CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Hogevaart 143 Sprang-Capelle Toelichting (1)

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hogevaart 143, Sprang-Capelle21.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gewenste ontwikkeling op het plangebied sluit in voldoende mate aan op de uitgangspunten van de woonvisie.

3.3.6. Integraal Waterplan Waalwijk (IWW)

Het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan. In het Waterplan worden de volgende doelen gesteld: 1. Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater; 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (waar private partijen dat niet kunnen); 4. Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater; 5. Zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Voor het hemelwater geldt, dat er wordt getoetst volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Daar is ruimte voor nodig. Voor het hemelwater wordt een apart systeem aangelegd, afhankelijk van de lokale situatie. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m 2) berging te maken over de extra verharding. De voorkeur gaat er naar uit dat het water vervolgens infiltreert in de bodem. Als dat niet mogelijk is (bijvoorbeeld in klei of door een hele hoge grondwaterstand), mag de berging langzaam leeglopen naar de openbare waterlopen.

Zoals blijkt uit de toetsing aan het aspect ‘water’ in paragraaf 4.2, zal er op de planlocatie een waterberging gerealiseerd worden, waardoor voldaan wordt aan zowel het gemeentelijk beleid als aan het beleid van het waterschap.

Pagina 23 van 59

3.3.7. Bestemmingsplan

Het vigerende planologisch regime van het plangebied is gedeeltelijk vervat in de Beheerverordening ‘Natte natuurparel, Eerste Zeine’, waarin voor deze locatie wordt verwezen naar het bestemmingsplan Buitengebied 1983/1991 (deelgebied 2.4), vastgesteld bij raadsbesluit van 4 juli 2019. Uit genoemd bestemmingsplan blijkt dat de volgende bestemming van toepassing is op de locatie, Zie Afbeelding 1: − ‘Bedrijfsdoeleinden’; − ‘ambachtelijk bedrijf’; − ‘één bebouwingsoppervlak’. Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen het inpassingsplan ‘Natuurgebied Westelijke Langstraat’ van de provincie Noord-Brabant, zoals vastgesteld op 6 maart 2020. Uit genoemd inpassingsplan blijkt dat de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing zijn op de locatie, zie Afbeelding 2: − Enkelbestemming: ‘Natuur’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – cultuurhistorisch vlak’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – in interim omgevingsverordening toe te voegen Natuur Netwerk Brabant’. In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid.

Pagina 24 van 59

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: − Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. − Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Er dient beoordeeld te worden of het project moet worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in Categorie D11.2. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat.

Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het initiatief betreft het herbestemmen van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming ten behoeve van de realisatie van een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat daarbij dus om een gedeeltelijke herbestemming die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving.

Het gebruik van het perceel wijzigt door het realiseren van een ruimte-voor-ruimtewoning, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het project voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat de oppervlakte aan bebouwing niet zal toenemen en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In

Pagina 25 van 59

het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: − Beschrijving waterrelevant beleid; − Bestaande waterhuishoudkundige situatie; − Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant.

Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: − Voldoende water; − Schoon water; − Veilig water; − Vitale bodem; − Klimaatadaptatie. Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden

Pagina 26 van 59

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Beleid gemeente Waalwijk Het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel.

Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, is het oppervlaktewater toegevoegd aan de scope van dit beleidsplan. In het Waterplan worden de volgende doelen gesteld: 6. Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater; 7. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 8. Zorgen voor inzameling van hemelwater (waar private partijen dat niet kunnen); 9. Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater; 10. Zorgen dat het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Voor het hemelwater geldt, dat er wordt getoetst volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Daar is ruimte voor nodig. Voor het hemelwater wordt een apart systeem aangelegd, afhankelijk van de lokale situatie. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m 2) berging te maken over de extra verharding. De voorkeur gaat er naar uit dat het water vervolgens infiltreert in de bodem. Als dat niet mogelijk is (bijvoorbeeld in klei of door een hele hoge grondwaterstand), mag de berging langzaam leeglopen naar de openbare waterlopen.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is geen sprake van het lozen van huishoudelijk afvalwater. Het plangebied is in de bestaande situatie in gebruik als braakliggend perceel met daarop een vervallen schuur. Voor het aanwezige gebouw op de planlocatie wordt er enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op het perceel landbouwgrond. Er vinden op de gronden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met hemelwater. Het niet-verontreinigende hemelwater kan dus zonder problemen in de bodem infiltreren. Zoals blijkt uit de leggerkaart van waterschap Brabantse Delta, is aan de noordzijde van de planlocatie een compartimenteringskering gelegen, zie Afbeelding 7. Indien de woning binnen de zonering van de waterkering wordt gebouwd dan zijn hier restricties aan verbonden zoals geen funderingspalen in de kering, geen kelder of kruipruimte onder deel van de woning dat in de kering komt te staan etc.

