CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Landschapsbiografie Waadhoeke 2021 (oude versie)

Voorlichting Raad 16 november 2021, gemeente waadhoeke24.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Het verhaal van Waadhoeke 3000 jaar leven met het water

P R O J E C T DATA

Projectnaam

Het verhaal van Waadhoeke 3000 jaar leven met het water

Opdrachtgever

Gemeente Waadhoeke

Opgesteld door

BoschSlabbers landschapsarchitecten Steven Slabbers Rosanne Vlaar Daniyal Sherafat Twan Slagter Sybren Lanting

In samenwerking met

Van Hall Larenstein University of Applied Sciences

Datum

Oktober 2021

Projectnummer

BS20-127

4

- BoschSlabbers

I N H O U D S O P G AV E

0. Inleiding ................................................................. 6 1. Kenschets .............................................................. 9 2. Doel van de landschapsbiografie . ............. 11 3. Opbouw ................................................................ 12 4. Werkwijze . .......................................................... 13 5. Doelgroep . .......................................................... 13 6. Tijdlijn ................................................................... 14 A. Het natuurlijke landschap ........................... 16 1. Tot 10.000 v. Chr. ............................................. 19 2. 10.000 v. Chr. – 3850 v. Chr. ........................ 21 3. 3850 v. Chr. – 2750 v. Chr. . ......................... 23 4. 2750 v. Chr. – 100 n. Chr. ............................. 25 5. 500 v. Chr. – 300 n. Chr. ............................... 27 6. 300 – 900 n. Chr. ............................................. 27 7. Ca. 900 n. Chr. ................................................. 29 8. Landschapseenheden. ................................... 29 B. Vroege bewoning, tot aan de bedijking .30 1. Domein van nomadische jager, visser ........ en verzamelaar . ............................................... 33 2. Ontwikkeling van het terpenlandschap. 33 3. Grote welvaart .................................................

38 Intermezzo: ontwikkeling kwelderwallenen vlakten . ........................................................ 40 C. Het bedijkte land ..............................................42 1. Bedijking en ontwikkeling van het terpenland . ........................................................ 45 2. Gefaseerde inpoldering Middelzee ......... 59 3. Overgangszone van land naar zee ........... 64

D. Moderne tijd . .................................................... 66 1. Dijkversterking en landaanwinning . ........ 69 2. Teloorgang van de terpen . ........................... 71 3. Teloorgang van het gardenierslandschap ...................................... 75 4. Industrialisatie.................................................... 75 5. Ontwikkeling infrastructuur ....................... 76 6. Ontwikkeling landbouw en visserij ......... 80 Intermezzo: De 7 ruilverkavelingen van Waadhoeke . ..................................................... 83 7. Stads- en dorpsuitbreidingen .................... 89 8. Kerkbouw ........................................................... 90 9. Bodemdaling en delfstofwinning ............. 90 10. Energie . ............................................................... 90 11. Bestuur ................................................................. 91 E. Huidige tijd . ......................................................... 92 1. Kernkwaliteiten landschap .......................... 95 2. Kernkwaliteiten natuur ................................. 111 F. Het volgend hoofdstuk . .................................113 1. Klimaatadaptatie . .......................................... 115 2. Energietransitie . ............................................. 116 3. Herstel biodiversiteit ..................................... 117 4.

Transitie van de landbouw........................... 117 5. Versterken sociaaleconomisch perspectief . ...................................................... 118 G. Bronnenlijst ....................................................... 122 H. Bijlage . ................................................................. 124 1. 10 Gouden regels voor de planvorming. 126

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 5

0 Inleiding

“In vandaag ligt een deel van het verleden en dat samen neem je weer naar morgen mee”. In die zin ligt de crux van de landschapsbiografie besloten. De landschapsbiografie heeft niet alleen tot doel de kennis over het landschap te verdiepen en te verbreden, maar vooral ook anderen te inspireren die kennis mee te nemen in hun proces. Door je in het verleden te verdiepen ga je anders naar het heden kijken en kom je mogelijk ook tot andere afwegingen naar de toekomst. De landschapsbiografie gaat in op verleden en heden van het landschap en biedt een onderlegger voor nog te maken (ruimtelijke) beleidskeuzes. Het verdiept het begrip van het landschap en kan van daaruit helpen bij het creëren van draagvlak voor keuzes ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen. Het landschap van Waadhoeke laat zich lezen als een geschiedenisboek. De landschapsbiografie laat zien hoe de verschillende episoden (hoofdstukken) elkaar hebben opgevolgd en wat iedere episode daarin naar het volgend hoofdstuk heeft meegenomen.

De landschapsbiografie gaat in op de veranderingen die hebben plaatsgevonden, maar ook en vooral op de achtergrond bij die veranderingen, op waaróm zij hebben plaatsgevonden. ‘Rode’ -of eigenlijk ‘blauwe’- draad in de ontwikkeling van Waadhoeke is de omgang met het water. Het verhaal van Waadhoeke gaat over 30 eeuwen ‘leven met water’. Het landschap van vandaag is een momentopname; het is het resultaat van een continue ontwikkeling en tevens het vertrekpunt van aanstaande ontwikkelingen. De landschapsbiografie geeft aan wat uit het landschap van vandaag moet worden meegenomen naar het landschap van morgen, wat in het volgend hoofdstuk niet mag ontbreken.

