Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Engelseweg 8 Waspik
Tekst van het document
Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
1.5 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
2. BELEIDSKADER
De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Omgevingswet is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-Vogelrichtlijn en de EU-Habitatrichtlijn. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
2.2 Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.
2.2.1 Beschermde planten en dieren De Omgevingswet behoudt de drie algemene beschermingsregimes uit de Wet natuurbescherming waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Soorten van nationaal belang zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
o
o
Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels; o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten; o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels; o Het opzettelijk storen van vogels; o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca.
700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.
2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing. De EU-Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Deze bijlage is overgenomen in de nieuwe Omgevingswet. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Omgevingswet worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikelen 11.27 en 11.28 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)) als vangnet. Op grond van deze bepaling
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderstaand is een tabel van de beginselen van het beschermingregime van de oude Wet natuurbescherming. Deze beginselen zijn overgenomen in de nieuwe Omgevingswet.
Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Omgevingswet. De gemeente kan voor de Omgevingswet een andere ‘bebouwde kom Omgevingswet’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Omgevingswet, net als de oude Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Engelseweg 8, ten zuidoosten van de kern van Waspik, in de gemeente Waalwijk. Waalwijk is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van 68,15 km2. De gemeente telt 49.934 inwoners (31 januari 2023) en bestaat uit de plaatsen Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik. Waspik is tussen Raamsdonk en Capelle gelegen. Dichtstbijzijnde grote plaatsen zijn Oosterhout en Waalwijk. Ten zuidwesten van Waspik ligt het natuurgebied Westelijke Langstraat. Tussen Waspik en Waspik-Zuid ligt De Vest, ten noorden ligt het Oude Maasje. De Overdiepse Polder ligt tussen het Oude Maasje en de Bergsche Maas in. Van het Oude Maasje loopt het riviertje de Kerkvaart naar Waspik. Door Waspik loopt het Zuiderafwateringskanaal. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Waspik, ten westen van Kaatsheuvel en ten oosten van ’s Gravenmoer. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit een gemengd agrarisch landschap met agrarische bedrijven, agrarisch gerelateerde bedrijven, en weilanden. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Waspik
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Waspik. De locatie bestaat uit bebouwing, met verharding, tuinbeplanting en een poel. Het invloed gebied bestaat voornamelijk uit bewerkte en bemeste agrarische percelen. Ten noordwesten bevindt zich de kern van Waspik.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Earth.
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit een bestemmingswijziging van de planlocatie aan de Engelseweg 8 te Waspik. Op de planlocatie is een melkveehouderij gevestigd, dit bedrijf is sinds enige tijd beëindigd. Er is een bedrijfswoning met bedrijfsgebouw (ca. 955m2) en een voormalige ligboxenstal (ca. 820m2) aanwezig. Het voornemen is de voormalige ligboxenstal te gaan gebruiken als opslag met daaraan ondergeschikte kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Alle opslag zal alleen inpandig plaatsvinden. Hierbij zal geen kantoor- en baliefunctie worden gerealiseerd. Voor het parkeren en laden en lossen van materialen zal voldoende ruimte beschikbaar zijn. De ontsluiting zal plaatsvinden via de huidige in- en uitrit. De voormalige jongveestal en werktuigenberging (ca. 955 m²) zal agrarisch gebruikt blijven worden voor stalruimte voor het huisvesten van het vee op een natuurinclusieve manier, opslag (t.b.v. de agrarische activiteiten) en werktuigenberging. De erfverharding die conform het landschappelijke inpassingsplan op het erf aanwezig blijft, is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering ter plaatse.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Landschappelijke inpassing. Bron: Barbara Roozen
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Omgevingswet voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig in het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Omgevingswet aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving. Het is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
4.2 Veldonderzoek Op dinsdag ochtend 16 januari hebben ecologen Freek Rovers en Emma Heeren in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren zonnig met een zuidwestenwind met windkracht 2 en droog. De ondergrond was ligt besneeuwd maar er zijn geen duidelijke sporen van diersoorten waargenomen.De gemiddelde temperatuur lag rond de -1 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. De waarnemingen uit de NDFF zijn bij de beoordeling betrokken.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
4.3 Beschrijving plangebied Het plangebied aan de Engelseweg 8 te Waspik, is gelegen in het buitengebied, ten zuidoosten van de kern van Waspik. De directe omgeving wordt gekenmerkt door bewerkte en bemeste agrarische percelen. Het plangebied grenst ten noorden aan de Engelseweg; de oost-, zuid- en westzijde grenzen aan agrarische percelen. Langs de Engelseweg bevindt zich een bomenlaan van eikenbomen. In het plangebied is momenteel een melkveehouderij gevestigd, echter is dit bedrijf sinds enige tijd beëindigd. Ter plaatse bevinden zich een bedrijfswoning met een bedrijfsgebouw (ca. 955 m2) en een voormalige ligboxenstal (ca. 820 m2). Ten zuidoosten ligt een grasland met een poel, en rondom het plangebied is erfbeplanting aanwezig, waaronder knotwilgen, rododendron en berken. Het erf is voorzien van verharding en een afwateringssloot ten zuiden. De bedrijfswoning (afbeelding 1) is voorzien van een bakstenen spouwmuur met een zadelvormig pannendak en beschikt over een gecultiveerde voor- en achtertuin. Het bedrijfsgebouw (afbeelding 2) is voorzien van aan de buitenzijde rode bakstenen en aan de binnenzijde kalkzandstenen spouwmuren. Het dak is bedekt met golfplaten met lichtstraten en is aan de binnenzijde verstevigd met houten spanten. De ondergrond van het gebouw is verhard met beton. Ten zuiden van het bedrijfsgebouw bevindt zich een halfopen loods (afbeelding 3 en 5).
