CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Wijziging Omgevingsplan gemeente Waadhoeke - Ried woningbouw Suderom (NL.IMRO.1949.TAMOP22D-VAS1) met in bijlage 2 bij de motivering het Beeldkwaliteitsplan

Gemeenteraad Waadhoeke 19 februari 2026, gemeente waadhoekeBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan 22d Ried woningbouw Suderom20.723 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het advies hierbij is de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen en/of indien er geen sprake is van de aanwezigheid van broedende vogels. Tijdens de werkzaamheden dient tevens de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. 5.5.3 Conclusie Het aspect ecologie staat zowel met betrekking tot gebieds- als soortenbescherming de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Bovendien kan het omzetten naar woningbouw een positief effect hebben op de biodiversiteit door de toevoeging van groen en natuurinclusieve maatregelen zoals nestgelegenheden. Ten opzichte van de bestaande agrarische monocultuur is dit een verbetering. Gelet op het ecologische onderzoek en het stikstofonderzoek is het

37

bouwplan niet in strijd met de instructieregels van het Bal. Met de inachtneming van de aanbevelingen is het plan vanuit ecologie uitvoerbaar.

5.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze zijn van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook zijn deze van toepassing wanneer de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de in het Bkl aangewezen agglomeraties. Wanneer daar sprake van is, dan moet bij de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. Toetsing en conclusie Het initiatief betreft de realisatie van 19 woningen. Voor het plangebied is er geen sprake van een van een project of een aangewezen agglomeratie / gemeente waarop een toetsing aan de omgevingswaarden nodig is. Daarom is de regeling voor luchtkwaliteit niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied ook sprake van een goede luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering en relevant thema voor de uitvoering van dit plan.

5.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai

Toetsingskader Met betrekking tot geluid zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bovendien zijn instructieregels opgenomen die specifiek zijn bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het geluid van activiteiten. Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit tijdstip begrenst door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling).

De geluidaandachtsgebieden voor rijkswegen, en spoorwegen is terug te vinden op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens. Voor provinciale wegen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en vormt het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.

38

In een Omgevingsplan en bij het toepassen van een BOPA moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals vermeld in het Bkl. De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is dus het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van het geldende overgangsrecht zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden. Het geluidaandachtsgebied dat is gebaseerd op vaste afstanden heeft voor lokale (spoor)wegen een breedte van 100 meter, 200 meter of 350 meter aan weerszijden van de weg. Dit is afhankelijk van het aantal rijstroken, het aantal sporen en de snelheid van de situatie waarop het besluit is gebaseerd. Binnen dit geluidaandachtsgebied zijn de instructieregels van het Bkl van toepassing. Vaste afstanden:  Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/uur of minder geldt: 100 m.  Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur geldt: 200 m  Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, ongeacht de maximumsnelheid geldt: 350 m.

Toetsing en conclusie In de omgeving van het plangebied zijn alleen gemeentewegen aanwezig met een lage verkeersintensiteit. De verkeersintensiteiten zijn dermate laag dat het aannemelijk is dat er kan worden voldaan aan de standaardwaarden en er een aanvaardbare situatie is ter plaatse. Hierbij wordt (zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven) de komgrens aan de Peinserweg in zuidelijke richting verplaatst, waardoor het 30 km/uur-gebied ter plaatse van het plangebied komt te liggen. Ook is de extra verkeersaantrekkende werking van het project niet dermate groot dat er op de omliggende woningen een extra geluidsbelasting ontstaat (zie ook paragraaf 5.4). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk en er zal sprake zijn van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.8

Geluid door activiteiten

Toetsingskader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw. Het geluid van activiteiten buiten het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten. Momenteel zijn de regels van de Bruidsschat van toepassing op de activiteit. Indien noodzakelijk (om de belemmeringen weg te nemen)

39

kunnen er maatwerkvoorschriften voor de activiteit worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met de instructieregels van het Bkl. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke tegen de bebouwde kom van het dorp Ried. Met de ontwikkeling in Súderom - 2 wordt een milieugevoelige functie gerealiseerd. Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op circa 150 meter ten noordoosten van het plangebied binnen de kern Ried. De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een metaalbewerkingsbedrijf welke kan worden ingedeeld in de categorie ‘constructiewerkplaats in een gesloten gebouw met een p.o. van meer dan 200 m2’ (SBI-code 251, 331,1). Dit is een milieucategorie 3.2-bedrijf met een richtafstand van 100 meter vanwege geluid. De omgeving van het plangebied kan worden gezien als gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Dat is het geval in Ried. De richtafstand kan daarom worden teruggebracht tot 50 meter.

Met een afstand van circa 150 meter kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan deze richtafstand en er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat bij de te realiseren woningen. Bovendien zijn er reeds meerdere woningen op kortere afstand van de bedrijvigheid aanwezig waardoor er geen sprake zal zijn van een belemmering van de bedrijfsvoering. Het is aannemelijk dat de geluidwaarden uit de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden en de woningen dus voldoende worden beschermd. Daarnaast wordt de bedrijfsvoering van de bedrijven niet belemmerd door de aanwezigheid van woningen die zich reeds op een kortere afstand bevinden dan de geplande woningen.

