Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Engelseweg 8 Waspik
Tekst van het document
Als aanvulling op Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0 is een rekenmodel ontwikkeld waarmee de minimale vaste afstand tussen een emissiepunt en een gevoelig object kan worden berekent. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens. De dichtstbijzijnde bedrijven met één van de bovengenoemde diercategorieën betreft de varkenshouderij aan de Capelseweg 21. Dit bedrijf heeft op basis van een stofemissie van 432 kg PM10. Op basis van het rekenmodel dient een afstand van 133 meter in acht genomen te worden. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt tot de woning bedraagt 617 meter. Daarnaast is er nog sprake van een overige veehouderij, namelijk de geitenhouderij (met enkele stuks vee). Deze geitenhouderij aan de Hoge akkerweg 21 ligt op 440 meter afstand. Ter plaatse is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect endotoxinen.
4.1.6 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Op een afstand van circa 440 meter (Hoge Akkerweg 21), een afstand van circa 1 km (Vrouwkensvaartsestraat 16) en 1,6 km (Schotse Hooglanderstraat 17) zijn geitenhouderijen gelegen. De gezondheidsrisico's hebben mogelijk een relatie met de fijnstof uitstoot van deze dieren. De uitstoot van fijnstof bedraagt afgerond 15,33 kg per jaar. Echter wordt er geen nieuwe verblijfsruimte opgericht en is daarmee geen verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid. 4.1.7 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht 28
stellen. 4.1.7.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Op deze kaart zijn twee risico bronnen weergegeven. Deze betreffen propaan tanken waarvoor een afstand van 10 en 15 meter staat, de afstand tot het plangebied betreft meer dan de afstandseis. De locatie ligt niet binnen het invoedsgebied. 4.1.7.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.7.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
29
4.1.8 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.1.9 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten en neemt het college de beslissing. 4.1.9.1 Toets m.e.r.- beoordelingsplicht Een deel van de bedrijfsbebouwing wordt getransformeerd naar opslaggebouw. Hiermee kan sprake zijn van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). Hierdoor is een m.e.r beoordelingsnotitie opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk is.
30
4.2.
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Langstraat) is gelegen op een afstand van ongeveer 1,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter betreft dit een positieve ontwikkeling gezien het aantal te houden dieren afneemt. Hierdoor neemt de hoeveelheid stikstof depositie op de gebieden af.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. 31
Bron: Natura2000.nl Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Om de stikstofemmissie van zowel de aanleg- en de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een AERIUS berekening gemaakt. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor het resultaat van de berekeningen wordt verwezen naar bijlage 7 (aanlegfase) en bijlage 8 (verschilberekening vigerend versus beoogd) voor van deze onderbouwing. Uit de berekeningen blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht.
Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht.
De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern 32
bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorgplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Het project betreft het intern verbouwen van de bestaande bedrijfsgebouwen. De verbouwing beperkt zich tot het dichten van de mestput met zand en dichtstorten met beton. Deze vloer is geen geschikte leefgebied voor beschermde soorten. Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Volledigheidshalve is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek is als volgt: Op grond van het uitgevoerde onderzoek zijn er geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de (mogelijk) aanwezige soorten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is uiteraard altijd van toepassing. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er 33
daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 500 meter.
Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Brabant Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.
34
Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Brabant Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
4.3.
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Waalwijk voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 35
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat gedeeltelijk is aangemerkt als 'Waarde - Archeologie'.
Uitsnede bestemmingsplan Bron: ruimtelijkeplannen.nl Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 70 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 100 m² en dieper dan 70 centimeter onder maaiveld, waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Er is tevens geen sprake van sloop of bouw. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart van gemeente Waalwijk gelegen in een gebied dat gedeeltelijk is aangemerkt als lage tot middelhoge verwachting.
36
Uitsnede Archeologische verwachtingskaart Bron: gemeente Waalwijk Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van aantasting van de bodem waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Er is immers geen sprake van sloop of bouw. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. 4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur ligt de locatie in een cultuurhistorisch waardevol gebied.
37
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord Brabant "De regio is van cultuurhistorisch belang vanwege het voor Noord-Brabant unieke slagenlandschap. De verschillende fasen van de ontwikkeling van het landschap, de strijd tegen het water en de problemen met de bodemdaling zijn in het huidige landschap goed te herkennen. De Langstraat is één van de Belvederegebieden, gebieden die door het rijk zijn aangewezen als de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland." De ontwikkeling is erg kleinschalig en beïnvloed het typerende landschap niet. Dit gezien er alleen een nieuwe invulling aan de bestaande gebouwen wordt gegeven. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
38
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord Brabant Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4.
