CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Landschapsbiografie Waadhoeke 2021 (oude versie)

Voorlichting Raad 16 november 2021, gemeente waadhoeke24.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 47

lei lean (schapendrift)

rudimentaire slenk

greppel Zoetwatersysteem op kwelderwallen en kweldervlakten, van de komst van terpen de molen(eigen illustraties) De laaggelegen kwelderlaagten waren van nature erg nat en konden enkel gebruikt worden als graaslanden voor schapen. Deze werden via ‘leanen’, haaks op de kwelderwal, naar de laagtes gedreven.

kruinige percelen Om de afwatering te verbeteren werden, haaks op de kwelderwal, ‘leien’ of ‘maren’ gegraven. Ook worden de akkers en weilanden bol opgeploegd en zo ontstaan de ‘kruinige’ percelen.

Met de komst van de watermolen kunnen ook de natste delen van het gebied goed genoeg worden afgewaterd om ze geschikt te maken als weiland.

kon de tussengelegen kweldervlakte op de slenken afwateren (zie drie afbeeldingen op deze pagina). • Door de aanleg van een intensief greppelpatroon in de kweldervlakten. De smalle weidestroken tussen de gegraven greppels in de kweldervlakten worden aangeduid als ‘ekers’ en ‘bolle ekers’. Ook op de kwelderwallen zijn maatregelen genomen om de ontwatering te verbeteren. Hier ploegt men vanaf de middeleeuwen de percelen bolvormig op, waarmee de zo kenmerkende kruinige percelen ontstaan. Het water dat niet de bodem in kan dringen watert zo versneld af op de greppeltjes. Tekening van maren (leien) en polders aan de Sexbierumervaart (Huisarchief Liackama-van Grotenhuis nr.832, Tresoar) (uit: Philippus Breuker (2017). Het landschap van de Friese klei. Wijdemeer Leeuwarden)

Kruinige percelen

48 - BoschSlabbers

Ondanks deze aanpassingen blijven de kleigronden, met name in de kweldervlakten, lange tijd te nat en te zwaar om intensief te kunnen gebruiken. Zij worden ingezet als ‘mieden’, als gemeenschappelijke hooilanden. Dit verandert wanneer de introductie van de watermolen het mogelijk maakt ook meren en moerassige laagten als het Riedmeer droog te leggen. Het Riedmeer, langs de noordzijde van de kwelderwal van Wijnaldum, is van oorsprong een erosielaagte / slenk van de Middelzee. Lange tijd was dit gebied een plaag voor de boeren, maar de adellijke eigenaar had geen belang bij verbetering van de agrarische omstandigheden. Deze verkreeg eeuwenlang inkomsten uit het visrecht en het recht zwanen te schieten -in die tijd een gewild gerecht, met name in adellijke kringen. Begin 17e eeuw is het

Zoetwatersysteem op de bouwlanden, van najaar tot voorjaar (eigen illustraties) In het najaar, nadat het vee en de oogst van het land zijn, worden de zijlen dichtgezet en raakt het land verzadigd met zoet regenwater.

Riedmeer met de inzet van 13 molens alsnog ingepolderd, waarbij de Riedpolder is ontstaan. Ook elders leidt de inzet van molens tot een verbeterde ontwatering van het land. Met de verbeterde drooglegging wordt ook het land zelf beter begaanbaar. Daarmee verschijnen in het land landpaden, veelal ‘kerkepaden’ die van de boerderijen naar de kerk voeren. Van zoutwater-economie naar een zoetwatereconomie De bedijking is van grote invloed op het leven in het gebied. Nu grotere gebieden tegen het water zijn beschermd hoeft men niet meer op terpen te wonen. Zo ontstaan naast de terpen vlaknederzettingen, met nieuwe dorpen en verspreide boerderijen. In de bedijkte gebieden ontstaat geleidelijk een zoetwatermilieu waardoor deze gebieden zich van een zoutwatereconomie tot een zoetwatereconomie ontwikkelen. Dit vertaalt zich onder meer in de opkomst van de melkveehouderij. Ingenieus waterbeheer in de vroege polders Van oorsprong bepaalden de boeren en de monniken het waterbeheer in de polders. Net als nu hadden de boeren in een deel van het gebied langs de Waddenzee last van een hoog zoutgehalte in de bodem. Zij hadden echter een ingenieus systeem van zoetwaterbeheer ontwikkeld waarmee zij de verzilting, en de daaraan verbonden schade, vergaand wisten tegen te gaan (zie drie afbeeldingen op deze pagina). Hierbij

In de winter gaan de zijlen open en stroomt slibrijk zeewater over het land. Het slib bezinkt, maar het zout kan niet de bodem in, doordat deze is verzadigd met zoet water.

In het voorjaar gaan de zijlen weer dicht en spoelt de regen het laatste beetje zout van het land. Het vruchtbare slib blijft liggen en het land kan weer gebruikt worden.

maakten zij gebruik van de mogelijkheden die het natuurlijk systeem hen bood. Zij gaven zoveel mogelijk ruimte aan het water, waarbij het weren van het zeewater in het groeiseizoen werd gecombineerde met het conserveren van het hemelwater in de wintermaanden en het opwaarderen van de bodemkwaliteit. Zodra in de herfst de koeien op stal gingen en de oogst van het land was gehaald, werden de zijlen (sluizen) in de dijk dichtgezet. Zo werd het zoete regenwater vastgehouden. Wanneer het hele land met zoet water verzadigd was, zette men de zijlen weer open. In de wintermaanden stroomde met de getijden het zoute Waddenzeewater het gebied binnen. Het meegevoerde slib, rijk aan voedingsstoffen en mineralen, bezonk waarmee de bodem geleidelijk hoger kwam te liggen. Doordat de bodem met zoet regenwater was verzadigd kon het zoute zeewater niet de bodem binnendringen. In het voorjaar gingen de zijlen bij hoog water weer dicht en spoelde de regen het laatste zout van het land. Door zo met het natuurlijk systeem mee te bewegen bleef de bodem vitaal, groeide het land mee met de zeespiegel en was van verziltingschade geen sprake. Dit maakte dat het kustgebied tot een welvarende streek uit kon groeien. Van een officiële bestuursvorm was nog geen sprake.

Later ontstonden polderbesturen en weer later tientallen kleine waterschappen, die inmiddels zijn gefuseerd tot een groot provinciaal waterschap.

1.4

Transport

Water als hoofdontsluiting Nagenoeg alle terpen lagen aan het water, veelal voormalige slenken en stroomgeulen uit het kwelderland van voor de bedijking. Maar ook het land zelf was met een fijnmazig net van watergangen dooraderd. Omdat vrijwel alles en iedereen met het water was verbonden vindt tot begin twintigste eeuw vrijwel al het transport over het water plaats; van het land naar de boerderij, van de boerderij naar de stedelijke markten. Lange tijd waren de trekvaarten de hoofdaders in vervoerssysteem. Waadhoeke kende een strategische ligging tussen de voorname steden Harlingen, tot in de twintigste eeuw een belangrijke havenstad, en Leeuwarden. De Harlingervaart was een belangrijke trekvaart, met zuidelijke aftakkingen naar Sneek en Workum, en vandaar naar de Zuiderzee. Maar ook de Riedstroom, Tzumarrumer Vaart, Sexbierumer Vaart en Slappeterpster Vaart waren als interne waterverbindingen van belang. Het transport over het water was ook meer geriefelijk, want tot de introductie van de poldermolen (zie eerder) was het land grote delen van het jaar te sompig om te kunnen betreden. Dijken, landwegen en ‘leanen’ Tot in de negentiende eeuw vond vrijwel al het vervoer over het water plaats. Wie over land wilde gaan, gebruikte daartoe de dijken, die

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 49

Netwerk van trekvaarten in Noord Nederland vanaf 1665

Het gardenierslandschap rond Berltsum +/- 1900 (Topotijdreis.nl)

Tzummarum

M i en

Sy

sk

t za

ar an

ne

e

lea

le

ma

Opstrekkende karakter in verkaveling nog steeds goed zichtbaar (Google Earth) 50 - BoschSlabbers

Beplanting gardenierslandschap

Melkveehouderijen in Greidhoeke

dankzij hun verhoogde ligging een droge en stevige ondergrond boden. Kenmerkend zijn de schapendriften in het noordelijk deel van het terpenland. De terpen liggen op de kwelderwal. Vanaf de dorpen, zoals bij Firdgum, Tzummarum en Minnertsga, zijn haaks op de kwelderwal lange paden, ‘leanen’, aangelegd. Deze waren bedoeld om de schapen naar hun graaslanden te brengen: naar de kwelders in het noorden en de gemeenschappelijke hooilanden (mienskipmieden) in de kwelderlaagten. Deze ‘leanen’ hebben aan het landschap van de kwelderwallen en kweldervlakten de kenmerkende opstrekkende verkaveling - haaks op de kwelderwal - toegevoegd. Deze wordt nog versterkt door de ‘mearen’, de lange en rechte sloten die op de grens van de buurschapsgebieden zijn aangelegd. 1.5 Landbouw en tuinbouw De landbouw in Waadhoeke kon floreren door de aanwezigheid van een groot reservoir aan landarbeiders en losse arbeiders, aangevuld met ‘hannekemaaiers’ (seizoenarbeiders) uit het Westfaalse achterland. Deze kwamen van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw zomers te voet naar Waadhoeke om op het land te werken. Zij traden op 24 juni -Sint Johannesdag- in dienst, aanvankelijk om gras te maaien maar al snel om ook in de akkerbouw bij de oogst te helpen. Een deel van de uit het huidige Duitsland afkomstige hannekemaaiers heeft zich later -tussen 1815 en 1850- blijvend in Waadhoeke gevestigd.

