Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Engelseweg 8 Waspik
Tekst van het document
WASPIK, ENGELSEWEG 8 omgevingsvergunning
Waspik, Engelseweg 8 omgevingsvergunning
Concept
Projectleider ROM F.C.J.L. Klomp-Pullens Adviseurs ROM M. Sinke/ T.M.H. Nierkes/ T. van der Donk
Datum: 26-01-2024
2
Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Aanleiding voor het project 1.2. Projectlocatie 1.3. Geldende bestemmingsplannen 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1. Huidige situatie 2.2. Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.2. Provinciaal beleid 3.3. Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1. Milieu 4.2. Ecologie 4.3. Archeologie en cultuurhistorie 4.4. Verkeer en parkeren 4.5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Handhaving
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
4 5
8
12
20
42
44 Landschappelijk inrichtingsplan Voorgrond geurberekening M.e.r. -beoordelingsnotitie Omgevingsdialoog Quickscan Flora en Fauna Toelichting AERIUS Berekeningen AERIUS calculator aanlegfase Berekeningen AERIUS calculator verschilberekening
45 47 50 58 61 112 122 134
3
Ruimtelijke onderbouwing
4
Hoofdstuk 1 1.1.
Inleiding
Aanleiding voor het project
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het 'Bestemmingsplan Buitengebied' van gemeente Waalwijk ten behoeve van het herbestemmen van de agrarische bedrijfslocatie op het perceel gelegen aan Engelseweg 8 te Waspik. In het hoofdstuk Projectbeschrijving (hoofstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de huidige en beoogde situatie opgenomen. De gewenste ontwikkeling is niet in overeenstemming met de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling en het afwijken van het bestemmingsplan. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2.
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen aan Engelseweg 8 te Waspik en ligt in het landelijk gebied ten zuidoosten van Waspik behorende bij de gemeente Waalwijk. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Waspik, sectie O, nummer 46. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl. 5
1.3.
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied' van de gemeente Waalwijk, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 9-12-2010, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Tevens is ter plaatse de functie aanduiding 'bedrijfswoning' van toepassing en is er een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,4 hectare groot.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor: a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; b. reëel of volwaardig grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ tevens intensieve veehouderijen met bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan met uitzondering van een intensieve geiten-/schapenhouderij; 2. een intensieve geiten-/schapenhouderij met bijbehorende voorzieningen alleen is toegestaan indien dit als zodanig is aangeduid in de ‘Tabel Intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven’; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’ tevens glastuinbouwbedrijven met bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan; 4. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - nevenberoepsbedrijf’ tevens een nevenberoepsbedrijf is toegestaan; c. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’; d. beroepsmatige activiteiten in het hoofdwoongebouw, op een maximum van 30 m² van het bruto-vloeroppervlak van het hoofdwoongebouw; e. mestzakken, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – mestzak’; f.
loonwerkactiviteiten als nevenactiviteit ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch loonwerkactiviteiten’; g. tuinen en erven; h. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 6
j. extensief dagrecreatief medegebruik; k. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschap-, en natuur- en cultuurhistorische waarden in het algemeen en in het bijzonder voor: 1. beslotenheid, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – beslotenheid’; 2. hydrologische waarden, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hydrologische waarden’; 3. cultuurhistorisch waardevolle verkaveling, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - cultuurhistorisch waardevolle verkaveling’. Met het beoogde voornemen wordt de locatie ingezet voor een gecombineerd bedrijf namelijk: een nevenberoepsbedrijf zijnde een grondgebonden agrarisch bedrijf en een bedrijfsverzamelgebouw (milieucategorie 1 en 2). In het bedrijfsverzamelgebouw is er sprake van opslag als hoofdfunctie met ondergeschikte en niet-zelfstandige kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten direct gerelateerd aan de opslag. De gewenste activiteiten passen niet binnen de bestemmingsomschrijving van artikel 3.1. Het voorgenomen gebruik is daarmee in strijd met de huidige bestemming. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal hiervoor een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing welke dient te worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.
