Bijlage 1 Toelichting
Tekst van het document
28
Uitsnede van de kaart Groene hoofdstructuur gemeente Waalwijk (Bron groenstructuurplan Waalwijk 2017 bewerkt)
In de woonwijken van Waalwijk bevindt de groenstructuur zich vooral langs de belangrijkste verkeersassen. De tussenliggende wijken zijn in verschillende periodes aangelegd. Deze verschillen daarom niet alleen in bebouwingsstijl, maar ook in groenstructuur. Ieder wijk is daarom beoordeeld op zijn sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen. Op basis hiervan zijn de bestaande groene hoofdstructuren en de te ontwikkelen/te versterken groene hoofdstructuren in Waalwijk bepaald en aangegeven (zie bovenstaande afbeelding). Het plangebied grenst aan een bestaande groene hoofdstructuur. Belangrijke elementen in dit groenstructuurplan zijn het natuurgebied de Natte Parel van de Westelijke Langstraat met haar slagenlandschap en bijzondere kwel en de Winterdijk en het zuiderafwatering kanaal.
Schematische weergave grondwaterstromen en kwel (bron groenstructuurplan Waalwijk 2017)
29
(bron groenstructuurplan Waalwijk 2017)
(bron groenstructuurplan Waalwijk 2017)
Daarnaast zijn er een aantal bestaande bomen op het perceel aanwezig en behoudenswaardig. Door het plan worden deze solitaire bomen en boomgroepen niet aangetast. Door de positionering van de garage van de oostelijke woning aan de westzijde van het perceel komt er geen inrit in de buurt van de boomgroep en solitaire boom. Er ontstaat dus geen schade door verdichting van verharding. Voor de boomgroep aan de westzijde veranderd niets doordat de bestaande schuur deels wordt hergebruikt.
30
Positie van de bomen (bron ruimtelijkeplannen.nl bewerkt) Conclusie In het plan is rekening gehouden met deze hoofdstructuur. De bestaande groenhoofdstructuur wordt intact gehouden en door de aanleg van nieuwe natuur en landschap zelfs versterkt. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met het Groenstructuurplan.
3.3.6.Groenbeleidsvisie ‘GroenLeeft’ De Groenbeleidsvisie (vastgesteld d.d. 24-09-2019) is gebaseerd op het coalitieprogramma 20182022, bestaande uit beleidsdocumenten met een relatie tot het groen, actuele groene wet- en regelgeving, Groene Agenda, input inwonerspanel groen (inwonerspanel november 2017) en expertise van ambtenaren en adviseurs. In de Groenbeleidsvisie worden de huidige waarden en identiteit van het groen in Waalwijk geborgd en tegelijk wordt invulling gegeven aan recente ontwikkelingen. De Groenbeleidsvisie vormt een kader waarmee eenduidige keuzes gemaakt kunnen worden. Het is geen opzichzelfstaand document, maar een overkoepelend plan (paraplu) waaronder verschillende beleids- en beheerplannen op het gebied van groen een plek krijgen. De Groenbeleidsvisie gaat over al het groen wat in eigendom of beheer is van de gemeente. Dit betreft dus de bomen, struweel, bermen, sierplantsoen, oevers, etc. Dit groen bevindt zich zowel binnen als buiten de bebouwde kom en kan soms onderdeel zijn van de groene hoofdstructuur. Groennorm De ervaring leert dat het huidig groen onder druk staat en soms laat in het (ontwerp)proces wordt betrokken bij (her)ontwikkelingen. Met als gevolg dat de beschikbare ruimte al vergeven is en de meerwaarde die groen kan leveren niet optimaal benut wordt.
Om het meeste uit de openbare ruimte te halen is het belangrijk dat groen een betere plek krijgt in het planvormingsproces. De groennorm die hieronder wordt beschreven is daarbij een handvat. Het doel van de groennorm is om het groen in alle projecten mee te laten wegen en zo het (areaal en kwaliteit van het) groen in de gemeente te borgen en vergroten. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt het huidige, te behouden groen meegerekend in de volgens de groennorm hoeveelheid te realiseren groen. De groennorm is opgesteld voor nieuwbouwlocaties en voor reconstructies. Voor nieuwbouwlocaties is daarin onderscheid gemaakt tussen verschillende type bebouwing, namelijk centrum, dorpen, Waalwijk woonwijken en bedrijventerreinen.
