Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
In het plan wordt volgens de norm ruimschoots voldoende grondgebonden openbaar groen aangelegd. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de bepalingen uit de Richtlijn Groenbeleidsvisie 2022. 3.3.5. Bomenbeleid Bomen laten Waalwijk leven! Het doel van het bomenbeleidsplan ‘Bomen laten Waalwijk leven!’ is het zorgen voor een toekomstbestendig bomenbestand. Dit betekent aan de ene kant dat de bomen gezond oud kunnen worden waardoor ze jarenlang bijdragen aan een kwalitatieve woon- en werkomgeving, biodiversiteit en klimaatdoelstellingen. Aan de andere kant houdt dit in dat ervoor bomen die gekapt worden, nieuwe bomen worden geplant. Te kappen bomen worden vervangen door één of meerdere nieuwe bomen. Hoeveel nieuwe bomen dat zijn, hangt af van de waarden van de boom die wordt gekapt, zoals de hoeveelheid CO2 die een boom jaarlijks uit de lucht haalt. De waarden worden berekend volgens een speciaal voor bomen ontwikkeld rekenmodel. Ook biedt het bomenbeleid handvatten voor de keuzes die met betrekking tot bomen gemaakt worden bij de inrichting van de openbare ruimte aan de hand van de thema’s klimaatadaptatie, cultuurhistorie en ecologie. En door het toepassen van duidelijke richtlijnen voor het werken rondom bomen, het aanplanten van bomen en het maken van goede groeiplaatsen voor bomen.
Beoordeling plan Volgens de kaart met waardevolle bomen komt binnen het plangebied een waardevolle boom voor. De boom staat ter hoogte van de op te waarderen doorgang vanaf Hoogeinde richting het plangebied. Het betreft volgens de digitale kaart met waardevolle bomen een zomereik uit het plantjaar 1950 zonder cultuurhistorische waarde en met geringe ecologische waarden, maar die beeldbepalend is in het openbare profiel.
30
Uitsnede digitale kaart met waardevolle bomen gemeente Waalwijk. De waardevolle bomen zijn groen aangestipt en waardevolle gebieden hebben een groene arcering. Het plangebied zelf is globaal blauw omlijnd.
Vanwege de ontsluiting van het plangebied dient de huidige doorgang met een breedte van 4 meter te worden opgewaardeerd naar een toegangsweg van 5 meter breed. Er is voor gekozen om de doorgang aan de westzijde met 1 meter te verbreden. De eik staat met haar stamvoet tegen de huidige verharding aan. Om de kwaliteit van de boom in beeld te brengen heeft een taxatie en beoordeling plaatsgevonden. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieruit volgt dat de eik een goede conditie en toekomstverwachting heeft. Er zijn geen gebreken in of aan de boom geconstateerd, die de toekomstverwachting en/of de stabiliteit van de boom verminderen. Verplanten van de eik is in deze situatie niet reëel gezien de soort, leeftijd en de kluit. De kluit bevindt zich onder andere onder de huidige rijweg, wat te zien is aan de opdruk van de verharding. In het taxatierapport zijn de vervangingskosten in beeld gebracht. Vervanging tegen handelswaarde of feitelijke vervangingskosten is niet van toepassing, daarom moet de schade in dit geval vastgesteld worden met behulp van het Rekenmodel Vervangingskosten. Het Rekenmodel Vervangingskosten is gebaseerd op de theoretische kosten die gemaakt moeten worden om de betrokken boom op dezelfde locatie te vervangen door een gelijkwaardig exemplaar.
Deze kosten worden berekend door uit te gaan van het (her)planten van één boom, plus de kosten voor beheer en onderhoud (en indien van toepassing, de afschrijvingskosten) tot de betreffende boom dezelfde leeftijd heeft als de beschadigde boom. De vervangingskosten worden geraamd op € 24.779,-. Indien dit bij de verdere planuitwerking nodig blijkt maakt ontwikkelaar met gemeente Waalwijk afspraken over de compensatie van de boom elders en het voldaan van deze vervangingskosten.
31
3.3.6. Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving Op 12 november 2021 is de bouwsteen ‘gezonde fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Het doel van de bouwsteen is om in de gemeentelijke omgevingsvisie een beleidsbasis te leggen voor het onderwerp gezondheid in relatie tot de fysieke leefomgeving. Deze bouwsteen wordt gebruikt als een belangrijk ingrediënt om de ambitie, doelen en uitgangspunten voor het onderwerp gezondheid een plek te geven in de Omgevingsvisie 2.0. In de bouwsteen wordt uitgegaan van het concept ‘positieve gezondheid’. Een brede benadering van het onderwerp dat zowel het beschermen van de gezondheid als het bevorderen van de gezondheid inhoud:
Beoordeling plan Bij de uitwerking van de beoogde ontwikkeling hebben de thema’s beschermen en bevorderen van de gezondheid een belangrijke rol gespeeld. Beschermen De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de A59 was een belangrijke uitdaging. Zoals in paragraaf 2.2 en 5.2 aan de orde komt, heeft een akoestisch onderzoek plaatsgevonden dat betrokken is bij het ontwerp van de woonbuurt. Op die manier is een plan gecreëerd waarin een goed akoestisch woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ook de akoestische situatie van nabijgelegen woningen gaat er hierdoor op vooruit. Verder vindt in het plan een flinke afname van verharding plaats. Dit komt het verminderen van hittestress ten goede, maar zorgt er ook voor dat meer water binnen het plangebied kan infiltreren. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het aspect water en de mogelijkheid om water vast te houden in het gebied. Ten slotte wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op andere milieu-aspecten zoals geur en bodem. Op deze plaats volstaat de conclusie dat een schone en milieuvriendelijke leefomgeving aanwezig. Bevorderen In het ontwerp is zo veel mogelijk groen ingebracht en is ook de connectie gezocht met de groene kerktuin van de Hervormde Kerk en de meanderende Winterdijk. Een deel van het groen is combinatiegroen, waar bij droog weer kan worden gespeeld en bij nat weer infiltratie kan plaatsvinden.