1920 (Topotijdreis.nl) 8

- BoschSlabbers

1. K E N S C H E T S Leven met water In de geschiedenis van Waadhoeke is de omgang met het water ‘de blauwe draad’. Het verhaal van Waadhoeke gaat over meer dan dertig eeuwen ‘leven met water’. Waadhoeke is gevormd vanuit een intergetijdengebied, een door slenken en stroomgeulen dooraderd kwelderland. Grote delen van Waadhoeke waren ‘schemergebied’, dan eens land, dan eens water. Lange tijd leeft men hier in volstrekte symbiose met het water. De eerste bewoners zijn vissers, jagers en verzamelaars. Later, vanaf 500 voor Christus, vestigt men zich permanent op de hogere kwelderwallen en oeverwallen. Om de woonstee tegen hoog water te beschermen werpt men terpen op, maar voor het overige leeft men nog in open contact met het water. Men leeft aan het water, op het water en met het water. En óver dat water dreef men handel met overzeese volkeren. Later gaat men zich verder tegen het water beschermen. De terp beschermde wel de boerderij, maar niet het land en het vee in het land. Vanaf circa 900 na Christus legt men dijken aan om ook het land tegen het water te beschermen. Met de bouw van de dijken sloot men zich van het water af en keerde men geleidelijk het water de rug toe. Maar nog altijd tekenen het water én de omgang met dat water het landschap van Waadhoeke. Waadhoeke is een door slenken, vaarten, ‘mearen’, sloten en greppels doorregen land-

schap. Het water vormt de nervatuur van het landschap, het brengt letterlijk tekening in het landschap. De terpen en de dijken, de dijkcoupures met schotbalken, de zijlen, sluisjes en resterende molens verhalen over 3000 jaar ‘leven met water’. Verhalend landschap In de loop der tijd heeft de samenleving het landschap van Waadhoeke voortdurend aangepast aan de wensen van haar tijd en aan de technische en financiële middelen waarover men op dat moment beschikte. Telkens weer bouwde men voort op het bestaande landschap, zonder het voorgaande geheel uit te wissen. Hierbij heeft iedere episode zijn eigen aardigheden aan het landschap toegevoegd. Het resultaat is een uitzonderlijk gelaagd landschap, samengesteld uit elementen en structuren uit verschillende tijdlagen. Het landschap van Waadhoeke laat zich lezen als een geschiedenisboek vol verhalen.

lokaal zijn intrede gedaan. Ook toont het huidige kaartbeeld nadrukkelijk de introductie van de windenergie. En dat zijn dan alleen nog de veranderingen die op kaart, in het platte vlak, zichtbaar zijn. Minstens zo bepalend zijn de minder direct zichtbare veranderingen, als het veranderend peilbeheer, het veranderend teeltprogramma, de opdringende verzilting, het verlies aan micro-reliëf en in mindere mate de bodemdaling. Al deze op zich kleine veranderingen sorteren tezamen een groot ruimtelijk effect.

Levend landschap Het landschap van Waadhoeke is een levend landschap, continu in ontwikkeling. Wie de topkaart van 1920 naast het huidige kaartbeeld legt ziet hoezeer het landschap de afgelopen eeuw is veranderd. Dijken zijn versterkt, kavels samengevoegd en agrarische bedrijven en bebouwing zijn aanzienlijk vergroot. De infrastructuur is uitgebreid, dorpen en steden zijn gegroeid en bedrijventerreinen ontwikkeld. Ook de glastuinbouw heeft Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 9

2021 (Topotijdreis.nl) 10 - BoschSlabbers

2. D O E L L A N D S C H A P S B I O G R A F I E Vandaag de dag komen opnieuw tal van opgaven op het landschap van Waadhoeke af, denk aan de energietransitie, de omschakeling naar de kringlooplandbouw, het terugdringen van de stikstofdepositie, herstel van de biodiversiteit, het anticiperen op de klimaatverandering en het versterken van de leefbaarheid. Opgaven die op hun beurt het landschap van nu wederom aanzienlijk zullen doen veranderen. Verandering is inherent aan een levend landschap. Verandering moet men niet willen stoppen, dat is een strijd die men op voorhand verliest. De kunst is die veranderingen zodanig te geleiden dat de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht, nieuwe kwaliteit wordt toegevoegd en dat alles zodanig dat het landschap ‘zijn verhaal kan blijven vertellen’. De landschapsbiografie brengt dat verhaal in beeld, van wording tot de nieuwe tijd en geeft aan welke waarden moeten worden meegenomen naar de toekomstige tijd. Daarmee verbindt de landschapsbiografie verleden, heden en toekomst. In de landschapsbiografie betreft het landschap de direct waarneembare zaken -denk aan terpen, dijken en waterlopen, grondgebruik, maat en schaal- maar ook zaken die niet direct waarneembaar zijn maar wel bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit en het grondgebruik. Het gaat daarbij om de kenmerken van de bodem,

het watersysteem, de aanwezigheid van delfstoffen. Ook aardkundige en archeologische waarden dragen bij aan de herkenbaarheid van de geschiedenis, aan de leesbaarheid van het ‘verhaal van Waadhoeke’, en zijn daarmee deel van de ruimtelijke kwaliteit. Het landschap is meer dan de reflectie van de ondergrond, het weerspiegelt ook de samenleving van waaruit het is gevormd. De landschapsbiografie laat ook zien hoe de sociale en economische aspecten hun weerslag op de landschapsontwikkeling hebben gehad. Relatie met het programma Ontwikkelperspectief, omgevingsvisie en omgevingsplan De landschapsbiografie is geen planvormend document, het beschrijft de geschiedenis van het landschap, van het ontstaan van de natuurlijke basis tot aan het landschap van vandaag. De landschapsbiografie beschrijft de kenmerken van het landschap van vandaag, en geeft aan welke van die kenmerken het waard zijn mee te nemen naar ‘het landschap van morgen’. De landschapsbiografie spreekt zich nadrukkelijk niet uit over de keuzen die ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling moeten worden gemaakt. De landschapsbiografie biedt een onderlegger aan nog op te stellen planvormende documenten waarin de ruimtelijke koers wordt uitgezet als het programma Ontwikkelperspectief, gemeentelijke omgevingsvisie en omgevingsplan.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 11

10.000 v. Chr.

