CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting

Raadsvergadering 21 september 2023, gemeente WaalwijkBij agendapunt: (gewijzigde) vaststelling bestemmingsplan “Waalwijk, Mr. van Coothstraat 6”19.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant. Het plangebied is blauw omlijnd.

34

Op de CHW is te zien dat het plangebied in de nabijheid van meerdere cultuurhistorisch waardevolle elementen ligt. Zo maken de Besoyensestraat, Grotestraat en Stationstraat deel uit van stedenbouw van redelijk hoge cultuurhistorische waarde, vanwege de lintbouwing. Het gaat om een opvallend langgerekte oost-west georiënteerde lintbebouwing langs de as Hoogeinde, Loefstraat, Laageinde, Hoekeinde/Nieuwstraat, Grotestraat en Westeinde inclusief het restant van de Winterdijk. Deze as vormde de verbinding tussen de drie voormalige dorpen Besoijen, Waalwijk en Baardwijk, waaruit de stad Waalwijk later ontstaan is. De relatief dicht aaneengesloten gevelwanden aan weerszijden van de straten worden met enige regelmaat onderbroken door een smalle doorgang naar de achtererven. Het huidige bebouwingsbeeld dateert van de periode 1850-1940. Na de aanleg van de langstraatspoorlijn aan het eind van de 19e eeuw ontstond er een bebouwingslint vanaf de dijk naar het zuidelijker gelegen station. Pas na 1940 begon een daadwerkelijke uitbreiding in de breedte, vooral naar het zuiden, waardoor omvangrijke delen van de landbouwgronden werden ingevuld met woonhuizen en de lintbebouwing aan de zuidzijde steeds meer werd omsloten door woonwijken. De Mr. van Coothstraat, Van Brederodelaan en Kerkstraat zijn historisch geografische lijnen met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde.

Deze straten vormden net als de Besoyensestraat en Stationstraat een verbinding tussen de langstraatspoorlijn en het oude bebouwingslint tegen de Winterdijk. Aan de Mr. van Coothstraat komen meerdere cultuurhistorisch waardevolle panden voor, waaronder een aantal gemeentelijke- en rijksmonumenten. Het gaat voornamelijk om woonhuizen uit de periode 1910-1935. Ook de direct aangrenzende panden Mr. van Coothstraat 6 en 8 zijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle panden en Mr. van Coothstraat 6 is tevens een gemeentelijk monument. Een klein deel in zuiden van het plangebied ligt volgens de CHW binnen een gebied dat is aangewezen als ‘historisch groen’ en Overige bouwkunst. Dit is echter niet correct. Uit de omschrijving uit de CHW blijkt namelijk dat het om de voormalige particuliere tuin van familie Raming, thans het wandelpark, gaat. In 1937 werd deze privétuin voor de familie ontworpen. In 1948 kocht gemeente Waalwijk de privétuin aan om deze vervolgens in 1950 als wandelpark voor het publiek open te stellen. De cultuurhistorische waarde heeft dus betrekking op het wandelpark en is dus niet rechtstreeks van toepassing op het plangebied. In de tuin van de Mr. van Coothstraat 8 staat ten slotte een monumentale boom (plantjaar 19001910). Het gaat om een monumentale zilveresdoorn (Acer saccharium) met zware takken.

Links: Mr. van Coothstraat 6. Rechts: Mr. van Coothstraat 8 t/m 18. (Bron: CHW Noord-Brabant)

35

Beoordeling plan Het plangebied is zelf niet gelegen binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied en bevat zelf ook geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Bij het ontwerp van plan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische elementen uit de omgeving. Het gaat dan voornamelijk om de cultuurhistorische bebouwing en monumenten aan de Mr. van Coothstraat, de monumentale boom aan de Mr. van Coothstraat 8 en het cultuurhistorische groen binnen het wandelpark. De appartementengebouwen krijgen een eigentijds karakter en worden gepositioneerd op ruime afstand van de Mr. van Coothstraat. Op de manier doet het bouwplan geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de naastgelegen panden met huisnummer 6 en 8. Ook wordt hiermee recht gedaan aan de monumentale boom bij Mr. van Coothstraat 8. Er is gekozen voor een opzet met appartementen verdeeld over drie hoofdmassa’s en parkeren zo veel mogelijk onder de gebouwen. Door deze ruime opzet is er veel ruimte tussen de gebouwen, die zodoende worden omringd door bestaande- en nieuwe bomen, struiken en ander groen. De ruimte tussen de gebouwen wordt benut om een verbinding met het Wandelpark te realiseren en daarmee het gebruik van het Wandelpark te vergroten. Dit komt ten goede aan de beleving van het cultuurhistorisch groen.

4.2. Water In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Zodoende heeft initiatiefnemer een zogenoemde waterparagraaf laten opstellen. Deze waterparagraaf is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta. In de waterparagraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op het waterbeleid op rijksniveau, het beleid van gemeente Waalwijk en het beleid van waterschap Brabantse Delta. Daarna wordt ingegaan op de huidige waterhuishoudelijke situatie ter plaatse, gevolgd door een beschrijving van de toekomstige situatie. Beoordeling plan Door Econsultancy is voor dit plan een watertoets opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. De conclusie van dit rapport is dat op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren is. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning wordt het plan te zijner tijd verder uitgewerkt, waarbij ook invulling wordt gegeven aan een waterneutrale uitvoering van het project.

Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding dan ook geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

36

4.3. Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 4.3.1. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een natuurgebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen (Natura2000-gebied). De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000netwerk is het gebied “Langstraat”, dat is gelegen op ongeveer 1,5 kilometer ten westen van het plangebied. Ook ligt op ongeveer 2,5 kilometer ten zuiden van het plangebied het Natura2000gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”.

Dit zijn ook de twee dichtstbijzijnde stukjes Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant). Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen nog twee andere Natura2000-gebieden, te weten “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem” (ca. 7,7 km ten noordwesten) en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (ca. 7,9 km ten oosten). Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening gemaakt, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als gebruiksfase kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. 4.3.2. Soortenbescherming De Wnb kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn;

37

-

Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

Ecologische quickscan Voor dit bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Uit de quickscan blijkt dat in de omgeving verschillende beschermde plant- en diersoorten zijn aangetoond en/of hier kunnen worden verwacht. Negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor op voorhand niet worden uitgesloten. Voor het onderdeel soortbescherming is daarom nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde vaatplanten, zoogdieren (bunzing, eekhoorn, steenmarter, vleermuizen en wezel), vogels en (boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, roek, sperwer en torenvalk) en amfibieën (alpenwatersalamander). Het rapport van dit nader onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De onderzoeksresultaten volgen hieronder. Ecologisch nader onderzoek In het nader onderzoek zijn de volgende beschermde natuurwaarden vastgesteld in het plangebied: • Eekhoorn (nest en essentieel foerageergebied) • Gewone dwergvleermuis (essentieel foerageergebied in de zomer) • Laatvlieger (essentieel foerageergebied in de zomer) • Diverse broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is.

Ten aanzien van vogelsoorten moet bij de werkzaamheden rekening gehouden worden met de aanwezigheid van broedende vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het beste kunnen werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen. Bij werken binnen het broedseizoen moet een check gedaan worden op broedende vogels door een ter zake kundig ecoloog. Daarnaast is voor het uitvoeren van werkzaamheden een ontheffing van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van het (indirect) aantasten van vaste verblijf- en nestplaatsen en het verstoren van de aanwezige beschermde diersoorten noodzakelijk. Deze ontheffing wordt aangevraagd parallel aan de ruimtelijke procedure van het bestemmingsplan. Voor deze aanvraag is een Activiteitenplan opgesteld, dat tevens als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Een ontheffing van de Wet Natuurbescherming kan niet verleend worden wanneer er onvoldoende maatregelen genomen worden om de beschermde natuurwaarden te behouden in het projectgebied. Binnen het activiteitenplan wordt voldoende rekening gehouden met beschermde natuurwaarden.

38

4.3.3. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.4. Conclusie Het project heeft geen nadelige effecten voor beschermde natuurgebieden. In het kader van soortenbescherming is voor het uitvoeren van werkzaamheden een ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van het aantasten van vaste verblijf- en nestplaatsen en het verstoren van de aanwezige beschermde diersoorten. Deze ontheffing wordt aangevraagd parallel aan de ruimtelijke procedure van dit bestemmingsplan. De aanvraag om ontheffing staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.4. Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Mr. van Coothstraat. In noordelijke richting kan het gebied vervolgens via de Grotestraat en de Taxandriaweg verder worden ontsloten naar de A59 (Breda / Rotterdam / Utrecht in westelijke richting en ’s-Hertogenbosch in oostelijke richting). In zuidelijke richting kan het gebied via onder andere de Burg. Van der Klokkenlaan en Floris Vlaan verder worden ontsloten in zuidwestelijke richting naar de aansluiting met de N261 richting Tilburg. De verkeersgegevens die gebruikt moeten worden bij bouwplannen, komen uit het verkeersmodel BBMA (Brabants Brede ModelAanpak). Uit dit verkeersmodel blijkt dat op de Mr. van Coothstraat op het noordelijk deel een verkeersintensiteit voor 2030 wordt verwacht van 2.900 motorvoertuigen per etmaal en op het zuidelijk deel een verkeersintensiteit van 4.600 motorvoertuigen per etmaal. De Mr. van Coothstraat is ingericht als een 30 km per uur weg en heeft een ontsluitende functie voor aanliggende percelen en de parkeerterreinen rondom het centrum. In het Mobiliteitsplan Waalwijk zoals vastgesteld door de gemeenteraad in 2015, is deze weg benoemd als zijnde een wijkverzamelstraat.

Een weg met een dergelijke functie heeft volgens het mobiliteitsplan een acceptabele verkeersintensiteit tussen de 4.000 tot 6.000 motorvoertuigen en bij de aansluitingen op de hoofdwegen van maximaal 8.000 motorvoertuigen.

39

De extra verkeersgeneratie als gevolg van dit bouwplan betreft, op basis van geldende CROWnormen, een toename van maximaal 200 motorvoertuigen. De Mr. van Coothstraat is ingericht om dit verkeer te verwerken. In de huidige situatie levert de toegang tot het parkeerterrein De Els op de drukke momenten van de week enige vertraging in de verkeersafwikkeling op. Het bouwplan heeft hier een beperkt effect op. Zodoende is nader onderzoek niet nodig. Gelet hierop worden er vanwege het planvoornemen geen problemen verwacht. Parkeren De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Volgens deze nota is het plangebied gelegen in de schil van het centrum van Waalwijk. Het bestemmingsplan maakt koopappartementen in het middensegment mogelijk. Volgens de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015 geldt zodoende een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. Voor 28 appartementen komt de parkeerbehoefte uit op afgerond 45 parkeerplaatsen. Vanwege de ontsluiting van het plangebied komt aan de Mr. van Coothstraat één bestaande parkeerplaats in de openbare ruimte te vervallen. Deze parkeerplaats moet in het plan worden gecompenseerd. Zodoende komt de totale parkeerbehoefte uit op 46 parkeerplaatsen.