De volledige voorwaarden voor bouwen in/op een waterkering zijn terug te vinden in de Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Waterschap Brabantse Delta (hoofdstuk 15 en 17). Hier dient bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning rekening mee te worden gehouden. Zoals blijkt uit het landschappelijk inpassingsplan, opgenomen als Afbeelding 1, wordt aan de noordzijde en in de zonering van de compartimenteringskering plantmateriaal en knotwilgen ingetekend. Ook aan beplanting op/in de compartimenteringskering zijn voorwaarden voorbonden: bijv.

Pagina 27 van 59

nieuwe bomen zijn alleen toegestaan indien deze van nature lager blijven dan 5 meter boven het maaiveld. Voor de volledige voorwaarden wordt verwezen naar de Algemene Regel 29 van het waterschap Brabantse Delta. Hier dient bij de aanleg van de landschappelijke inpassing rekening mee te worden gehouden.

Afbeelding 7: Uitsnede leggerkaart Brabantse Delta, planlocatie rood omcirkeld Verder blijkt uit de keurkaart van de Brabantse Delta dat de planlocatie is gelegen in het beschermd gebied, zie Afbeelding 8. Hier kunnen mogelijk restricties aan verbonden zijn bij de realisatie van de woning op de planlocatie. Bij de uitwerking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning dient op verzoek van het waterschap contact opgenomen te worden met het waterschap.

Pagina 28 van 59

Afbeelding 8: Uitsnede keurkaart Brabantse Delta, planlocatie rood omcirkeld 4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit het plangebied enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd op de omliggende perceelsloten. Dit blijft onveranderd ten opzichte van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Aangezien de bedrijfsbestemming op de planlocatie gewijzigd wordt in een woonbestemming voor de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimtewoning, bestaat er de mogelijkheid dat de erfverharding ook iets zal worden vermeerderd. De weide rondom de planlocatie wordt middels verschralingsbeheer en peilopzetten door het waterschap omgevormd naar een nat schraalland. Om deze reden wordt het perceel waarop de woning wordt gerealiseerd opgehoogd. Elke toename in verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en kan leiden tot wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven en kon infiltreren. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied.

Op grond van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is het ingevolge artikel 3.6 van de Keur van het Waterschap Brabantse Delta verboden zonder vergunning neerslag tot afvoer te laten komen naar oppervlaktewaterlichamen. Vrijstelling van dit verbod wordt verleend voor zover onder andere de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt. Indien de toename meer dan 500 m² bedraagt dient een compenserende maatregel getroffen te worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening.

Pagina 29 van 59

De exacte afmetingen van de beoogde woning zullen nog nader bepaald worden. Vooralsnog wordt uitgegaan van een woning van ca. 120 m². Tevens is een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van ca. 150 m² mogelijk. De totale oppervlakte aan bebouwing zal derhalve maximaal ca. 300 m² zijn. Er zal eventueel nog verharding ten behoeve van een oprit en een terras en dergelijke worden aangelegd, maar het totaal aan verhard oppervlak zal niet meer dan 500 m² bedragen. In het gemeentelijk beleid is echter bepaald dat indien er sprake is van een toename aan verharding, er een hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden met een capaciteit van 6 liter per m2. Met betrekking tot de beoogde situatie zullen de exacte afmetingen van de woning nog nader worden bepaald. Vooralsnog is er een toename van circa 150 m2 verhard oppervlak voor de woning beoogd. Tevens zal er een bijgebouw van maximaal 150 m2 worden gerealiseerd. Hierdoor zal er in de toekomstige situatie een toename van circa 300 m2 ontstaan voor de realisatie van de woning met bijgebouw. Om te bepalen hoeveel liter hemelwater opgeslagen dient te worden op de locatie, dient onderhavige rekenregel te worden uitgerekend: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van circa 300 m2 verhard oppervlak.

Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit afbeelding 9 blijkt is er voor de locatie aan de Hogevaart 143 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘gevoeligheidsfactor

Pagina 30 van 59

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 300 m2 x 1 x 0,06 = 18 m3 Vanuit de gemeente geldt een bergingseis van 60 liter per m² verharding wanneer er sprake is van nieuwbouw. Deze bergingseis is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waardoor de opvang van hemelwater gewaarborgd is. De aan te leggen waterberging zal moeten voldoen aan de eisen uit de verordening afvoer hemelwater van de gemeente Waalwijk. Bij het aanleggen van de waterberging dient hier rekening mee gehouden te worden. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3.

Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: − Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; − Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; − Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; − Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; − Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Pagina 31 van 59

Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie wel NNB aanwezig, zie afbeelding 10. Ter plaatse van de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimtewoning is geen NNB aanwezig. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Het gedeelte van de planlocatie wordt omgevormd naar een nat schraalland en toegevoegd aan het NNB. Tevens worden diverse landschapselementen aangeplant ter versterking van het landschapsbeeld.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov Op onderstaande Afbeelding 11 is een uitsnede weergegeven van het ‘Natuurbeheerplan’ van de provincie Noord-Brabant. Hierop zijn de nabij gelegen natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen weergegeven die binnen het NNB gebied gelegen zijn. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen gelegen: − ‘Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’.

Pagina 32 van 59

Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'Natuurbeheerplan', locatie met rood kader weergegeven De beoogde ontwikkelingen tasten de ecologische en hydrologische waarden en kenmerken van de NNB (zoals hierboven benoemd) niet aan. Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied gedeeltelijk omgezet in een woonbestemming voor de realisatie van een Ruimte-voor-Ruimtewoning. Het omliggende perceel, wat gelegen is binnen het NNB zal door het waterschap worden omgevormd naar een nat schraalland. Ook sluit dit aan op het beoogde beheertype. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast. De omvang van de beoogde ontwikkeling is kleinschalig van aard en heeft derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. Hiermee wordt voldaan aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening.

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Langstraat, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Biesbosch. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen,

Pagina 33 van 59

nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Langstraat. De planlocatie is gedeeltelijk in dit gebied gelegen. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 5. In Bijlage 6 en Bijlage 7 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Uit de berekening van de voortoets stikstof blijkt dat in de gebruiksfase geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving ontstaat. Uit de berekening met betrekking tot de realisatiefase blijkt dat er ook geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ontstaat.

Daarnaast is er in het kader van het vaststellen van het bestemmingsplan nieuwe AERIUSberekeningen gemaakt in de nieuwste versie van AERIUS. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en toekomstige gebruik. Tijdens de realisatiefase van de woning zal een deel van de draaiuren van de mobiele werktuigen worden uitgevoerd met elektrisch materieel. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ligging van de planlocatie tegen het Natura 2000-gebied Langstraat leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:

Pagina 34 van 59

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: − Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); − Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); − Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Hogevaart 143, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woning, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op 27 september 2022 is door Brabant Eco B.V. een ecologische quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarbij is gecontroleerd of er geen beschermende soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn, zie bijlage 8. Vanwege ongeschiktheid kan beschermde fauna zoals de vleermuis ook uitgesloten worden.