1.4.
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
7
Hoofdstuk 2 2.1.
Projectbeschrijving
Huidige situatie
2.1.1 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een melkveehouderij gevestigd, echter is dit bedrijf sinds enige tijd beeindigd. Hoewel er geen melkvee wordt gehouden, is er sinds het staken van het melkveebedrijf wel onafgebroken jongvee en/of vleesvee gehouden en zal dit ook het geval blijven. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning met aaneengebouwd bedrijfsgebouw (ca. 955 m²) en een voormalige ligboxenstal (ca. 820 m²) aanwezig. Het erf is voorzien van erfverharding. Zie hieronder de huidige bebouwing van het perceel.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.googlemaps.nl.
8
Luchtfoto met huidige bedrijfsgebouwen Bron: pdok.nl
2.1.2 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Waalwijk. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch grondgebruik met een kenmerkend open landschap. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en wegen worden door boombeplantingen gemarkeerd. Het gebied valt in de "Natte dooradering". Dit is een agrarisch natuurtype, waarbij de nadruk ligt op de watergangen en het aanleggen van poelen voor de te beschermen soorten. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.
2.2.
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer wil leegstand en verloedering voorkomen en is voornemens om de voormalige ligboxenstal (ca. 820 m²) een nieuwe bestemming te geven. Het is de bedoeling dat dit gebouw wordt gebruikt voor opslag met ondergeschikte en niet-zelfstandige kleinschalige bedrijfsmatige actviteiten direct gerelateerd aan de opslag. Voor het opslaggebouw is veel vraag van zzp'ers en partculieren. Het opslaggebouw zal voornamelijk gebruikt worden voor opslag. Bij het voorgenomen initiatief is er geen sprake van het wijzigen van de bestemming. Er wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het in gebruik nemen van de voormalige ligboxenstal als opslaggebouw met daaraan ondergeschikte kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat het gebouw gebruikt wordt voor het maken en bewerken van producten en materialen. Alle opslag mag en zal alleen inpandig plaatsvinden. Hierbij zal geen kantoor- en baliefunctie worden gerealiseerd. Voor het parkeren en laden en lossen van materialen zal voldoende ruimte beschikbaar zijn. De ontsluiting zal plaatsvinden via de huidige in- en uitrit. De voormalige jongveestal en werktuigenberging (ca. 955 m²) zal agrarisch gebruikt blijven worden voor stalruimte voor het huisvesten van het vee op een natuurinclusieve manier, opslag (tbv de agrarische activiteiten) en werktuigenberging.
Volgens de milieuvergunning is momenteel het houden van 45 dieren toegestaan. Initiatiefnemer is voornemens om het aantal dieren te verminderen naar 13 zoogkoeien, 6 stuks jongvee, 5 vleeskalveren tot 8 maanden en 2 stuks vleesvee 8 - 24 maanden. Door deze wijziging is 9
er sprake van een sterke positieve ontwikkeling op het gebied van milieu. De erfverharding die conform het landschappelijke inpassingsplan op het erf aanwezig blijft, is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering ter plaatse. Aangezien het in deze gaat om een omgevingsvergunning om de voormalige ligboxenstal ten behoeve van niet-agrarische bedrijvigheid te mogen gebruiken en voor het overige de agrarische activiteiten worden voortgezet blijft de overige bebouwing inclusief bedrijfswoning agrarisch van aard en gebruik. De ontwikkeling van het bedrijf draagt bij aan het voorkomen van leegstand in het landelijk gebied en versterkt daardoor de omgevingskwaliteit. Er wordt gestreefd naar behoud van het open agrarische landschap en het erf wordt via een landschappelijke inpassing nog beter in de omgeving opgenomen. Er wordt daarbij ook bijgedragen aan de sloop en herbestemming van overtollig leegstaande bebouwing en erf, wat bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Hoewel de bedrijfsactiviteiten in de aaneengesloten jongveestal verminderen zal de gehele stal gebruikt worden ten behoeve van agrarische bedrijvigheid (huisvesten vee, opslag en werktuigen berging). Wel zullen overtollige kuilvoerplaatsen en erfverharding worden verwijderd, zodat het erf een verzorgde uitstraling krijgt en de omgevingskwaliteit verder wordt versterkt.