Stedenbouwkundig schetsontwerp met ingetekende parkeervoorzieningen. Bron: Architectenbureau Van Reeven.

In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 51 parkeerplaatsen ingetekend. Daarvan zijn er 32 voorzien in de kelders van twee woongebouwen (12 parkeerplaatsen in de kelder van blok 2, 20 in blok 3). De overige 19 parkeerplaatsen zijn ongebouwd op maaiveld voorzien. Het plan voorziet dan ook in ruim voldoende parkeerplaatsen om in de parkeerbehoefte te voorzien.

40

4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. De dichtstbijzijnde (bovengrondse) hoogspanningsverbinding is de verbinding Geertruidenberg - Waalwijk - ’sHertogenbosch, die op ongeveer 1,9 kilometer ten noorden van het plangebied is gelegen. Gezien deze afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmering voor het plan.

4.6. Bezonning Omdat de beoogde nieuwbouw binnen het plangebied hoger is dan de bestaande bebouwing, kan toename van schaduw ontstaan. Voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing werkt gemeente Waalwijk met de TNO-richtlijnen. Dit beleid stelt dat er sprake moet zijn van minimaal 2 uur zon op de vensterbank per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober. Voor dit plan is een bezonning/schaduwstudie uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Volgens die studie blijkt uit de beelden dat er alleen schaduw ontstaat voor appartementencomplex Elspoort en woonhuis Mr van Coothstraat 6. Echter ontstaat deze schaduw pas in augustus einde van de dag (Elspoort) en in oktober einde dag (Elspoort en Mr van Coothstraat 6). De verwachting is alleen de begane grond (waarschijnlijk) de eerste verdieping van het gebouw De Elspoort schaduw krijgt van de nieuwbouw. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de TNO-eis aangaande bezonning van woningen.

41

42

Hoofdstuk 5.

Milieuaspecten

5.1. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historisch) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit vooronderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek besproken. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek blijkt dat op het noordelijke deel van de locatie een waterloop (de Loint) heeft gelegen (deellocatie B). De Loint was een kunstmatige waterloop welke in de 15e eeuw gegraven is ten behoeve van de afvoer van overtollig grondwater uit het duingebied ten zuidoosten van Waalwijk. Door de goede waterkwaliteit vestigde in de loop van de tijd vele bedrijven (voornamelijk leerlooierijen, verdacht voor o.a. chroom en chroom-6). De vele bedrijven loosden hun afvalwater veelal in de Loint en zijn zijtakken. De gehele onderzoekslocatie is aanvullend onderzocht op chroom en chroom-6. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand.

De (boven)grond (tot maximaal 2,0 m -mv) is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond van boringen A03 en A05 bestaat deels uit zwak kleiig of sterk zandig veen. Ter plaatse van de gedempte waterloop zijn zwak tot sterk zandige kleilagen in de ondergrond aanwezig. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Zintuiglijk blijkt de bovengrond van deellocatie A zwak tot matig puinhoudend te zijn. Tevens waren er twee boringen die volledig puinhoudend waren (boringen A20 en A21). De bovengrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, cadmium, minerale olie en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, lood, zink en PAK. Tevens blijkt de boven- en ondergrond (MMA4 en MMA5) matig tot sterk verontreinigd te zijn met chroom. Naar aanleiding van deze resultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit mengmonsters MMA4 en MMA5 waren samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameter chroom. Na uitsplitsing van deze mengmonsters blijkt de matige en sterke chroom verontreiniging afkomstig

43

te zijn van boringen A01 (traject: 0,5-2,0 m -mv) en A03 (traject: 0,5-1,0 m -mv). Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium, chroom en zink. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Deellocatie B: voormalige waterloop Loint Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Zintuiglijk blijkt de bodem (plaatselijk) tot maximaal 1,5 m -mv van deellocatie B matig tot sterk puinhoudend te zijn. De voormalige waterloop (vanaf 0,5 m -mv) blijkt licht verontreinigd te zijn met cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink, nikkel, molybdeen, minerale olie en PAK, plaatselijk matig verontreinigd te zijn met koper en lood (MMB2) en sterk verontreinigd te zijn met chroom. De originele bodem van de gedempte waterloop (de kleilaag) blijkt licht verontreinigd te zijn met kwik, lood, minerale olie en PCB. Naar aanleiding van de aangetoonde matige en sterke verontreinigingen zijn de individuele grondmonsters, waaruit MMB1 en MMB2 waren samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameter chroom, lood en zink.