Echter kan de vervallen schuur met de ruigte hieromheen schuil en foerageermogelijkheden bieden aan marterachtige. Desondanks er tijdens observatie geen sporen zijn waargenomen, kan het voorkomen van materachtigen niet worden uitgesloten. Om overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt naderonderzoek geadviseerd. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Uit het aanvullend onderzoek marterachtigen blijkt het volgende, zie het aanvullend onderzoek in Bijlage 9: - Er zijn geen marterachtigen waargenomen tijdens de veldbezoeken. - Er zijn geen sporen van de aanwezigheid van marterachtigen gevonden. - Er zijn geen marters vastgelegd op de cameravallen. - Het plangebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Uit nader onderzoek naar marterachtigen is gebleken dat in de te slopen vervallen schuur geen vaste nestof verblijfplaats van genoemde soorten aanwezig zijn. De voorgenomen plannen hebben daarom geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet

Pagina 35 van 59

natuurbescherming tot gevolg. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor marters is niet nodig. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk is. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde woonbestemming moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de cultuurhistorische themakaart van de gemeente Waalwijk blijkt dat de planlocatie in een gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 12 en Afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Dit blijkt tevens uit de cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant, zie Afbeelding 14.

Afbeelding 12: Uitsnede Iov, kaart Aardkundig en Cultuurhistorisch waardevol gebied

Pagina 36 van 59

Plangebied

Afbeelding 13: Uitsnede cultuurhistorische themakaart gemeente Waalwijk

Afbeelding 14: Uitsnede CHW kaart, locatie met zwarte stip weergegeven In navolgende kader is een beschrijving (behorende bij de CHW kaart) van de cultuurhistorische waarden, waarin het plangebied is gelegen.

Pagina 37 van 59

Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorisch landschap ‘Langstraat’. De oostelijke Binnenpolder van Capelle is een relatief gaaf bewaard gebleven veenontginningslandschap, dat bestaat uit smalle strookvormige graslandpercelen, gegroepeerd in rechthoekige blokken. De veenontginning is begonnen in de 13e eeuw. In delen van het gebied is perceelrandbegroeiing aanwezig in de vorm van houtsingels. Turfwinning heeft plaatsgevonden in het centraal gelegen De Dullaard. In dit natuurgebied is een reconstructie van het veenwinningslandschap gerealiseerd, onder andere door het graven van petgaten en tot ontwikkeling brengen van trilvenen. Ten noorden van het Zuiderafwateringskanaal (1850-1900) sluit de percelering aan op de strookvormige percelering die vroeger ten noorden van de Winterdijk aanwezig was. De rest van het gebied is waarschijnlijk grotendeels vanaf de westelijke (Nieuwe Vaartsche Straat) en oostelijke (Zuidewijn) zijkaden ontgonnen.Het gebied maakte vanaf 1700 als inundatiegebied deel uit van de Zuiderwaterlinie. Verder blijkt uit de cultuurhistorische waardenkaart dat het plangebied is gelegen binnen de historische stedenbouw ‘lintbebouwing Labbegat en Hoge Vaart’.

Op zijkade (Zijdewende of Zuidewijn) van twee veenontginningsblokken gesitueerde lintbebouwing langs de as Hogevaart en Labbegatsevaartweg met een geringe verbreding rond de kruising met de oost-west georiënteerde Winterdijk en aanpalend de voormalige haven van Labbegat. De structuur wordt halverwege doorsneden door het oost-west lopende Zuiderafwateringskanaal. Parallel loopt aan de oostzijde van de weg het restant van de Hoge Vaart, een voormalige turfvaart. Dominant in het lint is het halverwege gelegen versterkte huis Zuidewijn (circa 1400). De overige bebouwing bestaat uit verspreide eenlaags, overwegend functioneel agrarische bebouwing met de nokrichting haaks op de weg. Hoge Vaart ontstond oorspronkelijk veel noordelijker op een oeverwal langs de Maas. Na de verwoesting door de St. Elisabethsvloed van 1421 werd het dorp in de daaropvolgende eeuwen op ongeveer de tegenwoordige locatie herbouwd. Het huidige bebouwingsbeeld dateert overwegend van 1800-1925. Het noordelijke deel heeft rond de voormalige haven van Labbegat een enigszins industrieel karakter. Voor het overige heeft de structuur vooral een sterk agrarisch karakter. Het bebouwingsbeeld is weinig gewijzigd, enkele panden zijn verbouwd en plaatselijk is nieuwbouw gerealiseerd. De relaties tussen de bebouwing, infrastructuur en het omringende, bijzonder gaaf bewaarde slagenlandschap zijn volledig intact.