Met dit groen worden bewoners van het plangebied en de omliggende buurt gestimuleerd elkaar te ontmoeten binnen en te bewegen door het plangebied en de omliggende wandel en fietspaden. Gelet op het voorgaande is bij de planvorming voldoende rekening gehouden met de ambities uit de Bouwsteen gezonde fysieke leefomgeving.
32
HOOFDSTUK 4. PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1. Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1. Archeologie Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Per 1 juli 2016 zijn de bepalingen van de Wamz 2007 gedeeltelijk overgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Verder stelt de Wamz dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen dienen op te nemen op de verbeelding en deze moeten beschermen middels regels. De zorg voor het bodemarchief is door deze wet bij gemeenten komen te liggen. Daarom heeft Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie voor gemeente Waalwijk een archeologische beleidskaart opgesteld. Op 3 februari 2011 heeft de raad van de gemeente Waalwijk deze archeologische beleidskaart vastgesteld. De archeologische beleidskaart is vervolgens vertaald in bestemmingsplannen, waarbij aan de hand van dubbelbestemmingen en bijbehorende bepalingen regels worden gesteld aan activiteiten die de bodem kunnen verstoren. Het geldende bestemmingsplan is echter al in werking getreden voordat de Archeologisch beleidskaart is vastgesteld. Daardoor bevat het bestemmingsplan geen bepalingen over archeologie en de bescherming daarvan.
Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Waalwijk (plangebied globaal blauw omlijnd omlijnd)
Beoordeling plan Hierboven is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen. Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een ‘Gebied van archeologische waarde’ (categorie 2). Bodemverstorende activiteiten (bijvoorbeeld nieuwbouw of aanleg retentievoorzieningen) mogen binnen een als zodanig aangewezen gebied alleen plaatsvinden als vooraf onderzoek heeft plaatsgevonden naar de archeologische waarden in het gebied. Dit geldt alleen voor bouwwerken of het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Aangezien daarvan in dit geval sprake is, is archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
33
Bureauonderzoek Uit bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied tot op heden geen archeologische waarden zijn aangetroffen. In het plangebied heeft echter wel een school gestaan en een begraafplaats gelegen tot het begin van 20e eeuw. De begraafplaats gaat, gezien de ouderdom van de kerk, mogelijk terug tot de middeleeuwen. Binnen het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht. De bebouwing en bijbehorende nutsvoorzieningen zullen lokaal hebben geleid tot verstoring van de bodem. Op basis van de bouwdossiers zijn er wisselende verstoringsdieptes van de funderingen. Het laaddok en het zuidoostelijke gebouw (volledig ontgraven tot 70 cm -mv) zullen tot de grootste verstoringen geleid hebben. Daarnaast ligt er afwatering in het hele verharde gebied. Er zijn geen aanwijzingen voor grootschalige saneringen of ontgrondingen in het plangebied. De verwachting is hoog voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Ter plaatse van de bebouwing kan het archeologisch niveau echter verstoord zijn. De verwachting op resten uit de oudere perioden is laag. Veldonderzoek Tijdens het inventariserend veldonderzoek is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek in het veld getoetst. In het plangebied is de verwachte hoge zwarte enkeerdgrond aangetroffen. De natuurlijke ondergrond komt voor vanaf circa 1,2 m +NAP (70 – 130 cm -mv).
Resten uit de nieuwe tijd kunnen direct onder de bouwvoor (circa 30 cm) in de A-horizont verwacht worden. Op dit moment is de diepte van de geplande ingrepen nog niet bekend. Het hele gebied zal echter opnieuw ingericht worden, waarbij de bestaande bebouwing zal worden verwijderd en de nutsvoorzieningen worden vervangen. Daarnaast wordt in ieder geval één gebouw verdiept aangelegd (in het noordoosten), worden bomen geplant en een ondergrondse afvalcontainer gerealiseerd. Al deze werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van het archeologisch niveau. Ook het verwijderen van de ondergrondse funderingen van de bestaande bebouwing, met name ter plaatse van de voormalige begraafplaats, kunnen leiden tot verstoring van archeologische resten. Bij werkzaamheden vanaf 30 cm -mv (in de onbebouwde delen en bij het noordwestelijk gebouw ter plaatse van de begraafplaats) en 50 cm -mv (ter plaatse van de bebouwing gemeten vanaf de top van de vloer) adviseert onderzoeksbureau BAAC om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, proefsleuven. Dit onderzoek kan volgens BAAC het beste plaatsvinden na de bovengrondse sloop (funderingen blijven dan in de ondergrond aanwezig). Het advies van BAAC geldt voor het hele plangebied, maar er zijn enkele zones die extra aandacht behoeven.
Het gaat om de zone direct langs de toegangswegen (de Loeffstraat en de Torenstraat) en de locatie van de voormalige school en begraafplaats. Hierbij moet worden opgemerkt dat voor de begrenzing van de begraafplaats is uitgegaan van het kadastrale perceel uit 1832. Deze begrenzing is indicatief en kan afwijken van de werkelijkheid. Tijdens het proefsleuvenonderzoek kan er gericht gezocht worden naar de werkelijke begrenzing van de begraafplaats, zowel horizontaal als verticaal. Ook kan tijdens het proefsleuvenonderzoek een betere inschatting gemaakt worden van de verstoring veroorzaakt door de bebouwing. Hiervoor dient rekening gehouden te worden met de landschappelijke en de historische elementen in het plangebied. Voorafgaand aan het gravend onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen (PVE). Juridische waarborg Om mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden te beschermen, wordt vooralsnog conform het archeologiebeleid van gemeente Waalwijk en het voorheen geldende bestemmingsplan "Gemengd gebied" de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen voor het hele plangebied.