Kronkelige weg in het zuidelijk kleigebied

In het terpengebied was sprake van gemengde bedrijven. Op de meer zavelige kwelderwallen werd akkerbouw bedreven, de beter ontwaterde delen van de kweldervlakte waren in gebruik als weiland, de slecht ontwaterde delen als gemeenschappelijk hooiland. Om in dit open land -waar bijna altijd toch wel een wind van zee waait- toch enige beschutting te verkrijgen werden de boerenerven van een stevige beplanting voorzien. Vaak is het erf omgeven door een bomenrij of een flinke houtsingel. Hierdoor vormen de boerderijen groene eilanden in de weidse polder. In het zuidelijk kleigebied van de Greidhoeke overheerst vanouds de melkveehouderij. Opvallend is dat in dit gebied de wegen meer kronkelen en zowel de wegen als de boerderij zwaarder in de beplanting staan. Hierdoor heeft het gebied een groener karakter, met ‘de koe in de wei’. De boeren verwerken de producten op de eigen boerderij, daar wordt de melk gekarnd en verwerkt tot boter en kaas. Boter en melk werden over het water naar de stedelijke markten vervoerd. Met name in gebieden waar de afstand tot de markt te groot was, en daarmee de reistijd te lang om de melk vers op de markt te kunnen brengen, is de melk op de boerderij omgezet naar het langer houdbare boter en kaas. In de zestiende eeuw leggen kleine telers – gardeniers of in het Fries gerniers - zich op de kwel-

derwal rond Berltsum (tussen Wier en Bitgum) toe op de kleinschalige fruitteelt. Zij huren een lapje grond van de kerk of van grote boeren. De combinatie van lichte bodem en hoge lichtintensiteit maakt dit gebied geschikt voor het verbouwen van appels, peren, pruimen en bessen. Om de straffe wind te breken worden elzensingels op de perceelsgrenzen aangebracht. Zo ontstaat in dit gebied een opvallend kleinschalig landschap, gerund door kleine telers op kleine vaak ‘bolle’ percelen, dat wordt aangeduid als het ‘gardenierslandschap’. Met een snik brengen zij hun oogst over het water naar de stad om het daar op de markt te verkopen. Begin achttiende eeuw wordt ook een aantal grotere kwekerijen opgezet. De meeste boomgaarden liggen in die tijd in en nabij St.Annaparochie, maar ook in Vrouwenparochie neemt de omvang toe. Brede windsingels beschermen de boomgaarden tegen de straffe zeewind. Door hoge beplanting met lage beplanting te combineren, zoals struikbessen onder appelbomen, weet men de productie op te voeren. Twee eeuwen lang floreert de fruitteelt en kent St.-Annaparochie een tuinbouwschool, een vruchtenjamfabriek en zijn er het hele jaar door veilingen. 1.6 Visserij In het terpenland lagen veel dorpen aan breed binnenwater. Veel van deze dorpen hadden lange tijd een eigen (vissers)haven, zoals bijvoorbeeld Wjelsryp. Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 51

Eise Eisinga Planetarium, Franeker

Erfbeplanting en boerderij langs kronkelige weg (Greidhoeke)

Steenoven en panfabriek langs vaarten in de buurt van Franeker +/- 1900 (Topotijdreis.nl)

52 - BoschSlabbers

Molen bij de Puollen

De Waddenkust kende tot in de twintigste eeuw een vissersgemeenschap. Deze visserij, veelal door middel van fuiken haaks geplaatst op de kust, vond plaats van Harlingen tot westelijk van Zwarte Haan. De vissers woonden in eenkamerwoningen die in een lange rij aan de binnenzijde tegen de zeedijk lagen aangeklampt; de lange jammers. De buurtschap Koehool was gericht op de visserij, maar ook de bewoners van het nabijgelegen Tzummarum leefden hiervan. Om de vangst naar het dorp te brengen werd vanaf de zeedijk de Vissersvaart doorgetrokken. Ondanks de ligging aan zee en de dooradering van water is de positie van de visserij in Waadhoeke bescheiden gebleven. Dit komt deels door het ontbreken van voldoende nabijgelegen stedelijke markten, deels ook doordat de reformatie, anders dan het katholicisme, de consumptie van vis nooit heeft aangemoedigd. In het van origine gereformeerde Waadhoeke maakt vis slechts beperkt deel uit van het eetpatroon. 1.7 Industrie en nijverheid; steen- en pannen bakkerijen In het terpenland van Waadhoeke wordt al vanaf de 12e eeuw steen gebakken. De omstandigheden waren gunstig: er was klei, er was geschikte brandstof in de vorm van turf en er was behoefte aan steen als bouwmateriaal. In de middeleeuwen eerst voor kloosters, stinzen en parochiekerken, later ook voor de welvarende steden.

Dankzij de aanwezigheid van vaarwegen konden klei en turf worden aangevoerd en konden de

geproduceerde stenen, dakpannen en andere producten worden afgevoerd. Via de Friese havens konden producten worden geëxporteerd naar het buitenland en naar andere Nederlandse gewesten. Het steenbakken is eind 12e eeuw geïntroduceerd door de kloosters maar neemt een vlucht in de middeleeuwen, wanneer steen nodig is voor versterkte woonhuizen (stinzen) en voor de bouw van parochiekerken. Met de groei van de steden ontstaan in de directe omgeving van de steden veel steen-en pannenbakkerijen, zoals in de omgeving van Harlingen en Franeker, maar ook bij Berltsum. Steenbakkerijen worden vaak aangeduid als ‘Tichelwerk’, en panbakkerijen als ‘Panwerk’. Panwerken produceerden veelal ook estriken (vloertegels). De logische plek voor een tichel- of panwerk was aan het water. De aanwezigheid van een vaarweg was essentieel voor het aanvoeren van klei en turf, en voor het afvoeren van het product. Voorbeelden hiervan zijn de Harlingertrekvaart en de Rie. Stenen werden ook geëxporteerd. Ze waren erg geschikt als ballastvracht in lege zeeschepen. Dat verklaart mogelijk ook de concentratie van tichelwerken bij de havenstad Harlingen. De industrie kon hier mede tot bloei komen door de beschikbaarheid van arbeidskrachten.

De opkomst van de industrie leidde tevens tot de ontwikkeling van nieuwe buitenbuurten nabij de steden, zoals de Grettingabuurt en Koningsbuurt bij Harlingen en aan de Franeker Vliet.

1.8 Wetenschap Franeker ontwikkelt zich tot centrum van de wetenschap. Toen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in opstand kwam tegen Spanje, koos Franeker al vroeg de zijde van Willem van Oranje. Franeker werd hiervoor in 1585 beloond met een universiteit, de Universiteit van Franeker. Dit is na de Universiteit van Leiden de oudste van Nederland. Aan deze “Franeker Academie” kon men theologie, rechten, medicijnen, klassieke talen, wijsbegeerte en wis- en natuurkunde studeren. Bekendste hoogleraar verbonden aan de Franeker Academie was ongetwijfeld de in Dronryp geboren Eise Eisinga. Deze was van jongs af aan geïnteresseerd inde wis- en sterrenkunde en bouwde in Franeker zijn eigen planetarium, dat behoort tot zowel de Friese als de Nederlandse canon. In 1811 liet Napoleon de universiteit sluiten. De opvolger van de Franeker Academie was het Rijksatheneum. Dit heeft van 1815 tot 1847 bestaan, maar ging uiteindelijk ten onder aan een gebrek aan studenten. Ofschoon Franeker niet meer over een universiteit beschikt, vinden er nog wel academische promoties plaats. Nog altijd mogen promovendi van de Rijksuniversiteit Groningen die promoveren op een onderwerp dat met Friesland te maken heeft of die een band met Friesland hebben, hun proefschrift in de Franeker Martinikerk verdedigen.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 53

