Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
De nieuwe levensloopbestendige woningen, in combinatie met de realisatie van zorgeenheden in de kerk en het klooster zorgt voor een specifieke woonsfeer voor bijzondere doelgroepen. Er wordt gebouwd voor senioren (levensloopbestendige woningen). Aangezien er maximaal 22 reguliere woningen worden gerealiseerd, komt de verplichting om 20% van de
36/135
woningen als sociale huur te realiseren, te vervallen. 3.3.4 Welstandsnota Deze nota is bedoeld om de Waalwijkse inwoners, architecten en andere opdrachtgevers te informeren over criteria die de gemeente hanteert bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. In deze toelichting wordt nader ingegaan op de welstandsnota om te toetsen of de welstandseisen aansluiten op de planologische regeling van dit bestemmingsplan. De welstandstoets is opgebouwd uit twee onderdelen: het welstandsniveau en de welstandscriteria. Het welstandsniveau bepaalt hoe streng of hoe soepel er getoetst wordt. De welstandscriteria bepalen op welke onderdelen een bouwplan getoetst wordt. Op basis van gebiedskenmerken en waarden worden er twee welstandsniveaus onderscheiden. Voor gebieden die bijzondere waarden hebben of een grotere bijdrage leveren aan de beleving van het ruimtelijke beeld geldt dat ze welstandsplichtig zijn. Voor gebieden die weinig invloed hebben op de publieke beleving van het ruimtelijk beeld, wordt een welstandsvrij regime ingevoerd. Voor het grootste deel van de gemeente Waalwijk geldt dit welstandsvrije regime. De hierna volgende gebieden zijn als welstandsplichtig aangemerkt: Landelijke linten; Stedelijke en dorpse linten; Traditionele woningbouw gebieden; Centrum; Fronten; Hoofdroutes.
Volledig welstandsvrije gebieden betreft het grootste gedeelte van het grondgebied van de gemeente Waalwijk. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen deze gebieden wordt niet getoetst aan welstandscriteria.
37/135
Toetsing
Figuur 3.6: Uitsnede Welstandskaart gemeente Waalwijk Het plangebied is gelegen binnen het welstandsgebied "Stedelijke en Dorpse linten". De waarde van deze linten is vooral gelegen in het afwisselende beeld van de gegroeide structuur met variërende bebouwing aan overwegend stenige straten. Diverse panden zijn door hun vorm en positie cultuurhistorisch waardevol. Het beleid is gericht op het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. De H. Theresiakerk en het klooster maken onderdeel uit van de cultuurhistorisch waardevolle panden in de dorpslint van Waalwijk. Het betreft hier ook Rijksmonumenten. Het planvoornemen is ontstaan uit de behoefte om de kerk en het klooster in stand te houden en dit mede mogelijk te maken door de Kloostertuin her in te richten. Door de realisatie van de nieuwbouw en de realisatie van zorgwoningen in de kerk en het klooster is het (financieel) mogelijk de kerk te transformeren en duurzaam en toekomstbestendig in stand te houden. Bovendien wordt de nieuwbouw gerealiseerd aansluitend en met respect voor het Rijksmonument (zie ook paragraaf 2.2). Omdat de beoogde ontwikkeling nieuwbouw betreft en het plangebied binnen een welstandsgebied ligt, is er nauw contact tussen initiatiefnemer en welstand. Het bouwplan komt dan ook tot stand in nauwe samenwerking tussen initiatiefnemer, architect en welstandscommissie.
Het definitieve en uitgewerkte bouwplan wordt bij de vergunningverlening specifiek getoetst door de welstandscommissie. De betreffende Rijksmonumenten worden met dit bestemmingsplan beschermd doordat er geen extra bouwkundige mogelijkheden worden toegevoegd. Met het vastleggen van de situering, maximale goot‐ en bouwhoogte en maximale bouwmogelijkheden, voorziet dit bestemmingsplan in het zekerstellen van een inrichting waarbij de cultuurhistorische waarden van de Rijksmonumenten zichtbaar en beleefbaar blijven (zie ook paragraaf 2.2.2).
38/135
3.3.5
Groenbeleidsvisie Gemeente Waalwijk
De groenbeleidsvisie 'Groen Leeft!' vormt een duidelijke visie en geeft kaders voor het openbaar groen. Het vormt de basis voor alle andere beleids‐ en beheervisies op het gebied van groen. De groenbeleidsvisie is een uitwerking van de groenstrategie. De groenstrategie is een vertaling van alle groene ambities uit de Strategische visie Waalwijk 2025, het Coalitieprogramma "Samen duurzaam vooruit!", de Structuurvisie en de Duurzaamheidsvisie. Speerpunten binnen de woonwijken zijn: Biodiversiteit; Toekomst Beleving; Participatie. In de groenbeleidsvisie is een groennorm opgenomen. Deze schrijft voor dat in nieuwe woonwijken, dorpen en bedrijventerreinen het openbaar gebied tenminste voor 10% uit grondgebonden openbaar groen moet bestaan. En daarbovenop moet in de woonwijken en dorpen minimaal 5% combinatie‐groen worden gerealiseerd. Bij bestaande woongebieden dient bij een reconstructieplan of bouwplan 10% méér grondgebonden openbaar groen dan dat er voor de ontwikkeling aanwezig was te worden aangelegd. Naast de hoeveelheid aan groen, wordt er ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van het grondgebonden openbaar groen. Deze richtlijn doet niets af aan het feit dat er voor een reconstructieplan of bouwplan een kwalitatieve plantoets plaats moet vinden. Hierbij wordt o.a. beoordeeld of er voldoende variantie aanwezig is in groentypen.