1000 n. Chr. 0

3. OPBOUW De landschapsbiografie is opgebouwd in 6 blokken, die de verschillende tijdsperioden belichten. Het eerste blok (A) gaat in op de wording van het landschap, op het ontstaan van de natuurlijke onderlegger. Blok B belicht de eerste occupatie, waarin op de oever- en kwelderwallen honderden terpen worden opgeworpen van waaruit het gebied wordt bewerkt, maar waarin het gebied nog in een volledig open contact met de zee staat. Deze blokken overlappen elkaar deels; terwijl de mens de oudste kwelderwallen al bewoont, gaat meer zeewaarts het proces van kweldervorming nog door. Blok C gaat in op de gefaseerde bedijking van het gebied, waarin Waadhoeke zich stapsgewijs van de zee afsluit en de samenleving geleidelijk steeds meer met de rug naar de zee leeft. Blok D belicht ‘de Moderne Tijd’, de periode vanaf circa 1825 waarin dijken worden versterkt, terpen worden afgegraven, het transport over het water wordt verdrongen door het transport over de weg, steden en dorpen groeien en de ruilverkavelingen het landschap versneld transformeren. Blok E gaat in op de ‘Huidige Tijd’ en zoomt in op landschap en natuur. Het identificeert de kernkwaliteiten van het huidige landschap die het waard zijn te worden meegenomen naar het landschap van morgen. 12 - BoschSlabbers

Nu

Blok A. Het natuurlijke landschap

7.000 v. Chr. 10.000 v. Chr.

650 v. Chr.

1000 n. Chr. 0

Nu

Blok B. Vroege occupatie, tot aan de bedijking

800 n. Chr. 10.000 v. Chr.

0

1850 n. Chr. Nu

Blok C. Het bedijkte land

1825 2020 10.000 v. Chr.

0

Blok D. Nieuwe tijd

Nu 10.000 v. Chr.

0

Blok E. Huidige tijd

Nu 10.000 v. Chr.

Blok F. Het volgende hoofdstuk

0

?

BoschSlabbers is samen met de studenten van Van Hall Larenstein het veld in geweest. De studenten hebben in groepjes verschillende onderwerpen onderzocht en dit gepresenteerd op locatie.

De belangrijkste veranderingen in het landschap zijn verbeeld in kleine uitsneden van karakteristieke plekken in het landschap en deze zijn op de volgende pagina in een tijdlijn weergegeven. Tot slot gaat blok F kort in op de ‘Aankomende Tijd’, op de opgaven die op het gebied afkomen en die in het landschap van morgen een plaats moeten krijgen, in dat landschap moeten worden ingepast. De praktijk leert dat een goede landschappelijke inpassing alleen kans van slagen heeft wanneer deze van meet af aan in de planvorming wordt meegenomen. In de bijlage zijn ‘tien gouden regels’ opgenomen die hier handvatten voor aanreiken.

4. WERKWIJZE De landschapsbiografie is tot stand gekomen in samenwerking met ‘deskundigen van de toekomst’ en met raadpleging van de ‘deskundigen van nu’. BoschSlabbers landschapsarchitecten heeft bij de totstandkoming van de landschapsbiografie nauw samengewerkt met staf en studenten van Hogeschool Van Hall Larenstein. Studenten, in verschillende fasen van hun opleiding, hebben in het kader van de landschapsbiografie deelonderzoeken verricht. Dit bood hun de gelegenheid onderwijs en werkveld met elkaar te verbinden. Deze samenwerking bood ons de mogelijkheid ‘extra handen’ in te zetten als ook de laatste inzichten en specifieke gebiedskennis in de landschapsbiografie te incorporeren.

Eerstejaars studenten hebben aan thematische verdiepingen gewerkt, tweede- en derdejaars studenten hebben kleine opdrachten uitgewerkt en daar Storymaps bij samengesteld, een enkele student heeft bij BoschSlabbers aan dit project zijn projectstage gevolgd en een tweetal afstudeerders hebben ten aanzien van de terpen verdiepend onderzoek gedaan.

landschap te komen. Tegelijkertijd is ‘het verhaal van Waadhoeke’ zo uitzonderlijk rijk en gelaagd dat de landschapsbiografie voor eenieder die in verleden, heden en mogelijke toekomsten van Waadhoeke geïnteresseerd is van informatie kan voorzien. De landschapsbiografie richt zich naast de planvormer, beleidsmaker en bestuurder ook op de geïnteresseerde burger.

Daarnaast is gedurende de ontwikkeling van de landschapsbiografie een breed samengesteld - van provinciaal tot lokaal, van wetenschappelijk tot praktijkgericht - forum van deskundigen geraadpleegd. Deze hebben we op verschillende momenten de concept-rapportage voorgelegd met de vragen ‘waar kan het scherper, wat ontbreekt er, waar zitten omissies die hersteld moeten worden. Wij zijn de vertegenwoordigers van het Team Ruimtelijke Kwaliteit van de provincie Fryslân, Van Hall Larenstein, Steunpunt Monumentenzorg Fryslân, Jaap Scheffer als lokale historisch onderzoeker, historisch-geograaf Meindert Schroor en Peter de Ruyter als voormalig voorman van Atelier Fryslân hiervoor veel dank verschuldigd.

5. D O E LG R O E P De landschapsbiografie is op de eerste plaats bedoeld om planvormers en beleidsmakers te helpen om tot weloverwogen besluiten ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van het Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 13

tot 10.000 v. chr.

10.000 - 3850 v. chr.

3850 - 2750 v. chr.

2750 v. Chr. - 700 n. chr.

600 v. chr. - 1000 n. chr.

Terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten

Zuidelijk terpenlandschap Dekzandlandschap

Kustmoeras

Wadlandschap

Kwelderlandschap

Middelzee

6. T I J D L I J N Het landschap van Waadhoeke is in de loop van de geschiedenis behoorlijk veranderd, onder invloed van het water en onder invloed van de mens. Het resultaat hiervan is het landschap van vandaag, bestaand uit het terpenland, de zeekleipolders en het buitendijkse landschap. De illustraties in deze tijdlijn laten deze transformatie al kort zien. Verder in deze landschapsbiografie worden de stappen uitvoerig beschreven en verder geïllustreerd.

BINNENDIJKS LANDSCHAP ONDBEDIJKT OF BUITENDIJKS LANDSCHAP

14 - BoschSlabbers

1000 - 1500 n. chr.

1500 - 1800 n. chr.

1800 - 1950 n.chr.