5.9

Geur

Toetsingskader De gemeente moet in het omgevingsplan op grond van het Bkl rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt dit twee kanten op:  bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;  bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Toetsing en conclusie De beoogde woningen maken geen activiteiten mogelijk welke geur produceren. Wel worden er met de beoogde ontwikkeling geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Op circa 450 meter ten westen van het projectgebied is

40

een pluimveehouderij gelegen. Verder zijn in de omgeving van het projectgebied geen andere veehouderijen gelegen. Daarom kan cumulatie worden uitgesloten. Tevens valt het projectgebied buiten een concentratiegebied zoals bedoeld in artikel 5.108 van het Bkl. Daarom gelden in het projectgebied de standaardwaarden voor toelaatbare geur door het houden van landbouwhuisdieren. In artikel 5.109, eerste lid van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen. Hierin wordt een standaardwaarde vermeld van 2,0 Odour Units (OUE) per kubieke meter voor geurgevoelige gebouwen gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied. Voor de omgevingsvergunning van de pluimveehouderij is in 2016 een geuronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geurbelasting op de woning aan de Peinserweg 4a (westzijde plangebied), op circa 50 meter afstand van het projectgebied, 1,0 Odour Unit (OUE) per kubieke meter betreft. Er geldt een standaardwaarde van 2,0 OUE/m3. Daarmee valt de geurbelasting ruimschoots onder de standaardwaarde. Het is aannemelijk, gezien de vergelijkbare afstand tot het plangebied, dat de geurbelasting op de beoogde woningen ook onder deze standaardwaarde zal blijven. Hiermee is ook aangetoond dat het pluimveebedrijf niet in zijn bedrijfsvoering beperkt wordt door de beoogde ontwikkeling.

Conclusie De verwachtte geurbelasting op de beoogde woningen valt ruimschoots onder de standaardwaarde. Daarnaast wordt het pluimveebedrijf niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:  de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en  het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:  activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;  het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);  buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;  windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Er zijn drie categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).  Zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is 'zeer kwetsbaar' als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen.

Het gaat daarbij onder meer om de volgende gebouwen: woonfunctie voor

41

24-uurszorg, basisscholen en kinderopvang. Kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: een woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie en sportfunctie. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar. De nadruk ligt op de bescherming van de kwetsbare gebruiksfunctie van een gebouw.

Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk gemaakt. Om zicht te krijgen op de omgevingsveiligheid is de atlas voor de leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat circa 225 meter ten zuiden van het plangebied een buisleiding is gelegen. Het betreft aardgasleiding N-502- 49 in beheer van de Gasunie. De buisleiding heeft een grootte van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied bedraagt 95 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Ook is de ontwikkeling niet in de PR 10-6-contour of het invloedsgebied van een andere risicovolle bron gelegen. In het geldende omgevingsplan is in het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen. De gasleiding is niet meer in gebruik, waardoor hier geen rekening mee hoeft te worden gehouden. Advies Brandweer Brandweer Fryslân heeft op 17 april 2025 advies uitgebracht op het omgevingsplan ‘Ried -Suderom 2’. Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot de bluswatervoorziening. Geadviseerd wordt daarom om brandkranen aan te leggen met een minimale capaciteit van 500 liter per minuut (30 m3 /uur) op een maximale afstand van 100 meter van elke woning.

Het advies van Brandweer Fryslân is opgenomen als bijlage 11. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Trillingen Toetsingskader Op grond van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. In het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillingsgevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaak door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en

42

spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Toetsing en conclusie In het plangebied worden trillingsgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.12 Schaduw en windhinder Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving van het plangebied en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Toetsing Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. In het plangebied wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt het aspect 'schaduw en windhinder' dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.13 Archeologie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie Friesland de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Toetsing Voor de planontwikkeling zijn de archeologische kaarten van FAMKE geraadpleegd. Deze kaarten geven de actuele status op het gebied van archeologie weer. Uit de advieskaart van FAMKE voor de periode ijzertijd-middeleeuwen blijkt dat een karterend onderzoek noodzakelijk is. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2.500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Om deze reden is een archeologisch onderzoek

43

uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 12. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek. In het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Het advies is om geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren voor de ijzertijd-middeleeuwen. Uit de advieskaart van FAMKE blijkt tevens dat voor de periode steentijd-bronstijd geen onderzoek noodzakelijk is.

5.14 Cultuurhistorie Toetsingskader Het Bkl stelt met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed eisen aan nieuwe ontwikkelingen. Het Bkl stelt eisen aan de inhoud van een omgevingsplan in het belang van behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van archeologische monumenten. Zo kunnen monumenten worden aangewezen en gebieden worden aangewezen waar niet mag worden gegraven voordat archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing en conclusie Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat er geen historische waarden in of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied bevat verder geen bijzondere landschappelijke waarden waarmee rekening moet worden gehouden in de ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een belemmering op het gebied van cultuurhistorische waarden.