Doordat het opslaggebouw de grootste activiteit is, zal dit de hoofdfunctie zijn. De agrarische bedrijvigheid zal hierdoor een nevenfunctie worden. 2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Barbara Roozen 10
Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing. Het landschappelijk inrichtingsplan wordt door de voorschriften geborgd. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. 2.2.3 Natuurinclusieve landbouw Naast de bedrijfslocatie beschikt initiatiefnemer nog over een huiskavel van circa 16 ha. Dit kavel wordt ingezet voor natuurinclusieve landbouw. Op een gedeelte van de grond worden innovatieve eiwitrijke gewassen geteeld. De gewassen zijn in eerste instantie geschikt voor dierlijke consumptie, voorbeelden zijn veldbonen, soja, erwten, klaver, luzerne. Echter zijn er ook gronden niet geschikt voor het verbouwen van deze gewassen. Echter is deze grond wel ideaal voor het laten grazen van runderen. Deze percelen worden ingezaaid met een kruidenrijk graslandmengsel. In dit kruidenrijkgrasland zullen Angus runderen het grootste gedeelte van het jaar gaan grazen.
De dieren zullen de meeste tijd in het wei staan maar er wordt ook onderdak geboden waar eventueel bijgevoerd kan worden. Het onderdak zal een strostal worden, de ruige-strorijke mest die daarbij geproduceerd wordt is mooie mest voor het kruidenrijkgrasland. Strorijke mest is goed voor de opbouw van organische stof en biodiversiteit in de grond. Er wordt 8.9 hectare ingezaaid met kruidenrijkgrasland, met een extensieve bedrijfsvoering is dit qua voervoorziening en mestplaatsingsruimte voldoende voor 2 GVE per hectare. Dat zou betekenen dat er ongeveer 18 GVE gehouden kan worden. Dit zal ingevuld worden met gedeeltelijk volwassen zoogkoeien en bijbehorend jongvee. De omvang van de agrarische activiteiten is circa 16 NGE.
11
Hoofdstuk 3 3.1.
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 12
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "3.1.2" (paragraaf Besluit algemene regels ruimtelijke ordening). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 13
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er wordt namelijk niet gebouwd. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld, waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie bieden de basis van het beleid van de provincie in relatie tot de aankomende Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader 14
stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken.
Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor uitbreiding van een veehouderij zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt ontwikkeld.