Nieuwbouw Nieuwbouw betreft de situatie waarbij een ontwikkeling op een uitbreidingslocatie óf waarbij sprake is van een braakliggend terrein of sloop en nieuwbouw (inbreiding). Bij de woongebieden wordt onderscheid gemaakt in de woonwijken van de kern Waalwijk en de woongebieden van de dorpen. Het plangebied valt onder het woongebied van de dorpen. Voor de leefbaarheid in dorpen is het van belang om het groen vroegtijdig mee te ontwerpen en vooral te richten op het toevoegen van kwalitatief groen. Het plan geeft meer ruimte aan de natuur van de Westelijke Langstraat (door afname van stikstof en sloop van bebouwing en verharding) en voegt kwalitatief groen toe met de landschappelijke inpassing. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de Groenbeleidsvisie. Conclusie Uit de bovenstaande toetsing blijkt dat het plan passend is binnen het gemeentelijk beleid.
31
4. Planologische aspecten 4.1. Verkeer en parkeren De twee woonkavels worden ontsloten via de Winterdijk. De Winterdijk sluit via het Westeinde aan op Besoijen en de kern van Waalwijk en via de Julianalaan of Koesteeg op de kern van Sprang-Capelle en via de Veerweg op de A59. Door het saneren van het rundveebedrijf zullen de verkeersbewegingen met zware vervoersmiddelen verdwijnen. Hier tegenover staat dat de verkeersgeneratie ten aanzien van personen en goederen met lichte motorvoertuigen door de realisatie van een extra woning zal toenemen. De statische opslag zorgt voor een bepekt aantal bewegingen in het jaar. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking, wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 318 ‘Toekomstbestending parkeren’. Gezien de ligging van het plangebied in een bebouwingconcentratie in het buitengebied van de gemeente Waalwijk wordt uitgegaan van de gemiddelde cijfers voor ‘Buitengebied, matig stedelijk’. Voor het agrarisch bedrijf is een inschatting gemaakt op basis van ervaringscijfers. De verkeersgeneratie ten aanzien van de (bedrijfs)woning Winterdijk 11 wordt buiten beschouwing gelaten, aangezien dit een bestaande woning betreft. De huidige en nieuwe verkeersgeneratie ten aanzien van deze woning blijft ongewijzigd.
In onderstaande tabel is de bestaande en toekomstige verkeersgeneratie schematisch weergegeven: Bestaande situatie Functie Agrarisch bedrijf Toekomstige situatie Functie Koop, huis, vrijstaand afname
Norm 10 mvt/etmaal per bedrijf Norm 8,2 mvt/etmaal per woning
Eenheid 1 bedrijf
Verkeersgeneratie
Eenheid 1 woning
Verkeersgeneratie
10 mvt x 1 bedrijf = 10 mvt/etmaal
8,2 mvt x 1 woning = 8,2 mvt/etmaal 1,8 mvt/etmaal
Het aantal verkeersbewegingen zal per etmaal gelijk blijven of licht afnemen. De Winterdijk heeft voldoende capaciteit om het verkeer op te vangen. Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat de bestaande infrastructuur in en rond het plangebied voor de beoogde ontwikkeling niet hoeft te worden aangepast. Het verdwijnen van zwaarder agrarisch verkeer is gunstig voor de Winterdijk. Voor de ontsluiting op perceelniveau van de beide woningen zal de bestaande inrit gehandhaafd blijven. Parkeren Ter waarborging van een voldoende aanwezigheid van parkeervoorzieningen bij nieuwbouwprojecten is door de gemeente de Nota Parkeernormen opgesteld. In de betreffende nota is per woningtype een parkeernorm opgenomen. Dit beleidsdocument voorziet in een toepasbare parkeernormensystematiek geldend voor de gehele gemeente Waalwijk. De in deze parkeernormennota opgenomen parkeernormen zijn leidend voor de bepaling van de parkeernorm bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan valt binnen het gebied dat is getypeerd als ‘Sprang-Capelle, Driessen, Waspik, bebouwde kom’. De (bedrijfs)woning Winterdijk 11 wordt gesloopt en herbouwd op een iets andere locatie, derhalve dient uitgegaan te worden van een nieuwe situatie welke dient te voldoen aan de gemeentelijk parkeernota. Daarnaast wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Voor deze twee woningen dient 32
rekening gehouden te worden met de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. Aangesloten wordt bij de functie wonen ‘koop, vrijstaand’ van de Nota Parkeernormen. Voor deze functie geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning. Bij de twee woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. Parkeren wordt volledig op eigen terrein afgewikkeld. Conclusie Het plan voornemen past binnen het gemeentelijk beleid met betrekking tot mobiliteit en parkeren.