Kerk tekent het dorpssilhouet

Het poortgebouw van de Liauckamastate

Hegewier bij Sexbierum 54 - BoschSlabbers

Romaanse toren bij Firdgum

Poptaslot of Heringastate in Marsum (foto: Hans Hageman, 1993, https://www.kastelen.nl/kasteel-beeldbank.php?id=320)

1.9 Bouwkunst Kerken Met de kloosters verschenen in de terpdorpen ook de Romaanse kerken, opgetrokken uit kloostermoppen, met een markante vierkante toren bekroond door een zadeldak. Deze kerken tekenden in het vervolg het silhouet van de dorpen en waren in dit overwegend open land al van verre zichtbaar. Zij vormden fiere ‘landmarks avant la lettre’. Stinzen en states In de 15e eeuw was Waadhoeke een welvarende en voorname streek, rijk aan ‘states’ en ‘stinzen’ (zie kaart op pagina 56). ‘Stins’ is Fries voor ‘steenhuis’. Steen was een kostbaar bouwmateriaal dat alleen door de rijkste families - zoals de Friese adel - kon worden toegepast. In de 12e eeuw wordt in Waadhoeke voor het eerst baksteen als bouwmateriaal gebruikt, wanneer adellijke Friese families stinzen bouwen om zich tegen aanvallen van buitenaf te beschermen. Dat was ook nodig, want in de late middeleeuwen was Friesland naast welvarend vooral ook rijk aan twisten. Het was een vete-maatschappij waarin onder andere Schieringers en Vetkopers, Hoeken en Kabeljauwen elkaar veelvuldig betwistten. Bij de Schieringers en Vetkopers draaide het om een geschil tussen cisterciënzers / bernardijnen en premonstratenzers / norbertijnen, twee kloostergemeenschappen met grote invloed in Waadhoeke en omstreken.

Bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten draaide het niet om de kerkelijke maar om de wereldlijke macht, voor of tegen Jacoba van Beieren. De eerste stinzen waren versterkte torens, of ‘torenstinzen’ die men via een trap binnentrad. Zodra iedereen veilig binnen was geklommen werd de trap ingetrokken opdat de vijand niet binnen kon komen. Deze stinzen stonden op een terp en vaak lag er als extra bescherming een gracht om de stins. Zo ontstond aan de zeedijk een keten van omgrachte woontorens, maar ook elders op het land verschenen verdedigbare boerderijen. Met de uitvinding van het buskruit raakt de verdedigende functie van de stinzen in de vijftiende eeuw op achtergrond en worden zij in toenemende mate ook voor bewoning gebruikt. Zij worden dan uitgebreid met vensters en haardplaatsen. Ook worden ter bewoning nieuwe ‘zaalstinzen’ gebouwd, deze waren langwerpig en hadden vaak een grote en een kleine zaal. In de 16e eeuw wordt het ‘centraal gezag’ ingesteld. Daarmee is de vete-maatschappij nog niet direct beslecht, maar dit maakt wel de individuele bescherming middels een stevig stenen bouwwerk minder noodzakelijk. Nadat zij hun verdedigende functie hebben verloren zijn veel stinzen afgebroken. In de 17e en 18e eeuw bouwen adellijke families en het patriarchaat uit de steden een nieuwe soort ‘stins’: de state.

Deze states vormen meer zomerverblijven op het land, op korte afstand van het winterverblijf in de stad. Ook zijn stinzen omgevormd tot state. States waren grote, comfortabele woonhuizen, vaak met een stenen poort over de gracht, traptorens, grote vensters en hoge schoonstenen. Sommige states, zoals het Poptaslot, groeiden uit tot kleine kastelen. Anderen, zoals Liauckamastate en Schatzenburg, ontwikkelden zich tot adellijke lusthoven, omgeven door een lommerrijke parkaanleg. Wanneer begin 19e eeuw het Friese Hof, het toenmalige rechtelijke bestuurscentrum van Friesland, wordt opgeheven vertrekt een deel van de Friese adel naar Den Haag en worden veel states verkocht. Veel states zijn nadien afgebroken of door een boerderij vervangen. Zo is van Firdgum bekend dat in en bij het dorp vier states hebben gestaan (de Camstra State, Farnia State, de Jelgersma State en de Klein Folta) die allemaal zijn vervangen door grotere boerderijen. In haar hoogtijdagen telde Friesland ongeveer 500 stinzen en states, waarvan circa 180 in Waadhoeke. Verreweg de meeste daarvan zijn inmiddels verdwenen. Twee stinswieren, de Hegewier bij Sexbierum en de stinswier bij Menaam, zijn nog aanwezig. Twee states, het Poptaslot en de Schatzenburg, zijn nog in volle glorie aanwezig. Van sommige states resteert nog een deel, zoals de kelder van de Camstrastins bij Firdgum, het poortgebouw van

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 55

Stins of state Stins of state die nog beleefbaar is

St.-Annaparochie (huidige locatie)

Camstrastate

Lauta tún

Stinswier bij Menaam Liauckamastate Poptaslot / Heringastate Schatzenburg

Dronryp Camminghahuis Franeker

Landschap van Stinzen en States, ondergrond: 1500 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 56 - BoschSlabbers

Entree van de Ringiastate (homeiepeallen)

de Liauckamastate en de entree (homeiepeallen) van de Ringiastate bij Blessum. Sommigen, zoals de Lautastate en de Hemmema state bij Bitgum, zijn nog deels in het landschap traceerbaar aan de hand van oude slotenpatronen of boomsingels. Stinzenflora Stinzenflora zijn knol- en bolgewassen die in een ver verleden zijn aangeplant als sierplant rond landgoederen en de stinzen en vervolgens zijn verwilderd. Het specifiek voorkomen van deze plantensoorten rondom stinzen is in Friesland het eerst beschreven en de term is daarna ook gangbaar geworden in de rest van Nederland en Duitsland. Onder het begrip ‘Stinzenflora’ vallen soorten als de winterakoniet, boshyacinth, voorjaarshelmbloem, sneeuwklokje, daslook en vogelmelk.

Schatzenburg, met lommerijke parktuin

Camstrastate

Voormalige state plaats (Lautastate) Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 57

Skré

dyk

1250-1300

1150-1200

Inpoldering zuidelijk deel Middelzee (11e-13e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 58 - BoschSlabbers

Zwette

eerste inpoldering van de Middelzee

kwelderwal

Im

2 . G E FA S E E R D E I N P O L D E R I N G MIDDELZEE De Middelzee bestaat uit een brede trechtermond die landinwaarts overgaat in een smallere inham die tot ver het land inreikt. Vanaf de elfde eeuw verlandt de Middelzee, als eerste slibben de inhammen dicht waarna later ook de brede trechter verzandt. 2.1 Middeleeuwse inpoldering van de inhammen van de Middelzee In de dertiende en veertiende eeuw worden stapsgewijs de diepe inhammen van de oude zeearm bedijkt (zie kaart hiernaast). De ingedijkte gronden worden vanuit ‘uithoven’ - die door werkmonniken worden geëxploiteerd - omgevormd tot boerenland. Daarbij vormen de Middelzeedijken op het oude land de basis. Dwars op de Middelzeedijken worden dijken aangelegd waarmee steeds een deel van de zeearm wordt afgedamd waarna het in cultuur wordt genomen. Wanneer het werk was voltooid werd verder zeewaarts weer een nieuwe dwarsdijk aangelegd waarmee de voorgaande dijk haar zeewerende functie verliest en slaperdijk wordt. Op deze wijze is de ladderstructuur ontstaan die de middeleeuwse inpoldering van de diepe inham van de Middelzee kenmerkt. Deze middeleeuwse ‘nieuwlanden’ in de Middelzee behoorden vanouds toe aan de gemeenschap op het oude terpenland. Dat verklaart dat zij nimmer intensief bewoond zijn

pre

ssi

eo

ud

ez

eek

leip

old

ers

(M

idd

ele

geweest, de gronden waren immers al verdeeld over de reeds bestaande nederzettingen op het oude land en werden ook vanuit die nederzettingen bewerkt. Nog altijd kennen deze nieuwlanden weinig bebouwing. De bebouwing die er is ligt gespreid, waarbij de boerderijen vooral langs de oude dijken liggen. Begin 1300 wordt tussen Britsum (Oostergo) en Bitgum (Westergo) de Skrédyk (of Bildtdijk) aangelegd, waarna het nieuwe land ten zuiden daarvan wordt drooggelegd en verkaveld. Om de grens tussen Oostergo en Westergo te trekken én om de afwatering van het gebied te regelen wordt de Zwette gegraven. Deze Skrédyk is de laatste dijk in de reeks van vroege inpolderingen van de Middelzee. Daarmee begrenst de Skrédyk het Middeleeuwse bedijkingslandschap (van voor 1505) van de Middelzee. Dit landschap wordt gekenmerkt door een blokverkaveling, waarvan de percelen in langwerpige oost-west georiënteerde stroken liggen, aangeduid met de naam ‘keer’. Ten noorden van de Skrédyk lag tot 1505 de brede zeemonding nog open. Hier ging de opslibbing onverminderd door, waarmee Grote Bildt en Kleine Bildt ontstonden. De naam ‘Bildt’ is afkomstig van opgebild, hetgeen opgeslibd betekent. Men is ook niet ‘in’ maar ‘op’ het Bildt. De kerken en dorpelingen van de aangrenzende dorpen legden kadijken aan en namen de opgeslibde kwelders in gebruik.