5.15 Bodem Toetsingskader Volgens het Bkl moet een omgevingsplan voorzien in waarden voor de toelaatbare kwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (zoals in onderhavig planvoornemen het geval is). In het omgevingsplan gemeente Waadhoeke zijn deze waarden nog niet opgenomen. De bodemkwaliteit is in ieder geval aanvaardbaar indien de onderzochte waarden voldoen aan de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Toetsing Om inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 13. Uit het onderzoek blijkt dat op het maaiveld en in de grond geen asbest is aangetroffen. Bovendien blijkt uit de analyseresultaten dat in zowel de boven- als in de ondergrond en het mengmonster van de waterbodem geen verontreinigingen zijn aangetoond. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties aan barium, naftaleen en molybdeen aangetoond. Deze gehalten zijn dermate laag dat deze geen risico vormen voor de volksgezondheid.

44

Conclusie De uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Het aspect bodem staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.16 Water 5.16.1 Toetsingskader Bij de wijziging van een omgevingsplan moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37 Bkl). Eerder werd hieronder ook wel de ‘watertoets’ verstaan. Dit houdt in dat een verantwoording dient te worden afgelegd van het onderzoek naar en het integrale beleid betreffende de afstemming van het ruimtelijk beleid met het waterbeleid. Alle relevante facetten van het waterbeheer in relatie met de ruimtelijke ordening dienen in beeld te worden gebracht, zoals de waterkwantiteit (vernatting of verdroging) en de waterkwaliteit, alsmede functies die aan in het plangebied voorkomend water worden toegekend. De aandacht dient zich zowel tot het grondwater als het oppervlaktewater te richten. Bij beschouwing van de consequenties van het plan voor de waterhuishouding zijn de volgende items van belang:  beïnvloedt het plan een kering of dijk;  worden er sloten gedempt of sloten verlegd;  is de toename van verhard oppervlakte (daken en openbare weg) en;  beïnvloedt het plan het onderhoud van watergangen. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hierna wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.  Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW)  Nationaal: Nationaal Water Programma (NWP) 2022 – 2027  Provinciaal: Regionaal Water Programma 2022 - 2027. Waterschapsbeleid Ten behoeve van elk ruimtelijk plan wordt de digitale watertoets uitgevoerd. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waarmee rekening moet houden bij de planontwikkeling.

45

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft Wetterskip Fryslân aan hoe zij het watersysteem inricht om te zorgen voor schoon en voldoende water en veiligheid achter de dijken. Het waterbeheerprogramma is een doorvertaling van de provinciale omgevingsvisie en het bijbehorend regionaal waterprogramma (RWP). Het waterbeheerprogramma bestaat enerzijds uit het regulier beheer op basis van de drie kernthema's 'waterveiligheid', 'voldoende water' en 'schoon water' en anderzijds uit de uitdagingen met de daar bijbehorende opgaven zoals de verandering van het klimaat, de verstoring van de ecologie en de veranderende relatie tussen overheid en samenleving. 5.16.2 Toetsing Ten behoeve van de planontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 14 bij deze motivering. Uit de watertoets blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. Huidige situatie Algemeen In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch stuk grond dat aan de noord- en de oostkant kant grenst aan bebouwing van de kern Ried. Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem van het plangebied uit kalkarme poldervaaggronden.

Waterkwantiteit Ten oosten en ten westen van het plangebied en in het plangebied bevinden zich (schouw)watergangen (zie navolgende afbeelding). De beschermingszone van deze watergangen is 5 meter. Werkzaamheden binnen de beschermingszone zijn vergunnings- of meldingsplichtig.

Figuur 7: uitsnede legger wateren - stippellijnen zijn schouwwatergangen (bron: Wetterskip Fryslân)

46

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het gebied is niet aangesloten op het rioleringssysteem. Toekomstige situatie Algemeen Het Wetterskip geeft met betrekking tot de toename van verharding aan dat door ruimtelijke ontwikkelingen de hoeveelheid verhard oppervlak toeneemt met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies.

De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert het Wetterskip de volgende compensatienorm:  Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem;  Polder 10%,  Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Het Wetterskip geeft aan dat het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk is. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Planvoornemen Het voornemen is om op het plangebied 19 woningen te realiseren. In onderstaande tabel zijn de te compenseren oppervlakten weergegeven.

Tabel: de te compenseren oppervlakten

47

Er is sprake van een verhardingstoename van 3.528 m2, dat voor 10% moet worden gecompenseerd. Bovendien wordt er 379 m2 aan wateroppervlak gedempt, dat voor 100% moet worden gecompenseerd. Dit betekent dat er in totaal (353 + 379) 732 m2 moet worden gecompenseerd. In het plangebied worden ook watergangen gegraven. De sloten aan de noordzijde worden met elkaar verbonden, waardoor een oppervlakte van 469 m2 wordt gegraven. Bovendien wordt aan de zuidzijde van het plangebied een sloot gegraven met een oppervlakte van 978 m2. Hierdoor wordt 1.438 m2 aan water toegevoegd aan het plangebied wat ruimschoots voldoende is om te compenseren. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI In dit plan wordt aangesloten op de bestaande riolering grenzend aan het plangebied. Het hemelwater wordt naar het oppervlaktewater afgevoerd. Beheer en onderhoud Met Wetterskip Fryslân is overleg over de vraag hoe om te gaan met het toekomstige beheer en onderhoud aan de watergang ten zuidwesten van het plan. Zaken rond beheer en onderhoud worden in het vervolgtraject verder met elkaar afgestemd en bezien wordt wat de beste optie is. Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