Na uitsplitsing van deze mengmonsters blijken de boringen B01 (traject: 0,5-1,3 m -mv), B03 (traject: 1,0-1,5 m -mv) en B05 (traject: 1,01,5 m -mv) sterk verontreinigd te zijn met chroom. Boring B03 (traject 1,0-1,5 m -mv) is eveneens sterk verontreinigd met lood en zink. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Conclusie Tijdens het veldwerk is de ligging van de voormalige waterloop Loint geïdentificeerd. Op basis van de analyseresultaten blijkt dat de bodem ter plaatse van deze waterloop, alsmede in de directe nabijheid, sterk verontreinigd is met lood, zink en/of chroom. Econsultancy adviseert om een nader onderzoek uit te voeren naar de aard en de omvang van de geconstateerde sterke verontreinigingen met chroom, lood en zink. Verkennend onderzoek asbest in bodem/puin NEN 5707/NEN 5897 De volledige onderzoekslocatie (deellocatie A) is in dit onderzoek meegenomen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm, in mengmonster ASB-MMA2, 0,2 mg/kg d.s. asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de helft van de interventiewaarde niet. In de overige mengmonsters is in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden

44

op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin ter plaatse van deellocatie A. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest hier geen specifieke maatregelen te worden getroffen. De voormalige waterloop (deellocatie B) blijkt gedempt te zijn met matig tot sterk puinhoudende grond. Econsultancy adviseert om een verkennend onderzoek asbest in bodem uit te voeren ter plaatse van deellocatie B. Bemaling Voor de daadwerkelijke realisatie van het plan wordt een uitvoering met bemaling overwogen. Hiervoor is een vergunning nodig. Bij het indienen van de vergunningaanvraag dient de aanvrager een uitvoerige omgevingsscan te voegen. In deze scan moet worden ingegaan op de gevolgen voor de directe omgeving ten gevolge van de bemaling. Het waterschap betrekt deze scan bij de beoordeling van de aanvraag. Via deze procedure zijn de belangen van derden voldoende gewaarborgd. Conclusie Op basis van het voorgaande is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de omvang en ernst van de situatie te bepalen en om te bepalen welke vervolgstappen genomen moeten worden om ervoor te zorgen dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor de vervolgfunctie.

Dit onderzoek wordt op een later moment aan deze toelichting toegevoegd. Bemaling is technisch haalbaar, echter dient bij de aanvraag omgevingsvergunning nader onderzoek plaats te vinden naar de praktische haalbaarheid. Daarbij moet ook worden gekeken naar alternatieven zonder of met beperkte bemalingen. Op voorhand zijn er geen signalen dat dat de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

5.2. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een

45

geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De Burgemeester Moonenlaan en Grotestraat hebben een maximumsnelheidsregime van 50 km/uur en hebben daarmee een wettelijke geluidzone van 200 meter. Ook ligt het plangebied binnen de geluidzone van de A59 (400 meter). Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai van deze wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij ook de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen Emmikhovensestraat, Julianastraat, Kerkstraat, Meester van Coothstraat, Plantlust en het niet-gezoneerde deel van de Burgemeester Moonenlaan en Grotestraat in het onderzoek betrokken. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Uit het onderzoek blijkt dat alleen ten gevolge van de A59 een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB optreedt. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt tot 3 dB overschreden op de meest noordelijke bouwmassa. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de A59 is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk.

Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Gelet op het voorgaande heeft initiatiefnemer het college van B&W van Waalwijk verzocht om een hogere geluidbelasting (hogere waarde) toe te staan vanwege wegverkeerslawaai op de A59. De zogenoemde hogere waardenprocedure loopt gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan. Industrie-en spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen of in de buurt van een wettelijke geluidzone van een spoorweg. Wel ligt het plangebied in de buurt van bedrijventerrein Haven. Dat is een geluidzoneringsplichtig bedrijventerrein zoals bedoeld in Wet geluidhinder. De geluidzone van dit bedrijventerrein reikt niet tot over het plangebied. Voor wat betreft de invloedssfeer van nabijgelegen bedrijven zonder wettelijke geluidzone, wordt verwezen naar paragraaf 0 (Bedrijven en milieuzonering) van deze toelichting. Conclusie De aspecten wegverkeer-, industrie- en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder

46

stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Beoordeling plan Zowel gezien de aard van de ontwikkeling als de oppervlakte en het aantal woningen valt dit project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet nodig om een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden gemotiveerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan aan de hand van de NSL Monitoringstool. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze monitoringstool weergegeven.

47

Uitsnede van de NSL Monitoringstool. De ligging van het plangebied is met een rode ster aangeduid. De blauwe bolletjes geven rekenpunten weer. De zwart omcirkelde rekenpunten zijn voor dit plan beoordeeld. (Bron: https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) Rekenpunt Stoffen 4 ID Straat 6 Rekenjaar 4 15470678 Kerkstraat 15471282 Burgemeester Moonenlaan 15472264 Kerkstraat 15472971 Burgemeester Moonenlaan 15473046 Burgemeester Moonenlaan 15473860 Meester van Coothstraat 15474050 Burgemeester Moonenlaan 15468526 Meester van Coothstraat 15469304 Meester van Coothstraat 15471657 Meester van Coothstraat 15472300 Grotestraat 15472964 Grotestraat 15472992 Meester van Coothstraat 15473261 Meester van Coothstraat 15473270 Grotestraat 15473389 Grotestraat 15473532 Grotestraat 15469369 Kerkstraat 15471092 Grotestraat 15471777 Kerkstraat 15473105 Kerkstraat 15474168 Kerkstraat

NO2-concentratie in μg/m³ 2020 2030 18,4 12,8 18,1 12,7 18,2 12,7 18,1 12,6 18,1 12,6 18,3 12,8 18,1 12,7 19,9 13,8 18,7 13,1 19,6 13,6 20,3 14,0 18,9 13,1 18,9 13,2 19,8 13,7 19,3 13,4 19,3 13,4 20,7 14,2 19,3 13,4 19,4 13,5 18,8 13,1 19,0 13,1 19,0 13,2