Bovendien geldt op basis van artikel 18 lid 1 onder a van de Erfgoedverordening Waalwijk 2016 een vergunningplicht bij bodemingrepen in gebieden van archeologische waarde (categorie 2). Aan de verlening van de vergunning, verbindt gemeente Waalwijk de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende/gecertificeerde partij op het terrein van archeologie (artikel 20 lid 3 sub c van de Erfgoedverordening Waalwijk 2016). Met zowel de
34
dubbelbestemming voor archeologie als de bepalingen uit de Erfgoedverordening Waalwijk 2016 zijn de belangen voor wat betreft archeologie voldoende gewaarborgd voor de lange termijn. Ten slotte geldt dat wanneer in dit gebied tijdens toekomstige grondwerkzaamheden archeologische vondsten en/of structuren worden aangetroffen, dit op basis van de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 en 5.11) zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Waalwijk gemeld dient te worden. Op deze manier zijn ook toevalsvondsten tijdens de daadwerkelijke realisatie van het plan op een goede manier verzekerd. 4.1.2. Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van provincie Noord-Brabant en de Erfgoedkaart van gemeente Waalwijk is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van provincie Noord-Brabant. Het plangebied is globaal blauw omlijnd.
Op de CHW en Erfgoedkaart is te zien dat het plangebied in de nabijheid van meerdere cultuurhistorisch waardevolle elementen ligt. Zo zijn Winterdijk en de straten Hoogeinde en Loeffstraat aangemerkt als historische geografie van respectievelijk zeer hoge en hoge waarde en ligt het plangebied binnen een gebied dat is aangewezen als ‘historische stedenbouw’. Het gaat om een opvallend langgerekte oost-west georiënteerde lintbebouwing langs de as Hoogeinde, Loefstraat, Laageinde, Hoekeinde/Nieuwstraat, Grotestraat en Westeinde inclusief het restant van de Winterdijk. Deze as vormde de verbinding tussen de drie voormalige dorpen Besoijen, Waalwijk en Baardwijk, waaruit de stad Waalwijk later ontstaan is. Het dorp Baardwijk is ontstaan uit een oudere en meer noordelijk gelegen oeverwalnederzetting langs de (Oude) Maas die bij de ontginning van het veengebied naar het zuiden verplaatste. Baardwijk ligt direct ten zuiden van de Winterdijk, die opgeworpen is ter bescherming tegen het opdringende zeewater na de Elizabethvloed van 1421. De eenzame toren op de
35
winterdijk wijst erop dat de nederzetting toen op de dijk zelf gesitueerd was. De relatie met het slagenlandschap is volledig verdwenen. In het noorden door de aanleg van de A59, in het zuiden door de aanleg van woonwijken. In de jaren 1980 verdween het laatste stukje slagenlandschap naast de St. Clemenskerk onder nieuwbouw. Alleen in de tuinen van de meest oostelijke woningen tegen de liniedijk is nog iets van de oorspronkelijke percelering te herkennen. Direct ten westen en zuiden van het plangebied staan Rijksmonumenten: • Winterdijk 58 Waalwijk: Het gaat om de Oude kerktoren, een vlak opgaand bakstenen bouwwerk waarvan de onderste geledingen van omstreeks 1300 dagtekenen, in de 15e eeuw verhoogd met een klokkenverdieping met een ingesnoerde naaldspits. In 1924 gerestaureerd. Mechanisch smeedijzeren torenuurwerk. • Loeffstraat 113 Waalwijk: Het gaat om de Nederlandse Hervormde Kerk, gebouwd in 1911 naar een ontwerp van architectenbureau K.C. Suyling en zn. De kerk is van cultuurhistorisch belang als uitdrukking van een geestelijke en typologische ontwikkeling; met name de late toepassing van neogotische vormen in een Nederlands Hervormd kerkgebouw. De kerk heeft architectuurhistorisch belang vanwege de toegepaste stijlelementen en de sobere ornamentiek. Het gebouw is in- en uitwendig gaaf bewaard gebleven.
Voor de uitgebreide omschrijving van beide Rijksmonumenten wordt verwezen naar het Rijksmonumentenregister. Tot slot komen volgens de CHW de volgende overige bouwwerken van cultuurhistorische waarde voor direct naast het plangebied, met cursief tussen haakjes de status van het object op basis van de Erfgoedkaart van gemeente Waalwijk, voor zover van toepassing: • Torenstraat 2,4: Klooster, kloosteronderdeel; • Loeffstraat 62: Woning; • Loeffstraat 111: Herenhuis (Gemeentelijk monument); • Loeffstraat 113: Kerk, kerkonderdeel; • Loeffstraat 115: Kerkelijke dienstwoning (pastorie) (Gemeentelijk monument); • Loeffstraat 117: Woonhuis (Gemeentelijk monument); • Hoogeinde 1: Woonhuis met voormalige leerlooierij) (Gemeentelijk monument); • Hoogeinde 3: Woning (Beelbepalend pand); • Hoogeinde 18: Bedrijfswoning, fabriekswoning; • Hoogeinde 20: Woonhuis; • Hoogeinde 25: Boerderij (Beelbepalend pand); • Hoogeinde 26: Boerderij (Beelbepalend pand). Beoordeling plan Met dit plan wordt een voormalig fabrieksterrein gesaneerd om plaats te maken voor een nieuwe woonbuurt met 70 woningen. Binnen het plangebied zelf komen geen cultuurhistorisch waardevolle objecten voor. Het terrein ligt ingeklemd tussen de achterpercelen en zijdelingse percelen van het lint Loeffstraat/Hoogeinde. Alleen met de bestaande doorgang vanaf de Hoogeinde raakt het plangebied dit lint.
De ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van dat lint en daaraan gelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Door de eigen identiteit van het bouwplan ten opzichte van het lint blijf het lint als zodanig herkenbaar in het stedenbouwkundige patroon. Door het gebied open te stellen wordt men als het ware uitgenodigd het gebied te betreden waar dit voorheen niet mogelijk was. Op die manier worden cultuurhistorisch waardevolle objecten direct naast het plangebied, zoals de Oude Toren aan de Torenstraat en de Hervormde Kerk aan de Loeffstraat , zelfs beter beleefbaar. Tot slot is bij de vormgeving van de rijwoningen aandacht besteed aan een verwijzing naar het industriële verleden van deze plek. Die is gevonden in sheddaken (zie paragraaf 2.2 voor een uitgebreide beschrijving van het ontwerp).