4.2. Cultuurhistorie en Archeologie Cultuurhistorie Wettelijke toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw ruimtelijk plan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, voornamelijk bij de voorbereiding en vaststelling van ruimtelijke plannen Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het plan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. 33
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Cultuurhistorische waarde (bron Cultuurhistorische Waardenkaart bewerkt)
Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Cultuurhistorische landschappen Op de CHW is af te lezen dat het plangebied grotendeels ligt in de regio ‘Langstraat’. De Langstraat ligt op de overgang van zand, veen en klei. Vroeger bestond vrijwel het hele gebied uit veen. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten landschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De natte omstandigheden als gevolg van de lage ligging en de sterke kwel leidt tot waardevolle flora en fauna van waterlopen en natte graslanden. Het westelijke deel heeft een landelijk karakter. Hier liggen langgerekte lintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Enkele kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel. De structuur van de dorpen en de relatie tussen de dorpen en het landelijke gebied is hier minder goed herkenbaar. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is.
De ontwikkelstrategie voor dit gebied is: Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Cultuurhistorische vlakken
34
De locatie is gelegen in het vlak van historisch groen. Het slagenlandschap wordt gekenmerkt door een landschap met veel houtwallen en perceel rand begroeiing. Historische stedenbouw De Winterdijk is en cultuurhistorisch geografisch element van hoge waarde. Het is een zeer lange, zich tussen Baardwijk en Waspik uitstrekkende, rivierdijk die van oost naar west wordt aangeduid met ' Winterdijk', 'Waspikse Dijk' en 'Vaartje'. In het oosten sluit de dijk aan op de, langs de Baardwijkse Overlaat noord-zuid getraceerde Liniedijk. In Waspik sloot de dijk aan op de nog eveneens aanwezige kaden van de Kerkvaart, de verbinding tussen beide is echter onderbroken door de uitgedijde bebouwing van Waspik. De dijk werd aangelegd in 1442 als bescherming tegen het zeewater dat na de St. Elizabethvloed van 1421 tot aan Baardwijk vrij spel had. Later had het ten doel onder andere Waalwijk te beschermen tegen hoge waterstanden van de Maas. Elders werd vanaf de dijk het aangrenzende landschap ontgonnen. Hoewel de dijken op enkele plaatsen zijn onderbroken zijn deze met name vanwege de bijzondere en grotendeels nog gave historische structuur van belangrijke waarde. Een deel van de dijk is bebouwd (Baardwijk, Waalwijk, Besoijen, Capelle, Waspik), waarbij met name in Waalwijk de dijk op enkele plaatsen is onderbroken.
In het oosten, ter hoogte van Baardwijk is de dijk breed en vlak, voorbij Waalwijk wordt het profiel steiler en is de dijk hoger. Historisch Groen Het hele vlak wordt gekenmerkt door een omvangrijk en opvallend goed bewaard gebleven gedeelte van het oude slagenlandschap. De houtwallen en perceelsranden zijn vooral begroeid met zwarte els, schietwilg, populier, meidoorn, wilde kamperfoelie, sporkehout, grauwe wilg, ruwe berk, es, zomereik, wilde lijsterbes, hulst en zwarte linde. De begroeiing dateert voornamelijk uit de periode 1850-1880. Over het perceel ligt de aanduiding van zichtrelatie, een zicht relatie in oostwest richting. Het gebiedje heeft een wat meer open karakter dan het slagenlandschap, waar de zichtrelatie met name noord-zuid is gericht.
Uitsnede Cultuurhistorische thema kaart gemeente Waalwijk (Bron Gemeente Waalwijk, Vestigia)
35
Beoordeling/conclusie Het cultuurhistorische slagenlandschap met houtwallen en elzensingels is nog steeds zichtbaar in (de omgeving van) het plangebied. Het slagenlandschap vormt de drager voor de aanleg van de nieuwe natuur in het gebied. De ontwikkeling wordt met het oog op het historisch groen aangevuld. Door sanering van het rundveebedrijf, het slopen van de overtollige bebouwing en verharding en de realisatie van twee woonkavels wordt het landschap en de bebouwingsconcentratie langs de dijk verder versterkt. De beoogde woningen sluiten qua locatie en omvang en uitstraling aan op de bestaande woningen in de bebouwingconcentratie. Het plan is daarmee passend in het omringende ‘landschap’ en de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de historische geografische lijnen. Gesteld kan worden dat met het plan geen ontwikkelingen plaatsvinden welke in strijd zijn met de ontwikkelstrategieën behorende bij de Cultuurhistorische waardenkaart.