Dat verandert in 1498 wanneer het inmiddels aanzienlijk aangewassen

eu

ws

e in

po

lde

rin

g)

gebied in handen komt van Albrecht van Saksen. Daarmee treedt een nieuwe fase in; die van de grootschalige, post-middeleeuwse inpolderingen, naar Hollands model. 2.2 Grootschalige drooglegging trechter mond Middelzee Een volgende grote stap in de ontwikkeling van Waadhoeke is de gefaseerde bedijking en drooglegging van de brede trechtermond van de Middelzee (zie kaart pagina 60). Deze start aan het begin van de 16e eeuw, kort nadat het kweldergebied in 1498 in eigendom komt van hertog Albrecht van Saksen. Het gebied bestaat dan uit het Grote Bildt en het Kleine Bildt. In februari 1505 sluit Albrechts zoon, Georg van Saksen, met vier Dordtse edelmannen een overeenkomst om het tegenwoordige Oude Bildt te bedijken. Zo’n 1500 arbeiders uit Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Noord-Holland leggen in 261 dagen een ruim 14 kilometer lange nieuwe zeedijk aan -de Oudebildtdijk - met daarin twee sluizen om het overtollige water uit te kunnen slaan. Deze wordt ook wel aangeduid als ‘de tweede zeedijk’. Om het werk nog voor het stormseizoen af te kunnen ronden zijn vijftien ‘homannen’ ingezet. Een ‘homan’ was een honderd man sterke arbeidersploeg die één kilometer dijk(vak) aanlegde. Ofschoon de dijk al in 1505 is voltooid zijn nog tot 1508 aanpassingen aan de dijk gedaan. Veel dijkwerkers zijn nadien op het Bildt blijven wonen.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 59

Po l

dijk

1754 1715

Nieuw

O

e ud

bil

dt

dij

ebildtdijk

k

Westhoekpolder

St.-Annaparochie

1970 1505-1508

Franeker

Inpoldering noordelijk deel Middelzee, het Bildt (16e-18e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 60 - BoschSlabbers

Arbeiderswoningen Poldijk Herenboerderij Oudebildtdijk

Groote Gat

Herenboerderij

Arbeiderswoningen Im

pre

Im ssi

ej

on

ge

ze

ek

lei

po

lde

rs

Het was niet zonder reden dat Georg voor de inpoldering Hollanders inhuurde. Het Friese grondrecht bepaalde dat bewerkte buitendijkse kwelders en landen van (Friese) particulieren en kloosters na inpoldering in het bezit van deze partijen bleven. Georg wilde zich na inpoldering van zoveel mogelijk pacht verzekeren. Door de overeenkomst met de Hollandse adel dacht hij zich op het Hollandse recht te kunnen beroepen dat -anders dan het Friese grondrecht- bepaalde dat buitendijks gebied moet worden afgestaan aan de ontginner. Deze gedachtegang bleek echter niet volhoudbaar. Ondanks de aanstelling van Hollandse werklieden maakten de Friezen toch aanspraak op de kweldergronden die zij voor de aanleg van de Oudebildtdijk bewerkten en wilden daar alleen tegen een redelijke vergoeding afstand van doen. Het kweldergebied was een inkomstenbron voor boeren, verpachters en voor het grote kloosterschap Ludingakerke uit Almenum (nu Harlingen). Georg van Saksen kon met Ludingakerke vrij snel tot een overeenkomst komen voor een vergoeding van de voormalige kweldergronden. Dit klooster was eerder zeer rijk geworden met de aanleg van de grachten in Harlingen waardoor het minder afhankelijk was van de inkomsten uit de kweldergronden.

pre

ssi

en

Nieuwebildtdijk i eu

we

aa

nd

ijk

ing

De Hollandse bedijkers delen het nieuwe land op een voor die tijd karakteristieke manier in, naar voorbeeld van de Nieuwlandpolders in Zuid-Holland en Zeeland, maar hier op een nog grotere schaal. In het midden van de polder wordt een kaarsrechte weg aangelegd, eerst ‘Regentenweg’ en later ‘Middelweg’ genoemd. Aan deze weg worden drie werkkampen opgericht van waaruit de dijkwerkers dagelijks naar de Oudebildtdijk trekken om daar aan de dijk te werken. Deze nederzettingen zijn vernoemd naar de plaatsen de dijkwerkers vandaan komen. Zo ontstaan de drie dorpen: Wijngaarden, Altoenae en Kijfhoek. Elk dorp vormde een katholieke parochie, en de namen daarvan gingen al snel over op de dorpen. Zo ontstonden St.-Jacobiparochie (voor Wijngaarden), St.-Annaparochie (voor Altoenae), en Vrouwenparochie naar Onze Lieve Vrouwe (voor Kijfhoek). In het Oude Bildt staan de boerderijen langs de polderwegen, maar ook op hogere plekken in het land, via insteekwegen met de polderwegen verbonden. Aan de Oudebildtdijk is een lintbebouwing ontstaan met monumentale ontginningsboerderijen die vrij aan de binnenzijde van de dijk liggen en de landsarbeidershuisjes die aan de buitenzijde tegen de dijk aangeklampt liggen. Het verschil in maatschappelijke status vertaalt zich zo direct in de ruimtelijke structuur.

en

Het Buiten Bildt (het Nieuwe Bildt) blijft tot 1599 onbedijkt. In 1600 wordt de derde zeedijk, de Nieuwebildtdijk aangelegd en ontstaat de polder het Nieuwe Bildt. De ontginningsboerderijen liggen hier aan de dijk, kort achter de landarbeidershuisjes, of vrij in de polder aan lange insteekwegen. Met de aanleg van de Koedijk wordt ook het aangrenzende NieuweMonnikenbildt ingepolderd. Na de aanleg van Poldijk (1715) en de Noorderleegdijk (1754) die de Oude Bildtpollen en de Nieuwe Bildtpollen omsluiten, worden op hun beurt ook een deel van de Nieuwebildtdijk en de Koedijk slaperdijken. Aanpassingen aan het watersysteem Zo zijn continu nieuwe stukken kwelderland ingepolderd, waarbij een patchwork aan polders ontstaat dat stapsgewijs wordt uitgebreid. In dit proces worden zeedijken tot binnendijken en polders die aanvankelijk direct aan zee grenzen tot binnenpolders. In dit proces van inpolderen en aandijken stond men voor een dubbele opgave. Niet alleen moesten de nieuw bedijkte gebieden worden ingericht - waarbij voor de afwatering een netwerk van vaarten moest worden aangelegd - maar ook moest de inrichting van de eerder bedijkte gebieden op de nieuwe situatie worden aangepast. Afwateringsvaarten moesten worden verlengd en sluizen of ‘zijlen’ worden verlegd. Niet alleen het land schoof richting zee op, maar ook al hetgeen daar-

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 61

Herenboerderijen binnenzijde (links), arbeiderswoningen buitenzijde zeedijk (rechts)

Een Grietenijkaart van het Bildt omstreeks 1700. Kaart door F. Halma (1714) naar C. Schotanus. https://friesscheepvaartmuseum.nl/beeld/fsm-col1dat1000023690

Erfbeplanting

Schutsluis in Oude Leije

De zijl in Oudebildtzijl

62 - BoschSlabbers

Kop-hals-romp boerderij

Kop-hals-romp boerderij van het Bildtse type

mee verbonden was. Dit is goed zichtbaar in de gefaseerde ontwikkeling van het Bildt. Na iedere bedijkingen van de opgeslibde kwelder in de trechtermond van de Middelzee moest de zeesluis of ‘zijl’ verder zeewaarts worden gelegd. Aanvankelijk lag de sluis bij Oude Leije, na inpoldering van Oud Bildt werd de zeesluis in de Oude Bildtdijk / Koedijk opgenomen, waarbij het dorp Oudebildtzijl ontstond. Bij de inpoldering van Nieuw Bildt werd de zeesluis naar Nieuwebildtzijl verlegd. Zo kwamen er, als ware het de jaarringen van een boom, drie sluizen met zijldorpen in elkaars verlengde te liggen: Oude Leije, Oudebildtzijl en Nieuwebildtzijl. 2.3 Landbouw Het land was niet ondankbaar. De vruchtbare grond maakte dat de landbouw hier kon floreren. De rijke oogsten vertaalden zich ook in rijke boerderijen. De boerderijen in het Bildt waren groot en statig, zij stonden op een royaal erf dat zwaar in de beplanting stond. Het landbouwkundig gebruik weerspiegelt de bodemsamenstelling. De Middelweg in het Oude Bildt valt vrijwel samen met het onderscheid tussen zware klei in het zuiden en de lichte zavel in het noorden. Op de lichte zavel benoorden de Middelweg overheerst de akkerbouw, in het zuidelijk deel het grasland. De latere aandijkingen onderscheiden zich in verkaveling en grondgebruik.