36
4.2. Water In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Zodoende heeft initiatiefnemer een zogenoemde waterparagraaf laten opstellen. Deze waterparagraaf is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta. In de waterparagraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op het waterbeleid op rijksniveau, het beleid van gemeente Waalwijk en het beleid van waterschap Brabantse Delta. Daarna wordt ingegaan op de huidige waterhuishoudelijke situatie ter plaatse, gevolgd door een beschrijving van de toekomstige situatie. Beoordeling plan Door Econsultancy is voor dit plan een watertoets opgesteld. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In de watertoets is het een korte omschrijving van het waterrelevante beleid, de waterhuishoudkundige situatie en toekomstige ontwikkeling beschreven. Ook zijn randvoorwaarden en uitgangspunten voor de planuitwerking meegegeven. Aanvullend is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten eveneens in de watertoets zijn opgenomen. Met dit onderzoek kan worden bepaald of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater.
Uit de watertoets volgt dat het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie zal afnemen met 1.875 m². Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt ongeveer 8.950 m². Conform het beleid van de gemeente Waalwijk is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ongeveer 537 m² (8.950 m² x 60 mm). Daarvan moet 289 m³ worden toegeschreven aan openbaar gebied (4.810 m²) en 248 m³ aan uitgeefbare percelen (4.140 m²). In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt. Het vuilwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Voor de omgang met hemelwater worden in hoofdstuk 7 van de watertoets de randvoorwaarden en uitgangspunten opgesomd. Vervolgens worden een aantal mogelijkheden benoemd om in de benodigde waterberging te kunnen voorzien: • Compensatie openbaar gebied: o Bovengronds: mogelijkheid tot de aanleg van een "groene" bovengrondse voorziening, een wadi in het centraal gelegen groen en onverharde deel van de planlocatie.
Wanneer wordt uitgegaan van een diepte van 0,5 m en een talud van 1 op 3 kan, met inachtneming van een waking van 0,1 m, zonder problemen ongeveer 105 m³ worden geborgen; o Ondergrond: om het restant van de wateropgave (184 m³) te kunnen bergen zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse hemelwatervoorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Vanwege de hoge GHG is het toepassen van een infiltratieriool en/of infiltratiekratten niet mogelijk. In de watertoets zijn twee mogelijke alternatieven uitgewerkt: Aquaflow en Rockflow: ▪ Aquaflow is een systeem waarbij regenwater wordt geborgen in de fundatie laag onder de bestrating. Om het restant van de waterbergingsopgave tijdelijk te bufferen, te infiltreren of vertraagt af te voeren is een oppervlak benodigd van 1.315 m² (184 m³ / 0,14 m³); ▪ Rockflow is een watermanagementsysteem dat is opgebouwd uit steenwolelementen. Het kan worden toegepast onder straten, pleinen, parken, wegen of wadi’s. Om het regenwater tijdelijk te bufferen, te infiltreren of vertraagd af te voeren is bij toepassing van het Rockflowsysteem een oppervlak benodigd van ongeveer 595 m² (184 m³ / 0,31 m³);
37
•
Compensatie uitgeefbare percelen: In de koopovereenkomst wordt een verplichting opgenomen dat perceeleigenaren het afstromende regenwater op eigen perceel overeenkomstig met een opgave van 60 mm/m² moeten bergen. De waterbergingsopgave verschilt per kavel en is afhankelijk van de kavelgrootte en het toekomstig verhard oppervlak. Er zijn verschillende maatregelen om het hemelwater op eigen terrein te bergen. De keuze is aan de toekomstige bewoners. In de regels van dit bestemmingsplan is een verplichting voor hemelwaterberging opgenomen.
Binnen het plangebied is voldoende ruimte en capaciteit om hemelwater in het gebied op te vangen, vast te houden en te laten infiltreren dan wel vertraagd af te voeren. Met een voorwaardelijk verplichting voor hemelwaterberging in de regels is de aanleg en instandhouding van de benodigde voorzieningen juridisch geborgd.
Uitsnede Legger waterschap Brabantse Delta.
Tot slot moet worden opgemerkt dat een deel van het plangebied is gelegen binnen een op grond van de Legger van waterschap Brabantse Delta vastgestelde beschermingszone vanwege een compartimenteringskering (Winterdijk). De betreffende kering ligt niet binnen het plangebied. Voor werkzaamheden binnen deze zone is een vergunning van het waterschap benodigd.
4.3. Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
38
4.3.1. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een natuurgebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen (Natura2000-gebied). De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, dat is gelegen op ongeveer 2 kilometer ten zuiden van het plangebied. Ook ligt op ongeveer 3,7 kilometer ten westen van het plangebied het Natura2000-gebied “Langstraat”. Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen nog twee andere Natura2000-gebieden, te weten “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem” (ca. 8 km ten noordwesten) en “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” (ca. 5,8 km ten oosten). Het Drongelens kanaal op ongeveer 300 meter ten oosten van het plangebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuurnetwerk Nederland (zoals deze is begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant in de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant). Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden.
Om die reden is voor dit bestemmingsplan een stikstofdepositieberekening gemaakt, die als bijlage bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Uit de stikstofdepositieberekening volgt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanlegals de gebruiksfase kleiner is dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. 4.3.2. Soortenbescherming De Wnb kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. Ecologische quickscan Voor dit bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van flora en fauna in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen uit het rapport.
Vanwege de afwezigheid van grote aantallen bomen is het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming niet van toepassing. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn de meeste effecten op deze gebieden uit te sluiten. Het is wel noodzakelijk om een Natura 2000-voortoets inclusief stikstofberekening uit te laten voeren. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.3.1. Verder worden er geen effecten verwacht ten aanzien van het NatuurNetwerk Nederland of het Natuurnetwerk Brabant. In de omgeving zijn beschermde diersoorten aangetoond en/of kunnen deze hier worden verwacht. Negatieve effecten op een aantal beschermde diersoorten als gevolg van de beoogde ingrepen kunnen daardoor niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek is nodig naar huismussen, marterachtigen (steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel) en de teunisbloempijlstaart. Ook is nader onderzoek naar verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk. De betreffende aanvullende onderzoeken zijn inmiddels in gang gezet en worden uitgevoerd in de daarvoor meest geschikte perioden. Om te waarborgen dat dit onderzoek volledig heeft plaatsgevonden vóór aanvang van de sloop van gebouwen,
39
zodat geen eventuele verblijfplaatsen verloren gaan, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de aanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting ecologisch onderzoek’ op de verbeelding die voor het hele plangebied geldt. 4.3.3. Zorgplicht Voor alle soorten en gebieden geldt de algemene zorgplicht. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.4. Conclusie Gelet op het voorgaande heeft het project geen negatieve gevolgen ten aanzien van gebiedsbescherming. Ten aanzien van een aantal soorten is nader onderzoek nodig om diezelfde conclusie te kunnen trekken voor soortenbescherming.