48

5.17 Duurzaamheid Toetsingskader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waarmee gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening moeten houden. Toetsing Bij de realisatie van nieuwe woningen in het plangebied geldt het uitgangspunt dat er gasloos wordt gebouwd. Ook kan bij nieuwbouw worden aangesloten op de principes van natuurinclusief bouwen waarbij de relatie tussen de nieuwe bebouwing en de natuurlijke omgeving kan worden versterkt. Stichting Dorpsbelang Ried neemt een coördinerende en rol op zich in de ontwikkeling van Súderom -2 en werkt samen met initiatiefnemers en lokale ondernemers. Deze samenwerking kan voordeel opleveren. En dat voordeel wil Dorpsbelang Ried inzetten voor de verduurzaming van het hele dorp. Verduurzaming is het belangrijkste thema in de Woonvisie van de gemeente. De aandachtspunten bij verduurzaming zijn:  energiezuinige nieuwbouw;  collectieve oplossingen;  financiële prikkels. Door deze drie aandachtspunten aan elkaar te koppelen worden de kansen voor een duurzame woonkern vergroot. Hier wil Dorpsbelang Ried aan bijdragen. Dorpsbelang Ried denkt na over de wijze waarop dit voordeel ingezet kan worden voor het hele dorp. Enkele suggesties zijn:  Hergebruik van zonnepanelen.

Dorpshuis De Rede krijgt de zonnepanelen van een lokale agrariër, die nieuwe panelen gaat aansluiten. Dit levert een besparing op voor het dorpshuis, die ten goede komt aan de hele gemeenschap.  Dorpsbelang onderzoekt of ook andere bedrijven in Ried en bewoners op een vergelijkbare manier kunnen profiteren. Door hergebruik van zonnepanelen wordt verspilling van nog bruikbaar materiaal voorkomen. Een alternatief is het ontwikkelen van dorpsstroom.  Wanneer eigenaars van oudere panden hun woning willen verduurzamen, zouden zij dit gezamenlijk als collectief kunnen doen. Bijvoorbeeld door gezamenlijk hun woning te isoleren. Hierbij kunnen lokale bedrijven een rol spelen. Door het vormen van een collectief kan een voordeel ontstaan. Dorpsbelang kan hierin een rol spelen.  Er is een tekort aan middeldure huurwoningen. Dorpsbelang Ried wil overwegen of enkele woningen in Súderom - 2 in de verhuur kunnen worden genomen.

5.18 Gezondheid Toetsingskaders Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. De wet benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

49

In het Bkl zijn instructieregels opgenomen op het gebied van gezondheid en milieu. Op het onderliggende plan zijn de instructieregels van belang voorde kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.6) het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (paragraaf 5.7) en de bodemkwaliteit (paragraaf 5.15). Hoewel er geen specifieke instructieregels voor gelden, moet bij een ETFAL in relatie tot ontwikkelingen nabij agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, worden aangetoond dat er geen onaanvaardbare gezondheidsgevolgen optreden. Toetsing Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Meetbaar is onder andere de bodemkwaliteit, de geluidhinder en de geurhinder, de trillingshinder en de luchtkwaliteit In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten beoordeeld. Voor deze aspecten zijn in het Bkl instructieregels opgenomen waar aan wordt voldaan. Het plangebied grenst aan agrarische gronden die in de afgelopen jaren hoofdzakelijk in gebruik zijn geweest als grasland en voor de teelt van aardappelen. Deze gebruiksvormen kennen een relatief beperkt risico op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.

Bovendien staat het geldende bestemmingsplan het gebruik van deze gronden voor sierteelt, fruitteelt, boomteelt of andere opgaande meerjarige teeltvormen – waarbij doorgaans een hogere en structurelere inzet van gewasbeschermingsmiddelen voorkomt – niet toe. Hierdoor is het risico op een toename van emissies of drift van dergelijke middelen naar de nieuwe woonomgeving beperkt. Daarnaast is contact gezocht met de betreffende agrariër, van wie ook de gronden voor de woningbouwontwikkeling worden verworven. Voor agrariërs geldt zowel een algemene als een specifieke zorgplicht, op grond waarvan zij verplicht zijn zorgvuldig om te gaan met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en onnodige nadelige gevolgen voor de omgeving te voorkomen. Ook zijn er voorschriften en praktische regels die zien op het beperken van overlast bij het toepassen van deze middelen, zoals het vermijden van spuiten onder ongunstige weersomstandigheden en het toepassen van driftreductiemaatregelen. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het huidige en planologisch toegestane agrarische gebruik geen belemmering vormt voor het mogelijk maken van woningbouw binnen het plangebied. Relevante nadelige gezondheidseffecten kunnen voor deze aspecten worden uitgesloten.

5.19 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het plangebied is wel gelegen in het radarverstoringsgebied.