Verkeer en parkeren
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Engelseweg. De locatie is voorzien van 2 inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.
In de CROW is de norm voor opslaggebouw in het buitengebied 2,2 parkeerplaatsen per 100 m², dit komt neer op 18,7 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie wordt voor het opslaggebouw 19 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. 39
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een nieuwe bedrijfsinvulling. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Het opslaggebouw voorziet in de opslag voor bedrijven. In de CROW is de norm van 8,7 verkeersbewegingen per 100 m² voor verkeersgeneratie gesteld. Dit komt neer op minder dan 36 auto's per dag. Echter is de locatie goed ontsloten en vinden er momenteel geen andere verkeersgenererende activiteiten plaats aan deze weg. Natuur inclusieve landbouw kent bijna geen verkeersgeneratie. Er zal gemiddeld een vrachtwagen per maand zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. De Engelseweg biedt, volgens gegevens van de gemeente, voldoende capaciteit om dit verkeer te kunnen verwerken. Het verkeer dat zich van en naar het bedrijf begeeft zal, mede door de capaciteit en drukte van de Engelseweg en door de afstand van de inrichting tot gevoelige objecten, volledig in het normale wegverkeer zijn opgenomen voordat het een woning van derden zal bereiken, waarmee geen sprake is van een extra overlast. Tenslotte is er, zoals uit paragraaf 4.1.3.2 blijkt, sprake van een NIBM (niet in betekende mate) project. Dit houdt in dat er in een niet betekende mate sprake is van een toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide.
De beperkte toename in verkeersbewegingen zal geen nadelige effecten kennen.
4.5.
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De planlocatie valt onder het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap). Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.
Het gaat dan om het waterkwantiteits en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen.
Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling 40
worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen.
Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt. 4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van herbestemming van bestaande gebouwen. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Bij een toename van minder dan 2.000 m² is geen extra compensatie nodig. De gemeente Waalwijk heeft het Intergraal Waterplan Waalwijk 2021-2024 opgesteld.
Zowel dit plan en de hemelwaterverordening stellen de eis om bij nieuwe verharding, 60 mm berging te realiseren. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak afnemen. Er wordt geen nieuwe bebouwing of verharding gerealiseerd. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
41
Hoofdstuk 5 5.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Waalwijk. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend project betreft een afwijking met omgevingsvergunning op de bepalingen uit het "Bestemmingsplan Buitengebied" van gemeente Waalwijk conform de procedure zoals is opgenomen in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het kader van deze procedure wordt de ontwerp omgevingsvergunning voor eenieder ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzage termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. Wanneer het besluit en de vergunning met bijbehorende onderbouwing ter inzage ligt wordt gepubliceerd op de gebruikelijke wijze conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.3.
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Waalwijk vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste 42
activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
43
Bijlagen
44
Bijlage 1
Landschappelijk inrichtingsplan
45
Landschappelijke inpassing Engelseweg 8, Waspik 13. Landschappelijke inpassing bestaande bomen op eigen perceel en langs de weg
Doorsnede poel:
bestaande hagen
maaiveld +0,4NAP talud
min
1:3
0 NAP
bestaande siervijver
zomerpeil -0,35
nieuwe landschappelijke bomen
winterpeil -0,65 waterdiepte min 0,5m onder zp
singelbeplan�ng (heesters en bomen) nieuwe landschappelijke heg bestaande privé-tuin met hagen
woning
kruidenrijk grasland (1-2 jaarlijks maaien en afvoeren) poel met flauwe oever aan noorzijde voor goede bezonning parkeerplaatsen (2,5x5m); totaal 19
losse bomen (2st.) vergroenen erf losse bomen (2st.) passen schuur in
verdichten huidige beplanting tot bossingel
19 parkeerplaatsen
stal
bestaande natuurvriendelijke oever
omtrek te verwijderen verharding 1:500 op A3 0
5
10
25m
Aanpassing Landschappelijke inpassing 3-7-2023
hergebruikte verharding
te verwijderen verharding 600m2
bedrijfsverzamelgebouw
bossingel
kruidenrijk grasland
amfibieënpoel
kruidenrijk grasland
bestaande transparante bomenrijen vormen overgang naar open polder 4