Dit nader onderzoek wordt lopende de procedure van dit bestemmingsplan uitgevoerd in de daarvoor meest geschikte periode(n).
4.4. Verkeer en parkeren Parkeren De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Waalwijk 2015. Volgens deze nota is het plangebied gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ van Waalwijk. In navolgende tabellen is de parkeerbehoefte bepaald voor de toekomstige situatie. Uit de tabel is af te lezen dat de parkeerbehoefte in de beoogde situatie afgerond 121 parkeerplaatsen betreft. Programma # Woningtype A Rijwoningen B Rijwoningen C Appartementen D Appartementen (sociale huur) E Appartementen
Aantal Eenheid 14 woningen 15 woningen 17 woningen 14 woningen 10 woningen Totaal 70 woningen
Nota Parkeernormen Functiesoort Koop, tussen/hoek Koop, tussen/hoek Koop, etage, midden Huur, etage, sociale huur Koop, etage, midden
Parkeerbehoefte Aantal Eenheid 1,8 25,2 parkeerplaatsen 1,8 27 parkeerplaatsen 1,8 30,6 parkeerplaatsen 1,4 19,6 parkeerplaatsen 1,8 18 parkeerplaatsen Totaal 120,4 parkeerplaatsen Afgerond 121 parkeerplaatsen
Norm
Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan wordt voorzien in 121 parkeerplaatsen. In totaal zijn 19 parkeerplaatsen gelegen op percelen van rijwoningen (19 stuks). De overige 102 parkeerplaatsen zijn gelegen binnen te realiseren openbaar gebied binnen het plangebied in de vorm van haaksparkeervakken. Daarvan komen twee parkeerplaatsen beschikbaar voor het opladen van elektrische auto’s en één invalideparkeerplaats.
40
Concept stedenbouwkundige visualisatie met de parkeeerplaatsen ingetekend.
Verkeer Uit informatie van CBS Statline (Wijken en buurten 2022) blijkt dat Waalwijk aan te merken is als ‘matig stedelijk’. Volgens de Nota Parkeernormen 2015 ligt het plangebied binnen de ‘rest bebouwde kom’. Dit is leidend voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het project op basis van algemeen gehanteerde kengetallen voor verkeersgeneratie afkomstig uit publicatie 381 van kennisplatform CROW. In navolgende tabellen is de verkeersgeneratie bepaald voor zowel de bestaande (planologische) situatie als de toekomstige situatie. Programma Huidige situatie # Functie 1 Voormalige textielfabriek
Aantal Eenheid 5.900 m² bvo Totaal
5.900 m² bvo
Programma beoogde situatie # Woningtype Aantal Eenheid A Rijwonignen 14 woningen B Rijwoningen 15 woningen C Appartementen 17 woningen D Appartementen (sociale huur) 14 woningen E Appartementen 10 woningen Totaal 70 woningen
Saldo verkeersgeneratie # Huidige functie 1 Voormalige textielfabriek
CROW-publicatie 381 Functiesoort Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)
Norm* 10 Totaal
CROW-publicatie 381 Functiesoort Norm* Koop, huis, tussen/hoek 7,1 Koop, huis, tussen/hoek 7,1 Koop, appartement, midden 5,6 Huur, appartement, midden / goedkoop (incl. sociale huur) 3,6 Koop, appartement, midden 5,6 Totaal
Toekomstige functie Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)
Weekdaggemiddelde Werkdaggemiddelde Aantal Eenheid Aantal Eenheid 590 mvt/etmaal 654,9 mvt/etmaal 590 mvt/etmaal
654,9 mvt/etmaal
Weekdaggemiddelde Werkdaggemiddelde Aantal Eenheid Aantal Eenheid 99,4 mvt/etmaal 110,3 mvt/etmaal 106,5 mvt/etmaal 118,2 mvt/etmaal 95,2 mvt/etmaal 105,7 mvt/etmaal 50,4 mvt/etmaal 55,9 mvt/etmaal 56 mvt/etmaal 62,2 mvt/etmaal 407,5 mvt/etmaal 452,3 mvt/etmaal
Weekdaggemiddelde Werkdaggemiddelde Norm* Aantal Eenheid Aantal Eenheid Totaal -182,5 mvt/etmaal -202,6 mvt/etmaal Afgerond -182 mvt/etmaal -202 mvt/etmaal
41
In de huidige situatie is er sprake van een leegstaande fabrieksruimte. Het fabrieksterrein is ongeveer 12.600 m² groot, waarvan ongeveer 5.900 m² is bebouwd. Voorheen was hier een textielfabriek (vervaardiging van kleding) gevestigd. Hoewel de fabriek inmiddels is vertrokken laat het bestemmingsplan deze functie planologisch nog steeds toe. Daarom wordt voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie uitgegaan van de kengetallen voor de functiesoort ‘Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) volgens CROW-publicatie 381. Wanneer de verkeersgeneratie van de huidige (planologische) situatie wordt afgezet ten opzichte van de verkeersgeneratie in de beoogde situatie (zie tabel), dan is af te lezen dat de verkeersgeneratie per saldo afneemt met ongeveer 182,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal weekdaggemiddelde). Dit komt neer op een afname van 202,6 mvt/etmaal werkdaggemiddelde. Het project heeft dan ook een positieve invloed op de verkeersdruk in de omgeving van het plangebied. Immers, met de nieuwe invulling van het gebied wordt de (planologische) mogelijkheid dat zich opnieuw een bedrijf van dergelijke aard en omvang en een dergelijke verkeersgeneratie zich hier zou vestigen, weggenomen.
Gelet op het profiel en de capaciteit van de Torenstraat (met woningen dicht op de weg) vergeleken met de Loeffstraat is het wenselijk de Torenstraat te ontlasten. Daarom wordt het plangebied hoofdzakelijk ontsloten via de huidige inrit ter hoogte van de Hoogeinde/Loeffstraat, die hiervoor wordt verbreed en opgewaardeerd. Vanuit de Torenstraat komt bij de entree van het plangebied een inrijverbod voor autoverkeer. Op die manier kan autoverkeer het gebied wel via de Torenstraat verlaten, maar niet betreden. Voor langzaamverkeer is dat wel mogelijk. Het instellen van een volledig éénrichtingcircuit is niet wenselijk, omdat in dat geval alsnog een relatief groot aantal verkeersbewegingen via de Torenstraat gaat. Situatie
Functie
Huidig:
Voormalige textielfabriek
Beoogd: Woonbuurt Saldo:
Verschil huidig-beoogd
Verkeersbewegingen Referentie mvt/etmaal Weekdag 590,0 Werkdag 654,9 Weekdag 407,5 Werkdag 452,3 Weekdag 182,5 Werkdag 202,6
Torenstraat Procentueel Absoluut 50% 295,0 50% 327,5 25% 101,9 25% 113,1 -65% -193,1 -65% -214,4
Loeffstraat Procentueel Absoluut 50% 295,0 50% 327,5 75% 305,6 75% 339,2 4% 10,6 4% 11,8
In bovenstaande tabel is de verdeling van de verkeersbewegingen over de ontsluitingsrouten weergegeven. Gesteld kan worden dat 50% van de vervoersbewegingen het gebied ingaat en 50% het gebied uitgaat. Als dit gelijkmatig over de beide ontsluitingen wordt verdeeld, zoals in de huidige situatie het geval is, dan levert dit zowel voor de Torenstraat als de inrit van de Loeffstraat gemiddeld 295 mvt/etmaal op een weekdag en gemiddeld 655 mvt/etmaal op een werkdag op. Door het instellen van eenrichtingverkeer bij de ingang van het plangebied aan de Torenstraat zal het inkomende verkeer volledig naar de ingang aan de Loeffstraat worden verplaatst. Op basis van voorgaande verdeling is de inschatting dan 25% van de verkeersbewegingen (namelijk de helft van het uitgaande verkeer) via de Torenstraat zal rijden en de overige 75% (het volledige inkomende verkeer plus de helft van het uitgaande verkeer) via de ontsluiting aan de Torenstraat. Ten opzichte van de huidige situatie levert dit een forse afname van het aantal verkeersbewegingen op de Torenstraat op (-65%), terwijl de toename van het aantal verkeersbewegingen via de ontsluiting aan de Loeffstraat te verwaarlozen is (+4% ofwel 11 tot 12 mvt/etmaal). Voor de daadwerkelijke civieltechnische uitwerking van de ontsluiting van het plangebied heeft gemeente Waalwijk afspraken gemaakt met de ontwikkelende partij.
Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor het omliggende mobiliteitsnetwerk.
42
4.5. Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen Binnen en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch beschermde kabels of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden. De dichtstbijzijnde (bovengrondse) hoogspanningsverbinding is de verbinding Geertruidenberg - Waalwijk - ’s-Hertogenbosch, die op ongeveer 1,2 kilometer ten noorden van het plangebied is gelegen. Gezien deze afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmering voor het plan.
43
44
HOOFDSTUK 5. MILIEUASPECTEN 5.1. Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, onderbouwd te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen functie. Dit kan door middel van een historisch onderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek. Met dit onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Beoordeling plan Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Verkennend bodemonderzoek Het veldwerk van dit onderzoek is uitgevoerd in juni en juli 2023. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling in de grond onder het met klinkers verharde parkeerterrein funderingslagen aangetroffen. Deze fundering bestaat ter plaatse van de oprit en het oostelijk deel van het parkeerterrein over een oppervlak van circa 1300 m² uit circa 30 cm dik betonpuin en ter plaatse van het westelijk deel van het parkeerterrein over een oppervlak van circa 1300 m² uit een circa 25 cm dikke laag slakken.
Het betonpuin is rond 1994 aangebracht en wordt, gezien de toepassingsperiode, aangemerkt als zijnde asbestverdacht. De slakkenlaag is principe niet verdacht op het voorkomen van asbest. Ter plaatse van boring 05 (40-58 cm-mv) is een zwakke bijmenging met kolengruis aangetroffen. Tevens zijn er plaatselijk in de bovengrond en ondergrond sporen tot zwakke bijmengingen met baksteen en zeer plaatselijk sporen beton aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat de kolengruishoudende bovengrond ter plaatse van één van de boringen in het zuidoosten van het plangebied (achter het Chinees-Oosters restaurant aan de Hoogeinde 7) (40-58 cm-mv) licht verontreinigd is met cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel en PAK, matig verontreinigd is met lood en sterk verontreinigd is met zink. Hiermee wordt niet voldaan aan de gestelde eisen voor toepasbare grond. De zwak baksteenhoudende ondergrond ter plaatse van de boring aan de Loeffstraat (inrit plangebied) (50-100 cm-mv) is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. Deze ondergrond voldoet (indicatief) aan klasse industrie De bovengrond onder de loods (MM2) is sterk verontreinigd met koper. Bij verificatie van de individuele monsters (geen koper aangetroffen boven de achtergrondwaarde) werd deze sterke verontreiniging echter niet bevestigd. De overige bovengrond (MM1, MM2 en MM3) is niet verontreinigd.
De ondergrond met sporen baksteen van mengmonster MM4 is licht verontreinigd met lood. De bovengrond (MM1, MM2 en MM3) en de ondergrond (MM4) voldoen (indicatief) aan de achtergrondwaarde. Het grondwater is licht verontreinigd met Σxylenen. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de sterke grondverontreiniging met zink ter plaatse van boring 05 (de boring in het zuidoosten van het plangebied achter Hoogeinde 7) om zodoende vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Tevens wordt geadviseerd om ter plaatse van de betonpuinfundering een verkennend onderzoek asbest in puin uit te laten voeren.