De loods heeft steense bakstenen muren, een dak van golfplaten en stalen spanten. Tijdens de veldinventarisatie dienen het bedrijfsgebouw en de halfopen loods als opslagfaciliteiten. De bedrijfswoning is bewoond. De voormalige melkveestal (afbeelding 10, gebouwd in 1997) is voorzien uit betonnen en damwandpanelen wanden. Het dak is belegd met sandwichpanelen en voorzien van enkele lichtstraten. De binnenzijde van het dak is verstevigd met stalen spanten en de ondergrond is verhard met beton. Tijdens de veldinventarisatie wordt het gebouw gebruikt als opslagfaciliteit. Het plangebied is verhard met betonklinkers en betontegels.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 1: bedrijfswoning vanaf het zuidoosten
Afbeelding 2: aaneengebouwd bedrijfsgebouw en half open loods
Afbeelding 3: Uitzicht op bedrijfsgebouw en loods vanuit het zuiden Afbeelding 4: Binnenzijde bedrijfsgebouw, in gebruik als opslag
Afbeelding 5: Binnenzijde half open loods, in gebruik als opslag
Afbeelding 6: Uitzicht vanuit het zuidwesten, in rood omcirkeld steenuilenkast
Afbeelding 7: Steenuilenkast
Afbeelding 8: Knotwilgen aan de rand van het plangebied, met sloot
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 9: Voorzijde voormalige melkveestal
Afbeelding 10: Voormalige melkveestal vanuit het noordwesten
Afbeelding 11 en 12: Binnenzijde voormalige melkveestal in gebruik als opslag van carnavalswagens en dergelijke
Afbeelding 13 en 14: Binnenzijde voormalige melkveestal in gebruik als opslag, dak met stalen spanten en een ondergrond van b eton
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 15 en 16: Sloot ten zuiden van het plangebied, met erfbeplanting waaronder knotwilgen en eikenbomen
Afbeelding 17 en 18: Grasland met aangelegde poel, vanuit het zuidwesten van het plangebied, met uitzicht op bomenlaan
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van verspreidingsgegevens van NDFF opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 3 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Aangezien de transitie van Wet natuurbescherming naar Omgevingswet beleidsneutraal is verlopen, zijn deze lijsten, welke oorspronkelijk zijn ontwikkeld onder de Wet natuurbescherming reeds correct. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied bevindt zich op minimaal 1,3 kilometer afstand van noordelijk gelegen gronden die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Langstraat. Ongeveer 6 kilometer naar het oosten bevindt zich het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, en noordwestelijk op 8,5 kilometer afstand bevindt zich het Natura 2000-gebied Biesbosch. De ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied wordt weergegeven op onderstaande afbeelding. Het plangebied wordt gemarkeerd met een rode cirkel, terwijl de Natura 2000-gebieden in blauw zijn aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Minimaal 1,3 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000 Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu
Met de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op minder dan 25 kilometer afstand, kan een negatief effect van de geplande acties op deze gebieden niet worden uitgesloten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand bestaat de mogelijkheid van verspreiding van schadelijke stoffen via lucht of water naar de Natura 2000gebieden. Daarom is een stikstofberekening nodig om eventuele stikstofdepositie als gevolg van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 440 meter afstand van gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, genaamd het Eendennest. De ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied wordt weergegeven op onderstaande afbeelding. Het plangebied wordt gemarkeerd met een rode cirkel, terwijl de NNN-gebieden in het groen zijn aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Minimaal 440 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgevi ng
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden. Een Aerius berekening is nodig om externe effecten op Natura-2000 gebieden uit te sluiten.