50

Om de werking van de radars van Leeuwarden en Wier te beschermen zijn deze verstoringsgebieden op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan aangeduid als vrijwaringszone - radarverstoringsgebied. De bouwhoogte die in dit plan wordt mogelijk gemaakt is maximaal 9 meter en blijft hiermee ruim binnen de hoogtebeperking van het verstoringsgebied (zijnde 45 meter). Het opnemen van de beperkende regeling hiervoor is dan ook niet nodig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

51

52

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische vormgeving

Toepassingsbereik

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke (dat per 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan) voor het plangebied vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet en de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Fryslân. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. In het toepassingsbereik (zie artikel 3) is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.

6.2

Begrippen

De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Dit betekent dat bijvoorbeeld het begrip hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken niet meer in de begripsbepalingen voorkomt. Deze zijn opgenomen in het Bbl. Wél zijn er aanvullende begrippen in dit omgevingsplan opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingsbesluit.

6.3

Algemeen verbod

In het algemene verbod (artikel 4) is opgenomen dat alle functies en activiteiten die niet zijn genoemd en in strijd zijn met het TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit niet in het plan staat, deze in principe niet mag, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.

6.4

Functies en activiteiten

Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). In dit geval wordt de wijziging van het omgevingsplan niet technisch opgesteld volgens STOP/TPOD maar volgens de Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) via de Informatiemodel Ruimtelijke Ordening

53

(IMRO) standaard. Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst. Bestemmingen Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de IMRO standaarden van 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat in technische zin bestemmingen, waar de beoogde functies en activiteiten in het plangebied in zijn ondergebracht. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt zo veel mogelijk aangesloten op geldende regels en de standaarden van de gemeente. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels. Groen, Verkeer - Verblijfsgebied en Water De openbare ruimte in het plangebied is geregeld in de functies 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Water'. Alle functies hebben een onderlinge uitwisselbaarheid van functies met elkaar. De drie functies hebben gemeen dat de realisatie van gebouwen niet mogelijk is. De ontsluitingsweg voor zowel langzaam als gemotoriseerd verkeer is mogelijk binnen de functie 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het structuurbepalende groen in het noordoostelijk gedeelte van het plangebied is onder de functie 'Groen' gebracht.

Wonen De gronden met de functie 'Wonen' zijn bedoeld voor woonhuizen met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bijbehorende bouwwerken. Ondergeschikt, maar binnen deze functie zijn onder andere ook mogelijkheden voor kleinschalige duurzame energieopwekking, wegen, woonstraten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. De hoofdgebouwen mogen alleen binnen de aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Per bouwvlak is aangegeven of er vrijstaande of twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. Het appartementencomplex dat specifiek is geregeld wordt daarbij als één hoofdgebouw beschouwd waarin 4 woningen gerealiseerd mogen worden. In de gebruiksregels is bepaald dat de andere hoofdgebouwen mogen worden gebruikt voor ten hoogste één woning. Alle hoofdgebouwen mogen in maximaal 1 bouwlaag met een kap worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken mogen wel buiten het bouwvlak worden gebouwd.

6.5

Algemene regels

Binnen de algemene regels is een anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken). In de algemene regels is ook een regeling opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken (voorheen welstand). Dit betreft een zogenoemde open norm, waarbij een koppeling is gelegd met de vaststelling van beleidsregels omtrent uiterlijk en plaatsing van bouwwerken vanuit het beeldkwaliteitsplan (zie hiervoor ook paragraaf 5.3).

54

Verder zijn een aantal aanvullende beoordelingsregels opgenomen, zoals de verplichting uit het Bkl een vergunningvrij bouwwerk uit hoofdstuk 2 meldingplichtig te maken als dat gebouw bodemgevoelig is (artikel 10 lid 10.2), alsmede een aantal flexibliteitsregels (artikel 11 lid 11.1). Tenslotte bevatten de algemene regels ook een parkeerbepaling die regelt dat bij vergunningsaanvragen moet worden aangetoond dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zie hiervoor ook paragraaf 5.4.

6.6

Overgangsregels

Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als voor gebruik.

55

56

Hoofdstuk 7

Financiële haalbaarheid

De gronden waarop het bouwplan zal plaatsvinden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele nadeelcompensatie komt voor rekening van de initiatiefnemer. Artikel 13.11 Ow bepaalt dat het bestuursorgaan de kosten die het vanwege bij die maatregel aangewezen kostensoorten maakt, verhaalt op degene die bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, voor zover: a. de kostensoorten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied, en b. de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van de kostensoorten heeft. In bijlage IV Ob zijn de kostensoorten opgenomen die verhaalbaar zijn. Onder A1 is opgenomen: “De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek”. Het voorliggende project is daarmee een verhaalbare kostensoort. Artikel 13.13 Ow geeft de mogelijkheid om het kostenverhaal via een overeenkomst te regelen. Voorliggende kostenverhaal wordt via een overeenkomst geregeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het voorliggende project economisch niet uitvoerbaar is.

