoond is dat alle appartementen in de bouwblokken A, B en F beschikken over een geluidluwe zijde en buitenruimte. Het betreft de zuidzijde voor de bouwblokken A en B en de westzijde van bouwblok F.

Zodoende word gesteld dat alle appartementen voldoen aan de nadere voorwaarden uit het gemeentelijk hogere waarden beleid. Cumulatie wegverkeerslawaai en industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting berekend, welke varieert van 25 dB tot maximaal 72 dB. De daarbij behorende Milieukwaliteitsmaat Lden ligt tussen de classificatie ‘goed’ en ‘zeer slecht’. Alle appartementen met een classificatie ‘zeer slecht’ beschikken over een zijde die als geluidluw is aan te merken. Aan de geluidluwe zijde is ook de buitenruimte voorzien. In het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan de karakteris-

Hoofdstuk 6

47

tieke geluidwering van de gevels zodat een binnenniveau wordt gegarandeerd (33 dB voor wegverkeerslawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai). Bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal in een nader onderzoek worden aangetoond dat het binnenniveau zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012 wordt gegarandeerd. Karakteristieke geluidwering gevels Ten tijde van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt middels een nader akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen aangetoond of het vereiste binnenniveau van 33 dB vanwege wegverkeerslawaai of 35 dB(A) vanwege industrielawaai wordt gegarandeerd. In dat geval is sprake van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in de appartementen en het gezondheidscentrum.

6.5

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).

Doorwerking plangebied In Regeling NIBM zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. Het voorgenomen plan (woningen in combinatie met horeca en detailhandel) past niet in één van de hiervoor genoemde functiecategorieën. Daardoor is een onderzoek nodig om aan te tonen of aan de normen van de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan. Er is door Stantec een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor kleine ontwikkelingen is een rekentool ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van

Hoofdstuk 6

48

een NIBM bijdrage. In deze tool wordt de toename van de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 bepaald aan de hand van de verkeerstoename van het voorgenomen plan. Verkeersgeneratie voorgenomen ontwikkeling Door BonoTraffics is voor het plan de verkeersgeneratie (voor een gemiddelde werkdag) bepaald aan de hand van kentallen uit de CROW-publicatie 381, zie paragraaf 5.1. Voor het onderzoek naar luchtkwaliteit dient de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag in motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) te worden bepaald. De verkeersgeneratie voor een weekdag bedraagt 1.263 mvt/etm. Dit extra verkeer verdeeld zich over de omliggende wegenstructuur. Tevens is aangenomen dat van de totale verkeersgeneratie 1,5 % bestaat uit vrachtverkeer.

Figuur 6.3: Rekenresultaten NIBM-rekentool (versie 2022), Bron Stantec

Uit de berekeningen met de NIBM-rekentool blijkt, dat de jaargemiddelde concentratie NO2 maximaal met 0,87 μg/m3 toeneemt en de jaargemiddelde concentratie PM10 maximaal 0,20 μg/m3. De beide toenamen zijn lager dan de toegestane NIBM-norm van 1,2 μg/m3. De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een project die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor aan de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan en toetsing aan de grenswaarden niet aan de orde is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens in de NSL-monitoringstool. In deze tool zijn onder andere de Rijksweg A59, de Taxandriaweg en de Zomerdijksestoep opgenomen. In de volgende figuur zijn de concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 nabij het plangebied weergegeven. Deze concentraties voor het peiljaar 2020 zijn afkomstig uit de NSL-monitoring-stool 2020.

Hoofdstuk 6

49

Figuur 6.4: Overzicht receptorpunten rondom plan (CIML, monitoringsronde 2022), Bron: Stantec

Uit figuur 6.4 blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20 μg/m3, 18 μg/m3 en 10 μg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 μg/m3) en PM2,5 (25 μg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. Ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied is in zijn geheel gelegen binnen 300 meter vanaf de rand van de Rijksweg A59. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van appartementen, horeca, kantoorruimten en een gezondheidscentrum. Het gezondheidscentrum is een centrum waarin een huisarts, een tandarts, een fysiopraktijk e.d. zich vestigen. Dit centrum is niet bedoeld voor het vestigen van een gevoelige bestemming zoals aangegeven in artikel 3 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Dit geldt ook van de toegestane aan huis gebonden bedrijven/beroepen.

Geconcludeerd wordt dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) geen belemmering oplevert geen belemmering op voor het bestemmingsplan. Het onderdeel ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen.

6.6

Bodemkwaliteit

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Daarom is voor de onderhavige ontwikkeling

Hoofdstuk 6

50

een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden enkel de conclusie van het onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in als bijlage bij dit bestemmingsplan. Doorwerking plangebied Van de locatie is bekend dat hier sprake is van een aantal gevallen van bodemverontreiniging. Dit betreft in hoofdzaak een verontreiniging met VOCl’s als gevolg van het voormalige gebruik van ontvettingsmiddelen door Isco (metaalbewerkingsbedrijf), een drietal olieverontreinigingen als gevolg van de opslag van olie- en benzineproduct en een ophoog laag/demping met onder meer havenslib. Tussen 1991 en 2009 zijn op de locatie diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. In het document ‘Bodemvisie Ontwikkelingsgebied Gedempte Haven’, tevens actualiserend bodemonderzoek (Oranjewoud d.d. 11 april 2013) is de situatie op hoofdlijnen beschreven. Daarnaast is een aantal bodemonderzoeken bekend voor de grondwatersituatie. Voorafgaand aan of tijdens de ontwikkeling worden enkele gevallen van bodemverontreiniging deels gesaneerd. Hiermee wordt het terrein geschikt gemaakt voor de beoogde functies en wordt mogelijke blootstelling aan verontreiniging in de toekomstige situatie uitgesloten. Op het moment dat de plannen voor ontwikkeling van de locatie definitief zijn, zal er een plan voor bodemsanering worden opgesteld, conform artikel 28 van de Wet bodembescherming.

In het plan wordt beschreven hoe het terrein geschikt wordt gemaakt voor de ontwikkeling. Op grond van het saneringsplan worden tevens de saneringskosten geraamd. De saneringskosten worden in de grondexploitatie verwerkt. Op basis van de beschikbare gegevens is de haalbaarheid van het plan realistisch en past dit binnen de exploitatie.

6.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14182641/1