45
Nader onderzoek bodemverontreiniging Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is nader bodemonderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de sterke grondverontreiniging binnen een deel van het plangebied. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlagen. Op deze plaats volstaat de conclusie dat de beperkte spots voorafgaand aan de voorgenomen graafwerkzaamheden gesaneerd dienen te worden. De sterk verontreinigde grond dient afgevoerd te worden naar een erkend verwerker. Verkennend onderzoek asbest in grond en puin Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de concentratie asbest in de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten. Bij de uitgevoerde maaiveldveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tijdens het graven van de gaten is op basis van zintuiglijke waarnemingen in gat G08 asbestverdacht materiaal waargenomen. Het materiaal bleek asbesthoudend te zijn (10-15% chrysotiel en 2-5 % crocidoliet). De berekende asbestconcentratie (208 mg/kg d.s.) van de baksteen en betonhoudende grond overschrijdt de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. In het puin ter plaatse van gat G03 is geen asbest aangetroffen.
In de overige proefgaten is niet het verwachte betonpuin, maar zijn (niet op asbest verdachte) slakken aangetroffen. Gezien de hardheid van het materiaal zijn deze mogelijk cementgebonden. De slakkenlagen zijn niet verdacht op het voorkomen van asbest en zijn derhalve ook hier niet meer op onderzocht. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om ter plaatse van gat G08 nader onderzoek naar asbest in grond uit te voeren. Dit onderzoek zal plaatsvinden op een later moment, voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woningen. Conclusie Uit de onderzoeken blijkt dat er beperkte ‘spots’ met bodemverontreiniging in het plangebied aanwezig zijn, die voorafgaand aan de voorgenomen graafwerkzaamheden gesaneerd dienen te worden. Verder is op één locatie bij nader onderzoek naar asbest inderdaad asbesthoudend materiaal aangetroffen. Deze locatie zal voorafgaand aan de daadwerkelijke realisatie van het plan nader onderzocht worden op asbest in de bodem. Met diverse onderzoeken is de bodemkwaliteit binnen het plangebied voor nu in voldoende mate in beeld gebracht.
5.2. Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
46
Omdat het plangebied binnen de geluidzone van de A59 (400 meter) is gelegen is voor de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij ook enkele nabijgelegen niet-gezoneerde wegen in het onderzoek betrokken. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de Loeffstraat ten hoogste 40 dB bedraagt, wat als aanvaardbaar moet worden beoordeeld. De geluidsbelasting vanwege rijksweg A59 zonder maatregelen bedraagt maximaal 66 dB. Zonder maatregelen kan op een groot aantal gevels niet worden voldaan aan de maximale grenswaarde (53 dB) uit de Wet geluidhinder. Maatregelen zijn tevens nodig om te kunnen voldoen aan het geluidbeleid van de gemeente Waalwijk en zodoende een acceptabel woon- en leefklimaat te realiseren. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het niet goed mogelijk is om maatregelen aan de bron of in de overdracht te treffen. Op rijksweg A59 is al zo veel mogelijk stil wegdek (ZOAB en tweelaags ZOAB) toegepast. Het plaatsen van een geluidsscherm is in principe wel mogelijk, maar is een relatief dure maatregel die tevens een forse ruimtelijke impact heeft.
Een scherm van minimaal circa 6 meter hoog is namelijk nodig om de geluidsbelasting ter plaatse van de eerstelijns bebouwing voldoende te reduceren. Daarom kiest de initiatiefnemer ervoor om geluidmaatregelen binnen het plangebied zelf te treffen. Dit begint met een planopzet, waarin goed rekening is gehouden met de geluidssituatie. De eerstelijnsbebouwing wordt parallel langs de A59 gesitueerd en wordt zo veel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Hierdoor wordt het achtergelegen gebied zo goed mogelijk afgeschermd. Dit idee heeft wel als gevolg dat aan de eerstelijns bebouwing de nodige maatregelen moeten worden getroffen. In het onderzoeksrapport is hiervan een uitgebreide beschrijving gegeven en deze maatregelen worden juridisch geborgd op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan. Met het treffen van deze maatregelen wordt een acceptabel woon- en leefklimaat gerealiseerd. Het plan kan ook voldoen aan de het hogere waardenbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Waalwijk. Voor alle woningen kan een geluidluwe gevel en buitenruimte worden gegarandeerd. Wel is het zo dat er voor een aanzienlijk aantal woningen hogere waarden moeten worden vastgesteld.
Vanuit de berekeningsresultaten van dit rapport gaat dit vooralsnog om onderstaande aantallen (hogere waarden vanwege rijksweg A59): • 53 dB voor 56 woningen (11 woningen in blok A, 5 woningen in blok B-west, 10 woningen in blok B-oost, 17 woningen in blok C, 10 woningen in blok D, 3 woningen in blok E); • 52 dB voor 5 woningen (3 woningen in blok A, 1 woning in blok D, 1 woning in blok E); • 51 dB voor 6 woningen (3 woningen in blok D, 3 woningen in blok E); • 50 dB voor 1 woning (1 woning in blok E); • 49 dB voor 2 woningen (2 woningen in blok E). Vaststelling van de hogere waarden is noodzakelijk om het bouwplan te kunnen realiseren. Daarom heeft initiatiefnemer gemeente Waalwijk verzocht het college van B&W van Waalwijk verzocht om een hogere geluidbelasting (hogere waarde) toe te staan vanwege wegverkeerslawaai op de A59. De zogenoemde hogere waardenprocedure loopt gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan. Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen of in de buurt van een wettelijke geluidzone van een spoorweg. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
47
Industrielawaai Het plangebied ligt in de buurt van bedrijventerrein Haven. Dat is een geluidzoneringsplichtig bedrijventerrein zoals bedoeld in Wet geluidhinder. Volgens het facetbestemmingsplan Geluidtoedeling Bedrijventerrein Haven ligt het plangebied buiten de geluidzone van het bedrijventerrein Haven. Zodoende is dit aspect niet van invloed op de voorgenomen ontwikkeling en dit bestemmingsplan. Voor wat betreft de invloedssfeer van nabijgelegen bedrijven zonder wettelijke geluidzone, wordt verwezen naar paragraaf 5.4(Bedrijven en milieuzonering) van deze toelichting. Conclusie De aspecten wegverkeer-, spoorweg- en industrielawaai vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Wel moet een hogere waarde vanwege wegverkeerslawaai worden aangevraagd.