Met deze richtlijn dient zoveel mogelijk rekening gehouden te worden bij besluiten als bedoeld onder 2. Juridisch houdt dit in dat, voor zover sprake is van besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, nadrukkelijk gemotiveerd moet worden waarom al dan niet toepassing wordt gegeven aan deze richtlijn. Deze richtlijn is op het plangebied van toepassing omdat het bouwplannen van meer dan drie woningen betreft. Het plan valt onder 'B Woongebieden: in huidige situatie meer dan 10% / 5% groen'. Toetsing In het plangebied zijn geen groene hoofdstructuren aanwezig. Aan de straatkant sluiten enkel bomen aan bij de bomenlaan aan de Carmelietenstraat. De kloostertuin bestaat vooral uit gazon en begroeiing in de vorm van kleine bomen. Er zal een duidelijke groenstructuur toegevoegd worden in het plangebied welke toevoeging geeft aan de biodiversiteit, toekomst, beleving en participatie. Deze groenstructuur wordt in de basis vastgelegd door middel van de bestemming 'Groen'. In een later stadium kan het planvoornemen worden getoetst aan de Groencalculator van de gemeente Waalwijk. Doel is dat er zal worden voldaan aan de 10% extra openbaar groen in de betrokken groenzones binnen het te transformeren gebied en 5% extra combinatie‐groen. Dit is ook als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
De bestaande kloostertuin is niet openbaar toegankelijk. In de toekomstige situatie is het plangebied ter plaatse van de kloostertuin wel openbaar toegankelijk. De kloostertuin heeft een oppervlakte van circa 6.768 m². Binnen het
39/135
plangebied wordt ten oosten van de kerk circa 550 m² openbaar groen toegevoegd. Daarnaast is direct ten oosten van de beoogde entree circa 250 m² openbaar groen voorzien. In het midden van het hof is tot slot een openbaar groenplein voorzien met een oppervakte van circa 350 m². Daarnaast worden ook de parkeerkoffers met een oppervlakte van circa 470 m² aangelegd met grastegels wat wordt gezien als combinatiegroen. Samengevat zal er circa 1.620 m² aan extra openbaar groen aangelegd waarvan circa 1.150 m² (17%) extra openbaar groen en 470 m² (7%) aan combinatie‐groen. Hiermee is aangetoond dat het mogelijk is om in de nieuwe situatie te voldoen aan de eis van 10% extra openbaar groen en 5% combinatie‐groen. 3.3.6 Bomenbeleid gemeente Waalwijk In de groenbeleidsvisie "Groen Leeft" is opgenomen dat in 2030 een toename van 10 % groen gerealiseerd moet zijn. Voor bomen betekent dit een toename in de waarden die bomen leveren. In het boombeleid ligt dan ook de nadruk op het handhaven van bestaande bomen en uitgangspunten voor het toepassen van nieuwe bomen. Het boombeleidsplan gaat over de bomen die in eigendom zijn van de gemeente Waalwijk, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. De groenbeleidsvisie "Groen Leeft!" (paragraaf 3.3.5) en het groenbeleidsplan (2017) zijn hierbij de kaders.
Toetsing De kloostertuin is aangewezen als "waardevol vlak" in het kader van het gemeentelijke kapbeleid. Voor de te kappen bomen in de kloostertuin zal dan ook een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Daarbij is de "werkwijze bomen gemeente Waalwijk" van toepassing. Zoals in paragraaf 3.3.5 reeds is aangetoond dat het, op basis van het huidige inrichtingsplan, mogelijk om 24% extra openbaar groen te realiseren. Daarmee wordt voldaan aan de eis om 10 % extra openbaar groen te realiseren. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke veplichting opgenomen om zeker te stellen dat voldaan zal worden aan de 10% extra grondgebonden openbaar groen en 5% extra combinatie‐groen.
40/135
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeldverkeer, archeologie en cultuurhistorie, ecologie). Hierna wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. Voor enkele aspecten is onderzoek uitgevoerd.
4.1
Verkeer en parkeren
Voor de ontwikkeling van de Kloostertuin te Waspik dienen de verkeerskundige gevolgen (parkeren en verkeer) van de ontwikkeling in beeld gebracht te worden. 4.1.1
Parkeren
Hiervoor wordt uitgegaan van het maximale programma dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt: 21 hoek/tussenwoningen, 22 zorgeenheden en een beheerderswoning. Op basis van de “Nota parkeernormen Waalwijk 2015” is de parkeerbehoefte van het plan bepaald. De aangrenzende parkeerplaats van de kerk is onderdeel van het plan en is meegenomen in de parkeereis. De parkeereis wordt aan het einde van de berekening naar boven afgerond. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: Ligging plangebied 'bebouwde kom' (Nota Parkeernormen Waalwijk 2015) Stedelijkheidsgraad Waalwijk CBS = Matig stedelijk gebied (Nota Parkeernormen Waalwijk 2015) Parkeernorm 'Hoek‐/tussenwoningen (koop) = 1,8 per woning (21 stuks). Zorgeenheden = norm verpleeghuis = 0,7 parkeerplaats per wooneenheid waarvan 0,3 parkeerplaats (40%) bewoners en 0,4 parkeerplaats (60%) bezoekers (Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 + CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren). In onderstaande berekening gaan we uit van deze parkeernorm van 0,7 per eenheid. Dit kan echter nadrukkelijk wel gezien worden als 'worst‐case' scenario' aangezien de bewoners een zorgindicatie hebben en niet meer in staat zijn auto te rijden. Realistisch gezien zou er dus 0,3 van deze norm kunnen worden afgehaald. Het is echter mogelijk dat de inwonende partners van de bewoners met een zorgindicatie wel nog auto rijden.