57

58

Hoofdstuk 8

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen, moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan nader onderzocht in deze motivering. Afweging Met de beoogde ontwikkeling wordt ten zuidwesten van het dorp Ried een uitbreidingslocatie voor maximaal 19 woningen mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende (milieu) wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. In de beoordeling is gebleken dat voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De uitvoering van het plan levert een bijdrage aan het bereiken van maatschappelijke doelen, het voorziet in de lokale woningbehoefte, is wenselijk met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en is passend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

59

60

BIJLAGEN MOTIVERING

Bijlage 1 Locatieonderzoek

Beschrijving mogelijke nieuwbouwlocaties binnen het dorpsgebied van Ried In Ried zijn een aantal locaties, waar woningbouw zou kunnen plaatsvinden die aansluit bij de structuur van het dorp. Deze zijn weergegeven op de volgende afbeelding. Vervolgens zijn de locaties één voor één beschreven.

Locatie 1 – Bos aan De Rie De oppervlakte is circa 0,7 hectare. Dat betekent dat de locatie ruimte biedt aan woningbouw voor ongeveer een periode van 7 jaar. Het perceel heeft de bestemming “Bos”. Woningbouw is pas mogelijk na wijziging van de bestemming. Het bos is een belangrijke kwaliteit voor Ried; met het bebouwen van deze locatie gaat deze kwaliteit deels verloren. Op de locatie zou wonen aan het water gerealiseerd kunnen worden. De locatie zou via de Rombade ontsloten moeten worden op de Berlikumerweg, via de bestaande woonbuurt. Een andere mogelijkheid is via een nieuwe weg over het tracé van een deel van het bestaande Kleasterpaad naast de boerderij Berlikumerweg 14. Uit eerder gevoerde communicatietrajecten met onze inwoners over nieuwbouwlocaties komt naar voren dat deze locatie één van de voorkeurslocaties van de inwoners van Ried is. Locatie 2 – Ten oosten van Zevenhuisterweg De oppervlakte is circa 0,7 hectare. Dat betekent dat de locatie ruimte biedt aan woningbouw voor ongeveer een periode van 7 jaar. Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch-Cultuurgrond”. Woningbouw is pas mogelijk na wijziging van de bestemming. Het perceel grenst aan achtertuinen

1

van woningen aan de Berlikumerweg. De ontsluiting op de Berlikumerweg zou moeten plaatsvinden via het kavelpad naast Berlikumerweg 15. Uit de gevoerde communicatietrajecten blijkt dat deze locatie op veel weerstand van met name omwonenden stuit; ook de stemming in het dorp heeft uitgewezen dat deze locatie niet geschikt lijkt. Locatie 3 - IJsbaan De oppervlakte is circa 0,7 hectare. Dat betekent dat de locatie ruimte biedt aan woningbouw voor ongeveer een periode van 7 jaar. Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch-Cultuurgrond” met een functieaanduiding “ijsbaan”. Woningbouw is pas mogelijk na wijziging van de bestemming. De ijsbaan heeft een belangrijke functie voor Ried; met het bebouwen daarvan gaat deze geheel verloren. Op de locatie zou wonen aan het water gerealiseerd kunnen worden, maar voor woningbouw moet het perceel wel worden opgehoogd. De locatie zou ontsloten moeten worden op de Hoofdstraat via de Anemareed. Deze moet daarvoor aanzienlijk worden verbeterd. Uit de eerder gevoerde communicatietrajecten blijkt dat na diverse stemronden deze locatie is afgevallen, omdat men de ijsbaan niet kwijt wil. Locatie 4 - Riedex De oppervlakte is circa 0,2 hectare. Dat betekent dat de locatie ruimte biedt aan een beperkt aantal woningen en niet groot genoeg is om de directe behoefte op te vangen.

Het perceel heeft de bestemming “Bedrijf” met een aanduiding “metaalbewerkingsbedrijf”. Woningbouw is pas mogelijk na vertrek van het bedrijf en na wijziging van de bestemming. De locatie kan ontsloten worden via de Hoofdstraat. Uit eerder gevoerde communicatietrajecten blijkt dat het dorp het bedrijf en de werkgelegenheid wil behouden. Maar als het huidige bedrijf al zou verplaatsen, is er belangstelling voor deze bedrijfsgebouwen van enkele ondernemers uit het dorp. Het dorp ziet de locatie dan liever ingevuld door deze ondernemers. Locatie 5 – Súderom-2 De oppervlakte is circa 0,9 hectare. Dat betekent dat de locatie ruimte biedt voor een periode van circa 9 jaar. Het perceel ligt in het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied 2013 en heeft de bestemming “Agrarisch” met een aanduiding “waarde-reliëf kwelderwal terpen en kruinige percelen”. Deze waarde is toegekend aan de kwelderwallengebieden in het buitengebied van de voormalige gemeente Franekeradeel. Het perceel zelf is modern rechthoekig verkaveld en zonder reliëf. Het is al lange tijd intensief gebruikt grasland. Er is feitelijk geen sprake van bijzondere landschappelijke waarden. De locatie kan rechtstreeks ontsloten worden op de Peinserweg. Voor langzaam verkeer is er ook de mogelijkheid om aan te sluiten op de Súderom.

Deze locatie, die in de volksmond bekend staat als Súderom 2, heeft sinds lange tijd de voorkeur van de inwoners van Ried. Locatieafweging en conclusie In de volgende tabel zijn de locaties tegen elkaar afgewogen op basis van de hiervoor beschreven kenmerken (oppervlak, waarden, ontsluiting, communicatie). Een negatieve score is aangegeven met -, een positieve score met + en neutraal met 0. Het totaal aantal punten is in de onderste rij opgeteld (de criteria zijn gelijk gewogen,dus een + telt voor 1 punt en een – voor -1punt).