1950 - nu

Binnendijks terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten na ruilverkaveling

Binnendijks zuidelijk terpenlandschap

Binnendijks zuidelijk terpenlandschap na ruilverkaveling

Oude zeekleipolders

Oude zeekleipolders na ruilverkaveling

TERPENLAND

Binnendijks terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten

ZEEKLEIPOLDERS

Jonge zeekleipolders

Jonge zeekleipolders na ruilverkaveling

Nieuwe aandijkingen

Nieuwe aandijkingen na ruilverkaveling

Dichtslibbende Middelzee

Buitendijks gebied ten westen van Zwarte Haan (natuurgebied)

Buitendijks gebied ten oosten van Zwarte Haan (t.b.v. landaanwinning)

Buitendijks gebied ten oosten van Zwarte Haan (natuurgebied) Landschapsbiografie - Waadhoeke

WAADHOEKE BUITENDIJKS

Buitendijks gebied ten westen van Zwarte Haan (t.b.v. landaanwinning)

- 15

A Het natuurlijke landschap

10.000 v. Chr.

16 - BoschSlabbers

De diepe ondergrond van het landschap van Waadhoeke wordt gevormd door een golvend pakket dekzand dat in de laatste ijstijd door de wind is afgezet. Vanaf het moment dat de aarde, na afloop van de ijstijden, weer opwarmt staat de landschapsvorming hier onder invloed van de zee. Van circa 7000 voor Christus tot 900 na Christus bepaalt de schoksgewijze zeespiegelstijging - in combinatie met de aanvoer van zand en klei door de zee - de landschapsontwikkeling. In deze periode wordt op de ondergrond van dekzand afwisselend zand, klei en veen afgezet. Tegelijkertijd schuurt de zee getijdengeulen in het aldus gevormde landschap (verder) uit. Vanuit dit waddenlandschap vormen zich twee essentieel verschillende

gebieden die zich tot op de dag van vandaag als heel verschillende landschappen tonen: • • Een opgeslibd, door geulen dooraderd kwelderlandschap dat tot de aanleg van dijken vanaf 900 na Christus onder invloed van de getijden staat en van waaruit zich het organische gegroeide terpenlandschap zal ontwikkelen. Een landschap waarin de oude zeebodem nog altijd doorklinkt • • De Middelzee die in fasen wordt drooggelegd en waarbij een stelselmatig, door de mens ontworpen en ingericht landschap ontstaat.

1000 n. Chr. 0

Nu Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 17

Bo or ne sle nk Berltsum (huidige locatie)

Hoog van Harlingen Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Marn

eslen

k

Riviervlakten en beekdalen Pleistocene zandgebieden (beneden -16m. NAP) Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

9000 v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 18 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

de

kz

an

dl

an

ds

ch

ap

1. TOT 1 0.000 V. C H R. Golvend dekzandplateau Gedurende de laatste ijstijd (het Weichselien) is in Noord-Europa vrijwel de gehele watervoorraad vastgelegd in dik ijskappen die de poolgebieden tot in Scandinavië bedekken. Hierdoor ligt de zeespiegel erg laag en staat de latere Noordzee nog bijna helemaal droog. De Britse eilanden maken dan nog deel uit van het Europese vasteland. Het is in noordelijk Europa dermate koud dat er nauwelijks plantengroei mogelijk is. Dit maakt dat de wind vrij spel op de ondergrond heeft, waardoor veel zand kan worden meegevoerd. In noordelijk Nederland is dit als een golvend dekzand pakket, met een afwisseling van hoogten en laagten, afgezet. Ook het gebied van Waadhoeke is in die tijd nog een overwegend droge en zandige vlakte met afwisselend hoogten (zoals het gebied rond het huidige Harlingen) en laagten, zoals het dal van de Boorne.

Zo zou het landschap er ongeveer uitgezien kunnen hebben Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 19

Bo orn esl enk Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

3850 v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 20 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

ku

st

m

oe

ra

s

2. 1 0.000 V. C H R. - 3850 V. C H R. Zeespiegelstijging vormt kustmoeras Wanneer na afloop van de laatste ijstijd de aarde opwarmt slijt smeltwater geulen in het onderliggend zandpakket uit. In Waadhoeke wordt hierbij de Boornelaagte - die al in de periode van de dekzandafzettingen is gevormd - dieper uitgesleten, waarmee de Boorneslenk ontstaat. In deze periode stijgt de zeespiegel met wel 60 tot 75 cm per eeuw en komt ook de vegetatieontwikkeling weer op gang. Met het stijgen van de zeespiegel komt ook het grondwater flink hoger te staan. Hierdoor raken afgestorven plantenresten onder water waar zij, eenmaal afgesloten van zuurstof, niet meer worden afgebroken maar worden omgezet in veen. Zo maakt het huidige Waadhoeke rond 7000 voor Christus deel uit van een uitgestrekt kustmoeras waarin afwisselend veenvorming plaatsvindt en door de zeeklei wordt afgezet. Veen en klei overdekken zo de ondergrond van golvend dekzand.

In natuurgebied de Oerd op Ameland ligt vandaag de dag nog een kustmoeras Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 21

Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Kreken en stroompjes Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

2750v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 22 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

w

ad

la

nd

sc

ha

p

3. 3850 V. C H R. - 2750 V. C H R. Van kustveenmoeras tot Wadlandschap In deze periode versnelt de zeespiegelstijging andermaal en verandert het gebied van Waadhoeke geleidelijk in een groot getijdenbekken. In het centrale, laaggelegen deel van dit bekken houdt de sedimentatie (= afzetting van zand en klei door het water) de zeespiegelstijging niet langer bij en komt het gebied permanent onder water te staan. De hoger gelegen randen van het bekken veranderen in een getijdenlandschap met getijdengeulen, wadden en slikken (zie kaart hiernaast). De stijgende zeespiegel maakt ook dat het kustveenmoeras landwaarts opschuift. Het kustveen wordt steeds vaker door de zee overstroomd, waarbij op het veen een pakket zeeklei wordt afgezet. Dit vormt de basis voor de latere ontwikkeling van de Greidhoeke, het zuidelijk terpenlandschap op een ondergrond van veen. Rond 5500 voor Christus zet de zee enkele kilometers buiten de huidige kustlijn, ongeveer ter hoogte van de huidige Waddeneilanden, zandige strandwallen af. Achter die strandwallen ontwikkelt een landschap vergelijkbaar met de huidige Wadden.