5.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Beoordeling plan Zowel gezien de aard van de ontwikkeling als de oppervlakte en het aantal woningen valt dit project zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend.
Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet nodig om een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML) kunnen de concentraties stikstof (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in beeld worden gebracht voor rekenpunten nabij het projectgebied. In onderstaande afbeelding is dit in beeld gebracht voor de concentratie NO2.
48
Concentratie NO2 op rekenpunten nabij het projectgebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)
Uit het CIML blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³) bevindt. Ook de PM10overschrijdingsdagen blijven ruimschoots onder de grenswaarde (35 dagen per jaar). Zodoende kan worden geconcludeerd dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat gelet op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit project. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.
5.4. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Een richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van een inrichting (het terrein of perceel van een functie met een richtafstand) tot aan de gevel van een gevoelig of kwetsbaar object. De VNG-publicatie maakt onderscheid tussen de omgevingstypen "Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en "Gemengd gebied". Over een "Rustige woonwijk/rustig buitengebied" wordt in de VNG-publicatie het volgende opgemerkt: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfunctie) is weinig verstoring voor verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype
49
qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied." (zie p. 29 van de VNG-publicatie) Over "Gemengd gebied" wordt in de VNG-publicatie opgemerkt: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleine richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." (zie p. 30 van de VNG-publicatie) In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een "Gemengd gebied", de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Bij de beoordeling binnen welk omgevingstype gebied de voorziene woningen zijn gelegen, dient volgens vaste jurisprudentie te worden gekeken naar de feitelijke situatie ter plaatse en tevens naar de planologische situatie. 5.4.1. Gebiedstypering Als gekeken wordt naar de feitelijke situatie, dan is het plangebied gelegen binnen een omgeving met overwegende woningen met aan de Loeffstraat en Hoogeinde af en toe een niet-woonfunctie zoals een Chinees restaurant, tegelhandel, verenigingsgebouw en kerkgebouw van de Hervormde kerk. Volgens de planologische situatie geldt in de hele omgeving de bestemming ‘Gemengd’, die allerlei functies toestaat tot grofweg milieucategorie 2. Tot slot moet worden opgemerkt dat de locatie is gelegen direct naast hoofdinfrastructuur (rijksweg A59). Gelet op die omstandigheden is het gerechtvaardigd om uit te gaan van het gebiedstype ‘Gemengd gebied”. De oorspronkelijke richtafstanden mogen zodoende met één afstandsstap worden verkleind. Dit geldt overigens niet voor afstandsstap voor gevaar. 5.4.2. Beoordeling plan Dit plan voorziet in de sanering van een fabrieksterrein en de realisatie van een nieuwe woonbuurt met 70 woningen op hetzelfde bouwperceel. Er worden met het nieuwe plan geen functies mogelijk gemaakt die milieuhinder voor de omgeving veroorzaken en waardoor zodoende een richtafstand voor milieuzonering moet worden aangehouden.
In de omgeving van het plangebied komen dergelijke functies wel voor. Hierna wordt ingegaan op de meest relevante locaties. Gemengde bestemmingen rondom het plangebied Bij het opstellen van het bestemmingsplan “Gemengd gebied” is een milieuzonering toegepast door middel van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn twee voorbeeldstaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk een voor functiemenging en een voor bedrijventerreinen. De in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” gehanteerde Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de voorbeeldstaat voor functiemenging van de VNG. De activiteiten in de staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid • Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen –in gebieden met functiemenging–kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
50
•
•
Categorie B: Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Bij de totstandkoming van de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is gekeken of bedrijfsactiviteiten al dan niet in het plangebied thuishoren. Bedrijfsactiviteiten die niet passend zijn voor het plangebied zijn niet in de lijst opgenomen. De Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging is niet uitputtend. Voor onderhavig bestemmingsplan is van belang dat in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” voor de aangrenzende percelen is bepaald dat alleen bedrijven van categorie A en B uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor functiemenging zijn toegestaan of bedrijven die naar aard en invloed met bedrijven uit de desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Vervolgens is in dat bestemmingsplan bepaald dat het verantwoord is dat deze functies direct naast woningen plaatsvinden. Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze bedrijven geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt of andersom. Het bestemmingsplan “Gemengd gebied” legt voor de functies detailhandel, dienstverlening en maatschappelijke functies (zoals kerkgebouwen, buurthuizen, kinderopvang, verpleeghuizen, scholen enzovoort) geen relatie met de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze functies zijn daarom niet opgenomen in de lijst. Dit geldt ook voor horecabedrijven.
In het bestemmingsplan “Gemengd gebied” wordt onderscheid gemaakt tussen lichte, middelzware en zware horeca. Op de percelen in de directe omgeving van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is binnen de gemengde bestemming uitsluitend lichte horeca toegestaan. Ten aanzien van de voorgenoemde functies is in het bestemmingsplan “Gemengd gebied” eveneens bepaald dat het aanvaardbaar is dat deze direct naast woningen plaatsvinden. Op basis van dit uitgangspunt betekent dit dan ook dat deze functies geen milieubelemmering opwerpen voor de woningen die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt of andersom. Het voorgaande neemt vooral de planologische mogelijkheden als uitgangspunt. Het is goed om drie actieve functies die feitelijk aanwezig zijn nabij het plangebied nader toe te lichten. Het gaat om een gemeenschapshuis, een restaurant en een tegelhandel. Verenigingsgebouw ‘De Ouwe Toren’ Aan de Loeffstraat 107 is Verenigingsgebouw ‘De Ouwe Toren’ gevestigd. Deze voorziening is gelijk te stellen met een buurtof clubhuis (SBI2008-code 94991A) en heeft een richtafstand van 30 meter vanwege geluid. Binnen het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstandstap worden teruggebracht naar 10 meter. De woningen die in dit bestemmingsplan direct ten noorden van het gemeenschapshuis zijn gepositioneerd worden op 10 meter afstand van het gemeenschapshuis gebouwd.