Het plan betreft het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming en het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimtewoning ter plaatse van de vervallen schuur. Gezien de kleinschaligheid van het plan en de beoogde activiteiten wordt met de uitvoering van het plan geen wijzigingen aangebracht in de verkavelingsstructuur en het karakteristieke kleinschalige landschap.

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De gemeente Waalwijk heeft op 14 november 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld. Zoals blijkt uit de archeologische beleidskaart is de planlocatie gelegen in een gebied met een gematigde archeologische verwachtingswaarde (categorie 4), zie Afbeelding 15.

Pagina 38 van 59

Afbeelding 15: Uitsnede archeologische beleidskaart Uit het archeologisch beleid van de gemeente Waalwijk blijkt dat ter plaatse van een gebied met een voorschriftcategorie 4 geen verplichting geldt tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld, mits het plangebied niet groter is dan 5.000 m2. Het plangebied is niet groter dan 5.000 m2, waardoor er geen archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. 4.5. Landschappelijke inpassing De planlocatie is gelegen tegen het Natura-2000 gebied ‘Langstraat’. De inpassing van het initiatief aan de Winterdijk-Hogevaart te Sprang-Capelle is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap en op de Structuuvisie Waalwijk. Tevens wordt middels zelfrealisatie door initiatiefnemers invulling gegeven aan ontwikkeling van nieuwe natuur binnen de Natura-2000 begrenzing. De locatie is binnendijks gelegen in, tot voor kort een overwegend agrarische polder met kenmerkend slagenlandschap. Landbouwgrond, akkers en weiden ontstaan na winning van turf uit bovenlaag. De ondergrond maakt dit gebied uniek, het betreft overgangsgebied van zandgrond naar kleigrond, waar van nature veel kwel voor komt. In dit overgangsgebied met veengronden tussen de kernen Waspik en Waalwijk is dan ook de zogenaamde ‘Natte Natuurparel’ gelegen.

Hierbij is de prioriteit om het landbouwgebied om te vormen tot natuur. Dit gebied heeft de status als Natuur Netwerk Brabant (NNB) en een gedeelte heeft ook een Europese status als Natura 2000-gebied Langstraat. Het plangebied kent beide statussen, met uitzondering op de noordoosthoek, waar de beoogde woning is voorzien, ter plaatse van de huidige in verval geraakte bebouwing. Ten noorden van het perceel staan enkele bloesemboompjes en langs de Winterdijk staan langs beide zijden inheemse landschapsbomen. Vanaf de Winterdijk en de Hogevaart zijn er waardevolle zichtlijnen naar het achterliggende landschap gelegen.

Pagina 39 van 59

Gezien voorgaande wordt de huidige weide middels verschralingsbeheer en peilopzetten door het waterschap omgevormd naar een nat schraalland. Tevens worden diverse landschapselementen aangeplant ter versterking van het landschapsbeeld. Ook sluit dit aan op het beoogde beheertype. Er worden bosschages beoogd op de natuurlijke hoogtes in het veld met inheemse struweelvormers met het oog op het versterken van de biodiversiteit en deels voorkomen van inkijk vanaf straat op het achtergebied van de woning. De Winterdijk zal worden begeleid met knotwilgen om de laanstructuur te versterken. Doordat er struweelvormers en grasland worden toegepast, is sprake van meerdere vegetatielagen wat bijdraagt aan de ecologische invulling van het plangebied. De bestaande zichtlijnen naar het achterliggende landschap kunnen gehandhaafd blijven. Ook zal worden aangesloten bij het landschappelijk inpassingsplan van de provincie Noord-Brabant. 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Aangezien het onderhavige plan gaat om het realiseren van één Ruimte-voor-Ruimtewoning is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Er is daarom door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: − Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is puinhoudende grond aangetroffen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. − In bovengrondmengmonster M01 zijn licht verhoogde gehaltes aan nikkel, zink, Cadmium, kwik, lood en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. − In ondergrondmengmonster M02 zijn licht verhoogde gehaltes aan kwik en lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. − In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.