Archeologie Verdrag van Malta Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 medeondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van de Wamz zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit, op dezelfde wijze als via de Wamz, verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat, gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Provinciaal beleid De IKAW (indicatieve kaart archeologische waarden) bevat een vlakdekkende en landsdekkende classificatie van de trefkans op archeologische resten. Deze trefkans is gebaseerd op een kwantitatieve analyse en op archeologische inhoudelijke kennis van het bodemarchief. De kaart is bedoeld als instrument voor de ruimtelijke ordening en voor het beheer en de bescherming van archeologische informatie die in de bodem bewaard is gebleven Met behulp van deze kaart kan bij diverse planologische beslissingen – zoals ontgrondingen, bodemsaneringen, aanleg van woonwijken, etc. – rekening worden gehouden met de aanwezige archeologische waarden. Op de IKAW van Brabant heeft het plangebied de classificatie ‘lage trefkans’. Gemeentelijk archeologiebeleid Op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is het verplicht om in nieuwe ruimtelijke plannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. De gemeente Waalwijk heeft ten behoeve van het archeologiebeleid een kaart opgesteld.
36
Uitsnede Archeologische verwachtingskaart gemeente Waalwijk (Bron Gemeente Waalwijk, Vestigia)
Het plangebied ligt volgens de Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Waalwijk gedeeltelijk in een gebied van lage archeologische verwachting (categorie 4) en deels in een gebied met een gematigde verwachting (categorie 3). Categorie 3 betekent een hoge verwachting, ingrepen in deze gebieden zijn onderzoeksplichtig bij bodemingrepen groter dan 500m2 en waar de verstoring dieper gaat dan 50 cm. Categorie 4 betekent een gematigde verwachting, ingrepen in deze gebieden zijn onderzoeksplichtig bij bodemingrepen groter dan 5000m2 en waar de verstoring dieper gaat dan 50 cm. De woonpercelen en de bebouwing zijn geprojecteerd in het gebied waar de voormalige bebouwing en verharding gesloopt wordt, de grond is daar al geroerd. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
4.3. Water Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte, het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. 37
Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water.
De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: · Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; · Beheersbaar programma voor de waterkeringen; · Doelmatig beheer van de waterketen; · Werkzaamheden slim combineren; · Het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: · Voldoende water voor mens, plant en dier; · Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); · Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; · Verduurzaming van onze grondstoffen, energie- en voedselvoorzieningen. Waterbeheerplan 2016-2021 (Waterschap Brabantse Delta) Het Waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van wateren zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het is een inhoudelijk vernieuwend plan, wat in dialoog met partners is opgesteld. In de uitvoering wordt rekening gehouden met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.
Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: · Het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; · Het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; · Inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; · Helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; · Het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); · Afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; · Een duurzame energiewinning. 38
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De Keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verhard oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de Keur het volgende opgenomen: · Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid; · Bij een toename van de verharde oppervlakte van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); · Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Integraal Waterplan Waalwijk 2021-2024 Het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan.
In het Waterplan worden de volgende doelen gesteld: 1. Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater; 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (waar private partijen dat niet kunnen); 4. Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater; 5. Zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Voor het hemelwater geldt, dat er wordt getoetst volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Daar is ruimte voor nodig. Voor het hemelwater wordt een apart systeem aangelegd, afhankelijk van de lokale situatie. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m²) berging te maken over de extra verharding. De voorkeur gaat er naar uit dat het water vervolgens infiltreert in de bodem. Als dat niet mogelijk is (bijvoorbeeld in klei of door een hele hoge grondwaterstand), mag de berging langzaam leeglopen naar de openbare waterlopen. Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
Huidige situatie Het plangebied bestaat uit het huidige rundveebedrijf aan de Winterdijk 11 en de bijbehorende agrarische gronden. Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan diverse waterlopen en waterkundige elementen (zie uitsnede legger met nummering): 1. B-waterloop in noord zuid richting tussen Winterdijk en Zuiderafwateringskanaal; 2. B-waterloop in noord zuid richting tussen Winterdijk en Zuiderafwateringskanaal; 3. B-waterloop in noord zuid richting tussen Winterdijk en Zuiderafwateringskanaal; 4. A- waterloop parallel aan het Zuiderafwateringskanaal 39
5. beschermingszone waterkering het Zuiderafwateringskanaal
Uitsnede legger waterschap (bron waterschap Brabantse Delta bewerkt)
Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag via inzijging, afstroming naar lagere terreindelen en verdamping afgevoerd. De afvoer van neerslag, afkomstig van de huidige daken, verloopt door lozing op het rioolstelsel. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel van de gemeente Waalwijk via de drukriolering die ter plaatse aanwezig is. Het hemelwater wordt op eigen terrein opgevangen en de overstort naar het oppervlaktewater zal via het maaiveld plaatsvinden. Toekomstige situatie Het plan betreft het saneren van het rundveebedrijf aan de Winterdijk 11 te Sprang-Capelle, waarna ter compensatie 2 woonkavels worden gerealiseerd (1 voormalige bedrijfswoning en 1 ruimte-voorruimte woning). Met het saneren van verharding, het beperken van de stikstofuitstoot en door het landschappelijk inpassingsplan wordt de kwaliteit van de natuur en het water in de directe omgeving aanzienlijk verbeterd. Een deel van de bebouwing blijft staan, hiervoor hoeft geen extra berging worden gerealiseerd. Voor de nieuwe bebouwing en verharding wel. Deze bestaat uit …m2 een bergingsvoorziening moet 60mm kunnen opvangen. Op de overgang van de tuinen naar het landschap wordt een greppel aangebracht die deze capaciteit kan bergen en zal infiltreren of op een landbouwkundige manier zal afstromen naar het open water van de sloot ten oosten van het perceel.