Zij kennen een blokverkaveling en bestaan uit kalkrijke zavel en klei, waardoor zij geschikt voor akkerbouw zijn.

Niet voor niets toont het wapen van het Bildt een drietal schelpen waar aren uit groeien en staat aan de Nieuwe Bildtdijk nog altijd een boerderij met de naam Aren út skelpen. In korte tijd groeit het Bildt uit tot ‘de graanschuur’ van Friesland, en later tot het centrum voor pootaardappelenteelt. 2.4 Boerderijbouw Kenmerkend voor Waadhoeke zijn de kop-hals-rompboerderij, de Bildtse boerderij en de stelpboerderij. Kop-hals-rompboerderij Deze typisch Friese boerderijvorm vindt mogelijk zijn oorsprong in het Bildt. Bij deze boerderijvorm is het woonhuisgedeelte de kop, het middengedeelte de hals en de schuur de romp. Rond 1600 floreert de landbouw in Waadhoeke. De vruchtbare grond, de verbeterde ontwatering en de talloze landaanwinningen maken dat er steeds meer van het land wordt geoogst. De sterke toename in de oogst noopt tot grotere opslagplaatsen. Daartoe werd aan de zijkant van de boerderij een stuk aangebouwd. Hierdoor ontstond de kop-hals-rompboerderij, waarbij het woongedeelte niet recht voor de schuur staat maar door een tussenbouw daarvan is gescheiden. Vanaf die tijd worden nieuwe boerderijen op deze manier gebouwd. Een kop-hals-rompboerderij was zowel geschikt voor veeteelt als voor akkerbouw. Een veeteelt-

bedrijf kent een hoger voorhuis met daaronder de melkkelder en heeft stalraampjes in de schuur. Een akkerbouwbedrijf heeft een verlengd voorhuis voor een grotere graanopslagzolder en grotere ramen aan de achterkant van de schuur, die als dorsruimte werd gebruikt. De kop van een kop-hals-rompboerderij heeft topgevels met schoorstenen. Op de uiteinden van de nok van de romp is als bescherming een uilenbord geplaatst; een driehoekig bord met een gat in het midden waar uilen door in en uit konden gaan. Boerderij de Kloosterplaats te Achlum en de Ypeystate bij Rewert zijn hiervan voorbeelden. Bildtse boerderij De Bildtse boerderij is een variant op de kop-hals-rompboerderij waarbij het voorhuis haaks op de schuur staat in een L-vorm (boerderijen van het winkelhaaktype). Deze variant is te vinden op het Bildt. Opmerkelijk is ook dat er vóór 1500 geen schuren voorkwamen in Friesland. Het is daarom mogelijk dat de kop-hals-rompboerderij haar oorsprong vindt op het Bildt en van daaruit over Friesland is verspreid. Stelpboerderij Ook de stelpboerderij heeft zijn oorsprong in Friesland. Dit boerderijtype kwam in de 17e eeuw, na de ontwikkeling van de kop-hals-romp boerderij, tot ontwikkeling maar werd met name populair tussen 1890 en 1940. De stelpboerderij had als groot voordeel dat Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 63

Paalrijen in de kwelders, ooit aangelegd met de gedachte dit land ook in te dijken, maar dat is nooit gebeurd

deze goedkoper te bouwen was dan de oudere kop-hals-rompboerderij, doordat die uit verschillende delen bestaat, terwijl bij de stelp de woonen werkruimtes zich onder één dak bevinden. De Friese stelpboerderij was gebaseerd op de Noord-Hollandse stolpboerderij. Het verschil tussen de stelp en de stolp is het dak; bij de stolp is deze piramidevormig, bij de stelp niet doordat de ondergrond een rechthoekige vorm heeft. Dat de Friese stelp langer is dan de stolp vloeit voort uit het feit dat de Friezen grotere boerderijen nodig hadden om alle melk op de boerderij te kunnen verwerken tot kaas of boter. Daartoe werd onder de stelp een grote melkkelder gebouwd. De woongedeelten en de aanwezige melkkelder liggen direct achter de voorgevel. Boven de melkkelder bevindt zich de opkamer. De opzet van de schuur is vrijwel hetzelfde als bij de kop-hals-rompboerderijen, alleen neemt de koestal meestal niet de gehele zijbeuk in beslag, maar ligt deze tegen de woonvertrekken, achter de voorgevel.

64 - BoschSlabbers

3 . OV E R G A N G S ZO N E VA N L A N D N A A R ZEE Vanaf de zeventiende eeuw stimuleren de boeren aan de kust, met name in het gebied tussen Zwarte Haan en Holwerd, de aanslibbing op de kwelders door het graven van greppels. Toen bleek dat in het begroeide deel van de kwelder de aanwezigheid van greppels de aanslibbing tussen de vegetatie versnelde verlengde men deze greppels tot in het kale slik, tot ongeveer 100 meter voorbij de begroeiing. Zo ontstond een stelsel van evenwijdig aan de kust gegraven greppels, die uitmondden in loodrecht op de kust staande uitwateringen. Later zijn ook paalrijen met daartussen rijshout aangebracht om de opslibbing te versnellen. Deze ‘boeren-methode’ van landaanwinning is voortgezet tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Zo ontstonden telkens weer jonge kwelders en slibvlakten. Waren de kwelders hoog genoeg opgeslibd, dan werden zij met een zomerdijk tegen hoog water beschermd en als zomerpolder ingezet voor het beweiden van het vee. Kenmerkend voor Friesland is dat de gronddruk hier minder groot was dan in Holland waardoor de kwelder pas werd ingepolderd wanneer de grond volledig was gerijpt.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 65

D Moderne tijd

10.000 v. Chr.

Het begrip ‘modern’ is relatief. Met de ‘Moderne tijd’ wordt de periode bedoeld waarin de occupatie van Waadhoeke in grote lijnen is volbracht en de onderlegger van het huidige landschap zijn vorm heeft gekregen. Belangrijk voor deze periode zijn de welvaartsexplosie tussen 1840 en 1870 en de Tweede Wereldoorlog. Beiden hebben, ieder op zijn eigen wijze, tot een grote vernieuwingsdrang geleid. De eerste heeft geleid tot de drang landbouwgronden te verbeteren en het land beter te ontsluiten, als ook tot een grootschalige vernieuwing van de kerken. De tweede heeft - vanuit de gedachte ‘nooit meer honger’ - geleid tot een drang de productiviteit van het land danig op te voeren.

De ‘Moderne Tijd’ begint met de grote watersnood van februari 1825 die grote schade veroorzaakte langs de Nederlandse, Duitse en Deense waddenkusten. De ‘Moderne Tijd’ omvat ook de teloorgang van de terpen, de industrialisatie, de ontwikkeling van het wegverkeer, de opkomst van het forensisme en dien ten gevolge de groei van de agrarische dorpen en niet op de laatste plaats de invloed van de grote ruilverkavelingen op natuur en landschap.

1825 0

2020

Binnenpolderdijken uit de 10e-11e eeuw, met de moederpolders en Slachtedijk Zeedijken uit de 11e-12e eeuw Dwarsdijken in de Middelzee uit de 13e eeuw Dijken in het Bildt uit de 16e-18e eeuw Dijk van de Westhoekpolder van rond 1970 Dijkputten

Po l

Nieuw

O

e ud

bil

dt

dij

dijk

ebildtdijk

k

Griene dyk

We st

Se

k dy

A

Slachte dijk

Slac

htedijk

Bedijkingsgeschiedenis van Waadhoeke - tot ongeveer 1970 68 - BoschSlabbers

ldd

yk

elij

ke

Mi

dd

elz

eed

ijk

Skré

dyk

1.