Vandaar dat de norm van 0,7 parkeerplaatsen per zorgeenheid wordt gehanteerd. Voor de beheerderswoning is worst‐case de parkeernorm van een dure woning gehanteerd. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn maximaal 21 woningen toegestaan en daarnaast ook parkeervoorzieningen en ontsluitingswegen. In de "overige regels" wordt de realisatie van voldoende parkeerplaatsen zeker gesteld. Hier is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen alleen mogelijk is indien is aangetoond dat er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd op basis van de normen van de gemeentelijke parkeernota. Het plangebied en de openbare ruimte daaromheen is voldoende groot om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor deze ontwikkeling in samenhang met de transformatie van de kerk en het klooster.
41/135
De parkeerbehoefte bestaat uit: maximaal 21 grondgebonden woningen x 1,8 = 37,8 parkeerplaatsen maximaal 22 zorgeenheden x 0,7 = 15,4 parkeerplaatsen 1 beheerderswoning x 2,0 = 2,0 parkeerplaaten Totaal: 55,2= afgerond 56 parkeerplaatsen In de nieuwe openbare ruimte in de kloostertuin worden 25 parkeerplaatsen in parkeerkoffers gerealiseerd. Daarnaast wordt nog een parkeerplaats aan de Carmelietenstraat voor de kerk gerealiseerd. Daarmee worden in totaal 26 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Bij de verschillende woningen worden de volgende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd: 3 keer inrit zonder garage = 3 parkeerplaatsen 4 keer lange inrit zonder garage = 6 parkeerplaatsen 1 keer inrit met garage = 1,1 parkeerplaatsen Het totaal aan beoogde parkeerplaatsen op eigen terrein komt dan op 10,1 parkeerplaatsen. In totaal worden er op eigen terrein normatief 36,1 parkeerplaatsen gerealiseerd. 26 openbare parkeerplaatsen en 10 privé‐parkeerplaatsen. Op de parkeerplaats ten westen van de kerk zijn in de bestaande situatie 20 openbare parkeerplaatsen aanwezig. Daarmee komt het totaal aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied op 56 parkeerplaatsen en wordt aan de parkeerbehoefte voldaan.
Figuur 4.1: overzicht parkeerplaatsen binnen plangebied In de openbare ruimte voor de jeu du boulesbanen zijn daarnaast nog eens 14 parkeerplaatsen aanwezig. Tot slot is voor de kerk en het klooster, in de openbare ruimte, nog ruimte voor 6 parkeerplaatsen. Naast de 20 parkeerplaatsen ten westen van de kerk zijn in de openbare ruimte dus nog 20 parkeerplaatsen aanwezig. Daarmee is tevens voldoende restcapaciteit aanwezig.
42/135
Opgemerkt moet worden dat hierbij nog geen rekening is gehouden met dubbelgebruik. Bezoekers en personeel van de zorgeenheden in de kerk en het klooster zullen op andere momenten gebruik maken van de parkeerplaatsen dan de bewoners van de grondgebonden woningen zelf. Conclusie parkeren: In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen alleen wordt verleend als is aangetoond dat wordt voldaan aan de Nota parkeernormen van de gemeente Waalwijk (zie Artikel 12 van de regels). Daarmee is juridisch‐ planologisch geregeld dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op basis van het laatste schetsontwerp zoals opgenomen in de toelichting wordt voldaan aan de geldende parkeernorm. 4.1.2
Verkeersgeneratie
Om de verkeersgeneratie te bepalen wordt uitgegaan van CROW publicatie 381. Hierbij wordt per functie een bandbreedte gegeven voor de verkeersgeneratie voor een gemiddelde weekdag. Daarbij wordt uitgegaan van de ligging van het gebied en de stedelijkheidsgraad van de locatie. De planlocatie ligt in het gebied “bebouwde kom” (indeling conform parkeerbeleid gemeente Waalwijk 2015). Het CBS heeft aan het gebied verder een stedelijkheidsgraad toegekend van “matig stedelijk”. Bij de berekening van de verkeersgeneratie wordt voor deze ontwikkeling worst‐case uitgegaan van de maximale bandbreedte. Daarnaast worden 22 zorgeenheden en een beheerderswoning in de kerk en het klooster gerealiseerd. Voor de zorgeenheden wordt voor de ritgeneratie een vergelijking gemaakt met een verpleeg‐ en verzorgingstehuis waar de (inwonende partners van de) bewoners zelf beperkt auto rijden en het grootste aandeel van de verkeersgeneratie afkomstig is van bezoek en personeel. Aantal
Verkeers‐ generatie min (weekdag)
Verkeers‐ generatie max (weekdag)
Totaal min
Totaal max
Hoek‐/tussenwoningen (koop)
21
6,7
7,5
140,7
157,5
Verpleeg‐ en verzorgingstehuis
22
0,5
0,7
11
15,4
Beheerderswoning (koopappartement middelduur)
1
5,2
6
5,2
6,0
156,9
178,9
Totaal
Het planvoornemen zorgt, op basis van de maximale bandbreedte, voor een verkeersgeneratie met een weekdagintensiteit van (afgerond) 179 mvt/etm.