PM10-concentratie in μg/m³ 2020 2030 18,8 16,1 18,7 16,0 18,7 16,1 18,7 16,0 18,7 16,0 18,7 16,1 18,7 16,0 18,8 16,1 18,6 15,9 18,7 16,0 18,8 16,2 18,6 15,9 18,6 16,0 18,7 16,1 18,6 16,0 18,6 16,0 18,9 16,2 18,6 16,0 18,7 16,0 18,6 15,9 18,6 15,9 18,6 16,0

PM10-overschrijdingsdagen 2020 2030 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,6 6,0 6,7 6,0 6,7 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0 6,7 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0 6,8 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0 6,6 6,0

PM2,5-concentratie in μg/m³ 2020 2030 11,7 9,3 11,7 9,3 11,7 9,3 11,7 9,3 11,7 9,2 11,7 9,3 11,7 9,3 11,6 9,2 11,5 9,1 11,6 9,2 11,6 9,2 11,5 9,1 11,5 9,2 11,6 9,2 11,5 9,2 11,5 9,2 11,6 9,2 11,5 9,2 11,5 9,2 11,5 9,1 11,5 9,1 11,5 9,2

In bovenstaande tabel is de luchtkwaliteit voor wat betreft, stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) inzichtelijk gemaakt. De concentraties blijven ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³). Ook de PM10-overschrijdingsdagen blijven ruimschoots onder de grenswaarde (35 dagen per jaar). Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het project dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.

48

5.4. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van een inrichting (het terrein of perceel van een functie met een richtafstand) tot aan de gevel van een gevoelig of kwetsbaar object. De VNG-publicatie maakt onderscheid tussen de omgevingstypen "Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en "Gemengd gebied". Over een "Rustige woonwijk/rustig buitengebied" wordt in de VNG-publicatie het volgende opgemerkt: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfunctie) is weinig verstoring voor verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied." (zie p. 29 van de VNG-publicatie) Over "Gemengd gebied" wordt in de VNG-publicatie opgemerkt: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleine richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." (zie p. 30 van de VNGpublicatie) In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een "Gemengd gebied", de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.

Bij de beoordeling binnen welk omgevingstype gebied de voorziene woningen zijn gelegen, dient volgens vaste jurisprudentie te worden gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse. Tevens wordt gekeken naar de planologische situatie. Verwezen wordt o.a. naar de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in de uitspraak van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2146, r.o. 5.2): "Ter plaatse van de zorgboerderij is sprake van lintbebouwing langs een doorgaande weg door het dorp. In de directe omgeving van de zorgboerderij zijn van oudsher drie

49

agrarische bedrijven aanwezig, die ook als zodanig zijn bestemd. Het gaat hier om het direct naast de woning van [belanghebbende] gelegen [agrarisch bedrijf A] aan de [locatie 3], het schuin aan de overkant van de zorgboerderij gelegen [agrarisch bedrijf B] aan de [locatie 4] en [paardenpension] aan de [locatie 5], gelegen op zo’n 80 m van de zorgboerderij. Op ongeveer 40 m afstand van de zorgboerderij is [garage] aan de [locatie 6] gevestigd. De garage heeft een bedrijvenbestemming. Gelet op de (agrarische) bedrijvigheid in de naaste omgeving van de zorgboerderij en de omstandigheid dat de Heistraat een doorgaande weg is, is de Afdeling van oordeel dat de omgeving ter plaatse van de zorgboerderij als gemengd gebied met een matige functiemenging en niet als een rustige woonwijk valt te kwalificeren." Het voorgaande blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG4756, r.o.

2.15): "Gelet op de overwegende woonbebouwing in de te realiseren wijk Oeverrijk, het feit dat de wijk ruim is opgezet in een setting met veel groen en water en het feit dat deze woonbebouwing door een watergang is gescheiden van het gemengde gebied met de bestemming "Gemengde doeleinden (GD)" met bedrijvigheid en woonfuncties aan weerszijden van de Kanaalweg is de Afdeling van oordeel dat het college in navolging van de raad de met het plan mogelijk gemaakte wijk Oeverrijk, dan wel het oostelijk deel daarvan ten onrechte heeft gekarakteriseerd als gemengd gebied in de zin van de VNGbrochure." Toekomstige ontwikkelingen worden verder niet relevant geacht door de Afdeling bij de vraag welke omgevingstype gebied aan de orde is. Verwezen wordt naar de uitspraak van 3 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1187, r.o. 12.2): "De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de omschreven omliggende bedrijvigheid en op de vrij hoge verkeersintensiteit op de Laag Beugt heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied. Dat, zoals [appellant sub 2A] stelt, het installatiebedrijf niet meer in werking is, doet hier niet aan af. Bij het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied komen namelijk vrijwel geen andere functies voor, terwijl rondom het plangebied verschillende bedrijven zijn gevestigd en het perceel aan een drukke verkeersweg ligt.