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Engelseweg met nummer BE-0813 d.d. 10 januari 2024 geeft een overzicht van de waargenomen plant- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. De soorten worden per alinea beschreven.
5.2.1 Flora Volgens de NDFF zijn er in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen gedaan van beschermde plantensoorten binnen een straal van twee kilometer rondom het plangebied. Het plangebied omvat naast bebouwing en verharding ook een grasveld. Vanwege de huidige inrichting, het beheer en het gebruik, biedt het geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Gedurende de afgelopen vijf jaar zijn er volgens de gegevens van de NDFF geen waarnemingen van beschermde
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 plantensoorten binnen een straal van twee kilometer rondom het plangebied vastgelegd. Op basis van deze informatie kan het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied worden uitgesloten. Conclusie Er zijn geen geschikte locaties aanwezig waar beschermde plantensoorten kunnen groeien. Alleen algemene soorten die gedijen in verstoorde en bemeste bodems, zoals de brandnetel en de paardenbloem, zijn aangetroffen. Vanwege de aanwezige biotopen en het ontbreken van waarnemingen van beschermde plantensoorten in de laatste 5 jaar volgens het NDFF, kan het voorkomen van beschermde vaatplanten in het gebied worden uitgesloten.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 9 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 4 vleermuissoorten, 2 marterachtigen en 3 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuis soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis
Afstand plangebied 0-2 km
Habitat en bescherming
0-2 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd
0-2 km 0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. De bedrijfswoning in het plangebied biedt mogelijk geschikte verblijfplaatsen bij de dakrand aan de zijgevels, onder de dakpannen en onder de loodslabben. De woning beschikt over een holle spouwmuur waar vleermuizen verblijfplaatsen in kunnen vinden. Echter is het boeiboord langs de dakrand glad waardoor vleermuizen onvoldoende grip hebben om hier potentiële verblijfplaatsen te bereiken. Zie afbeelding 19 hieronder.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 19: In rood omcirkeld; loodslabben en overhangende dakpannen aan de zijgevels, met een glad boeiboord
De aaneen gebouwde werkplaats/stal en loods hebben verschillende bouwstructuren, zoals spouwmuren, houten wanden, damwandpanelen en betonwanden. De daken zijn voorzien van golfplaten. Hoewel vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen vinden in de spouwmuren, zijn er geen openingen of stootvoegen in de muren waargenomen. Het niet onderschoten golfplaten dak is niet ideaal; vleermuizen zouden in theorie achter een houten of stalen spant kunnen verblijven. Echter, golfplaten daken zonder dakbeschot kunnen in de zomer erg warm worden en in de winter erg koud. Bovendien kunnen vleermuizen foerageren in de halfopen loods. Het is niet geheel met zekerheid uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen voorkomen in deze bebouwing. Zie afbeelding 20 hieronder.
Afbeelding 20: Halfopen loods en spouwmuur in rood omcirkeld
De voormalige stal waarvan de bestemming veranderd zal worden is niet geschikt voor vleermuizen. De wanden zijn voorzien van damwandpanelen en het dak bestaat uit sandwichpanelen. Het gebouw is verder uitgerust met stalen spanten en beton. Damwandpanelen en sandwichpanelen zijn ongeschikt voor vleermuizen omdat het er erg warm of koud kan zijn en er geen openingen of ruimtes zijn waarin vleermuizen kunnen verblijven. Hoewel er wel openingen in het gebouw aanwezig zijn waardoor vleermuizen het gebouw kunnen betreden, is het onwaarschijnlijk dat vleermuizen in het gebouw foerageren, gezien het ontbreken van een voedselbron zoals insecten. Zie afbeeldingen hieronder.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 21: binnenzijde stal met uitzicht op het dak
Afbeelding 22: Opening in het dak van de stal
Afbeelding 23: Opening in de stal gesloten met gaas
Afbeelding 24: Voorgevel stal, damwand en betonnen wanden
Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. De rij knotwilgen met afwateringsloot en de bomenlaan aan de Engelseweg kunnen worden gebruikt als vliegroute. Zie afbeelding 25. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Afbeelding 25: Uitzicht op mogelijke vliegroutes; knotwilgen, sloot en bomenlaan
Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Marter soort Bunzing Das
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is.