43/135
4.1.3
Ontsluiting
Voor het hofwonen in de kloostertuin geldt dat de woningen met de auto bereikt kunnen worden via het hof. Het gaat hier om een erfinrichting. Dit betekent dat er niet harder dan 15 km per uur gereden mag worden. Het is een verblijfsgebied, waar de auto te gast is. In het plangebied geldt dat er geen piekmomenten qua verkeersbewegingen aan de orde zijn. Het hof wordt direct ontsloten op de Carmelietenstraat. De parkeerplaatsen voor de zorgeenheden in de kerk en het klooster zijn direct aan de Carmelietenstraat gelegen. Volgens het mobiliteitsplan van de gemeente Waalwijk uit 2015 wordt voor de wegencategorisering het principe Duurzaam Veilig gehanteerd. De Carmelietenstraat is ingericht als een erftoegangsweg type 1 binnen de bebouwde kom. Conform ASVV 2021 wordt voor deze wegcategorie een wegcapaciteit van 4.000 tot 6.000 mvt/etmaal aangehouden. In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (zie paragraaf 4.6 en Bijlage 4) is uitgegaan van de huidige verkeersintensiteit op basis van het BBMA (BrabantBrede Modelaanpak). De maximale verkeersintensiteit op de Carmelietenstraat bedraagt op basis van het BBMA 628 mvt/etmaal. Het planvoornemen kent een extra verkeersgeneratie met een weekdagintensiteit van (naar boven afgerond) 180 mvt/etmaal. De werkdagintensiteit bedraagt dan (1,09 x de weekdagintensiteit) 196 mvt/etmaal.
De verkeersintensiteit op de Carmelietenstraat zal, na realisatie van het planvoornemen dan 824 mvt/etmaal bedragen. Aangezien de Carmelietenstraat minimaal 4.000 mvt/etmaal kan verwerken, heeft deze weg voldoende capaciteit om het verkeer goede en veilig te kunnen ontsluiten. 4.1.4
Bereikbaarheid hulpdiensten
Op dit moment gaan we ervan uit dat de wegenstructuur binnen het plangebied zodanig wordt aangelegd dat hulpdiensten en vuilnisauto's rond kunnen rijden. Mogelijk dient het ontwerp ten aanzien van de wegen‐ en groenstructuur nog aangepast te worden. Dit bestemmingsplan biedt daar de flexibiliteit voor. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal dit nader getoetst worden. Het spreekt voor zich dat alle gebouwen, zowel nieuw als oud, goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpdiensten. De kerk en het klooster zijn via de Caramelietenstraat goed bereikbaar. Ter plaatse van het Carmelietenhof is verder het volgende verwerkt: een bochtstraal van de binnenbocht van minimaal 5,5 meter en een bochtstraal van de buitenbocht van minimaal 10 meter; brandweerwagens kunnen bij eventuele calamiteiten de weg van het hof inrijden tot direct voor de achterste woningen. De afstand tussen de buitenste woningen en de brandweerwagen is in geen geval groter dan 40 meter. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van de brandweer; Brandweer wagens kunnen zowel de westelijke als de oostelijke weg rondom het hofje gebruiken. In figuur 4.1 is het bovenstaande inzichtelijk gemaakt.
44/135
Figuur 4.1: Situatietekening met maten bochtstralen en afstanden tot opstelplaats brandweerwagens (bron: Buro Hofsteden)
4.2
Milieueffectrapportage
4.2.1
Beleid en normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten.
45/135
4.2.2
Onderzoek en conclusies
De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Uit de hierna volgende paragrafen zal blijken dat, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 44 woningen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' noodzakelijk is waarin dit document in voorziet. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling is als bijlage 2 toegevoegd.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1
Beleid en normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Besluit Bodemkwaliteit stelt regels hoe om te gaan met vrijkomende grond‐ en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. Op 27 augustus 2013 door het college van burgemeester en wethouders de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart vastgesteld. De Nota Bodembeheer is op 19 december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Op basis van die bodemkwaliteitskaart zijn de verschillende delen van Waalwijk in zones ingedeeld en is de bodem geclassifficeerd voor grondverzet. 4.3.2 Onderzoek Het noordelijke deel van het plangebied valt conform de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart binnen zone 3 waar voornamelijk bebouwing van voor 1945 aanwezig is. De bodem heeft hier de kwaliteitsklasse "Wonen".
Op basis van de kwaliteitskaart is de bodem hier derhalve geschikt voor de functie wonen. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied valt binnen zone 1. Dat betreft een zone achtergrondwaarden met een kwaliteitsklasse van AW2000. De bodem is op basis van de kwaliteitskaart dan ook geschikt voor de functie wonen. Dit betreft echter de functie wonen volgens het Besluit bodemkwaliteit met betrekking tot bodemverzet. Deze normen zijn alleen voor grondverzet bedoeld. Een verkennend bodemonderzoek voor functiewijziging wordt niet aan het Besluit bodemkwaliteit getoetst.
46/135
De realisatie van zorgeenheden is toegestaan binnen de geldende maatschappelijke bestemming. Voor de planologische procedure hoeft in dat kader geen bodemonderzoek plaats te vinden. Ter plaatse van de kloostertuin zal de bestemming worden gewijzigd naar een reguliere woonbestemming. In dat kader is daar wel een bodemonderzoek noodzakelijk. Het onderzoeksgebied van het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en tot 25 meter in de aangrenzende percelen. Gezien de ligging en gebruik van de locatie is deze afbakening als voldoende beschouwd.