Waterkwantiteit In de toekomstige situatie zal een groot deel van de agrarische opstallen verwijderd worden en neemt het verhard oppervlak. Er komt in de nieuwe situatie per saldo circa 270 m² minder aan
40
bebouwing en circa 1887 m² minder aan verharding. Hydrologisch gezien is derhalve sprake van een positieve ontwikkeling. Conform het gemeentelijk beleid dient het hemelwater op eigen perceel verwerkt te worden. De benodigde voorziening bij nieuwbouw dient 60 mm te kunnen verwerken. Dit kan middels infiltratie in de bodem of middels berging of compensatie in het oppervlaktewater. Bij de ontwikkeling is sprake van de sloop/nieuwbouw van de (bedrijfs)woning Winterdijk 11 en de realisatie van een nieuwe woning (naast nr. 11). Uitgangspunt is dat 60 mm op eigen perceel verwerkt wordt. Iedere woning heeft een oppervlakte van circa 120 m². Bij de Winterdijk 11 blijft 340 m² aan bijgebouwen staan en bij de ruimte-voor-ruimte woning komt een bijgebouw van 200 m². In de nieuwe situatie is derhalve 780 m² aan bebouwing aanwezig. Verder zal er een verhard pad naar achter worden aangelegd van ongeveer 48x4m = 192m² en gaan we uit van 50m² verharding in beide tuinen (100m²). Op basis van de bodemsamenstelling is oppervlakkige infiltratie mogelijk en kan het water hierdoor natuurlijk afvloeien naar de aanwezige watergangen voor de verdere verwerking. Een deel van de bebouwing blijft staan hiervoor hoeft geen extra berging te worden gerealiseerd. Voor de nieuwe bebouwing (440 m²) en verharding (292m²) wel, derhalve in totaal 732m².
De bergingsvoorziening moet 60mm kunnen opvangen, derhalve een berging van + 44m³. Op de overgang van de tuinen naar het landschap wordt een greppel aangebracht die deze capaciteit kan bergen en zal infiltreren of op een landbouwkundige manier zal afstromen naar het open water van de sloot ten oosten van het perceel. De greppel/wadi is 75m lang, 1,20 m breed en max. 0,70 m diep i.v.m. grondwaterstand. Voor de Infiltratie k waarde van de grond gaan we uit 0,5m/dag, omdat het een greppel is die de meeste tijd droog staat en daarom begroeid zal zijn met gras. De leeglooptijd wordt bepaald conform de richtlijnen van de kennisbank riolering van Rioned (Infiltratieoppervlak en ledigingscapaciteit - RIONED (riool.net)) De leeglooptijd d.m.v. infiltratie in de ondergrond bedraagt derhalve: Ieff=k rekenwaarde * A Infiltratie/ (24*10* A oppervlakte verhard)
De Ieff=k (Fwandx oppv wand+ Fbodemx oppv bodem)/24x10xoppv De I eff= 0,5(0,4x120m2 + 1x37,5m2)/24x10x 0,0732= 2,43mm/h Ledigingstijd bedraagt: 60 mm/ 2,43 mm/h = 24,69 h. (bij k-waarde 0,50 m/dag) Wadi is bij een maximale vulling geledigd binnen 36 uur en voldoet hiermee aan de gewenste leeglooptijd.