Daarnaast wordt gestreefd naar een agrarische ontwikkeling waarbij een bijdrage wordt geleverd aan meer biodiversiteit met specifieke aandacht voor agrarisch natuurbeheer of meer natuurinclusieve vormen van landbouw. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van herbestemming van de agrarische locatie naar een niet agrarische functie met als nevenfunctie natuurinclusieve veehouderij. Dit bied een nieuw economisch perspectief. Het herbestemmen van voormalige agrarische bedrijfslocaties draagt bij aan versterking van de kwaliteit van het landelijk gebied. Daarmee draagt dit bij aan de leefbaarheid en bied dit mogelijkheden voor nieuwe economische initiatieven. Dat voorkomt eveneens verloedering van het platteland en ongewenste activiteiten en daarmee samenhangende veiligheids- en gezondheidsrisico's. Het opslaggebouw verbind het landelijk gebied met bedrijvigheid. Het meervoudige hergebruik van de ruimte voorkomt leegstand en is een meerwaarde voor de omgeving. De natuur inclusieve vorm van het houden van vee draagt bij aan natuurlijk onderhoud van de weidegronden door begrazing. Door de beweiding blijven de weidegronden open en bieden deze ruimte voor weidevogels. Daarmee wordt bijgedragen aan meer biodiversiteit. 3.2.2 Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. De Omgevingsverordening is in werking getreden sinds de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. 15
Gezien de ontwikkeling is Artikel 3.73 van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. In de verordening zijn in Artikel 3.73 regels opgenomen voor het vestigen van niet-agrarische functies in het landelijke gebied. Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; In de omgeving is sprake van gemengde bedrijvigheid en wonen. Dit maakt een gemengd bedrijf waar natuurinclusieve landbouw en kleine bedrijvigheid met maximaal milieucategorie 1 en 2 een passende functie. In de structuurvisie van de gemeente is de locatie aangeduid als agrarisch gebied op zandgronden. Op basis van de structuurvisie van de gemeente Waalwijk is het gebied aangemerkt als geschik t om het agrarisch gebied toegankelijker te maken voor extensieve recreatie en voor het versterken en verbeden van de landbouw. Voor verdere toelichting waarom het intiatief bij het gebied en de omgeving past is verder opgenomen in paragraaf 3.3.1 (structuurvisie gemeente Waalwijk).
Het bestemmingsplan buitengebied biedt een aantal mogelijkheden voor nevenactiviteiten. In de toelichting van het bestemmingsplan buitengebied is opgenomen dat onder nevenactiviteit het volgende wordt verstaan: "Een bedrijfsmatige activiteit die voorzient in een aanvulling van het inkomen van de agrariër, maar die in meerdere opzichten ondergeschikt blijft aan het aanwezige hoofdberoepsbedrijf. De bedrijfsmatige activiteit kan al dan niet verbonden zijn met de agrarische bedrijfsvoering, verbrede landbouw valt dus ook onder het begrip nevenactiviteit." Daarnaast biedt het bestemmingplan op de locatie als nevenactiviteit rechtstreeks de mogelijkheid tot 1.000 m2 statische opslag. De hoofdfunctie van het bedrijfsverzamelgebouw is opslag, met ondergeschikte en niet-zelfstandige kleinschalige bedrijfsmatige actviteiten die gerelateerd zijn aan de opslag. Dit ligt in lijn met de rechtstreekse mogelijkheid om (statische) opslag toe te staan. Dit geeft weer dat deze activiteit aansluit bij de omgeving. 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; De ontwikkeling voorkomt leegstand van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Deze heeft een positief effect op de leefbaarheid van de omgeving gezien er een gunstig milieueffect wordt behaald door de inkrimping van de veestapel.
De bedrijvigheid is echter dusdanig klein dat deze niet direct op een bedrijventerrein plaats hoeft te vinden. 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Deze ontwikkeling voorkomt leegstand en draagt daardoor bij aan de omgevingskwaliteit het open agrarische landschap wordt in stand gehouden en tevens via een landschappelijke inpassing wordt het erf nog beter in de omgeving opgenomen. Waarbij de overtollige kuilvoerplaatsen en erfverharding wordt verwijderd. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Op de locatie vindt er geen splitsing van het bouwperceel plaats. c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; Overtollige kuilplaatsen en verhardingen is verwijderd, hierdoor ziet het erf er verzorgd uit. De bebouwing zelf is nog in goede staat en krijgt een nieuwe functie. d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. De vestiging van een kantoor met baliefunctie wordt uitgesloten. Tevens vindt er geen lawaaisport en mestbewerk ing plaats. 16
Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; In de omgeving is sprake van een gemengd agrarisch gebied waar wonen, agrarische functies en kleine bedrijvigheid zich afwisselen. Vandaar dat deze ontwikkeling als passend wordt gezien. Er is geen sprake van een niet in de omgeving passende publieksaantrekkende werking, dit is terug te vinden in 4.4.2 Verkeersbewegingen. b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; Er worden enkel de gebruiksmogelijk heden toegestaan zoals opgenomen in dit plan. Verdere uitbreiding hiervan is niet mogelijk. c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Opslag en stalling vindt alleen plaats binnen de gebouwen. d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. In dit plan zijn geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen. De omvang zal daarmee op de locatie niet toenemen. Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.
bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; De bedrijvigheid is kleinschalig er wordt invulling gegeven aan een vrijkomend gebouw van 820m ² . In dit gebouw vindt kleinschalig opslag plaats voor particulieren en zzp-ers uit de omgeving met een maximale milieucategorie 2. b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; Er vindt geen detailhandel plaats. c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De voorziening is niet ten dienste van vrije-tijd en/of zorg. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan Artikel 3.49 van de OV, dat betrekking heeft op uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een veehouderij in het Landelijk gebied. Echter, omdat de bestaande veehouderij in de voorgenomen ontwikkeling minder dieren gaat houden dan in de huidige situatie, is er geen sprake van een uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een veehouderij. Daarom hoeft het initiatief niet verder getoetst te worden aan Artikel 3.49 en voldoet het aan dit artikel. Hiermee wordt tevens voldaan aan de voorschriften van de OV.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Waalwijk heeft op 04-02-2016 de Structuurvisie Waalwijk vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2025. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De gemeente Waalwijk heeft een aantal leidende principes geformuleerd om de juiste keuzes voor 2025 te kunnen maken. De volgende onderwerpen komen in de structuurvisie naar voren: 17
Waarden ondergrond behouden en versterken Bereikbaarheid netwerk optimaliseren Vraaggericht functies versterken met kwaliteit De gemeente streeft naar het behouden van de landschappelijke omgeving en een unieke lokale wisselwerking tussen bodem, water, natuur en landschap. Het gebied van de planlocatie is door de gemeente aangewezen als gebiedstype 'agrarisch gebied op zandgronden', dit gebiedstype wordt getypeerd als een plek waar de landbouw versterkt en verbreed dient te worden. Met deze herbestemming wordt de agrarische functie in het gebied behouden in de vorm van natuur inclusieve landbouw en door te verbreden met kleinschalige bedrijvigheid wordt er een nieuw economisch perspectief gecreëerd. Dit geeft de ondernemer de kans om de locatie een nieuwe invulling te geven. Bij deze ontwikkeling is er sprake van zorgvuldig ruimte gebruik en versterking van de omgevingskwaliteiten en een duurzame vorm van landbouw. De natuur inclusieve veehouderij versterkt het landschap, de natuur, de biodiversiteit en de bodem. Ook de teelt van eiwitrijke gewassen vergroot de binding van CO2. Het opslaggebouw sluit aan op het regionaal en lokaal voorzien in ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid. Hierdoor krijgen zzp'ers lokaal een ruimte voor hun bedrijfsopslag.
Daarnaast is volgens de provinciale Verordening Ruimte voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied een bijdrage vereist voor de verbetering van de kwaliteit van het landschap. De Werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap zijn hierover regionaal gemaakt, zoals opgenomen in de structuurvisie van gemeente Waalwijk. Als een bijdrage nodig is, hanteert de gemeente een percentage van 20% van de (getaxeerde) grondwaarde, welke besteed kan worden aan landschappelijke kwaliteitsverbetering op het perceel zelf, in de omgeving of middels een fondsbijdrage. Op basis van onderstaand figuur kan geconcludeerd worden dat het initiatief valt onder categorie 2. Het initiatief valt buiten het bestemmingplan en buiten het bouwvlak/ bestemming. Er is sprake van een niet gebiedseigen ontwikkeling. Er zal weinig tot geen inbreuk zijn op het landschap doordat er sprake is van het hergebruik van een stal en de (gedeeltelijke) sloop van verharding en voorzieningen. Hierdoor valt de ontwikkeling in categorie 2 waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). Aan deze eis wordt voldaan, zie hiervoor paragraaf 2.2.2.