Figuur 4.2: Onderzoeksgebied bodemonderzoek ter plaatse van de kloostertuin
47/135
Het grootste deel van de locatie is in gebruik als kloostertuin. Deze tuin bevindt zich achter een muur die aansluit op het kloosterpand. Tussen de Carmelietenstraat en deze muur ligt een grasveld. Rond het kloostergebouw ligt een tegelverharding. Er is ter plaatse van de kloostertuin dus sprake van een functiewijziging waarvoor een bodemonderzoek noodzakelijk is. In dat kader is dan ook een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten samengevat. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat plaatselijk de bovengrond licht verontreinigd is met lood, zink en PAK (>Aw). In de bovengrond zijn ten opzichte van de landelijke achtergrondwaarden geen verhoogde PFAS‐gehaltes gemeten. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen waargenomen (<Aw). Het grondwater is licht verontreinigd met nikkel en zink (>Sw). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Er zijn geen gehaltes gemeten tot boven de tussenwaarde (Tw). Op basis van het Verkennend bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor een woonbestemming en nieuwbouw. 4.3.3
Conclusie
De kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van woningen. Het verkennend bodemonderzoek vormt geen aanleiding voor een vervolgonderzoek.
4.4
Water
4.4.1
Toetsingskader
Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plan en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
48/135
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu‐ en Waterplan 2016‐2021 (PMWP) Verordening water Verordening ruimte Noord‐Brabant Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en ‐ kwaliteitsbeheer) in het plangebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerplan 2022‐2027. Het plan beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water‐ en zuiveringssysteem voor de periode 2022‐2027. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzaam betekent rekening houden met het lokale bodem‐ en watersysteem. Op die manier kan water bijvoorbeeld beter worden vastgehouden om verdroging tegen te gaan. Maar dat is ook belangrijk voor de andere taken van het waterschap. Zoals voor de bescherming tegen overstromingen, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is.
Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven: Klimaatadaptatie; Waterveiligheid; Gezond water (schoon water); Voldoende water; Vaarwegen; Waterketen. In het kader van de klimaatbestendigheid en veerkracht moet aangesloten worden bij het natuurlijk watersysteem. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzame ontwikkeling vereist slim aansluiten op de draagkracht van het bodem‐watersysteem. De ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig systeem begint met inzicht. Wat is de draagkracht van het systeem en hoe verschilt dit per locatie? Het waterschap gebruikt een klimaatonderlegger voor het hele werkgebied. De klimaatonderlegger is een feitenkaart met relevante informatie over de bodem, het watersysteem en luchtstromen. De kaart geeft inzicht in de kansen en risico’s en vormt daarmee een startpunt voor het denkproces en de dialoog over duurzame ontwikkeling van het werkgebied. Het waterschap heeft geen beslissende bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening. Als waterpartner
49/135
helpt en stimuleert het waterschap andere overheden om keuzes te maken in het belang van een klimaatbestendige en veerkrachtige inrichting. Op waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods‐ en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 500 m². Indien door de ontwikkeling het verhard oppervlak met meer dan 500 m² toeneemt, eist het waterschap compensatie voor de uitbreiding van verharding. Bij het dimensioneren van retentie‐/infiltratievoorzieningen dient rekening te worden gehouden met neerslaghoeveelheden met een herhalingstijd van 1 tot 100 jaar. Aangezien de retentiebehoefte het grootst is bij T = 100 is deze waarde maatgevend. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Integraal Waterplan Waalwijk Het Integraal Waterplan Waalwijk (hierna: IWW) 2021‐2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016‐2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan. Klimaatadaptatie is daarbij een actueel thema. Daarnaast blijft een deugdelijke afvoer van vuilwater cruciaal voor een gezonde samenleving. Samen met een sterke structuur van oppervlaktewater zijn dit dragers van de leefkwaliteit in de gemeente Waalwijk. De opgave die gepaard gaat met klimaatadaptatie kan de gemeente niet uitvoeren zonder hulp van bewoners en bedrijven. Conform de wetgeving stelt dit IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de extra verharding. 4.4.2 Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit de kerk, het klooster en de kloostertuin. Rondom de kerk en het klooster zijn de gronden grotendeels verhard. Ter plaatse van de kloostertuin zijn de gronden grotendeels onverhard. Ter plaatse van de kerk en het klooster zijn geen wijzigingen voorzien.
Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied zelf niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Rondom Waspik Boven bestaat de grond uit Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Met betrekking tot grondwater is direct ten noorden van het plangebied sprake van grondwatertrap IIIb. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 25 tot 40 centimeter onder het maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) schommelt tussen de 80 en 120 centimeter.
50/135
Waterkwantiteit Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt ook niet binnen de kern‐ en/of beschermingszone van een waterkering. In 4.3 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.
Figuur 4.3: Watertoets Viewer Waterschap Brabantse Delta met globale ligging plangebied in rood Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Afvalwaterketen en riolering In de bestaande situatie infiltreert hemelwater voornamelijk ter plaatse in de bodem. Er is sprake van een overstort op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel in de Carmelietenstraat. Binnen het plangebied is nu geen sprake van lozing van afvalwater op dit rioolstelsel. 4.4.3
Toekomstige situatie
Het plan is om de Kloostertuin te transformeren naar een woongebied met 21 grondgebonden, levensloopbestendige woningen. In de kerk en het klooster worden 22 zorgeenheden en een beheerderswoning gerealiseerd binnen de geldende maatschappelijke bestemming. Ter plaatse van de kerk en het klooster en de directe omgeving daarvan zijn geen wijzigingen voorzien ten aanzien van het bebouwd en verhard oppervlak.