41
Schets van de waterberging op het perceel (bron: ruimtelijkeplannen.nl bewerkt)
Oppervlaktewater Het lokale oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap of de aanliggende eigenaar. Er vinden geen wijzigingen plaats in of nabij het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Afvalwater Bij de realisatie van de twee woningen wordt extra afvalwater geproduceerd. Bij de bouw van de nieuwe woning en de herbouw van de huidige bedrijfswoning zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Voor de nieuwe of wijziging aan de aansluiting op het gemeentelijk stelsel zal te zijner tijd bij de gemeente Waalwijk een aanvraag ingediend te worden. Door de realisatie van de extra woning zal de afvalwaterstroom niet significant toenemen. Dit kan verwerkt worden in het huidige stelsel van de gemeente. Waterkering De Winterdijk is aangemerkt als waterkering. De waterkering is voorzien van een beschermingszone waarin niet elke ontwikkeling zomaar kan plaatsvinden. Deze ontwikkeling voorziet niet in een aantasting van de waterkering. Er worden geen gronden geroerd of andere werkzaamheden uitgevoerd waardoor de waterkering kan worden aangetast. Wel is het noodzakelijk op basis van artikel 3.4 van de keur om een vergunning aan te vragen bij het waterschap voor de werkzaamheden op het perceel. De beschermingszone van de waterkering ligt deels binnen het plangebied. Bij werkzaamheden aan bebouwing is in dat kader een vergunning noodzakelijk.
Deze wordt te zijner tijd gelijktijdig met de omgevingsvergunning bouwen aangevraagd. Milieuhygiënische randvoorwaarden Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel 42
moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve van het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbaar blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: · Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal; · Platte daken: beton of bekleed met EPDM-rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen; · Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink, alle gecoat; · Ontsluitingspaden/wegen/terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet te allen tijde worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen.
Schade, direct en/of indirect, die eventueel ontstaat, is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat, bijvoorbeeld het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzineafscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.
Conclusie Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de afname in verhard oppervlak, de beschikbare ruimte op de kavels voor een hemelwatervoorziening (bij voorkeur oppervlakkig afstromen naar het oppervlaktewater) en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door het plan.
4.4. Natuur en Landschap Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden 43
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet vervallen. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het NatuurNetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. NatuurNetwerk Nederland Het NatuurNetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd.
In het NatuurNetwerk Nederland liggen: · Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; · Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; · Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; · Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; · Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit NatuurNetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europees Ecologische Netwerk (PEEN) vormen. Soortenbescherming Met de Wet natuurbescherming is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3.
Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken.
Onderzoek 44
Door BrabantEco is een ecologische QuickScan, Rapportnummer: 2022-BE-0247 (bijlage 1) uitgevoerd. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000gebieden en overige beschermde natuurgebied. Tevens is een nader onderzoek huismussen uitgevoerd (rapport van BrabantEco d.d. 23 mei 2023 nr. 2023-BE-0247, bijlage 5) en een toevoeging quick scan (rapport van BrabantEco d.d. 21 augustus 2023 nr. 2023-BE-0247, bijlage 9) Het advies en de aanbevelingen zijn: Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming • De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. • Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren.
In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. • Het gebied is omgeven door Natura 2000 gebied. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. • In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. • Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. M.b.t. de huismussen is de conclusie uit het onderzoek: “Er zijn geen huismussen waargenomen in of nabij de te slopen gebouwen en er zijn in deze gebouwen ook geen nesten aanwezig. De te slopen gebouwen of het overige deel van het plangebied zijn geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismus. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig.” M.b.t.
de grote en kleine modderkruiper is de conclusie uit de rapportage: Toevoeging Ecologische QuickScan van 21 augustus 2023: “Op basis van de voorgaande quickscan en het aangeleverde plan voor de landschappelijke inpassing kan worden geconcludeerd dat de gunstige staat van instandhouding van de habitatrichtlijnsoorten grote en kleine modderkruiper met de voorgenomen werkzaamheden behouden blijft. In de her geprofileerde sloten zal aanzienlijk meer geschikt habitat ontstaan voor deze soorten doordat een van de oevers een flauwe helling krijgt waardoor een plas-dras situatie ontstaat die bevorderlijk is voor waterplanten. Daarnaast zullen na de werkzaamheden de trillingen en geluid in het plangebied afnemen in vergelijking met de situatie waarin het plangebied in gebruik was als agrarisch bedrijf.