18
Kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de structuurvisie van gemeente Waalwijk.
19
Hoofdstuk 4 4.1.
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft geen gebied dat is aan te merken als het gebiedstype 'gemengd gebied'. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve uitgegaan van de standaard richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' uit de VNG handreiking. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van herontwikkeling van een agrarisch bedrijf. Ten aanzien van een opslag verhuur bedrijf en het houden/fokken van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Voor het opslaggebouw zal kleinschalige bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 2 worden toegestaan. Voor deze categorie geldt een vaste afstand van 30 meter, wat van toepassing is op het opslaggebouw. Voor het fokken en houden van rundvee bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 3.2 worden toegestaan. Voor deze categorie gelden de volgende vaste afstanden: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter.
Het dichtstbijzijnd gevoelig object is het woonhuis aan de Hoge akkerweg 20 en bevindt zich op een afstand van ongeveer 155 meter (gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag 20
veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Gedeeltelijk is er sprake van dieren zonder geuremissie factor en een deel van de dieren heeft emissie factoren. Hieronder is de oude en nieuwe situatie weergegeven. De huidige situatie:
De gewenste situatie:
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. In deze situatie geldt dit voor het jongvee en de zoogkoeien. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. De afstand tot een geurgevoelig object is minimaal 150 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de minimale afstandseis van 50 meter. De voorgenomen ontwikkeling betreft het huisvesten van totaal 7 stuks vleeskalveren met een geuremissie van 249,2 Oue per jaar. Hoewel er sprake is van geuremissie, zal deze ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Dit komt doordat de ontwikkeling een netto afname van 19 dieren en derhalve 569,6 Oue betreft. Hierdoor is er sprake van een vermindering van geuremissie ten opzichte van de huidige situatie. De geurberekening is toegevoegd in bijlage 2. Hieruit blijkt een geurbelasting van 0,00 op alle gevoelige objecten. Er is geen sprake van geuroverlast.
De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft een kaart opgesteld van de actuele achtergrondbelasting voor geur in de gehele provincie Noord-Brabant. Uit deze kaart blijkt dat de achtergrondgeurbelasting ter plaatse tussen de 3 en 7 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³) bedraagt (een goed woon- en leefklimaat). Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur indien de achtergrondgeurbelasting niet meer dan 20 ouE/m³ bedraagt. Gezien ter plaatse geen sprake is van een achtergrondgeurbelasting van meer dan 20 ouE/m³ kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.
21
Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur. Bron: odzob.nl Ter plaatse is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM.
Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
22
4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. In het onderhavige project is er een afname van de veestapel zie hiervoor de milieusituatie zoals ook beschreven in de paragraaf 4.1.4 Geluid. Uit de tabellen is af te lezen dat de fijnstof in de huidige situatie 14.692 g/fijnstof/jaar bedraagt. In de nieuwe situatie bedraagt deze uitstoot 1.851 gram/fijnstof/jaar. De luchtkwaliteit zal met deze ontwikkeling verbeteren, gezien de afname in de fijnstof uitstoot. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en een afname binnen de veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen gezien er sprake is van een afname in het aantal dieren, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling.
Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Daarnaast dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat in de omgeving aanvaardbaar kan worden geacht. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie aan fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ) niet meer dan 40 micorgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedraagt. Voor de fijnere deeltjes fijnstof (PM2,5) is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie niet meer dan 20 µg/m³ bedraagt. Zoals te zien in de volgende figuren bedraagt de achtergrondconcentratie in de omgeving, volgens gegevens van de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de Monitoringstool NSL zijn opgenomen, ter plaatse voor fijnstof en stikstofoxiden ongeveer 19 (PM10) en 17,4 (NOx ) µg/m³. De achtergrondconcentratie van fijnere deeltjes fijnstof (PM2,5) bedraagt in de omgeving ongeveer 11,8 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de omgeving is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.