De ruigte langs de slootkant en ook de houtwallen zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat de bestaande houtwallen en verdere vegetatie in en rond het plangebied behouden zullen worden, zullen er altijd rustige hoekjes met dekking aanwezig zijn waar de dieren heen kunnen vluchten. In de nieuwe situatie blijven deze schuilhoekjes en vegetatie bestaan en zal het leefgebied van de kleine marterachtigen niet verslechteren. De aanwezigheid van marterachtigen verraad zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen van aanwezigheid van voornoemde marterachtigen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op aanwezigheid van deze. Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten.
Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Bever Eekhoorn Wolf
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd
23
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 Eekhoorn De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. In en rond het plangebied is wel te foerageren voor de eekhoorn door het aanwezig zijn van geschikte voedselbomen en bosrijk biotoop. Alle bomen blijven behouden en in de bomen in het plangebied zijn geen nesten van eekhoorns waargenomen tijdens het veldbezoek. Bever In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Wolf Bij voorkeur leeft de wolf in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Deze gebieden bieden namelijk vaak veel dekking en er leven veel reeën. De soort is echter een ‘cultuurvolger’ en heeft geleerd te overleven in gebieden waar ook mensen wonen. De directe omgeving van het plangebied is ongunstig voor typische prooidieren van de wolf zoals de ree, waardoor de wolf zelf hier ook niet voor zal komen.
Het plangebied is door de ligging en inrichting geen essentieel onderdeel van het leefgebied voor de bever en de wolf. Er zijn geen eekhoornnesten waargenomen in het plangebied. Het is daardoor uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van een eekhoorn. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden. Het is aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Vleermuizen in het plangebied zijn niet uit te sluiten; echter blijft alle bebouwing in het plangebied behouden. De beoogde plannen betreffen het veranderen van de bestemming van de voormalige melkveestal. Het is mogelijk dat hier vleermuizen kunnen foerageren. Desondanks blijft het gebouw behouden en is het al inpandig verbouwd. Gezien het enkel gaat om een verandering van bestemming en het gebouw momenteel wordt gebruikt als opslag, evenals in de toekomst, worden er geen vleermuizen verstoord. De mogelijke vliegroute zoals de bomenlaan aan de Engelseweg en de knotwilgen in het plangebied blijven bestaan.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Afbeelding 26: Voldoende foerageergebied in nabije omgeving in de vorm van bewerkte agrarische gronden
De ruigte langs de slootkant en houtwallen bieden mogelijk schuilplaatsen en foerageergelegenheden voor marterachtigen. Het behoud van bestaande vegetatie zorgt voor blijvende dekking. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op deze soorten. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen.
5.2.3 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Net als de oude Wet natuurbescherming hanteert de Omgevingswet geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Bescherming categorie* en habitat 4, boom bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, gebouw bewonend 3, gebouw bewonend 3, boom of gebouw bewonend 4, boom bewonend 2, boom bewonend 3, gebouw bewonend
25
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 Sperwer Steenuil
0-2 km 0-2 km
4, boom bewonend 1, gebouw bewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2.Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Het pannendak van de bedrijfswoning zou eventueel geschikt kunnen zijn voor nestelende huismussen. Hiervan zijn echter geen aanwijzingen gezien. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen. De bedrijfswoning met tuin en hagen, en ook de bedrijfsgebouwen zullen immers geschikt blijven voor de huismussen. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied is er een steenuilenkast aanwezig, zie afbeelding 7. De kast is geplaatst onder coördinatie van het Brabants Landschap en wordt gecontroleerd en onderhouden door de plaatselijke uilenwerkgroep. De uilenkast blijft behouden op de plaats waar deze zich bevind.
Een eventueel te verwachten broedsel wordt daardoor met de voorgenomen werkzaamheden niet verstoord. Het leefgebied blijft gelijk, waardoor er zeker geen essentieel leefgebied verloren gaat. Tijdens het veldbezoek is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren in de bedrijfsgebouwen in het plangebied. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen. Gierzwaluw, ooievaar, roek, grote gele kwikstaart en roofvogels Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt voor in het plangebied waardoor het voorkomen van deze uitgesloten kan worden. Het plangebied ligt te afgelegen waardoor het plangebied niet aantrekkelijk is nestelende gierzwaluwen. Roofvogels hebben in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Het plangebied is te klein in oppervlakte om geschikt te zijn als leef- en nestlocatie voor genoemde soorten. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid.
Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Conclusie Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten. Indien deze vegetatie wordt verwijderd, zijn er nog voldoende schuil en foerageermogelijkheden aanwezig in de omgeving van het plangebied. Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. De bedrijfswoning met pannendak, tuin- en hagen blijft behouden en de steenuilenkast blijft geschikt voor nestelende steenuilen. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort
Afstand plangebied
Soortgroep en bescherming
Grote modderkruiper Heikikker Poelkikker
0-2 km 0-2 km 0-2 km
Vissen, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De heikikker blijkt, in vergelijking tot bijvoorbeeld de bruine kikker, een vennensoort bij uitstek. Bepaalde amfibieën zoals de gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker zouden mogelijk voor kunnen komen, ook in landfase. Deze kunnen zich in de erfbeplanting en in de tuinen van het plangebied kunnen schuilhouden tussen de beplanting, tussen opgeslagen materialen en ingegraven in de grond. Het voorkomen van de heikikker, poelkikker en grote modderkruiper is niet aannemelijk uitgesloten vanwege het intensief bewerkte en bemeste directe omgeving. Het ontbreekt in het plangebied aan geschikt habitat voor reptielen zodat het voorkomen ervan is uit te sluiten. De aanwezige kleine poel in het plangebied heeft een zodanige afmeting dat deze niet nader is onderzocht. Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Omgevingswet voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
27
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar geen waarnemingen van libellensoorten en nachtvlindersoorten. Er is 1 dagvlindersoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soort is te vinden in de onderstaande tabel. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort Grote weerschijnvlinder
Afstand plangebied 0-2 km
Soortgroep en habitat Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg
Overige soorten Er zijn de laatste vijf jaar in een straal van twee kilometer rond het plangebied geen waarnemingen van beschermde soorten. Overige beschermde soorten insecten zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie Amfibieën, reptielen en vissen zullen niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Vanwege de nabijgelegen agrarische percelen ontbreekt het aan de geschikte habitattypes voor reptielen. In het water ontbreekt het aan de waterbeplanting waar beschermde vissen van afhankelijk zijn. Voor amfibieën is het ontbreken van de waterbeplanting ook ongunstig. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. De in de omgeving staande waardplanten blijven allemaal behouden.
5.3 Houtopstanden Volgens artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving in de Omgevingswet is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Het betreft hier houtopstanden van tenminste 10 are of rijbeplanting van minimaal 20 bomen. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Indien het totale oppervlakte of aantal bomen klein is dan deze 10 are of 20 bomen, dan gelden de rijksregels over het vellen en herplanten niet. Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet. Er worden geen bomen gekapt. Een nadere toetsing houtopstanden is niet nodig.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
28
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora in het plangebied voorkomt. Met het wijzigen van het bestemmingsplan van de voormalige melkveestal zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Omgevingswet. De bebouwing in het plangebied kan geschikt zijn voor beschermde soorten zoals vleermuizen of huismussen. Echter blijft de bebouwing in het plangebied behouden en worden er geen wijzigingen gebracht aan deze gebouwen. Enkel wordt de voormalige melkveestal gewijzigd in gebruik/bestemming. De stal is al inpandig verbouwd en wordt huidig, evenals in de toekomst gebruikt als (bedrijfsmatige) opslag. Zodoende worden er geen beschermde soorten verstoord, verwond of gedood en is er geen ontheffing nodig voor genoemde soorten.
6.2 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora worden uitgesloten en wordt er geen beschermde fauna verstoord. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Omgevingswet o De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing van de Omgevingswet is daarom niet noodzakelijk. o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Omgevingswet een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor.
Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
29
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813 Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
30
Ecologische quickscan Engelseweg 8 Waspik, BE-0813
7. BRONNEN
Websites www.atlasleefomgeving.nl www.brabant.nl www.waarneming.nl www.floron.nl www.iplo.nl www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/ www.natuurmonumenten.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.NDFF.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.vogelbescherming.nl www.wikipedia.nl
Andere bronnen Checklist vleermuisprotocol Limpens et al., 2014, 2017 Baijens et al., 2005 Netwerk groene bureaus Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie van Economische Zaken
Bijlagen Bijlage 1: de verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: Lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn Bijlage 3: Soorten van nationaal belang
Bijlagen Bijlage 1: de verspreidingslijst van NDFF Bijlage 2: Lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn Bijlage 3: Soorten van nationaal belang
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
31
Uitvoerportaal Engelseweg
BE-0813
3312 records Middelpunt < 1km²
Middelpunt > 5km²
Middelpunt 1km² - 5km²
Vlak
schaal 1 : 5000
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.
10 januari 2024 14:10:29