45
Met de aanleg de amfibieënpoel, de inheemse aan te planten bomen en in te zaaien bloemenrand zal het leefgebied van andere beschermde soorten in het plangebied ook in kwaliteit toenemen.”
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de QuickScan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de planlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied Winterdijk 11 te Sprang-Capelle raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: • Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen.
Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter- of kraamverblijfplaats). Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouw vrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken, ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten. o In de directe omgeving van het plangebied zijn huismussen aanwezig. Om de populatie huismussen in de omgeving uit te breiden kunnen er speciale dakpannen of inbouwstenen worden gebruikt om te dienen als nestgelegenheid in de nieuw te bouwen woningen. Het aanbrengen van houten nestkasten is ook mogelijk, maar is minder duurzaam. Op deze manier kan de in de directe omgeving aanwezige populatie zich naar de planlocatie uitbreiden en wordt de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd.
46
•
Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. • Om de biodiversiteit van het begin van de kringloop te verhogen is het plaatsen van een insectenhotel aan te bevelen. Daarnaast is het wenselijk om een (kleine) bloementuin aan te leggen met speciale bijen/vlindermengsels of met planten die van nature in een berm kunnen voorkomen, zoals margriet, rode klaver, kleine pimpernel, wilde peen, duizendblad en gewoon knoopkruid. Deze aanbevelingen zullen overgenomen worden bij de bouwplanontwikkeling.
Stikstof Voor het plan omtrent de sloop van de stallen van het rundveebedrijf en het realiseren van 2 woonkavels (1 voormalige bedrijfswoningen en 1 nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning) aan de Winterdijk 11 te Sprang-Capelle (gemeente Waalwijk) is door RenS advies (zie bijlage 2) een berekening gemaakt met behulp van de Aerius calculator. Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de aanleg- en gebruiksfase. Uit de verschilberekening valt op te maken dat de beoogde verandering niet significant bijdraagt aan een toename van stikstofdepositie. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie geen verslechtering geeft op de omliggende Natura2000 gebieden. Verder volgt uit de berekening dat de omschakeling leidt tot een afname van de totale stikstofbelasting, waardoor er sprake is van intern salderen. Voor het voornemen geldt er geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Aangezien het plangebied is gelegen binnen de 1.000 meter van een Natura2000 gebied kunnen er ook overige effecten optreden welke mogelijk bijdrage aan een verslechtering van het gebied. Deze effecten zijn onderzocht en geconcludeerd kan worden dat er geen negatieve overige effecten op het Natura 2000 gebied zal plaatsvinden Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het plan.
4.5. Welstand
47
Welstandstype (bron welstandskaart gemeente Waalwijk)
De locatie is gelegen aan een landelijk lint. De landelijke linten liggen grotendeels buiten de bebouwde kom, zoals aan de Waspiksedijk, Winterdijk, Vrouwkensvaartsestraat, Wendelnesseweg en Hogevaart. In het gebied komen diverse cultuurhistorisch waardevolle gebouwen als boerderijen voor dat is op dit perceel niet het geval. In de landelijke linten staat de bebouwing langs dijken en ontginningswegen en ligt meestal iets terug op ruime kavels. Rooilijnen volgen de weg of de verkaveling en verspringen. Veelal smalle, diepe percelen, waarbij de perceelsbreedte varieert. Tussen de bebouwing door is er zicht naar het landschap. Er is sprake van brede, groene profielen met ruime voortuinen. Erfafscheidingen zijn er in de vorm van een haag of hek. De bebouwing is individueel en afwisselend en wordt gekenmerkt door diversiteit in schaal: van kleinschalige boerderijen naar grootschalige landhuizen, (agrarische) bedrijfsgebouwen en een enkele kas. Er is een architectonische diversiteit onder andere door historische en nieuwe bebouwing. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op de weg. De gebouwen hebben een zorgvuldige detaillering. Gevels van woningen zijn veelal representatief met een verticale geleding en grote (staande) raampartijen.