Het landschap van Waadhoeke van 5000 jaar geleden was vergelijkbaar met de huidige waddenzee Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 23

Marneslenk

Bo or ne sle nk

Ro

Oostergo

pt as

Berltsum (huidige locatie)

le nk Franeker (huidige locatie)

Harlingen (huidige locatie)

Marn

Leeuwarden (huidige locatie)

Westergo

eslen

k

Reeks van kwelderwallen, met oudste kwelderwal (bij Dronryp)

Kreken en stroompjes Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

100 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 24 - BoschSlabbers

tijdelijke bewoning op de kwelderwal

Im

pr

es

sie

kw

el

de

rla

nd

sc

ha

p

4. 2750 V. C H R. - 1 00 N . C H R. Van wad naar kwelderlandschap Omstreeks 3500 voor Christus vertraagt de zeespiegelstijging, terwijl de zee onverminderd grote hoeveelheden zand naar het kustgebied aanvoert. Daarmee kan de sedimentatie gelijke tred houden met de zeespiegelstijging en deze zelfs overtreffen. Door opslibbing breidt het areaal kweldergebied aanzienlijk uit. Omstreeks 2750 voor Christus is vrijwel het gehele gebied van Waadhoeke een - dan nog onbewoond - getijdenlandschap. Bij springtij en stormvloeden worden de hogere, met vegetatie bedekte zandplaten overspoeld, waarbij ook het door het zeewater meegevoerde materiaal tot afzetting komt. De grovere, zwaardere deeltjes die het water meevoert komen als eerste, dicht bij de stroomgeul, tot afzetting. De fijnere, lichtere deeltjes worden verder door het water meegevoerd en bezinken pas waar het water vrijwel tot stilstand komt. Door de afzetting van zand en slib ontstaan langs de stroomgeulen flauwe terreinverheffingen, de zogenaamde kwelderwallen. Deze liggen wat hoger en zijn samengesteld uit lichte, meer zavelige klei. De achtergelegen kweldervlaktes liggen lager en zijn samengesteld uit zware klei. In de loop der tijd vormen zich voor de oude kwelderwallen weer nieuwe kwelderwallen.

Zo ontstaat een reeks van kwelderwallen, met daartussen kweldervlakten, waarbij de kwelderwallen van zuid naar noord jonger en hoger worden. Langs de grote getijdenkreken, als Boorneslenk, ontstaan meer zandige oeverwallen. De Boorneslenk is als ‘kwartiermaker’ voor de latere Middelzee voor de ontwikkeling van het landschap van vandaag het meest belangrijk geweest, maar ook de Roptaslenk, Rieslenk en Marneslenk klinken door in het landschap van vandaag.

1

4

2

5 Illustratie van de vorming van de reeks van kwelderwallen en kweldervlakten. (Vanaf ‘stap 4’ is er voor het eerst sprake van permanente menselijke occupatie van het landschap. Voor die tijd kwam ook al tijdelijke bewoning op de kwelderwal voor).

3 - 25

reeks van kwelderwallen, met jongste kwelderwal (bij de Hoarnestreek)

Oostergo Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Westergo

Terpen Kreken en stroompjes Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

800 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 26 - BoschSlabbers

kweldervlakte

permanente bewoning op de terp

kwelderwal

Im

kw

pr es eld sie t er er v lak pen ten lan

ds

ch

ap

va

nk

we

lde

rw

all

5. 500 V. C H R. - 300 N . C H R. Ontwikkeling van het terpenlandschap Omstreeks 500 voor Christus neemt de zeespiegelstijging zover af dat de kwelders minder frequent overstromen. Daarmee wordt het kwelderlandschap geschikt voor permanente bewoning. De kolonisten vestigen zich op de kwelderwallen (dit wordt in Blok B verder uitgewerkt). Kort na het begin van de jaartelling worden ook de klei-op-veen-gebieden dieper in het achterland ontgonnen, waarbij sloten worden gegraven om de ontwatering te verbeteren. Hierdoor komt het veen in de ondergrond weer in contact met zuurstof, waardoor het oxideert en deze gronden -die aanvankelijk hoger dan hun omgeving liggen- geleidelijk lager dan hun omgeving komen te liggen.

en

en

terpen verspreid over het landschap restant van een kwelderwal

kreken Im

pre

ssi

ez

uid

eli

jk

ter

pe

nla

nd

sch

ap

6. 300 - 900 N . C H R. Vorming van Middelzee en Westergo Omstreeks het jaar 300 neemt de stormintensiteit weer toe. Tijdens stormen stroomt de zee met kracht naar het inmiddels lagergelegen achterland. Daarbij wordt de Boorneslenk zo zeer vergroot dat een brede zeearm ontstaat die later als de Middelzee zal worden aangeduid. Deze kent een zeer brede trechtermond die overgaat in een lange en veel smallere uitloper die tot diep rond het gebied van het huidige Waadhoeke dringt. Het brengt daarbij de scheiding aan tussen het land oostelijk en westelijk van de Middelzee: Oostergo en Westergo. Rond 800 na Christus maakt de Middelzee verbinding met de Marneslenk en wordt Westergo een eiland, geheel omsloten door water of kweldergebieden die bij hoog water onderstromen.

brede kwelderwal langs de Middelzee permanente bewoning op de terp

Im

pr

es

sie

Mi

dd

elz

ee

(la

ter

ou

de

en

jon

ge

ze

ek

lei

po

lde

rs)

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 27

Oostergo Berltsum (huidige locatie)

Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Westergo

Leeuwarden (huidige locatie)

Dijken Terpen Waterlopen Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Bedijkte kwelderwallen Bedijkte kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