− Vanwege het aantreffen van puinhoudende grond EN de aanwezigheid van een asbesthoudend dak, dient formeel een aanvullend verkennend asbestonderzoek uitgevoerd te worden (conform de norm NEN 5707). Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 10. Het aanvullend verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd en bijgevoegd in Bijlage 11. Op grond van de verkregen resultaten vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw. Aangezien de bovengrond ter plaatse van zowel de druppelzone als het overig plangebied niet tot boven de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) verontreinigd is met asbest, wordt het uitvoeren van een nader asbest in bodemonderzoek niet zinvol geacht. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het plan. Bij het verkennend onderzoek van Moerdijk Bodemsanering B.V. is er alleen buiten de bestaande bebouwing geboord. Bij het verkennend asbestonderzoek van Bodem- en Milieuadvies Brabant is alleen in het voormalige schuurtje 1 proefgat gegraven. Na de sloop zal ter plaatse van de huidige/voormalige bebouwing dus nog (aanvullend) bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om uit te sluiten dat er op verontreinigde grond wordt gebouwd. De rest van het terrein is met de uitgevoerde onderzoeken wel voldoende onderzocht.

Na de sloop van de bestaande bebouwing en voordat gestart kan worden met de bouwwerkzaamheden voor de beoogde woning dient een (aanvullend) bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Pagina 40 van 59

4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De planlocatie ligt direct aansluitend aan natuurgronden. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand van 50 meter. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: − Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; − Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: − Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. − Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. bedrijven en natuurgronden. Daarnaast is de locatie direct naast de hoofdinfrastructuur van de A59 gelegen (op circa 440 meter van de planlocatie, zie Afbeelding 16), hierdoor is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen.

Pagina 41 van 59

Afbeelding 16: Uitsnede kaart geluid wegverkeer per etmaal, Atlasleefomgeving.nl Beperkingen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven

De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een aannemersbedrijf/transportbedrijf aan de Winterdijk 17, wat behoort tot milieucategorie 3.1. Dit bedrijf houdt zich voornamelijk bezig met graafwerkzaamheden, transport, grond zeven, leveren van grond- en bouwstoffen zoals zand, grind en puingranulaat, uitvoeren van grond- en straatwerk, het zagen van asfalt en beton, sloopwerkzaamheden, verhuur van verschillende bouwmaterialen, zoals bouwhekken en kunststof rijplaten. Gezien de bedrijfsactiviteiten zijn meerdere SBI-codes van toepassing. Een groothandel in zand en grind (stukgoederen) met een bebouwd oppervlak > 200 m2 wordt ingedeeld in categorie 3.2., puinbrekerijen vallen al snel onder 4.2, verhuur bedrijven voor machines en werktuigen vallen daarentegen weer onder categorie 3.1. Aangezien puinbreken een nevenactiviteit is, dient het bedrijf mede gezien de grootte van het bedrijf eerder in categorie 3.2 ingedeeld te worden dan in categorie 3.1. Daarnaast vinden de puinbreekactiviteiten op het achterterrein plaats op grotere afstand dan de ingang van het bedrijf van de nieuw te bouwen woning. Bij milieucategorie 3.1 is een richtafstand 50 meter van toepassing en bij een categorie 3.2 een afstand van 100 meter. Aangezien de locatie is gelegen binnen het gemengd gebied, mag de richtafstand verkleind worden met één stap.

Voor het bedrijf geldt dus een richtafstand van 50 meter. De nieuwe woning komt op circa 30 meter van de ingang van het bedrijf te liggen. Door het realiseren van een woning binnen de richtafstand van 50 meter rondom het bedrijf aan de Winterdijk 17, kan dit beperkingen opleveren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Om deze reden is conform een akoestisch onderzoek industrielawaai, uitgevoerd op 24 april 2024 door F. Bouwmans Ingenieursburo, onderzocht of de bedrijfsvoering van het aannemersbedrijf aan de Winterdijk 17 wordt beperkt door de realisatie van de beoogde woning op het plangebied. Het akoestisch onderzoek industrielawaai is bijgevoegd als Bijlage 12 bij onderhavige toelichting. Ten behoeve van het onderzoek zijn geluidberekeningen verricht, conform de eisen uit de Handleiding Meten en Rekenen industrielawaai (HMRI-II). De optredende geluidniveaus in de omgeving van het bedrijf zijn bepaald middels overdrachtsberekeningen volgens