51/135
Waterkwantiteit In de toekomstige situatie zullen zowel de nieuwe bebouwing als de nieuwe wegenstructuur voor extra verharding ter plaatse van de kloostertuin zorgen. Op dit moment is de kloostertuin grotendeels onverhard. Het waterschap Brabantse Delta stelt sinds begin 2021 als eis dat de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. Het planvoornemen voorziet in extra verharding. Maar ten behoeve van de nieuwe inrichting wordt tevens bestaande verharding en bebouwing verwijderd. Er wordt 505 m² aan verharding verwijderd. Daarnaast wordt bebouwing met een totale oppervlakte van 179 m² verwijderd. In totaal bedraagt de afname aan verharding en bebouwing dus 684 m². De nieuwe inrichting zorgt echter ook voor nieuwe verharding en bebouwing. Daarbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt: 1.176 m² verharding (ten behoeve van wegen en paden); 77 m² halfverharding. Halfverharding wordt voor 50% meegeteld. Dat komt neer op 38,5 m²; 471 m² aan parkeerplaatsen bestaande uit grastegels. Ook ter plaatse van grastegels wordt gerekend met 50%. Dat komt neer op 235,5 m²; 1.320 m² aan bebouwing; 2.790 m² aan percelen waarbij, worst‐case, wordt uitgegaan van maximaal 50% verharding ter plaatse van die percelen (terrassen en paden). Dat komt neer op 1.395 m². In totaal wordt dus 4.165 m² aan verharding toegevoegd.
Aangezien er ook 684 m² aan verharding en bebouwing wordt verwijderd, is per saldo sprake van een toename van het verhard/bebouwd oppervlak van 3.481 m². Daarmee wordt de grens van 500 m² dus overschreden en is het, op basis van het beleid van het waterschap, noodzakelijk om te compenseren. Conform het vastgestelde "Integraal Waterplan Waalwijk" dient er 60mm hemelwater op het eigen terrein verwerkt/geborgen te worden. Voor het planvoornemen komt dat neer op 209 m³ extra bergingscapaciteit. Deze extra capaciteit wordt voorzien door het realiseren van infiltratiekratten binnen het plangebied in de toekomstige openbare ruimte. Op basis van verschillende gegevens uit bodemonderzoeken en bestaande peilbuizen, ligt de grondwaterstand ter plaatse van het plaangebied tussen ‐0,50 tot ‐0,90 ten opzichte van N.A.P.. Voor de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (hierna: GHG) wordt een grondwaterstand van ‐0,50 ten opzichte van N.A.P. aangehouden. De onderzijde van de infiltratiekratten wordt aangelegd op of boven deze 0,50 ten opzichte van N.A.P. Een oppervlakte van minimaal 470 m² binnen het plangebied wordt gereserveerd voor de installatie van infiltratriekratten. Deze oppervlakte in combinatie met de diepte van de infiltratiekratten geeft daarmee een bergingscapaciteit van 235,5 m³ (471 m² x 0,50 = 235,5 m³) en wordt dus voldaan aan de waterbergingsopgave.
Mogelijk dient, ten behoeve van de bereikbaarheid van woningen voor hulpdiensten en het ophalen van vuilnis, de infrastructuur in combinatie met de hoeveelheid groen, aangepast te worden. Dit zorgt voor maximaal 10 m² extra verhard oppervlak. Dat zou een extra wateropgave van 0,6 m³ geven. Met de berekende overcapaciteit van 26,5 m³ (235,5 ‐ 209) is voldoende aanwezig restcapaciteit om dit soort wijzigingen in het ontwerp mogelijk te maken. Ter plaatse van het plangebied is de hoogte ten opzichte van N.A.P. circa 1,20 meter ten opzichte van N.A.P. (bron Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3), ESRI Nederland, i.s.m. AHN). Op basis van die gegevens kunnen er
52/135
infiltratiekratten met veel meer capaciteit worden gerealiseerd. Daarmee is aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen zoals gesteld in het Intergraal Waterplan Waalwijk. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie 6.2.5). Daarmee wordt zeker gesteld dat er een waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd waarbij de capaciteit minimaal 60 mm per m² extra verharding moet zijn. Daarmee wordt planologisch‐ juridisch geborgd dat voldaan wordt aan het waterschaps‐ en gemeentelijk beleid. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Het planvoornemen zal daaraan voldoen. Veiligheid en waterkeringen De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving aangezien geen ingrepen zijn voorzien aan waterkeringen. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het afvalwater van de voorgenomen nieuwbouw wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke riool. 4.4.4
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Watercompensatie is noodzakelijk vanuit waterschaps‐ en gemeentelijk beleid. In dat kader worden infiltratiekratten onder de pakeerkoffers aangelegd. In dit bestemmingsplan is voorzien in een voorwaardelijke verplichting waarmee zeker is gesteld dat er voldoende bergingscapaciteit wordt toegevoegd.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
53/135
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.5.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden in de kloostertuin 21 nieuwe woningen gerealiseerd. In de kerk of het klooster worden tevens 22 zorgeenheden en een beheerderswoning mogelijk gemaakt. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich verschillende functies zoals wonen, maatschappelijk en Sportvelden. Om die reden kan het plangebied niet gezien worden als een rustige woonwijk maar wordt de omgeving getypeerd als 'gemengd gebied'.