1200 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 28 - BoschSlabbers

kweldervlakte

terpdorp

kwelderwal

Im p vla ress kte ie nla binn nd en sc ha dijks p kw

eld

er w

all

en

7. CA . 900 N . C H R I S T U S Begin van de bedijkingen Na de tiende eeuw wordt de mens de dominante factor in de landschapsvorming. Dat wordt mede mogelijk doordat de monniken zich vanaf de 12e eeuw in het dan welvarende terpengebied vestigen (zie ook blok C). Door dijkaanleg ontstaat binnendijks polderland, afgeschermd van de zee en daarmee niet langer onder invloed van erosie en sedimentatie. In de buitendijkse kwelders gaan de processen van erosie en sedimentatie onverminderd door. Voor deze kwelders geldt dat hoe langer zij onder invloed van de zee staan, des te hoger zij opslibben.

en

terp

Slachtedijk

Im

pre

ssi

eb

inn

en

dij

ks

zu

ide

lijk

terpdorp

ter

Vanaf de twaalfde eeuw slibt de Middelzee geleidelijk dicht, waarbij de meest landinwaarts gelegen inhammen als eerste verzanden. Omstreeks 1200 wordt een begin gemaakt met de bedijking van de Middelzee. Hierbij wordt als eerste de smalle uitloper in cultuur gebracht waarna vanaf 1505 de brede trechtermond wordt ingepolderd.

pe

nla

nd

sch

ap

dichtslibbende Middelzee Zijl

8. L A N D S C H A P S E E N H E D E N Hegedijk

Het landschap dat aldus is gevormd bestaat uit de volgende eenheden: • Zuidelijk terpenlandschap van de Greidhoeke (Greide is het Friese woord voor grasland op klei) • Het terpenlandschap van de kwelderwallen en kweldervlakten • De Middelzee (later oude en jonge zeekleipolders) • Buitendijks kweldergebied • Waddenzee

Im p (la ressi ter e ou dich de t en slibb jon e ge nde zee Mid d kle ipo elze lde e rs)

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 29

B Vroege bewoning, tot aan de bedijking

650 v. Chr.

7.000 v. Chr.

10.000 v. Chr.

Tijdelijke occupatie (jagers & verzamelaars)

Toen de oudste kwelderplaten eenmaal zo hoog waren opgeslibd dat ze minder frequent door de zee werden overspoeld bleek Waadhoeke al snel een aantrekkelijk woongebied. Hier woonde men niet alleen relatief ‘hoog en droog’ maar bleek men ook royaal omgeven door voedsel. Als jager, visser, verzamelaar troffen de eerste bewoners hier een gevarieerd dieet. Tot aan de bedijking waren land en water intens vervlochten. Het gebied was dooraderd met een fijnmazig stelsel van slenken en geulen en zo direct met zee verbonden. Dit vormde de basis voor de intensieve handelscontacten die Waadhoeke al in de vroege middeleeuwen onderhield met Angelsaksische, Frankische, Scandinavische en Baltische volkeren. Tot aan de bedijking was Waadhoeke

naast een agrarische gemeenschap ook een zeevarende gemeenschap. Dat laatste veranderde met de bedijking, toen de bewoners de zee letterlijk de rug toekeerden en men zich weer nagenoeg volledig op het land en het landgebruik richtte. In de middeleeuwen behoort Waadhoeke tot de dichtst bevolkte en meest welvarende streken van Noordwest-Europa. Omstreeks het jaar 700 beleeft het gebied zijn eerste periode van economische bloei. Daarmee vindt de ‘Gouden Eeuw’ in Waadhoeke zo’n 1000 jaar eerder plaats dan in westelijk Nederland. Die rijkdom maakt de streek ook voor kloosterorden interessant om zich te vestigen: hier waren voldoende donateurs én voldoende aspirant kloosterlingen. Omgekeerd brachten de kloosters de

organisatiegraad die nodig was om hier grootschalige bedijkingen en ontginningen letterlijk ter hand te kunnen nemen. Mogelijk is de Tzummerpolder, die nog dateert van voor de komst van de kloosters, de oudste polder van ons land, en daarmee waarschijnlijk ook van de wereld.

1000 n. Chr. 0

Nu

Terpen Kreken en troompjes Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Huidige kustlijn Gemeentegrens

Minnertsga (huidige locatie)

Berltsum (huidige locatie)

Sexbierum (huidige locatie)

Menaam (huidige locatie)

Dronryp (huidige locatie) Franeker (huidige locatie)

800 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 32 - BoschSlabbers

Historische kaart (1935) Wijnaldum, gelegen op een reeks van terpen

1.

D O M E I N VA N N O M A D I S C H E JAG E R, VISSER EN VERZAMELAARS

Omstreeks 7000 voor Christus is Waadhoeke een uitgestrekt kustmoeras met een grote afwisseling in landschappen, flora en fauna. Dit biedt al vroeg gevarieerde mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Het kwelderland wordt in die tijd bewoond door nomaden die in tijdelijke, seizoensgebonden kampen bivakkeren. Zij leven van de jacht (op boommarters, bunzings, oerrunderen, reeën, elanden en watervogels), de visvangst en het verzamelen van wortels, noten en vruchten.

2. O N T W I K K E L I N G VA N H E T T E R P E N LANDSCHAP 2.1 Eerste vlaknederzettingen op oever- en kwelderwal Wanneer de oudste kwelders eenmaal zo hoog zijn opgeslibd dat zij nog maar incidenteel overstromen, wordt het gebied voor het eerst permanent bewoond. Omstreeks 600 voor Christus vestigen de eerste kolonisten zich op de hoger gelegen, zandige oeverwal, vanwaar zij ook de lagergelegen kweldervlakten beweiden. Vermoedelijk waren zij afkomstig van het hoger gelegen Drents Plateau waar de landbouwomstandigheden, door verstuiving en veenvorming, snel verslechterden - en uit West-Friesland. Mogelijk was een deel van deze nieuwe bewoners al met het gebied bekend, omdat ze het eerder als tijdelijke weide voor hun