Omdat de voorgenomen ontwikkeling een ontwikkeling betreft die zal bijdragen aan een verbetering van de achtergrondconcentratie zal ook na realisatie van de ontwikkeling sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving worden geborgd.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM 23
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NOx ) Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. Door de afname in van dier aantallen verbeterd het woon en leefklimaat ter plaatse. De luchtkwaliteit zal verbeteren door de afname in dier aantallen.
24
4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. In onderhavig geval is sprake van en toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de projectlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Om de verkeersgeneratie van de beoogde situatie te beoordelen, worden de verkeersbewegingen per etmaal berekend aan de hand van kengetallen van de CROW (kenniscentrum voor de weg- en waterbouw). De normen worden gebaseerd op het aantal verkeersbewegingen heen- en terug van een auto op het terrein. Om de het aantal verkeersbewegingen per uur te berekenen, worden de verkeersbewegingen gedeeld door 24 (één etmaal). Vervolgens kunnen de verkeersbewegingen per dag worden vergeleken met de huidige en beoogde situatie. Het opslaggebouw voorziet in de oplsag voor bedrijven. In de CROW is de norm van 8,7 verkeersbewegingen per 100 m² voor verkeersgeneratie gesteld. Dit komt neer op een verkeersgeneratie van 71,34 bewegingen.
Bij rundveehouderijen tot 200 stuks rundvee behoren een ander aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken: Vaste verkeersbewegingen: Bulkwagen met krachtvoer - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week; Ophalen kalveren - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Ophalen slachtvee - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteer in 1 verkeersbeweging per week; Servicebus (onderhoud en techniek) - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Levering overige goederen (bestelbus) - 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week; Incidentele verkeersbewegingen – 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week. Totaal: 14 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt (NIBM).
25
Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
26
4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. In dat geval moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen geluidsgevoelige bestemming, maar toch dient er rekening gehouden te worden met het geluidsniveau ter plaatse van de bedrijfswoning. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat er ter plaatse van de bedrijfswoning sprake is van een geluidsbelasting van 54 decibel (zie onderstaand figuur), wat de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. 54 decibel wordt op basis van onderstaande afbeelding gezien als 'redelijk'. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat ter plekke sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Uitsnede kaart Geluid in Nederland Bron: Atlas van de leefomgeving Ter plaatse van de bedrijfswoning is er geen sprake van het wijzigen van de functie. De bedrijfswoning blijft een bedrijfswoning. Het woon- en leefklimaat van de bedrijfswoning blijft onveranderd. Doordat de bestemming en het gebruik van de woning ongewijzigd blijft, kan ter plaatse gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. 27
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.5 Endotoxine Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten “Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)” en “Emissies van Endotoxine uit de Veehouderij” gepubliceerd. Uit beide rapporten komt naar voren dat met name rond pluimveebedrijven en in veedichte gebieden gezondheidseffecten kunnen optreden. De huidige toetsing aan geurnormen en/of fijnstof-grenswaarden biedt onvoldoende bescherming voor omwonenden tegen endotoxinen. Voor de periode totdat een landelijk 'endotoxine toetsingskader' beschikbaar komt, bestaat het risico dat de blootstelling aan endotoxine oploopt. Door het Ondersteuningsteam van BPO speerpunt Transitie Zorgvuldige Veehouderij is daarom het endotoxine toetsingskader 1.0 opgesteld. Het beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het volksgezondheidsrisico van (uitbreidende) veehouderijen. Op basis van de huidige kennis en inzichten is met het endotoxine toetsingskader 1.0 voor iedere vergunningaanvraag van individuele varkens-of pluimveehouderij te bepalen of de endotoxine-blootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad . Kanttekening hierbij is dat voor endotoxine geen wettelijk toetsingskader beschikbaar is.