Milieugevoelige functies (woningen) In onderstaande tabel is een inventarisering van omliggende functies te vinden met daarbij de hoofdactiviteit, richtafstand en de afstand tot het plangebied. Uit tabel 4.1 blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Hierdoor is er geen verder onderzoek nodig. Tabel 4.1 Overzicht milieugevoelige functies in de omgeving van het plangebied Functie
Adres
Veldsport incl. kantine Lindenheuvel 1
Hoofdactiviteit
Richtafstand in gemengd gebied in meters
Afstand tot Nieuwe woningen in meters
Voetbal
30
45
50
75
Lichtmasten Veldsport
Lindenheuvel 3
Beachvolleybal
30
13
Bedrijf
Carmelietenstraat 33
Akkerbouw en fruitteelt
30
55
Café
Carmelietenstraat 39
Café met zalenverhuur
0
13
Begraafplaats
Carmelietenstraat 60
0
6
nieuwe zorgeenheden Carmelietenstraat 60 in kerk
Verpleeg‐ en verzorgingstehuis
10
10
Buurthuis 't Schooltje Carmelietenstraat 56
Buurt‐ en clubhuizen 10
20
De enige richtafstand die niet behaald wordt betreft de afstand tussen het beachvolleybalveld en de nieuwe woningen aan de zuidzijde van het plangebied. De beachvolleybalvelden worden echter uitsluitend in de dag‐ en avondperiode gebruikt en met name in de zomerperiode. De richtafstand wordt bepaald door het aspect geluid. De overige aspecten geur, stof en gevaar hebben een richtafstand van 0 meter. Het geluidniveau van een sportcomplex mag, op de gevel van nabijgelegen woningen, overdag gemiddeld niet hoger zijn dan 50 decibel (Db (A)). In de avondperiode geldt dat dit niveau wordt verlaagd naar 45 Db (A) tot 23.00 uur.
54/135
Geluid ter plaatse van de beachvolleybalvelden wordt uitsluitend veroorzaakt door menselijk stemgeluid. Daarbij worden de bovenstaande geluidniveau's niet gehaald. Er wordt geen versterkt geluid of muziek gemaakt. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van een omroepinstallatie. Om deze reden is het mogelijk om de richtafstand naar beneden bij te stellen naar 10 meter. Een goed woon‐ en leefklimaat is dan ook gegarandeerd. 4.5.3
Conclusie
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven in hun functioneren belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Met inachtneming van het vorenstaande kan worden gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woningen een akoestisch goed woon‐ en leefklimaat gewaarborgd is.
4.6
Geluid
4.6.1 Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. 4.6.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied worden grondgebonden woningen gerealiseerd. De realisatie van zorgeenheden binnen de kerk en het klooster is toegestaan op basis van de geldende maatschappelijke bestemming. Dit hoeft dan ook niet akoestisch onderzocht te worden op basis van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing is het wel noodzakelijk dit te toetsen. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de nieuwe woningen (beheerderswoning in de kerk en het klooster en de 21 grondgebonden woningen) geluidsgevoelige functie(s) en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30 km/h‐gebieden).
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een weg, zoals aangegeven in de Wet geluidhinder. Echter dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Een dergelijk onderzoek is dan ook uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. In het onderzoek zijn de volgende niet‐gezoneerde wegen betrokken: Carmelietenstraat, Arnoldus Verschurenstraat, Rector Gelissenstraat, Lindenheuvel en de binnenplanse weg. In het onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Op basis van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai kan worden geconcludeerd dat, ter plaatse van de geprojecteerde nieuwe woningen, de geluidsbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
55/135
Het uitgevoerde onderzoek is echter gebaseerd op een concept inrichtingsplan. Mogelijk wordt er nog geschoven met de woningen. Dit bestemmingsplan is enigszins flexibel van opzet. Dat houdt in dat er mogelijk woningen op kortere afstand tot de Carmelietenstraat worden gerealiseerd dan waar rekening mee is gehouden in het akoestisch onderzoek. Bovendien worden er ook zorgeenheden en een beheerderswoning gerealiseerd in de kerk en het klooster. Om te kunnen beoordelen of ter plaatse van de kerk en het klooster een acceptabele geluidsbelasting aanwezig is én om te kijken of het mogelijk is om de nieuwe woningen dichterbij de Carmelietenstraat te realiseren, is een aanvullende indicatieve berekening uitgevoerd. Uit de aanvullende berekening volgt dat het akoestisch gezien mogelijk is om woningen tegen de Carmelietenstraat te plaatsen zonder dat er overschrijdingen berekend worden. Ter plaatse van toetspunt 59, zoals te zien in figuur 4.4, bedraagt het geluidniveau maximaal 48 dB. Dat geluidniveau geldt ook ter hoogte van de kerk en het klooster. Daarmee is het akoestisch gezien dus mogelijk om direct aan de Carmelietenstraat een (beheerders)woning of zorgeenheden te realiseren. Op basis van de resulaten van het akoestisch onderzoek en de aanvullende berekening is geoordeeld dat het woon‐ en leefklimaat ter plaatse kan worden gekwalificeerd als "goed tot redelijk.