zichtlijn naar landschap smal doorzicht naar polder benadrukt richting en vorm cultuurhistorisch landschap
Bijlage 2
Voorgrond geurberekening
47
Gegenereerd op: 25-07-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: Meijs Engelseweg 8 Waspik Beoogd Gemaakt op: 2023-07-25 12:06:16 Rekentijd: 0:00:28 Naam van het bedrijf: Meijs Engelseweg 8 Waspik beoogd Berekende ruwheid: 0,169 m
Brongegevens: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag
Geb. Hoogte
1
Stal 1 vleeskalveren
126 023
408 825
1,5
0,5
4,00
178
4,1
2
Stal 1 vleesvee
126 023
408 825
1,5
0,5
4,00
71
4,1
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
3
Hoge Akkerweg 20
126 340
408 721
14,0
0,0
4
Hoge Akkerweg 18
126 364
408 713
14,0
0,0
5
Hoge Akkerweg 25
126 359
408 690
14,0
0,0
6
Engelseweg 6
125 715
409 078
14,0
0,0
7
Engelseweg 4
125 695
409 098
14,0
0,0
8
Canadeseweg 7
125 474
409 395
3,0
0,0
9
Wilgenplantsoen 20
125 555
409 500
3,0
0,0
10
Capelseweg 9
125 245
408 095
3,0
0,0
Gegenereerd op: 25-07-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
(c) DNV GL
Page 2
Bijlage 3
M.e.r. -beoordelingsnotitie
50
Oostwijk 5 5406 XT Uden
Postbus 511 5400 AM Uden
0413 33 68 00 info@dlvadvies.nl
www.dlvadvies.nl
VVMER J.J.J. Meijs Engelseweg 8 5165 RC WASPIK
F.C.J.L. Klomp-Pullens Adviseur ROM 06 26 51 86 63
Datum 25-07-2023
DLV Bouw, Milieu en Techniek BV - KvK 09090426
Vormvrije m.e.r. beoordelingsnotitie 1. Kenmerken van het project
•
•
Omvang van het project (in relatie tot drempelwaarden D lijst Besluit m.e.r.)
Cumulatie met andere projecten
De initiatiefnemer wil leegstand en verloedering voorkomen door de voormalige ligboxenstal van 820 m² een nieuwe bestemming te geven als bedrijfsverzamelgebouw voor kleinschalige bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2. Het gebouw zal gebruikt worden voor opslag en er zal geen productie of baliefunctie gerealiseerd worden. Het parkeren en laden en lossen zal plaatsvinden via de huidige in- en uitrit. De voormalige jongveestal en werktuigenberging van 955 m² zullen gebruikt worden voor stalruimte, opslag en werktuigen berging. Het aantal dieren zal verminderd worden naar 13 zoogkoeien, 6 stuks jongvee, 5 vleeskalveren tot 8 maanden en 2 stuks vleesvee 8-24 maanden. Het erf zal er verzorgd uitzien doordat overtollige kuilplaatsen en verhardingen worden verwijderd. Het bedrijfsverzamelgebouw zal de hoofdfunctie hebben en de agrarische bedrijvigheid zal een nevenfunctie worden. Het Besluit m.e.r. stelt dat een milieueffectbeoordeling vereist is wanneer een projectactiviteit nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze activiteiten zijn opgenomen in bijlage D van het besluit, ook wel bekend als de D-lijst. Categorie D 11.2 heeft betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van deze specifieke activiteit, is de drempelwaarde vastgesteld onder categorie D 11.2.
Deze drempelwaarde is van toepassing wanneer de activiteit zich uitstrekt over een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m² of meer heeft. Aangezien het totale plan slechts een oppervlakte heeft van ongeveer 820 m², wordt de drempelwaarde niet overschreden. Hierdoor is het uitvoeren van een vormvrije m.e.r. beoordeling voldoende. Onderhavige vormvrije m.e.r. beoordeling is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Mogelijke cumulatie met andere (bestemmings)plangebieden of ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied zijn er niet.
2
•
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
•
Productie van afvalstoffen
•
Verontreiniging en hinder
•
Een nieuwe ontwikkeling kan gevolgen hebben voor natuurlijke hulpbronnen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer grondwater wordt onttrokken of grondstoffen in de omgeving worden gedolven (water; bierbrouwerij, klei; baksteenindustrie) of ingeval van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen. Bij het voorgenomen initiatief is geen sprake van eerder genoemde voorbeelden. Voor de verbouwing van het pand worden bouwmaterialen en hulpstoffen gebruikt. Er wordt getracht dit op een zo duurzaam mogelijke manier te doen, om schade aan natuurlijke hulpbronnen te beperken. Er worden geen afvalstoffen geproduceerd. Bij de (interne) verbouwing van de voormalige stal komen afvalstoffen vrij. Dit geldt ook bij het reguliere gebruik van de locatie. Deze afvalstoffen worden via reguliere inzamelsystemen ingezameld en (gescheiden) verwerkt. Er zal geen onevenredige verontreiniging of hinder plaatsvinden. Dit is nader onderbouwd bij de milieueffecten. Nee
•
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aan de Engelseweg 8 te Waspik. Momenteel wordt de grond ter plekke van het plangebied gebruikt als agrarische grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Tevens wordt de bedrijfswoning bewoond door de initiatiefnemer. N.v.t.
Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën 2. Plaats van het project • Het bestaande grondgebruik
•
De relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen
Hieronder wordt per thema ingegaan op mogelijke aanwezige waarden in het plangebied. Geur De voorgenomen ontwikkeling betreft het huisvesten van 13 zoogkoeien, 6 stuks jongvee, 5 vleeskalveren tot 8 maanden en 2 stuks vleesvee 8 - 24 maanden. Voor
3
inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
deze dieren gelden minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object moet minimaal 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom worden aangehouden. De afstand tot een geurgevoelig object is minimaal 150 meter, wat ruim voldoet aan de minimale afstandseis van 50 meter. Ondanks dat er geuremissie is, zal de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten vanwege een netto afname van 19 dieren en een vermindering van geuremissie ten opzichte van de huidige situatie. Binnen het bedrijf worden dieren waarvoor een vaste afstand geldt én dieren met een geuremissiefactor gehouden. Voor de dieren waar de vaste afstand voor geldt is een voorgrondgeurberekening gemaakt. De conclusie hiervan is dat er geen sprake is van geuroverlast voor omliggende gevoelige objecten. Luchtkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de luchtkwaliteit in de omgeving verbeterd doordat er geen sprake is van grootschalige infrastructurele, industriële of veehouderij-ontwikkelingen en de uitstoot van fijnstof afneemt. Dit zal een positieve bijdrage leveren aan de luchtkwaliteit in de omgeving.
Daarnaast is er sprake van een Niet In Betekende Mate (NIBM) toename van fijnstof. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing wanneer een woning of geluidsgevoelige bestemming in de buurt van een weg of spoorweg wordt gebouwd. Er moet worden aangetoond dat aan de voorkeursgrenswaarde van 48 decibel wordt voldaan, anders kan er een hogere Grenswaarde worden aangevraagd. In dit geval wordt er een geluidsbelasting van 54 decibel op de bedrijfswoning vastgesteld, wat hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Ter plaatse van de bedrijfswoning is er geen sprake van het wijzigen van de functie. De bedrijfswoning blijft een bedrijfswoning. Het woon- en leefklimaat van de
4
bedrijfswoning blijft onveranderd. Doordat de bestemming en het gebruik van de woning ongewijzigd blijft, kan ter plaatse gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt minder dan 36 auto’s per dag. Het aantal verkeersbewegingen zal zoals ook in de ruimtelijke onderbouwing is beschreven, niet in onevenredige mate toenemen. Aangezien er geen onevenredige geluidsoverlast zal worden veroorzaakt door het verkeer van en naar het bedrijf. Dit komt doordat het verkeer op de Engelseweg, vanwege de drukte en capaciteit van de weg, volledig opgaat in het normale wegverkeer voordat het gevoelige objecten bereikt die niet bij het bedrijf horen. Bovendien is de afstand tussen het bedrijf en deze gevoelige objecten groot genoeg om te voorkomen dat het verkeer extra overlast veroorzaakt. Daarnaast is er geen sprake van het oprichten van geluidshinder veroorzakende inrichtingen, dus er zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Externe veiligheid De planlocatie bevindt zich niet in de nabijheid van risicovolle inrichtingen. Tevens zullen er geen risicovolle activiteiten plaatsvinden bij de voorgenomen ontwikkeling die nadelige gevolgen kunnen hebben op de omgeving.
Bodem Met de voorgenomen ontwikkeling zal geen inrichting worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Hierdoor kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging en dat er geen sprake zal zijn van verslechtering van de bodemkwaliteit. Ecologie De voorgenomen ontwikkeling zal geen schade toebrengen aan de ecologie in de omgeving. Hoewel het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op 1,3 kilometer afstand
5
ligt, zal de ontwikkeling juist een positief effect hebben op de stikstofdepositie door een afname van het aantal dieren. Er zal geen sloop van bebouwing en/of demping van sloten plaatsvinden, waardoor de soorten die zich daar gevestigd hebben niet worden geschaad. Ook zal er geen toename zijn van de uitstoot van ammoniak, wat geen onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving tot gevolg zal hebben. Archeologie en cultuurhistorie Met de voorgenomen ontwikkeling zal geen schade worden toegebracht aan de archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarde van de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling is van zodanig kleine omvang en beïnvloedt het landschap niet. Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van sloop of bouw, waarmee de omgeving en het landschap niet worden aangetast. Verkeer Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. De Engelseweg biedt, volgens gegevens van de gemeente, voldoende capaciteit om dit verkeer te kunnen verwerken. Het verkeer dat zich van en naar het bedrijf begeeft zal, mede door de capaciteit en drukte van de Engelseweg en door de afstand van de inrichting tot gevoelige objecten, volledig in het normale wegverkeer zijn opgenomen voordat het een woning van derden zal bereiken, waarmee geen sprake is van een extra overlast.