DIJKVERSTERKING EN L A N DA A N W I N N I N G

Na de grote watersnood van 3 tot 5 februari 1825, waarbij ook de Friese Waddenkust zwaar is getroffen, zijn de oude zeedijken structureel verbeterd. Daarbij zijn ook de dijkputten ontstaan, van waaruit de aarde werd gewonnen die nodig was om de dijken te versterken. Met het versterken van zeedijken hebben tal van eeuwenoude binnendijken, waaronder de Slachte, hun primaire waterkerende functie verloren. Veel van deze dijken zijn nadien verloren gegaan maar de Slachte wordt tot op de dag van vandaag als slaperdijk in stand gehouden. In de loop van de twintigste eeuw is de zeedijk langs de Waddenkust geleidelijk aan verhoogd, verbreed en ‘rechtgetrokken’. Bij Koehool is voor ‘de kortste weg’ gekozen en even verderop zijn als laatste de ‘slikken of voorgronden’ bij Dijkshoek ingepolderd. De verbreding heeft doorgaans aan de binnenzijde van de dijk plaatsgevonden. Daarbij zijn nagenoeg alle oude vissershuisjes -de ‘lange jammers’- die tegen de dijk stonden verloren gegaan. Haaks op de dijk zijn strekdammen aangelegd om de zeestroming te geleiden en de golven te breken. De ‘boerenlandaanwinning’ die in de 17e eeuw is ingezet ging door tot diep in de twintigste eeuw. Omstreeks 1970 is bij Dijkshoek de laatste zomerpolder voor de Armendijk bij het bedijkte land getrokken.

De gegraven greppels en paalrijen in de kwelders bij Noorderleeg (foto: Siebe Swart)

Inpoldering bij Dijkshoek Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 69

inpoldering Westhoek Koehoal

Im

pr

es

sie

Koehoal

Im bu

ite

nd

ijk

Im p (v o r e s s ie or 195 bui ten 0)

sg

dij

eb

ks

ied

ge

70 - BoschSlabbers

bij

W es

th

oe

k(

vo

or

19

50

pr

es

sie

bu

ite

nd

ijk

dt

en

oo

ste

nv

an

Zw

eb

ied

bij

W es

th

oe

k(

na

19

)

Im p (na ress ie 19 bu 50 ite )

bie

sg

ar t

eH

aa

n

nd

ijk

sg

eb

ied

ten

oo

ste

nv

an

50

Zw

)

ar

te

Ha

an

Terpafgraving te Marsum in 1916 (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, deel van objectnummer SHBO-FKU-AA 59322)

In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstaat meer oog voor de waarde van het buitendijks gebied voor de natuur en voor het Wad als natuurlijk systeem en verlaat men het principe van de landaanwinning.

afgraven op zich nam. Hij maakte reclame voor de kwaliteit van de terpaarde onder aspirant-kopers en maakte dat de terp goed over het water te bereiken was. Wanneer het dorp nog geen opvaart had liet hij voor de terpafgraving een opvaart graven.

2 . T E LO O R G A N G VA N D E T E R P E N De terpen waren opgetrokken uit vruchtbare grond, zeer geschikt voor het verbeteren van landbouwgronden. Terpaarde bleek een uitstekende meststof en bodemverbeteraar. Deze aarde bood naast een rijkdom aan dierlijke mest ook een hoog gehalte aan klei, waardoor vocht en voedingsstoffen beter worden vastgehouden. Al in de achttiende eeuw is het gebruik van ‘huisstee-aarde’ voor bemestingsdoeleinden bekend en worden terpen op beperkte schaal voor eigen gebruik afgegraven. Dit raakt in een versnelling wanneer omstreeks 1840 tal van commissies, genootschappen en maatschappijen zich uitspreken over de kansen die bodemverbetering biedt voor de landbouw op de arme zandgronden en in de veenkoloniale gebieden. Daarmee komt het commercieel afgraven van de vruchtbare terpaarde in zwang. Vanaf 1840 bieden advertenties in de Leeuwarder Courant terpaarde aan. Met 1 ha terp kon de productiviteit van ongeveer 375 ha bouwland sterk worden verbeterd, hetgeen de waarde van de terpaarde onderstreept. De eigenaar van de terp, meestal de bewoner, verkocht de bovengrond van de terp aan de ‘terpbaas’ die vervolgens het gehele proces van

Terpschippers vormden de schakel tussen de terpbaas en de terpboeren. Zij hadden zich gespecialiseerd in het vervoer van terpaarde over de Friese wateren. Speciale schepen, skûtsjes, werden met terpaarde volgeladen. Werd de terpaarde aanvankelijk met kruiwagens over planken naar het schip gebracht, tegen het einde van de 19e eeuw werden kipkarren ingezet om de terpaarde te vervoeren. Hiervoor werd een smalspoor aangelegd waarover de karren, vaak aangedreven door paarden of zelfs een locomotief. Nagenoeg alle terpen in Waadhoeke zijn - deels of geheel - afgegraven. Als eerste zijn de terpen afgegraven die niet (meer) bewoond waren. Deze konden in hun geheel worden afgegraven en zijn daarmee letterlijk in het landschap uitgevlakt. Op terpen waar nog weinig bewoning aanwezig was bleek het soms lucratiever de resterende bebouwing te slopen om zo alsnog de gehele terp af te kunnen graven. Op deze wijze zijn veel terpen in hun geheel verdwenen, soms herinnert nog slechts een bocht in de weg aan de voormalige ligging van de terp. Op andere plekken zijn ze via het slotenpatroon

Terpbazen gaven hun terpen fraaie namen (Boersma, J. (1935, maart 6). Terp De Goudberg. Nieuwsblad van Friesland.)

nog herkenbaar. De terpzool is ook vaak nog aanwezig in de ondergrond en blijft een belangrijk stuk archeologisch bodemarchief. Toen de individuele terpen eenmaal waren afgegraven, kwam ook de aarde van de dorpsterpen in beeld. Hier werden de niet bebouwde oppervlakten afgegraven. De afgraving gebeurde in ‘klampen’; de terpen werden loodrecht naar beneden afgegraven. Vaak werd de terp tot aan de rand van het kerkhof afgegraven, waarbij de menselijke resten naar beneden rolden. Omdat aan de terpzool - de onderste laag van de terp - ten onrechte de hoogste waarde werd toegekend, werden de terpen zo diep mogelijk weggegraven, soms tot in het zand van de onderliggende kwelderwal. Vaak is dat nu de plaats waar de ijsbaan ligt. De prijs van de terpaarde bleef door de jaren heen redelijk stabiel, de prijzen schommelden tussen zo’n 25 en 75 cent per ton terpaarde. Grote terpen werden daarmee voor tienduizenden guldens verkocht, waarbij de ondergrond bij de verkopers in bezit bleef. Zo werden de enorme hoeveelheden terpaarde uit het gebied ingeruild voor nieuwe boerderijen, rentenierswoningen en pastorieën. Mogelijk verklaart dat mede de opkomst van de villacultuur die, met name in het kleiterpenlandschap, in de negentiende eeuw plaatsvindt.

Mogelijk dat een deel van de terpaarde vanuit Waadhoeke naar de Drentse zandgronden en de Groninger veenkoloniën is afgevoerd, maar de Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 71

Spoorlijn Tramlijn Weg Grote vaart Dorpsvaart Nog bestaande terp Voormalige terp Zuivelfabriek - aanwezig Zuivelfabriek - verdwenen

St.-Annaparochie

Dronryp Franeker

Waadhoeke rond 1900 72 - BoschSlabbers

Terp afgegraven tot aan de kerk (Zweins)

meeste terpaarde is particulier afgegraven en gebruikt om gronden in de directe nabijheid te verbeteren. Zo is terpaarde opgebracht op de hooilanden (‘maden’ of ‘mieden’) op de zwaardere kleigronden in de kweldervlakten. Deze kampten met lage opbrengsten en het opbrengen van terpaarde bracht hierin structureel verbetering aan. Bekend is dat een deel van de aarde naar de Lutspolder, tussen Bolsward en Bitgum, is gebracht. In Westergo, waar Waadhoeke onderdeel van uitmaakt, zijn veel meer terpen afgegraven dan elders in het noordelijke zeekleigebied. Daar zijn twee verklaringen voor. Op de eerste plaats was hier de afstand tussen de terpen op de kwelderwallen en de te verbeteren graslanden in de kweldervlakten heel kort. Daarbij komt dat terpaarde een ideale meststof voor klavers bleek, in die tijd een belangrijk veevoeder, en daarmee extra aantrekkelijk om op de hooi en weilanden in de kweldervlakten op te brengen. In 1910 bedenkt ook de belastingdienst dat er met de terpen geld te verdienen is. Terpeigenaren betalen niet langer belasting per vierkante meter maar per kubieke meter terp. Dit veroorzaakt een versnelling van de afgravingen, de eigenaren maken de terpen liever te gelde dan niet gemaakte inkomsten af te moeten dragen aan de belastingdienst. Jac P.