Dat in de toekomst een aanpassing aan de N297 zal plaatsvinden is, daargelaten of dit tot minder verkeer op de Laag Beugt zal leiden, voor de vraag hoe de omgeving ten tijde van de vaststelling van het plan moet worden getypeerd niet relevant." Ook acht de Afdeling niet relevant dat in gemeentelijke beleidsstukken wordt aangegeven dat (in de toekomst) gestreefd wordt naar een functiemenging. Verwezen wordt naar de uitspraak van 17 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:117, r.o. 6.3): "Naar het oordeel van de Afdeling zijn de genoemde omstandigheden onvoldoende voor het door de raad ingenomen standpunt dat de omgeving van de voorziene RvR-woning aan de noordzijde van de Lambertusstraat kan worden aangemerkt als gemengd gebied. In dit verband is van belang dat vrijwel alle percelen binnen de kern van Hedikhuizen een woonbestemming hebben. Alleen de gronden ter plaatse van de kerk hebben de bestemming "Gemengd" en de gronden ter plaatse van de begraafplaats hebben de bestemming "Maatschappelijk". Van bedrijfsmatige activiteiten zoals detailhandel, horeca, kantoren en kleinschalige dienstverlening is binnen de kern van Hedikhuizen

50

geen sprake. Dat Hedikhuizen in het gemeentelijk vestigingsbeleid is aangemerkt als gemengd gebied omdat daar bewust functiemenging wordt nagestreefd, betekent niet dat daarvan in de bestaande situatie sprake is." Gelet op de hiervoor geciteerde jurisprudentie, dient dus bij de beoordeling van het omgevingstype gebied te worden gekeken naar de huidige feitelijke én planologische situatie van het omliggende gebied. 5.4.1. Gebiedstypering Feitelijke situatie Het plangebied ligt in het centrum van Waalwijk. In de directe omgeving van het plangebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn namelijk allerlei andere functies gelegen, zoals winkels, horecagelegenheden en bedrijven gelegen, waaronder: • Een makelaarskantoor (Mr. Van Coothstraat 1); • Een bloemist (Mr. Van Coothstraat 1C); • Een gezondheidscentrum (Mr. Van Coothstraat 2); • Een bedrijfsverzamelgebouw (Mr. Van Coothstraat 7); • Een interieurstoffenwinkel (Grotestraat 146); • Een advocatenkantoor (Grotestraat 150); • Een ontmoetingscentrum (met o.a.

horeca en een jeu de boules-baan) (Grotestraat 154A); • Een Chinees-Japans restaurant (Grotestraat 166); • Een café/bar (Grotestraat 171) • Een kringloopwinkel (Grotestraat 177); • Een meubelshowroom/winkel (Grotestraat 183); • Een bakkerij (Grotestraat 191); • Een uitzendbureau (Grotestraat 193); • Een toko (Grotestraat 195); • Een slagerij/traiteur (Grotestraat 197); • Een wandelpark (Burgemeester Moonenlaan 2); • Een busstation (De Els); • Winkelcentrum De Els (met o.a. Albert Heijn, Bakkerij Bart, Action en C&A). Gelet op deze huidige feitelijke situatie, dient dan ook te worden vastgesteld dat in het gebied waarin het plangebied is gelegen, sprake is van matige tot zelfs sterke functiemening. De conclusie is dan ook dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied als bedoeld in de VNGpublicatie. Planologische situatie Rondom het plangebied gelden de bestemmingsplannen "Gemengd gebied", "Centrumgebied Waalwijk" en de beheersverordening "Woonwijken (incl. kamerbewoning)" (deelgebied 4.2). Ingevolge het bestemmingsplan "Gemengd gebied" zijn de direct aangrenzende gronden bestemd als "Gemengd". Ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder b van de planregels mogen ter plaatse beroeps- en bedrijfsactiviteiten worden ontplooid.

Tevens rusten op verscheidene percelen functieaanduidingen, zoals: • Perceel Waalwijk D 4173: functieaanduiding "Bedrijf" (ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder d sub 1 van de planregels bestemd voor de activiteiten die vallen onder categorie A en B

51

•

•

zoals genoemd in bijlage 1, kolom "zelfstandige bedrijven" alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn); Perceel Waalwijk D 4204: eveneens functieaanduiding "Bedrijf" (ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder d sub 1 van de planregels bestemd voor de activiteiten die vallen onder categorie A en B zoals genoemd in bijlage 1, kolom "zelfstandige bedrijven" alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn); Perceel Waalwijk D 1808: functieaanduiding "Horeca" (ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder d sub 1 van de planregels bestemd voor de activiteiten die vallen onder categorie A en B zoals genoemd in bijlage 1, kolom "zelfstandige bedrijven" alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn).

Ingevolge de beheersverordening "Woonwijken (incl. kamerbewoning)" zijn aan de omliggende percelen ook een verscheidenheid aan functies toegekend, zoals: • Perceel Waalwijk D 1774: bestemming "Dienstverlening" (ingevolge artikel 7.1 van de planregels bestemd voor dienstverlenende bedrijven en ondergeschikte detailhandel); • Perceel Waalwijk D 1347: bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" (ingevolge artikel 9.1 van de planregels bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en aan de detailhandelsfunctie verwante lichte horeca); • Perceel Waalwijk D 3249: bestemming "Groen" (ingevolge artikel 14.1 van de planregels bestemd voor o.a. groenvoorzieningen, voet- en rijwielpaden en waterlopen).

Afbeelding ter aanduiding van de in voorgaande opsomming genoemde percelen (plangebied aangeduid met blauwe pijl, voornoemde percelen met rode pijl)

Niet direct aangrenzend, maar wel in de directe nabijheid ten noorden en oosten van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk". Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt (variërend) slechts 14 tot 80 meter van het plangebied af. Op de dichtstbij gelegen gronden rusten o.a. de bestemmingen "Centrumdoeleinden II", "Gemengde doeleinden I", "Gemengde doeleinden II" en "Kantoren, dienstverlening en woningen".