Pagina 42 van 59

de specialistische methode uit de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai. Hierna volgen de uitkomsten uit het akoestisch onderzoek industrielawaai: -

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT

Uit de berekeningen blijkt dat het bedrijf zowel in de representatieve bedrijfssituatie als bij de maximale planologische mogelijkheden bij de nieuwbouwwoning ter hoogte van de zuiden westgevel ruim voldoet aan de grenswaarden. Omdat de noord- en oostgevel niet geluidgevoelig is hoeft daar niet getoetst te worden. Dit betekent dat de bedrijfsvoering van het bedrijf niet belemmerd wordt door de nieuwbouwwoning op het plangebied. -

Maximale geluidniveaus LAmax

Uit de berekeningen blijkt verder dat het bedrijf zowel in de representatieve bedrijfssituatie als bij de maximale planologische mogelijkheden bij de nieuwbouwwoning ter hoogte van de zuiden westgevel ruim voldoet aan de grenswaarden. Omdat de noord- en oostgevel nietgeluidgevoelig zijn hoeft daar niet getoetst te worden. Dit betekent dat de bedrijfsvoering van het bedrijf in de representatieve bedrijfssituatie niet belemmerd wordt door de nieuwbouwwoning. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de maatgevende woning voor het bedrijf aan de Winterdijk 17 de woning gelegen aan de Winterdijk 18 is. Echter behoort deze woning tot de inrichting en dient dus niet te worden beschouwd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelastingen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidsniveau op de noord- en oostgevel van de nieuwe woning aan de Hogevaart 143 hoger zijn dan de belastingen op de gevel van Winterdijk 16 (volgens het rapport Winterdijk 15). Echter is de noord- en oostgevel van de nieuwbouwwoning doof uitgevoerd en is daardoor niet geluidsgevoelig en hoeft daardoor niet getoetst te worden. Hierdoor is de meest maatgevende woning, de woning gelegen aan de Winterdijk 16. De geluidsbelasting op de zuid- en westgevel van de nieuwbouwwoning zijn lager dan bepaald op de westgevel van de woning gelegen aan Winterdijk 16.

Dit betekent dat de bedrijfsvoering van het bedrijf bij de maximale planologische mogelijkheden niet belemmerd wordt door de nieuwbouwwoning ter plaatse van de Hogevaart 143. Verder is er in de omgeving van het plangebied een aannemersbedrijf gelegen aan de Hogevaart 125. Een aannemersbedrijf behoort tot milieucategorie 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 90 meter van het aannemersbedrijf. De realisatie van de gewenste woning aan de Hogevaart 143 zal dus niet leiden tot extra beperkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van het aannemersbedrijf.

Woon- en leefklimaat

Zoals hiervoor omschreven betreft de dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid een aannemersbedrijf met een werkplaats > 1.000 m2 aan de Winterdijk 17, wat behoort tot milieucategorie 3.2 zoals bovenstaand beschreven in ‘Beperkingen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven’. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 50 meter. Het bedrijf ligt op circa 30 meter van de planlocatie. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Aangezien tussen het transportbedrijf en de gewenste woning aan de Hogevaart 143 een drukke doorgaande weg is gelegen, namelijk de Winterdijk wordt geconcludeerd dat het transportbedrijf niet leidt tot extra belemmeringen van het woon- en leefklimaat van de gewenste woning. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Verder ligt in de omgeving van het plangebied een aannemersbedrijf aan de Hogevaart 125. Een aannemersbedrijf behoort tot milieucategorie 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 90 meter van het aannemersbedrijf. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen.

Pagina 43 van 59

Afbeelding 17: Kaart omliggende niet-agrarische bedrijvigheden Tabel 1: Richtafstanden omliggende bedrijven Locatie Winterdijk 17 Sprang-Capelle Hogevaart 125 Sprang-Capelle

Werkelijke afstand 30 meter 90 meter

Richtafstand 50 meter 30 meter

Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.9.1. Omgekeerde werking Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde Ruimte-voor-Ruimtekavel. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe Ruimte-voorRuimtewoning. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen.

Pagina 44 van 59

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16067279/1