Thijsse schrijft hierover in 1915 tijdens een reis naar Friesland: “Die fiscus mocht weleens wat meer om de gevolgen van zijn daden denken”. Omdat

Uitzicht vanaf de rand van afgegraven terp (Blessum)

nagenoeg alle terpafgravingen in Waadhoeke voor 1910 hebben plaatsgevonden lijkt dit fiscale aspect hier nauwelijks een rol te hebben gespeeld. Het afgraven van terpen gaat decennialang door, tot de kunstmest zijn intrede doet in de agrarische wereld. Rond 1930 begint in den lande de periode van de grootschalige toepassing van kunstmest. In Waadhoeke verloopt de overgang naar kunstmest echter moeizaam. Hier gebruikt men van oudsher terpaarde als bodemverbeteraar en moest men aanvankelijk van deze nieuwe meststof weinig weten. Advertenties raadden aan om toch vooral terpaarde te blijven gebruiken omdat terpaarde vele jaren zijn effect behoudt, terwijl kunstmest elk jaar opnieuw uitgestrooid moet worden. Ook was er het sociaal apèl te denken aan de werkgelegenheid van arbeiders en schippers. Terpbazen, schippers en arbeiders waren er enorm bij gebaat dat boeren de aarde bleven afnemen. Voor veel pachtende boeren maakte de pachtovereenkomst het gebruik van kunstmest onmogelijk. Vaak verbood de pachtovereenkomst het uitstrooien van kunstmest over het land, de pachter werd verplicht terpaarde te kopen om de akker te verbeteren. Pas nadat was aangetoond dat de toepassing van kunstmest 20% meer opbrengst leverde dan het gebruik van terpaarde en bleek dat kunstmest - in tegenstelling tot terpaarde - wel te gebruiken was bij regenachtige of koude weersomstandigheden, schakelt

men ook in Waadhoeke over op het gebruik van kunstmest. In de eerste oorlogsjaren herleeft de belangstelling voor terpafgravingen. Dat komt doordat er in die tijd een tekort aan kunstmest is, terwijl de boeren uit armoede hun terpaarde voor een veel lagere prijs van de hand doen en de schippers tegen lagere tarieven het transport verzorgen. Daarmee wordt terpaarde als bodemverbeteraar voor een laatste maal interessant. Ook de Rijksdienst voor het Nationale Plan (voorloper Rijksplanologische dienst) neemt deze opleving waar. Ter bescherming van het landschapsschoon legt zij in 1943 vergaande beperkingen op aan het afgraven van terpen. In 1944 stelt deze rijksdienst een lijst samen van terpen die ‘ongeschonden behouden moeten blijven’. Daarmee wordt het afgraven feitelijk beëindigd. Terpvondsten Bij de terpafgravingen is - naast botten, hout van prehistorische boerderijen en potscherven - een verscheidenheid aan archeologische vondsten aan de oppervlakte gekomen die de rijke geschiedenis van Waadhoeke weerspiegelen. • Bij de afgraving van de terp van Winsum (1861) is een omvangrijke Romeinse zilverschat gevonden. • Bij de afgraving van de terp van Tolsum - een buurtschap nabij Tzum, aan de Slachtedijk kwam ‘het schrijfplankje van Tolsum’ boven aarde. Dit wordt beschouwd als de oudst Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 73

Gardenierslandschap bij Berltsum (kaart 1950) (Topotijdreis.nl)

Gardenierslandschap bij Berltsum (kaart 2020) (Topotijdreis.nl)

Resterende beplanting gardenierslandschap

Zuivelfabriek De Ried

Moderne agrarische architectuur

74 - BoschSlabbers

geschreven tekst van Nederland. • Bij het afgraven van een terp nabij Tzum kwam een Romeins Apollobeeldje boven aarde. • Bij Spannum is een Merovingische bronzen armband aangetroffen. • Bij het afgraven van de terp van Hitzum kwamen een gouden sieraadmunt, een bronzen mantelspeld, een bronzen Romeins masker en een bronzen vrouwenbeeldje aan de oppervlakte. • Bij het afgraven van de terp van Bitgum kwam een votiefsteen uit het begin van de jaartelling vrij, met daarop een afbeelding van de godin Hludana.

3 . T E LO O R G A N G VA N H E T GARDENIERSLANDSCHAP Tegen het einde van de 19e eeuw wordt binnen de ‘kamerstructuur’ van het gardenierslandschap het fruit vervangen door de dan meer rendabele aardappelteelt. Hierdoor konden de sloten, het kenmerkend reliëf en de elzensingels (‘greppeltsjelân’ en ‘ekers’) nog lange tijd worden gehandhaafd. Aan deze ‘kleinste vorm van akkerbouw’ komt in 1949 een eind wanneer minister Mansholt verordent dat op ieder perceel nog maar eens in de drie jaar aardappelen mogen worden verbouwd, om de verspreiding van de besmettelijke aardappelmoeheid tegen te gaan. Bij de latere ruilverkaveling zijn percelen samengevoegd en

gladgestreken, zijn kavels vergroot en zijn de resterende perceelsbeplantingen gerooid, waardoor het gardenierslandschap voor het grootste deel letterlijk is uitgevlakt (zie ook onder 8). Toch resteren er nog kleine stukjes tussen Wier en Marsum.

4 . I N D U S T R I A L I SAT I E

de fabriek wordt verwerkt is de bouw van de melkkelder, niet langer noodzakelijk. In Dronryp ontwikkelde zich een aardappelmeelfabriek (1880-1930) waar later een vlaswerkingsbedrijf in werd gevestigd. Ook aan de Langhuisterweg onder St.-Annaparochie vestigt zich een vlasfabriek.

Opkomst melk- en aardappelmeelfabrieken Tot eind 19e eeuw wordt de melk door de boeren zelf verwerkt tot zuivelproducten en rondgebracht. Vanaf eind 19e eeuw ontstaan verspreid over Waadhoeke circa 15, veelal kleine zuivelfabrieken die de productie en distributie goeddeels van de boeren overnemen. De eerste melkfabrieken zijn opgericht door ondernemende pioniers, en niet veel later door zuivelcoöperaties. Die coöperaties waren ook facilitair naar de aangesloten boeren; kunstmest en veevoeder werden gemeenschappelijk ingekocht. De melkfabrieken namen een belangrijke plaats in het leven in, vaak waren zij het hart van het dorp. Veel van deze eerste melkfabrieken was slechts een kort leven beschoren, vaak waren ze binnen tien jaar alweer buiten bedrijf, ingehaald door de coöperatieve ontwikkeling. Alleen zuivelfabriek De Volharding in Dronryp is nog in bedrijf. De zuivelfabrieken van Winsum, Tzum, Ried en Oude Bidtzijl zijn als industrieel erfgoed nog aanwezig. De opkomst van de melkfabriek werkt ook door in de boerderijbouw. Nu de melk niet langer op Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 75

Grote vaart Dorpsvaart

Ouwe Fa

ar t

Oud

eR

iid

St.-Annaparochie

Blikvaar t

Mod de

5. ONTWIKKELING INFRASTRUCTUUR

rg at

va n

Be r lts u

De

Sexb ier u mer

m

Rie

Leeuwarden fe

ar

t

Franeker rt Tre k va a

Harlingen

n

aa

ee rL

uw

a rden

Trekvaar t

Ze rt

n

aa

n

va

aa

a

rt

ilv

Va

H ar lin ge

n na

ar B

rS

ne

ek

ol s

Dronryp

In het door waterlopen en vaarten doorregen kustlandschap was het transport over het water tot diep in de negentiende eeuw belangrijker dan het transport over het land. Langs de grotere vaarten maakten jaagpaden het vervoer per trekschuit mogelijk. In het land waren - afgezien van incidentele kerkepaden die de boerderijen met de kerken verbonden - nauwelijks wegen aanwezig. Dat verandert omstreeks 1900 wanneer Waadhoeke intensief op het tram- en treinnet wordt aangesloten en tegelijkertijd verbindingswegen over land worden aangelegd.

w ar d

Vaarten als belangrijkste infrastructuren voor 1860

De Rie 76 - BoschSlabbers

Ouwe Faart

5.1 Tram- en spoorlijnen Kort nadat de spoorwegwet van Thorbecke (1860) is aangenomen wordt het spoor van de havenstad Harlingen naar het Duitse Ihrhove aangelegd. Al in 1863 wordt als eerste het baanvak Harlingen-Leeuwarden geopend. In 1880 wordt in Utrecht de Nederlandse Tramwegmaatschappij opgericht. Deze had de ambitie om door heel Nederland tramwegen aan te leggen maar heeft uiteindelijk alleen in Friesland - met enkele uitlopers naar andere provincies - tramlijnen gerealiseerd. Aanvankelijk werden op deze NTM-lijnen paardentrams ingezet. Zo werd in 1900 de paardentramlijn Berltsum - St.-Annaparochie geopend. Deze lijn werd 17 jaar later alweer opgeheven. In 1932 wordt de lijn Makkum-Harkezijl als laatste paardentramlijn opgeheven. Nadien is de paardentram vervangen door de stoomtram. Zo voerde een stroomtram van Harlingen, via Midlum, Herbaijum, Franeker en Dronryp naar Marsum.