2

Locatie 1

Locatie 2

Locatie 3

Locatie 4

Locatie 5

oppervlak

+

+

+

-

+

aanwezige waarden gaan verloren (landschap of functie)

-

0

-

-

0

ontsluiting

-

-

-

+

+

resultaat communicatie inwoners

+

-

-

-

+

totaal

0

-1

-2

-2

+3

De conclusie is dat de locatie 5, Súderom-2 , als beste locatie voor nieuwbouw uit de afweging naar voren komt.

3

Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2

BEELDKWALITEITSPLAN RIED SUDEROM 2

05-02-2023 OPDRACHTGEVER: SAMENWERKING KOOISTRA EN DWF DE OPSLACH PROJECTNR 20221080

INLEIDING Aanleiding

Aan de zuidzijde van Ried is een locatie in beeld waar kan worden voorzien in een deel van de woningbehoefte voor het dorp. De bouw zal gefaseerd, op basis van de behoefte, worden uitgevoerd. De locatie Suderom 2 sluit aan op Peinserweg en de Suderom, met de invulling van de planlocatie ontstaat een nieuwe dorpsrand.

Juridisch kader

Om de beoogde ruimtelijke kwaliteit te kunnen waarborgen is behoefte aan een kader waarin eisen zijn opgenomen ten aanzien van de beeldkwaliteit, dit krijgt vorm in dit beeldkwaliteitplan. Dit beeldkwaliteitplan is een aanvulling op de bestaande welstandnota en wordt ook als zodanig vastgesteld. Op basis van dit beeldkwaliteitplan kan de toekomstige welstandsbeoordeling van de bouwplannen in het plangebied plaatsvinden.

Criteria

Dit beeldkwaliteitplan geeft een meer concrete invulling aan de ruimtelijke aspecten voor het plangebied. Het sluit daarbij aan op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er worden duidelijke criteria gegeven voor de bebouwing en welke ambitie voor de inrichting van de openbare ruimte wordt voorgestaan. Het kwaliteitsdocument is opgesteld met als doel om: • een aantrekkelijk woonmilieu tot stand te brengen; • de ontwikkelende partijen te inspireren en vooraf informatie te geven over de welstandscriteria; • de welstandscommissie een passend kader te bieden waarbinnen de toetsing van bouwplannen dient plaats te vinden. De beschreven criteria hebben niet het karakter van bestemmingsplanregels. Dat wil zeggen: ze zijn bedoeld als inspirerend kader. Incidenteel kan gemotiveerd van de criteria worden afgeweken, mits er sprake is van een overtuigende kwaliteit en van gevoel voor de omgeving. In dergelijke incidentele gevallen wordt expliciet aan de welstandscommissie voorgelegd of een uitzonderingssituatie vanwege de kwaliteit van het bouwplan gerechtvaardigd is.

| Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 2 | 11

Rie

d

LIGGING PLANGEBIED IN RIED Nie

Ried is een terpdorp gelegen aan de Rie. De kern is ontstaan op de kruising van de Berlikumweg, Peinserweg en de Nieuweweg en in de tijd langzaam gegroeid richting het noorden en zuiden, met als laatste planmatige uitbreiding de weg Suderom, gelegen aan de oostzijde van het plangebied. Het plangebied sluit aan op Suderom, en grenst met de noordzijde aan de achtertuinen van enkele vrijstaande woningen. Het plangebied wordt door een watergang gescheiden van bestaande percelen aan de noord en oostzijde. Door het plangebied loopt ook een kavelsloot in noordzuidrichting. Deze zal ten behoeve van deze ontwikkeling worden gedempt, ter compensatie wordt aan de zuidrand een nieuwe kavelsloot aangelegd.

uw ew eg rl Be

Pein

Doc

tor

u Vict

sR

in

str gers

iku

rw me

aat

serw eg

de Su

plangebied

| Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 3 | 11

rom

eg

CONTEXT PLANGEBIED c Do

to

i rV

ct

R us

i

e ng

rs

ra st

at

Sud

plangebied

Pe ins erw eg | Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 4 | 11

ero

m

CONTEXT PLANGEBIED

Doorzicht vanaf de Doctor Victus Ringersstraat aan de noordzijde van het plangebied.

Het plangebied gezien vanaf de Peinserweg. Links op de afbeelding de woningen aan de noordzijde van het plangebied, rechts de bebouwing aan de Suderom.

Doorzicht vanaf de Suderom. De bebouwing aan de Suderom varieert van architectuur, kapvorm en materialisering. De bouwhoogte is één bouwlaag met een kap.

Het plangebied vanaf de oostzijde. Rechts op de foto de noordgrens van het plangebied.

| Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 5 | 11

BEELDKWALITEIT: UITGANGSPUNTEN OP HOOFDLIJNEN

Do

o ct

rV

u ict

sR

g in

er

s

a str

at

de Su

rom

De percelen zijn met de achtertuin gericht op de achtertuinen van de bestaande woningen, er is sprake van een lage, groene erfafscheiding.