vee gebruikten. Rond 400 voor Christus vestigt men zich ook op de hoger opgeslibde kwelderwallen. Deze waren beter begaanbaar en lichter te bewerken dan de lager gelegen kleiige kweldervlakten. In die tijd ontstaan op de binnenste, en daarmee oudste kwelderwal in het gebied de eerste agrarische nederzettingen aldaar, die later zullen uitgroeien tot dorpen als Menaam en Dronryp. Honderd jaar later bereiken de bewoners de volgende kwelderwal, waarna rond 200 voor Christus nederzettingen ontstaan op de kwelderwallen van Salverd-Schingen en Harlingen. Rond het begin van de jaartelling is wederom een nieuwe kwelderwal voldoende hoog opgeslibd om te bewonen. Zo zien we hoe de kwelderwallen vanuit het land richting zee in gebruik zijn genomen (zie kaart op pagina 32 en afbeelding op pagina 36). Men trok pas naar een volgende kwelderwal wanneer deze voldoende hoog was opgeslibd. De nederzettingen die zo op deze kwelderwallen ontstaan zijn in eerste instantie nog geen echte terpen, maar worden zonder extra ophoging aangelegd, het zijn zogeheten vlaknederzettingen. De kwelderwallen lagen weliswaar hoger dan hun omgeving, maar ook weer niet zo hoog dat ze een finale bescherming tegen het water boden. Om de kwelderwallen voor overstromingen te behoeden zijn al voor de jaartelling eenvoudige dijkjes aangelegd. Deze dijkjes beschermden de akkers bij dorpen, zij waren hoog

BRON: Topotijdreis.nl

genoeg om het grootste deel van de stormvloeden tegen te houden. 2.2 Ontstaan van terpen Wanneer de zee onrustiger wordt en het water geleidelijk steeds hoger komt te staan, gaat men de woonplaatsen fasegewijs verhogen om zich tegen stormvloeden te beschermen. Door het stapelen van huishoudelijk afval, mest en zoden ontstaan individuele huisterpen in het landschap. Deze individuele huisterpen, ook wel huispodia genaamd, hoefden aanvankelijk niet veel hoger dan 1 à 2 meter te zijn, de zeekust was in die tijd nog ver verwijderd waardoor extreem hoge waterstanden minder vaak voorkwamen. Zo’n huisterp was niet veel groter dan de boerderij zelf, en kende steile randen. Naarmate meer bewoners besluiten hun woning op te hogen met afval en zoden ontstaan er ‘eilandjes’ op korte afstand van elkaar. In een later stadium worden de terpen verder opgehoogd, waarbij de terp niet alleen hoger maar ook groter wordt, omdat men de rand niet te steil kon afwerken. Daarmee smelten individuele huisterpen samen tot dorpsterpen, die in de loop der tijd steeds groter worden. Veel dorpen in Waadhoeke zijn ontstaan uit een reeks van terpen (zie bijvoorbeeld de historische kaart hierboven).De huizen op de terpen - opgetrokken uit hout, leem en plaggen - hadden niet het eeuwig leven. Wanneer een huis dusdanig in verval was geraakt dat het onbewoonbaar was werd het afgebroken.

Vaak werd op dat moment Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 33

Tolsum

ook een nieuwe laag op de terp aangebracht waarmee de resten van het oude huis onder het oppervlak verdwenen. Zo ontstond een stevige ondergrond voor de bouw van nieuwe huizen. Elke keer dat de nederzetting werd uitgebreid met een nieuwe boerderij werd aan de rand van het dorp een nieuw huispodium opgeworpen dat aan de bestaande terp werd vastgebouwd. Zo werden de terpen steeds groter en eigenlijk ook hoger dan voor de bescherming tegen het water nodig was. Daarnaast werden de terpen ook vergroot ten behoeve van de akkerbouw, om gewassen te kunnen verbouwen die een drogere groeiplaats prefereren. Met name op de kwelderwal die van Sexbierum tot Minnertsga loopt zijn veel dorpen gebouwd op een cluster van terpen. Op deze dorpsterpen was vaak een dobbe aanwezig waarin het hemelwater werd opgevangen en vastgehouden, waardoor de bewoners in dit door zoutwater omgeven gebied toch over zoetwater konden beschikken. Ook is bekend dat sommige dorpen over een waterput beschikten, waarmee water uit de zoetwaterbel in de ondergrond - die dreef op het zoute water - werd geput. Op de terpen was enige beplanting (vlier, iep en els) aanwezig, maar dit was onvoldoende om de bewoners van bouwhout of brandstof te voorzien.

Huidige terpenlandschap ten zuiden van Tzum (foto: Siebe Swart) 34 - BoschSlabbers

Deze terpen maakten een permanente bewoning van het kwelderland mogelijk. Zo ontwikkelt zich op de nog onbedijkte kwelder een zwerm

van honderden terpen. Nergens elders in het Waddengebied treft men een dergelijke concentratie van terpen aan. De terpen zijn in ‘golven’ ontwikkeld; een eerste golf circa 600 voor Christus, de tweede golf 200 voor Christus. De terpen volgen nauwgezet de kwelderwallen en zijn vrijwel allemaal direct aan de geulen en slenken die het kwelderland dooraderden opgeworpen. De toevoeging ‘ryp’ hetgeen rand of oever betekent - verwijst naar de ligging aan water, zoals bij Dronryp. Het is van belang te bedenken dat in de landschapsontwikkeling van Waadhoeke steeds twee processen letterlijk naast elkaar hebben plaatsgevonden. Terwijl de mens op de kwelderwallen terpen opwierp ging verder zeewaarts het proces van ‘verkweldering’ verder. Zodra de nieuw ontstane kwelderwal voldoende hoog was opgeslibd vestigde men zich op de ‘verse’ kwelderwal (zie ook 2.4). 2.3 De Romeinse aanwezigheid Rond het begin van de jaartelling beïnvloedt de aanwezigheid van de Romeinen de gemeenschap van Waadhoeke. De Romeinen brengen naast nieuwe gebruiksvoorwerpen - als mantelspelden - ook nieuwe materialen - als brons- en de techniek van het steenbakken naar Waadhoeke. Ook introduceren zij de kip, zowel op het erf als op het menu. Het schrijfplankje van Tolsum, het Apollobeeldje en de Votiefsteen van Hludana die bij de latere

Handel vanuit het Romeinse Rijk Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 35

terpafgravingen zijn aangetroffen vormen tastbare herinneringen aan deze periode. Ofschoon de Romeinse aanwezigheid niet lang duurt (van ca. 12 voor Christus tot 54 na christus) blijven de handelscontacten tussen de Romeinen en Waadhoeke nog meer dan twee eeuwen bestaan. De Romeinse geschiedschrijver Plinius (23-79 na Christus) beschreef de strijd tegen het water in zijn ‘Naturalis historica’ als volgt: “Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt een eeuwig omstreden natuurlijk gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland behoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge terpen of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze erop hebben gebouwd lijken ze wel zeelieden wanneer water het omringende land bedekt maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken.”