Water Vanuit het oogpunt van een duurzaam waterbeheer kan het initiatief doorgang vinden. De huidige infiltratiemogelijkheden en locatie bieden voldoende ruimte om per onderdeel infiltratie voorzieningen toe te passen. Netto neemt het verhard (bebouwd) oppervlak iets af, waardoor dit gunstige is ten aanzien van de huidige situatie. Het project is daarmee hydrologisch neutraal. 3. Kenmerken van potentiële effect
6
•
Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
• • •
Het grensoverschrijdende karakter van het effect De waarschijnlijkheid van het effect De duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Conclusie
De effecten van de aanleg en in gebruikname van het bedrijfsverzamelgebouw zijn beperkt tot de locatie zelf en de directe omgeving. De effecten zijn daarmee zeer beperkt. Gezien de ligging van het project niet van toepassing. Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake. Er is sprake van de oprichting en in gebruikname van een niet-agrarische functie. De effecten zijn blijvend. Deze effecten zijn echter niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting. De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn 2011/92/EU maakt duidelijk dat er geen sprake is van de bijzondere omstandigheden die het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken.
7
Bijlage 4
Omgevingsdialoog
58
l-
Omgevingsdialoog Engelseweg 8
Hieóij verklaar ik dat ik door de heer S. Meijs geïnformeerd ben over zijn voornemen om de ligboxenstal in gebruik te nemen voor niet-agrarische activiteiten in de vorm van een bedrijfsvezamelgebouw voor opslag en ondergeschikte kleinschalige bedrijfsactiviteiten.
Adres
Handtekening
Engelseweg 4
e;r Don {z.s Pan^€\ \\
Engelseweg 6
Hoge Akkerweg 't8
Hoge Akkerweg 20 JSf
+
1-
9" -\to-6
,1
/"" tTt
Hoge Akkenreg 23
Hoge Akkenrveg 25
ï4't /*5À,^r
É»-
Bijlage 5
Quickscan Flora en Fauna
61
Natuur
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Engelseweg 8 Waspik Rapportnummer: 2024-BE-0813 In opdracht van: De heer S. Meijs Engelseweg 8 5165 RC Waspik
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2024-BE-0813 Opdrachtgever De heer S. Meijs Locatie Engelseweg 8 Waspik
Auteur Frenk van de Wal
Opleverdatum 25 januari 2024
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Inhoudsopgave SAMENVATTING ..................................................................................................................... 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ............................................................................................. 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5
2.
BELEIDSKADER ................................................................................................................ 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 8 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ........................................................................................... 3.1 Huidige situatie ..................................................................................................................... 9
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .............................................................................. 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 12 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 13 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 13
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .................................................................................. 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 17 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 19 5.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 28
6.
RESULTATEN EN ADVIES ................................................................................................. 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 29 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 29
7.
BRONNEN .......................................................................................................................
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
SAMENVATTING
Opdrachtgever is voornemens om de bestemming van de planlocatie aan de Engelseweg 8 te Waspik te wijzigen. Op de planlocatie is een grondgebonden agrarisch bedrijf en een bedrijfsverzamelgebouw beoogd. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van de ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in verband met de natuurwetgeving en beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied. De bebouwing in het plangebied kan geschikt zijn voor beschermde soorten zoals vleermuizen of huismussen. Echter blijft de bebouwing in het plangebied behouden en worden er geen wijzigingen gebracht aan deze gebouwen.
Enkel wordt de voormalige melkveestal gewijzigd in gebruik/bestemming. De stal is al inpandig verbouwd en wordt op dit moment, evenals in de toekomst gebruikt als (bedrijfsmatige) opslag. De aanwezige vegetatie blijft geheel behouden en er worden geen bomen gerooid. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient aangetoond of uitgesloten te worden met een Aerius berekening. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco Januari 2024
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever de heer S. Meijs is het voornemen om de bestemming van de planlocatie aan de Engelseweg 8 te Waspik te wijzigen. Het voornemen is om de voormalige ligboxenstal als bedrijfsverzamelgebouw te herbestemmen. De voormalige ligboxenstal (ca 820m2) zal gebruikt gaan worden voor opslag. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving.