CConstaterende datWaalwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Hogevaart 143 Sprang-Capelle Toelichting (1)

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente WaalwijkBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hogevaart 143, Sprang-Capelle21.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.9.2. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Winterdijk 11 te Sprang-Capelle. Dit betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter. De rundveehouderij ligt op een afstand van circa 330 meter ten opzichte van de planlocatie. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van veehouderijen in de omgeving. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het bestand veehouderijen Brabant genomen met als peildatum maart 2022. Daartoe kan de kaart als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd.

Uit Afbeelding 18 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving zeer goed is, waardoor het woon- en leefklimaat acceptabel zal zijn voor wat betreft het aspect geur.

Afbeelding 18: Uitsnede achtergrond geurbelasting ODZOB Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 45 van 59

4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: − Categorie woningbouwlocaties; − Categorie kantoorlocaties; − Combinatie van woningbouw en kantoren; − Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van één nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één nieuwe woning mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.10.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Sinds 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft de atlas leefomgeving van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De

Pagina 46 van 59

jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de atlas leefomgeving voor fijnstof PM10 15-16 μg/m3, voor PM2,5 8-9 μg/m3 en voor NO2 14-16 μg/m3, zie Afbeeldingen 19, 20 en 21.

Afbeelding 19: Luchtkwaliteit fijnstof 2020 (PM10), atlasleefomgeving.nl

Afbeelding 20: Luchtkwaliteit fijnstof 2020 (PM2,5), atlasleefomgeving.nl

Pagina 47 van 59

Afbeelding 21: Luchtkwaliteit stikstofdioxide (NO2), altlasleefomgeving.nl Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van Hogevaart, Winterdijk en Labbegatsevaartweg. Binnen de geluidszone van deze weg(en) is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de de vorm van een Ruimte-voor-Ruimtewoning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden.

Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met de aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De voorkeursgrenswaarde wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is derhalve een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige akoestische onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 13. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Hogevaart is maximaal 57 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Indien de maximale ontheffingswaarde buitenstedelijk gebied wordt overschreden is nieuwbouw in dit gebied alleen mogelijk door het toepassen van een of meer dove gevels. Dit is een gevel waarin, voor zover zich daarachter een verblijfsruimte bevindt, geen te openen delen zijn opgenomen. Indien de gevels waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden doof worden uitgevoerd, kan bij de gemeente Waalwijk een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. De

Pagina 48 van 59

noord- en oostgevel van de nieuwe woning zullen doof worden uitgevoerd, dit zal worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Zoals blijkt uit het beleid ‘hogere waarde beleid Wet geluidhinder Gemeente Waalwijk 2010’ heeft de gemeente bepaald dat het gebruik van de zogenaamde ‘dove gevel’ zoveel als mogelijk vermeden dient te worden. Daarnaast is het in het beleid van de gemeente het volgende omschreven:

Verder is in het gemeentelijk beleid het volgende omschreven inzake de geluidsluwe gevel:

En is het volgende bepaald in het gemeentelijk beleid inzake de geluidsluwe buitenruimte:

De beoogde woning kan niet op een andere plek op de planlocatie gerealiseerd worden vanwege het ‘historisch beeld’. Vanuit het stedenbouwkundig oogpunt is een andere situering van de woning op de planlocatie ook niet wenselijk. De gronden achter de planlocatie zijn opgenomen in het provinciaal inpassingsplan en zijn herbestemd in de bestemming natuur. Hierdoor is een verplaatsing van de woning, op een grotere afstand van de weg, geen optie aangezien dit niet passend is binnen het historisch beeld en dit niet wenselijk is vanuit het stedenbouwkundig oogpunt. Ook is de verplaatsing van de woning niet mogelijk in verband met het provinciaal inpassingsplan. Op grond van het akoestisch onderzoek blijkt dat twee gevels van de beoogde woning doof uitgevoerd moeten worden, gezien de beoogde ligging van de woning. Voor wat betreft de dove gevels kunnen voorzieningen worden getroffen zodat ramen wel te openen kunnen zijn. Voorbeeld hiervan is het realiseren van een loggia of plaatsen van Silent Air schermen. Silent Air schermen dienen ervoor om de geluidbelasting op de te openen delen terug te brengen, zodat ter plaatse wel wordt voldaan aan de

Pagina 49 van 59

maximale ontheffingswaarde. Indien dit wenselijk is bij de bouw van de woning, zal bij de aanvraag omgevingsvergunning onderdeel bouwen afstemming worden gezocht met de gemeente, zodat de gemeente hier goedkeuring op kan geven. Vereist is dat er aan het bouwbesluit wordt voldaan en dat er aan de maximale ontheffingswaarde wordt voldaan vanuit het hogere waarde besluit. Op grond van het beleid van de gemeente dient de woning over ten minste één geluidsluwe gevel te beschikken. Bij de bouw van de woning zullen voorzieningen worden getroffen, waardoor de westelijke gevel van de woning als geluidsluw wordt aangemerkt. Dit wordt gerealiseerd door aan de noordzijde van het perceel voorzieningen te treffen in de vorm van een muur/scherm. Door het treffen van voornoemde maatregel, wordt ook meteen voorzien in de realisatie van een geluidluwe buitenruimte. Hierdoor wordt voldaan aan de voorwaarden uit de het beleid van de gemeente. Zowel tenminste één geluidsluwe zijde en een geluidsluwe buitenruimte zijn strikte vereisten. De beoogde maatregelen die getroffen moeten worden voor de realisatie van één geluidsluwe zijde en één geluidsluwe buitenruimte worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting. Bij de gemeente Waalwijk zal een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor de west- en zuidgevel van de woning.

Er is derhalve sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve zijn er geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Hogevaart. De Hogevaart is een doorgaande weg tussen Sprang-Capelle en de A59. De weg wordt ontsloten door de Winterdijk en de Julianalaan. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij het parkeerbeleid van de gemeente Waalwijk, wat is vervat in de ‘Nota Parkeernormen Waalwijk 2015’ aldus vastgesteld op 10 december 2015. Conform deze nota geldt voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied een parkeernorm van 2,0. Op de planlocatie is voldoende ruimte om 2 parkeerplaatsen te realiseren zoals te zien is op het landschappelijk inpassingsplan, zie bijlage 1.

De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) − Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Pagina 50 van 59

De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties.

Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.13.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 22.

Pagina 51 van 59

Afbeelding 22: Uitsnede EV-signaleringskaart, plangebied rood omcirkeld Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (realisatie van een Ruimte-voor-Ruimtewoning) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Uit de Signaleringskaart EV blijkt dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van DSM NeoResins BV. Verder ligt het plangebied in het invloedsgebied van de A59. Uit de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2023, de bijbehorende kaart zone indeling en het stroomschema voor de gemeente Waalwijk, opgesteld door de OMWB, blijkt dat het initiatief is gelegen in het grijze gebied.

Dit betreft het gebied voor toepassing van de standaard verantwoording. De brandweer heeft het document ‘Standaard Verantwoording Groepsrisico’ opgesteld. Dit betreft een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in een ruimtelijk plan. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’ weergegeven. Uit

Pagina 52 van 59

Afbeelding 23 blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone ‘Gebied voor toepassing standaard verantwoording’. Binnen deze zone geldt voor bestemmingsplannen een standaardverantwoording, omdat deze gronden binnen het invloedsgebied zijn gelegen, maar buiten de bepalende zones voor het groepsrisico. De ‘Standaardverantwoording Groepsrisico’ is toegevoegd in Bijlage 14.

Afbeelding 23: Uitsnede ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’, planlocatie rood omcirkeld Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.14. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 22). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.

Pagina 53 van 59

4.15. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.

gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. In paragraaf 4.9 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Winterdijk 11 te Sprang-Capelle op een afstand van circa 330 meter. Dit betreft een rundveehouderij. Voor rundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.

Pagina 54 van 59

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.

Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: − Enkelbestemming: ‘Wonen’; − Enkelbestemming: ‘Groen’; − Enkelbestemming: ‘Natuur’; − Bouwvlak: ‘Bouwvlak’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – attentiegebied waterhuishouding’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – groenblauwe mantel’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol gebied’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – cultuurhistorisch vlak’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’; − Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – in interim omgevingsverordening toe te voegen Natuur Netwerk Brabant’ − Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’; − Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van natuur – halfverharding toegestaan’; − Bouwaanduiding: ‘specifieke bouwaanduiding – dove gevel’; − Bouwaanduiding: ‘vrijstaand’. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten

Pagina 55 van 59

opzichte van het geldende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

Pagina 56 van 59

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Hogevaart 143 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap de Brabantse Delta en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van deze overleggen zijn de opmerkingen verwerkt in het bestemmingsplan, zie de notitie reacties vooroverleg, zoals opgenomen in Bijlage 15. Daarnaast is in het kader van de herbestemming van de locatie aan de Hogevaart 143 te Sprang-Capelle een omgevingsdialoog gevoerd. Uit de reacties van de omwonende op de omgevingsdialoog blijkt dat de omwonende akkoord zijn met het initiatief en blij zijn met de herontwikkeling van de vervallen schuur.

6.2.2. Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn in totaal 2 zienswijzen ontvangen, de beantwoording op deze zienswijzen is behandeld in de Nota beantwoording zienswijze. De beantwoording van de zienswijze is bijgevoegd in bijlage 17. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die óf tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp óf belanghebbenden is, beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Pagina 57 van 59

7. Bijlagen 7.1. Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan 7.2. Bijlage 2: Kadastraal uittreksel 7.3. Bijlage 3: Vestiging kwalitatieve verplichting 7.4. Bijlage 4: Projectplan natuurrealisatie 7.5. Bijlage 5: Notitie invoergegevens AERIUS-berekeningen 7.6. Bijlage 6: AERIUS-berekening gebruiksfase 7.7. Bijlage 7: AERIUS-berekening aanlegfase 7.8. Bijlage 8: Ecologische QuickScan 7.9. Bijlage 9: Nader onderzoek marterachtigen 7.10.

Bijlage 10: Bodemonderzoek

7.11.

Bijlage 11: Aanvullend verkennend asbestonderzoek

7.12.

Bijlage 12: Akoestisch onderzoek industrielawaai

7.13.

Bijlage 13: Akoestisch onderzoek

7.14.

Bijlage 14: Standaardverantwoording Groepsrisico

7.15.

Bijlage 15: Notitie reacties vooroverleg

7.16.

Bijlage 16: Certificaat Ruimte-voor-Ruimtetitel

7.17. Bijlage 17: Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Hogevaart 143 Sprang-Capelle’

en

staat

van

wijzigingen

Pagina 58 van 59

Pagina 59 van 59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16067279/1