Spoorlijn Tramlijn Weg Grote vaart Dorpsvaart

St.-Annaparochie

In dezelfde tijd kreeg de Nederlandse Tramweg Maatschappij concurrentie van de NoordFriesche Locaalspoorweg-Maatschappij. Deze NFLS werd in 1899 in Leeuwarden opgericht. Deze maatschappij legde vooral in het gebied noordelijk van Leeuwarden normaalsporige lokaalspoorlijnen aan. Vanuit Leeuwarden liep er een lijn naar Stiens, waar deze zich splitste in een oostelijke en westelijke tak. De westelijke tak ging via onder andere St.-Annaparochie en Tzummarum naar Harlingen met een zijtak naar Franeker. De aanleg van deze lokaalspoorlijnen was bedoeld voor het vervoer van passagiers, maar meer nog voor het transport van de landbouwproducten, en dan met name de aardappelen van het Bildt, dat inmiddels was uitgegroeid tot marktleider. De spoorlijnen zijn zo vlak mogelijk aangelegd en doorsnijden daarmee letterlijk het aanwezige reliëf. Dit is nog goed zichtbaar bij Dongjum. Daar doorklieft het spoor de terp en de kwelderwal waarbij markante steilranden zijn ontstaan. Al in de jaren dertig komt een einde aan het passagiersvervoer, in de jaren zeventig staken ook de goederentreinen – met hun ladingen aardappelen – de strijd tegen de vrachtwagens. Rails zijn weggehaald, taluds overgroeid of met paden belegd. Met uitzondering van de lijn HarlingenLeeuwarden zijn alle spoorverbindingen tussen 1965 en 1985 opgeheven.

Hier en daar, zoals in Tzummarum, herinnert een spoorwachtershuisje of stationsgebouw aan de Noord-Friesche Locaal-Spoorwegmaatschappij.

Leeuwarden

Dronryp

Franeker Harlingen

Spo

or lijn

Har lingen -

a Leeuw

rden

Vaarten en spoorlijnen als belangrijkste infrastructuren rond 1900

Stationsgebouw Tzummarum

Stationsgebouw Vrouwbuurstermolen Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 77

Spoorlijn Doorgaande wegen Lokale wegen Van Harinxmakanaal

5.2 Wegennet Vrij snel na de ontwikkeling van het tram- en spoornet worden ook de investeringen in het wegennet geïntensiveerd. Onder koning Willem I wordt een begin gemaakt met de aanleg van het rijkswegenstelsel. In dat kader is in 1842 de Harlingerstraatweg aangelegd.

Grote vaarten Kleine vaarten

St.-Annaparochie

Franeker Va n

Harlingen Spoor lijn Har lingen- Leeu

Belangrijke infrastructuren rond 1960

Wegbeplanting

78 - BoschSlabbers

wa r d e

n

Au t o

H a r i nx

m

a

weg

a -k

na

Har l

al

-Le ingen

e u wa

rden

Dronryp

Leeuwarden

Zo wordt een gebied dat aanvankelijk voor het transport op het water was aangewezen langzaamaan tot een gebied waar, net als elders, het vervoer voornamelijk over land plaatsvindt. Voortaan zijn alle dorpen ook over de weg bereikbaar. Langs de hoofdwegen, maar ook langs kleinere wegen, worden opgaande bomen - veelal iepen maar ook linden en populieren - aangebracht, waarmee het open landschap geleidelijk meer beschutting verkrijgt. De verbeterde wegontsluiting maakt ook een einde aan de binnenvaart, in het vervolg wint de vrachtwagen het van het binnenschip. Nog altijd huisvest het gebied veel transportondernemingen die hun oorsprong in de binnenvaart kennen. De opkomst van het wegtransport leidde er ook toe dat medio twintigste eeuw veel van de dorpshavens zijn gedempt. Lange tijd vormden zij het hart van het dorp. Hier legden skûtsjes en kleinere schepen aan om turf en meel aan te voeren en melk, vee en terpaarde af te voeren. In de Greidhoek zijn zo de haventjes (wâl) van Boksum, Dronrijp en Blessum gedempt. De aanleg van de Afsluitdijk (1931) maakt Waadhoeke vanuit westelijk Nederland veel beter bereikbaar. Toch is dit voor de ontwikkeling van dit gebied maar beperkt van betekenis. Het is niet zo dat Waadhoeke daarmee plots werd meegezogen in de vaart der volkeren.

De voorgenomen spoorlijn over de Afsluitdijk is nooit gerealiseerd, en de A7 die vanaf de Afsluitdijk naar Leeuwarden voert verkreeg een veel zuidelijker tracé waardoor de as HarlingenLeeuwarden in ontwikkelperspectief achterbleef. Wel is omstreeks 1985 de A31 aangelegd, waarin men vanaf Dronryp nog het kaarsrechte tracé van de voormalige trambaan herkent.

Spoorlijn Snelweg Doorgaande weg Lokale wegen

En zo trok de drukte letterlijk aan het gebied voorbij. Dat is vandaag de dag nog steeds het geval. De toeristen haasten zich naar Holwerd om de boot naar Ameland te halen zonder te beseffen dat ze hiermee aan een van de meest intrigerende landschappen voorbijgaan. Waadhoeke is daarmee bijna letterlijk een ‘vergeten landschap’. 5.3 Van Harinxmakanaal Omstreeks 1950 wordt het Van Harinxmakanaal ontwikkeld. Hierbij is het tracé van de Trekvaart/ het Trekpad dat van Harlingen naar Leeuwarden voerde - en zich keurig om alle kernen heen boog - als vertrekpunt gekozen. Bij de omvorming van smalle watergang tot breed kanaal heeft een aantal lastige bochten een meer vloeiend verloop gekregen. Het initiatief tot de aanleg van dit kanaal kwam in eerste instantie van de provincie Groningen. Al in 1901 bracht de provincie Groningen het belang van een goede verbinding met Amsterdam naar voren en vijf jaar later liet zij een plan ontwerpen. Het tracé ging voor een groot deel door Friesland en die bedong dat tegelijkertijd een aansluitende waterweg van Fonejacht naar Harlingen zou worden gemaakt om zo een betere verbinding naar zee te krijgen. Dat leidde rond 1920 tot een kanalenplan voor de drie noordelijke provincies: Plan tot verbetering van de vaarwegen Groningen – IJsselmeer en Fonejacht – Harlingen. In 1935 werd voor de uitvoering in Friesland een afzonderlijke dienst opgericht.

Het doel was een breder en dieper kanaal te maken met zo weinig mogelijk belemmeringen waarbij zoveel mogelijk gebruik werd gemaakt van bestaande waterlopen. 5.4 Aansluiting op het elektriciteitsnetwerk Begin twintigste eeuw wordt ook het kustgebied op het elektriciteitsnet aangesloten, waarbij het net aanvankelijk bovengronds wordt ontwikkeld. De talrijke houten palen langs de weg bepaalden lange tijd mede het straatbeeld in de dorpen. Later is het stroomnet ondergronds aangelegd. Kenmerkend voor het Bildt zijn de fraai vormgegeven bakstenen trafo-huisjes.

Van Harinxmakanaal Grote vaarten Kleine vaarten

St.-Annaparochie

Leeuwarden A31

Afs

- Leeuwarden l u it d i j k

Dronryp Franeker

Harlingen Spoor lijn Har lingen- Leeu

wa r d e

n

n Va

Ha

r in

x

-k a n a a l ma

Belangrijke infrastructuren in 2021

Van Harinxma-kanaal

Trafo-huisje Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 79

Weidsheid van het agrarische landschap (het Bildt)

6. ONTWIKKELING LANDBOUW EN VISSERIJ 6.1 Landarbeiders organiseren zich Ook in Waadhoeke waren landarbeiders lange tijd in dienst van grootgrondbezitters en kloosters. Het werk van de landarbeider was zwaar, met lange dagen tegen een karig loon, de huisvesting slecht was en het leven somber. Omstreeks 1880 zet de grote landbouwcrisis in. De Verenigde Staten en Argentinië komen met hun graanovervloed op de wereldmarkt. Denemarken verdringt de Nederlandse boter en in Australië komt de margarineproductie en -export op gang. De Nederlandse landbouw kan de wereldconcurrentie niet bijbenen. De crisis die zowel de akkerbouw als de veehouderij en de tuinbouw treft, houdt zo’n vijftien jaar aan. Met de crisis verslechtert ook de positie van de landarbeider De landarbeiders komen tegen het einde van de negentiende eeuw in verzet tegen hun slechte omstandigheden. In 1889 wordt in Het Bildt de Eerste Nederlandse Landarbeidersbond ‘Broedertrouw’ opgericht. “De vereniging stelt zich ten doel lotsverbetering der arbeiders in de eerste plaats. Niettemin zal zij de overige belangen der arbeiders in ’t bijzonder en van de vierde stand in het algemeen, niet uit het oog verliezen. Met alle ten dienste staande middelen zal zij trachten dit doel te bereiken”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=ef13dc5a-02cb-4b62-89c4-3db05f7c2b9e