Bebouwing op de hoekheeft een tweezijdige orientatie Middels een langzaamverkeersverbinding wordt aangesloten op de naastgelegen bebouwing aan de Suderom.

De woningen staan in een wisselende rooilijn en zijn georiënteerd op de nieuwe weg (aanzet gevels indicatief, afhankelijk van definitieve verkaveling)

Su

De ontwikkeling wordt ontsloten vanaf de Peinserweg. Qua inrichting en profiel wordt aangesloten op het beeld van Suderom 1.

2

Er is nadrukkelijk aandacht voor de inrichting van de perceelsgrenzen om een zorgvuldige overgang naar het landschap te waarborgen. Schuttingen en hoge erfafscheidingen zijn niet toegestaan.

Pein

N

serw eg

In de westhoek van het gebied bestaat de mogelijkheid om op een groter perceel een groter bouwvolume in één bouwlaag met kap te realiseren waarbinnen seniorenwoningen een plek krijgen. Indien hier geen invulling aan wordt gegeven, gelden de beeldrichtlijnen overeenkomstig met het overig gebied. De bebouwing is zowel op de Peinserweg als de nieuwe weg Suderom 2 georienteerd.

om der

| Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 6 | 11

5 10

50

100

0

10

20

30

schaal 1:1000 / A3

40

50m

WELSTANDSCRITERIA BEBOUWING De beeldkwaliteit van de woningen is er hoofdzakelijk op gericht dat er een samenhangend beeld ontstaat binnen het plan, én met de directe omgeving. De te realiseren bebouwing sluit qua bebouwingsstructuur en stedenbouwkundige opzet aan op de weg Suderom. De architectuur, vormgeving en materialisering in de omgeving is wisselend. In de beeldkwaliteitseisen voor Suderom 2 wordt hier op aangesloten. De samenhang ontstaat hoofdzakelijk door de stedenbouwkundige opzet en hoofdvorm van de bebouwing. De beoogde beeldkwaliteit van de woningen is er op gericht dat de nieuwe woningbouw passend is binnen de context van de omgeving.

Plaatsing

• Er is sprake van vrijstaande woningen, twee of drie onder één kap woningen, en mogelijk één groter volume van één laag met een kap waarbinnen seniorenwoningen rug-aan-rug worden gerealiseerd. • Woningen staan in een wisselende rooilijn. • De bebouwing volgt de straatrichting, de woningen zijn georiënteerd op de straat. • Bebouwing op de hoek heeft een dubbele oriëntatie, de woning is zowel op de straat als de aangrenzende openbare ruimte georiënteerd. • Bij woningen op een hoek worden garages en bijgebouwen niet aan de zijde van de straat gerealiseerd, de woningen grenzen met de zijgevel aan de openbare ruimte. • Het grotere volume heeft een alzijdige oriëntatie.

Hoofdvorm en kap

• Bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een kap. • De kapvorm is vrij. • De kapvorm bij het grotere volume is een zadeldak of een mansardekap in de lengterichting van het volume. • Aan- en uitbouwen/bijgebouwen liggen teruggerooid ten opzichte van de hoofdvorm en/of zijn ondergeschikt. • Aan- en uitbouwen/bijgebouwen worden niet aan een naar de straat gerichte gevel gerealiseerd.

Gevelbeeld

• Er is sprake van gerichtheid op de publieke/openbare ruimte. • Alle gevels van een woning zijn uitnodigend en dragen bij aan de relatie met de straat of de aangrenzende openbare ruimte. • Er is specifiek aandacht voor kop- en zijgevels. Deze zijn voorzien van openingen in de gevel, blinde gevels zijn niet toegestaan. • Het creëren van dieptewerking binnen het gevelvlak (plasticiteit) wordt toegepast ter ondersteuning van de geleding.

| Beeldkwaliteitsplan Ried Suderom 2 | 05-02-2024 | 7 | 11

rug aan rug appartementen in groter volume

WELSTANDSCRITERIA BEBOUWING Materiaal- en kleurgebruik

• Gevels zijn opgetrokken uit metselwerk, een verfijnd plaatmateriaal of hout • Het metselwerk wordt uitgevoerd in rode of aardse tinten, schakeringen in deze kleur zijn mogelijk. • Metselverbanden en het formaat baksteen staat vrij. • Bij de toepassing van hout als gevelmateriaal wordt de natuurlijke kleur van het hout gebruikt, of donkere tinten. • De dakbedekking wordt uitgevoerd riet, hout, plaatmateriaal, leisteen of dakpannen. Een groendak is ook mogelijk. Dakpannen zijn antraciet / zwart / terracotta en zijn ongeglazuurd (mat). • Aan- en uitbouwen worden in baksteen of hout uitgevoerd. • Er is aandacht voor textuur en reliëf; afwijkende metselverbanden en rollagen dragen bij aan de gelaagdheid van de gevel. • Baksteen in wittinten of gestucte gevels zijn niet toegestaan. • Kozijnen, dakranden en overige bouwkundige elementen zijn qua beeld ondergeschikt en worden uitgevoerd in een natuurlijke kleur in afstemming op het gevelmateriaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=31264b14-8a5a-4ee9-b25e-5c893eec6fb8