52

Ingevolge artikel 9 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden II" onder meer bestemd voor detailhandel, horeca, dienstverlenende bedrijven, recreatie-inrichtingen en kantoren. Ingevolge artikel 10 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden I" onder meer bestemd voor detailhandel, bestaande horeca, dienstverlenende bedrijven, recreatie-inrichtingen en kantoren en/of praktijkruimten. Ingevolge artikel 11 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden II" onder meer bestemd voor dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke doeleinden, recreatie-inrichtingen en kantoren en/of praktijkruimten. Ingevolge artikel 16 lid 1.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Kantoren, dienstverlening en woningen" onder meer bestemd voor kantoren en/of praktijkruimten, dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke doeleinden.

Afbeelding ter aanduiding van de ligging van bovengenoemde percelen (plangebied aangeduid met blauwe pijl, voornoemde percelen met gele pijl)

Gelet op het voorgaande dient dan ook te worden geconcludeerd dat direct aangrenzend en in de omliggende omgeving sprake is van matige tot sterke (planologische) functiemenging. Direct naast woningen komen andere bestemmingen, zoals detailhandel, bedrijvigheid en horeca voor. Dat maakt dat het plangebied moet worden beschouwd als liggend binnen het gemengd gebied.

53

Conclusie gebiedstypering Het plangebied ligt in het centrum van Waalwijk. In de omgeving van het plangebied komen zowel feitelijk als planologisch allerlei functies direct naast elkaar voor, zoals detailhandel, dienstverlening, horeca, lichte bedrijvigheid en wonen. Er is dan ook duidelijk sprake van feitelijke én planologische functiemenging en daarmee is sprake van het omgevingstype "Gemengd gebied". De oorspronkelijke richtafstanden mogen zodoende met één afstandsstap worden verkleind. Dit geldt overigens niet voor afstandsstap voor gevaar. 5.4.2. Beoordeling plan Dit plan voorziet in de ontwikkeling van drie woongebouwen met in totaal 28 appartementen. Er worden geen functies mogelijk gemaakt die milieuhinder voor de omgeving veroorzaken en waardoor zodoende een richtafstand voor milieuzonering moet worden aangehouden. In de omgeving van het plangebied komen dergelijke functies wel voor. Hierna wordt ingegaan op de meest relevante locaties. Gemengde bestemmingen, Grotestraat Bij het opstellen van het bestemmingsplan “Gemengd gebied” is een milieuzonering toegepast door middel van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën.

In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn twee voorbeeldstaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk een voor functiemenging en een voor bedrijventerreinen. De in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” gehanteerde Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de voorbeeldstaat voor functiemenging van de VNG. De activiteiten in de staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid • Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen –in gebieden met functiemenging–kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. • Categorie B: Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. • Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Bij de totstandkoming van de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is gekeken of bedrijfsactiviteiten al dan niet in het plangebied thuishoren.

Bedrijfsactiviteiten die niet passend zijn voor het plangebied zijn niet in de lijst opgenomen. De Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is niet uitputtend. Voor onderhavig bestemmingsplan is van belang dat in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” voor de aangrenzende percelen is bepaald dat alleen bedrijven van categorie A en B uit de Staat

54

van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging zijn toegestaan of bedrijven die naar aard en invloed met bedrijven uit de desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Vervolgens is in dat bestemmingsplan bepaald dat het verantwoord is dat deze functies direct naast woningen plaatsvinden. Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze bedrijven geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt of andersom. Het bestemmingsplan “Gemengd gebied” legt voor de functies detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals kerkgebouwen, buurthuizen, kinderopvang, verpleeghuizen, scholen enzovoort) geen relatie met de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze functies zijn daarom niet opgenomen in de lijst. Dit geldt ook voor horecabedrijven. In het bestemmingsplan “Gemengd gebied” wordt onderscheid gemaakt tussen lichte, middelzware en zware horeca. Op de percelen in de directe omgeving van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is binnen de gemengde bestemming uitsluitend lichte horeca toegestaan. Ten aanzien van de voorgenoemde functies is in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” eveneens bepaald dat het aanvaardbaar is dat deze direct naast woningen plaatsvinden.

Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze functies geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt of andersom. Jeu-de-boulesbaan, Grotestraat 154a In het laantje naar het Wandelpark aan de Grotestraat 154a ligt binnen de verkeersbestemming een jeu-de-boulespark met meerdere speelvelden. Een jeu-de-boulesbaan valt volgens de toelichting op de SBI2008 (versie 2018) van het CBS onder de categorie ‘Overige buitensport’ met SBI2008-code 93129. Een jeu-de-boulesbaan komt zelf niet in de tabel met richtafstanden voor, maar volgens de toelichting van het CBS vallen golfbanen in dezelfde categorie en daarom zijn de richtafstanden van een golfbaan vergelijkbaar met die van een jeu-de-boulesbaan. Het gaat dan alleen om een richtafstand van 10 meter voor geluid. Binnen het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstandstap worden teruggebracht naar 0 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Seniorensociëteit, Grotestraat 154a Aan de Grotestraat 154a is Seniorensociëteit Parkpaviljoen gevestigd. De bestemming is volgens de ter plaatse geldende beheersverordening ‘maatschappelijk’. Deze voorziening is gelijk te stellen met een buurt- of clubhuis (SBI2008-code 94991A) en heeft een richtafstand van 30 meter vanwege geluid.