Figuur 4.4: Indicatieve berekening geluidniveau aan de rand van de Carmelietenstraat
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Normstelling en beleid
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
56/135
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.7.2
Onderzoek
Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 175 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde), zie ook paragraaf 4.1.2. Hierbij is echter geen rekening gehouden met de verkeersgeneratie in de bestaande situatie. De bestaande (planologisch) functie genereert haar eigen verkeer. De hieronder gepresenteerde berekening geeft daarom een worst‐case scenario waarbij niet gecorrigeerd is voor de verkeersgeneratie van de huidige bestemming van de locatie. Verder wordt 2023 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,21 µg /m³ en van fijnstof van 0,04 µg /m³ (figuur 4.5). Beide toenames blijven (ruim) onder de grenswaarde van 1,2 µg /m³. Hierdoor is ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
57/135
Figuur 4.5: Resultaten NIBM‐tool (versie 06‐04‐2021) voor het jaar 2023 Aanvullend is de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht op basis van de NSL‐monitoringstool. Ter plaatse van het dichtstbijzijnde meetpunt gelden ter hoogte van het plangebied, voor het meetjaar 2020, de volgende concentraties: Stikstofdioxide (NO2): 12.356 µg /m³; Fijn stof (PM10): 15.615 µg /m³; Fijn stof (PM2,5): 8.779 µg /m³. Het aantal normoverschrijdingsdagen bedraagt 6. Deze waarden liggen ruim onder de grenswaarden zoals aangegeven in tabel 4.1. Ook na realisatie van het planvoornemen (zie figuur 4.5) wordt ruim onder de grenswaarden gebleven. Daarmee is aangetoond dat, ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, ter plaatse sprake is van een goed woon‐ en leefklimaat, ook na realisatie van het planvoornemen. 4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
58/135
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads‐ en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000‐gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.8.2
Onderzoek
De H. Theresiakerk en het Carmelietenklooster zijn aangewezen als Rijksmonumenten. De kloostertuin zelf wordt niet gezien als een rijksmonument. In dat kader gelden geen beperkingen voor de herontwikkeling van deze tuin naar grondgebonden woningen. De herontwikkeling van de kloostertuin heeft directe invloed op de instandhouding van de aangrenzende rijksmonumenten. Het planvoornemen maakt de restauratie en transformatie van de kerk en het klooster namelijk financieel mogelijk. Daarnaast draagt het planvoornemen, in het kader van het concept "De Omarming", bij aan het terugbrengen van de originele functie van de kloostertuin; ontmoeten en samenzijn. In het kader van de ontwikkeling is een bouwhistorisch onderzoek met waardestelling uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij het bouwhistorisch onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. De kloostertuin op zichzelf wordt in dit bouwhistorisch onderzoek niet gewaardeerd.
De bouwhistorische waardering is gebaseerd op de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek uit 2009 en betreft de volgende hoofdcategorieën: Algemene historische waarden Ensemble (samenhang) en stedenbouwkundige waarden Architectuurhistorische waarden Bouwhistorische waarden Waarden vanuit de gebruikshistorie (gerelateerd aan het object van onderzoek) De bouwhistorische opname en cultuurhistorische waardenstelling vormen gezamenlijk een kader voor de omgang met het rijksmonument. Behoud van de verschijningsvorm staat boven alle andere waarden. De verschijningsvorm is belangrijk vanwege onder andere de stedenbouwkundige waarden, inpassing van het gebouw op het kavel, de grootte van de kerk en de identiteit van Waspik Boven. Een duurzame en op de monumentale waarde afgestemde herbestemming voor zowel
59/135
de kerk en het klooster als de Kloostertuin moeten de historische context behouden en laten herleven voor komende generaties. Een monument zonder functie is een monument zonder toekomst. Aanpassingen zijn zeker niet onmogelijk. Aangezien in dit geval een Rijksmonument wordt getransformeerd, zal in dat kader een afzonderlijke omgevingsvergunning moeten worden verleend. Voor de realisatie van de zorgeenheden en mogelijk de beheerderswoning in de kerk wordt gebruik gemaakt van zorgenoemde "Box‐in‐Box" constructies. Hierdoor kunnen de monumentale waarden van de kerk gerespecteerd en intact gelaten worden. 4.8.3
Conclusie
Het planvoornemen voorziet in de instandhouding van een Rijksmonument en sluit daarmee aan op het overheidsbeleid en de normstelling ten aanzien van Rijksmonumenten.
4.9
Archeologie
4.9.1
Beleid en normstelling
Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan.
Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel.
60/135
In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. Erfgoedverordening 2016 Op 15 december 2016 is de gewijzigde 'Erfgoedverordening 2016' voor de gemeente Waalwijk vastgesteld. De erfgoedverordening vormt de juridische basis voor de regels van de Erfgoedkaart Archeologie. De archeologische beleidskaart is, voor de locatie van het projectgebied, opgenomen in figuur 4.6. Het doel van deze kaart is om bij ruimtelijke ontwikkelingen aan te geven waar en op welke manier archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij het ruimtelijk proces. 4.9.2
Onderzoek
Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk (2011) is het plangebied gelegen binnen een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Binnen dergelijke gebieden bestaat, conform het beleid, geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld, mits het plangebied niet groter is dan 5.000 m². Het gebied waar de nieuwe woningen zijn voorzien is circa 6.600 m² groot. Het beoogde bebouwde oppervlak is (conform de laatste inrichtingstekening) maximaal 3.200 m² groot. Bij de aanleg van de wegen zal het cunet niet dieper dan 50 centimeter worden afgegraven. Daarnaast zullen de ingrepen in de tuinen en groenvoorzieningen dermate beperkt zijn in zowel oppervlakte als diepte dat hierdoor geen eventueel aanwezige archeologische waarden verloren zullen gaan. Daarmee bestaat er geen onderzoeksplicht voor de ontwikkeling van de kloosterkerk. Wel zal een dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 4' worden opgenomen.
61/135
Figuur 4.6: uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Waalwijk 4.9.3
Conclusie
De oppervlakte van de gronden die worden geroerd blijft ruim onder het oppervlakte van 5.000 m². Vanaf die oppervlakte zou een onderzoeksplicht gelden. De onderzoeksplicht bestaat niet maar er zal wel een dubbelbestemming 'Waarde‐ Archeologie' worden opgenomen om eventueel aanwezig archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen te beschermen.
4.10 Ecologie 4.10.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
62/135
Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.