In het gevelvlak komen voornamelijk bij oudere panden baksteendetailleringen voor in de vorm van gemetselde lateien, vlechtwerk en andere patronen. Materialen zijn traditioneel. De waarde is vooral gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen zoals polderwegen, waterlopen en de afwisselende lintbebouwing. De levendigheid van de linten wordt bepaald door de afwisselende bebouwing. Ligging • • • • • • •
Het hoofdgebouw is met de voorgevel gericht naar de weg; Voorgevelrooilijnen liggen parallel aan de weg bij rechte linten, bij oost-westelijke linten staat de bebouwing gedraaid ten opzichte van de weg (getrapte rooilijn); Bijgebouwen staan achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw; Een heldere ordening van verschillende gebouwen op het erf aanhouden; Doorzichten naar het achterliggende landschap handhaven en waar mogelijk versterken; Schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote gebouwen is ongewenst; indien er sprake is van een sloot tussen kavel en rijbaan, dan wordt de bebouwing door bruggetjes ontsloten; 48
•
erfafscheidingen in de vorm van een haag of hek;
De verkaveling van de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het landelijk lint. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning zullen de bouwplannen van de woningen getoetst worden door Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aan het architectonische uitgangspunt van deze categorie. Architectonische uitgangspunten zoals: • zorgvuldigheid, evenwichtige en samenhangende gevel, indeling en verticale geleding van de gevel; • grote gevelopeningen zijn staand. Gevelopeningen op de verdieping zijn niet groter dan die op de begane grond; • bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als het hoofdgebouw; • het materiaalgebruik is traditioneel, het kleurgebruik is traditioneel (gedekte kleuren), terughoudend en in onderlinge overeenstemming; • aan- en bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw.
49
5. Milieu 5.1. Bodemkwaliteit Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Er is door Inventerra een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (rapport 232079RO1JV van 13 april 2023 bijlage 6). De conclusie uit het rapport is: “Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem. Binnen de planlocatie is een aantal (voormalige) tanklocaties, een werkplaats en een opslag van afgewerkte en nieuwe olie aanwezig; deze locaties zijn verdacht voor het voorkomen van een bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten. De binnen de planlocatie aanwezige gedempte sloten zijn verdacht voor het heterogeen voorkomen van bodemverontreinigingen met diverse parameters. In de bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de ontgravingsklasse van de boven- en ondergrond klasse AW2000 betreft. Op basis hiervan worden in de (oorspronkelijke) bodem op het terrein geen verontreinigingen verwacht.
Aanwezige puinfunderingen die bij de herinrichting vrijkomen of ‘toegankelijk’ worden (waarmee men direct in contact kan komen) en eventuele puinhoudende bodemlagen zijn verdacht voor een verontreiniging met asbest en dienen onderzocht te worden conform de NEN 5897 (asbest in puin) of de NEN 5707 (asbest in grond). Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan door derden een keuring van de af te voeren partij of een PFAS-onderzoek verlangd worden.”
5.2. Relatie Wet geluidhinder Kader Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de wet iedere weg in beschouwing te worden genomen, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur wegen De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Onderzoek Ten behoeve van de nieuwbouw van de woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau, rapport projectnummer VL.2234.R01 d.d. 12 december 2022. Zie bijlage 3.
50
De conclusie uit het akoestisch onderzoek is dat woningen op deze plaats een geluidbelasting op de gevels ondervindt als gevolg van wegverkeer op de Winterdijk. De geluidbelasting op de randen van de bouwvlakken bedraagt ten hoogste 51 dB bij beide percelen. De hoogste geluidbelasting wordt berekend aan de noordzijde van de bouwvlakken, gericht naar de Winterdijk. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden met 3 dB en vindt alleen plaats aan de noordzijde. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het toepassen van bronmaatregelen stuit op financiële bezwaren. De investeringen in geluidsarm asfalt staat niet in verhouding tot de te boeken geluidwinst. Het treffen van overdrachtsmaatregelen stuiten op stedenbouwkundige en landschappelijke bezwaren. Het aanbrengen van een geluidscherm zal de beleefbaarheid van het achterliggende gebied aantasten. Gelet hierop dient voor de woning een hogere grenswaarde afgegeven worden door de gemeente Waalwijk vanwege het verkeer op de Winterdijk. Het woon- en leefklimaat is “matig” tot “zeer goed”. Juist vanwege het zeer goede woon- en leefklimaat aan de achterzijde (zuidzijde) van de woningen met een grote tuin, wordt het woon – en leefklimaat zeer aanvaardbaar geacht. Er is in onderhavige situatie dus sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Een bouwakoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie wordt niet noodzakelijk geacht, maar is uiteindelijk ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie.
Conclusie Het plan voldoet aan de wettelijke geluidseisen en de eisen en voorwaarden zoals opgenomen in het geluidsbeleid van de gemeente Waalwijk. Daarmee kan het plan, vanuit het oogpunt van geluid, worden gerealiseerd. Voor de woningen is een ontheffing nodig. Voor de benodigde ontheffing wordt een besluit Hogere waarden genomen.
5.3. Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’.