Binnen het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstandstap worden teruggebracht naar 10 meter. De kleinste afstand vanaf deze voorziening tot aan de nieuwe woongebouwen bedraagt ongeveer 30 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Begraafplaats, Grotestraat 156a Ten zuidwesten van het plangebied ligt de begraafplaats van de protestantse gemeente Waalwijk (Grotestraat 156a). Een begraafplaats (SBI2008-code 96031) heeft alleen vanwege geluid een richtafstand van 10 meter. Binnen het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstandstap worden teruggebracht naar 0 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan.

55

Bankgebouw, Mr. van Coothstraat 2 Aan de Mr. van Coothstraat staat een bankgebouw. De bestemming is volgens de ter plaatse geldende beheersverordening ‘Dienstverlening’. Een bank (SBI2008-code 64, 65, 66) heeft alleen een richtafstand van 10 meter voor geluid. Hetzelfde geldt voor andere vormen van dienstverlening die binnen de bestemming volgens de beheersverordening mogelijk zijn, zoals kantoren voor de zakelijke dienstverlening (SBI2008-code 63, 69 tm 71, 73, 74, 77, 78, 80 tm 82), kappersbedrijven en schoonheidsinstituten (SBI2008-code 9602) en persoonlijke dienstverlening n.e.g. (SBI2008-code 9609). Binnen het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstandstap worden teruggebracht naar 0 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

5.5. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische

56

keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beoordeling plan Op basis van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is onder andere bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is.

Uitsnede van de risicokaart. De ligging van het plangebied is blauw omcirkeld. (Bron: www.risicokaart.nl)

In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere relevante risicobronnen. Het gaat zowel om risicovolle inrichtingen als transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hierna worden de voor het plangebied relevante risicobronnen besproken. Inrichtingen Stahl Holdings B.V., Sluisweg 10 Bij deze inrichting worden chemische producten vervaardigd. coatings, kleurstoffen en proceschemicaliën geproduceerd. Op bovenstaande afbeelding is te zien dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) niet tot over het plangebied reikt. Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 2.796 meter bedraagt. Het plangebied ligt op ongeveer 550 meter van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook aan de orde. Hiervoor wordt verwezen naar verderop in deze paragraaf.

57

Regionaal Overslag Centrum Waalwijk B.V., Emmikhovensestraat 8 Bij deze inrichting vinden laad-, los- en overslagactiviteiten (niet t.b.v. zeeschepen) plaats. Daarbij vindt ook overslag van (tank)containers met gevaarlijke stoffen plaats. Het maatgevende scenario is een ongeval met gevaarlijke stof LT3 (toxische vloeistoffen). Het bedrijf valt onder de regelgeving Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). Op bovenstaande afbeelding is te zien dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) niet tot over het plangebied reikt. Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 2.304 meter bedraagt. Het plangebied ligt op ongeveer 710 meter van de terreingrenzen van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook aan de orde. Hiervoor wordt verwezen naar verderop in deze paragraaf. DSM NeoResins B.V., Sluisweg 12 Bij deze inrichting worden chemische producten vervaardigd. Het bedrijf valt onder de regelgeving Brzo. Op voorgaande afbeelding is te zien dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) niet tot over het plangebied reikt. Verder blijkt uit gegevens uit de risicokaart dat het invloedsgebied 3.526 meter bedraagt. Het plangebied ligt op ongeveer 710 meter van de terreingrenzen van de inrichting en dat is dus binnen het invloedsgebied.

Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook aan de orde. Hiervoor wordt verwezen naar verderop in deze paragraaf. LPG Tankstation Coppens, Winterdijk 25 Het betreft een benzineservicestation waarbij tevens LPG te verkrijgen is. De maximale doorzet van het tankstation is in de geldende omgevingsvergunning voor de inrichting beperkt tot 1.000 m³ per jaar. Op grond van de Revi heeft de inrichting een risicoafstand (PR 10-6) van 35 meter vanaf het vulpunt, 25 meter vanaf het ondergrondse LPG-reservoir en 15 meter van de afleverzuil. Het invloedsgebied is gelegen tot op een afstand van 150 meter vanaf het vulpunt en vanaf het ondergronds gelegen reservoir. De afstand vanaf de grens van het plangebied tot aan het ondergrondse LPG-reservoir bedraagt exact 150 meter. De afstand tot aan de afleverzuil en het vulpunt bedraagt ongeveer 160 meter respectievelijk 180 meter. Het plangebied ligt dan ook niet binnen de risicocontour en het invloedsgebied van deze inrichting. Transportroute over de weg Ongeveer 275 meter ten noorden van het plangebied ligt Rijksweg A59. Over deze snelweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor de A59 is wegvak B17 (A59: afrit 39 (Waalwijk) – afrit 42 (Heusden)) van belang voor dit plan. Dit wegvak heeft geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 per jaar) en geen plasbrandaandachtsgebied.

Het plan bevindt zich niet binnen 200 meter van de A59, waardoor het uitvoeren van een QRA naar de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd is. Het plangebied bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van zowel toxische stoffen (stofgroepen LT1 en LT2) als brandbare stoffen (stof-groepen GF2 en GF3). Op basis van artikel 7 van het Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hiervoor wordt verwezen naar het Standaard Advies Veiligheidsregio 2023, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12972185/1