Vermoede begindateringen voor permanente bewoning van verschillende terpen BRON: Wiersma, J., & Nieuwhof, A. (2018). Het ontstaan van het terpen- en wierdenlandschap. In A. Nieuwhof, J.Nicolay, & J. Wiersma (editors), De geschiedenis van terpen- en wierdenland: Een verhaal in ontwikkeling (blz. 11-26). (Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek; Vol. 100). Vereniging voor Terpenonderzoek

2.4 Derde golf van terpontwikkeling Omstreeks 300 na Christus is de zee dermate onrustig dat de bewoners zich - tijdelijk - uit het kustgebied terugtrekken. Of het gebied toen geheel verlaten is, is niet bekend, maar zeker is wel dat de bewoningsdichtheid dan sterk afneemt. Omstreeks 400 na Christus trekken mensen opnieuw naar het gebied en volgt een hernieuwde

36 - BoschSlabbers

Het gereconstrueerde zodenhuis te Firdgum

bewoning. Deze nieuwe bewoners zijn waarschijnlijk uit Noordwest-Duitsland afkomstig en staan bekend als Angelsaksen. De periode tussen 350 en 550 wordt ook wel de volksverhuizingstijd genoemd, omdat in die periode niet alleen in Noord-Nederland maar ook elders in Europa grote groepen mensen migreren. Deze hernieuwde bewoning leidt tot een derde golf van terpontwikkeling. Bestaande terpen worden versterkt en vergroot en nieuwe terpen worden aangelegd, waarbij wederom het patroon van de kwelderwallen wordt gevolgd. Deze nieuwe terpen worden veelal op de jongere, meer zeewaarts gelegen kwelderwallen opgeworpen.

•

•

•

•

pen in Waadhoeke het geval: Tzum, Barrum, Lidlum, Midlum, Bitgum, Firdgum, Dongjum, Wijnaldum, Menaam, Marsum, Boksum en vele anderen. Nederzettingen waarvan de naam op ‘ns’ eindigt, zoals bij Peins en Zweins, zijn net iets later ontstaan. Eindigt de naam op ‘wier’, zoals bij de nederzetting Wier, dan duidt dat op weer een iets latere oorsprong. Eindigt de naam op ‘terp, zoals bij Slappeterp, dan ligt de oorsprong nog wat later. Eindigt de naam op buur, dan duidt dat op een oorsprong in de late middeleeuwen. Dit is bij de nederzetting Boer, dat in 1433 nog als ‘Buur’ wordt aangeduid, het geval.

Tot ongeveer het jaar 1200 zijn de terpboerderijen opgetrokken uit hout en zoden. De baksteen wordt in eerste instantie gebruikt voor de bouw van kloosters, kerken en stinzen. Het duurt nog zeker tot de late middeleeuwen voordat de gebakken steen ook in de boerderijbouw wordt toegepast.

Na de bedijking vindt een ontwikkeling plaats waarbij boerderijen vanuit de dorpen naar het buitengebied worden uitgeplaatst. Dan verschijnen er nieuwe huisterpen in het verder overwegend lege land.

Datering op basis van ligging en naamgeving De oudste terpen liggen op de binnenste kwelderwal, gaandeweg worden ook de meer zeewaartse kwelderwallen bewoond. De jongste terpen liggen op de buitenste kwelderwal. Daarmee laten de terpen van Waadhoeke zich naar hun ligging dateren. Ook uit de naamgeving is de ouderdom van de terp te herleiden: • Bij de oudste terpen eindigt de naam op ‘hem’ of ‘um’. Dit is bij de meeste terpdor-

2.5 Primitieve akkerbouw en veeteelt De eerste terpbewoners leven vooral van de jacht en de (schelp)visserij en van het vee dat men op de kweldervlakten liet grazen. Akkerbouw was maar beperkt mogelijk. Waar de terp groot genoeg was lagen akkertjes op de terp zelf, elders lagen zij op de glooiingen van de terpen en deels ook in de kwelder. De akkertjes in de kwelder werden omgeven door een lage ringdijk, samengesteld uit kwelderplaggen die

in de onmiddellijke nabijheid waren gestoken. Zo’n dijk was niet meer dan 1 à 2 meter hoog en 3 meter breed, genoeg om de gewassen te beschermen tegen hoge (storm)vloeden in de lente of de zomer. In de herfst en winter waren overstromingen geen probleem, dan was het gewas immers al van het land. Mogelijk werden overstromingen dan juist op prijs gesteld omdat daarmee vruchtbaar slib werd afgezet, waardoor de gronden op natuurlijke wijze werden bemest en verder werden opgehoogd. De niet bedijkte gronden waren in gebruik als weidegrond voor het vee. Runderen en schapen waren de belangrijkste huisdieren. De runderen waren zowel trekdier als melk- en slachtvee. Hun huiden dienden als handelswaar, hun beenderen werden gebruikt om gebruiksvoorwerpen van te maken. Ook schapen dienden als melk- en slachtvee, maar belangrijker was hun wollige vacht. Omstreeks het begin van de jaartelling verschijnt ook de kip op het erf van de terpbewoners. Daarbij was het vee ook leverancier van brandstof. Waadhoeke is nooit rijk geweest aan opgaande beplantingen. Hout om te stoken was maar beperkt voorhanden. Van het vee in kwelders en kweldervlakten werden de koeienvlaaien verzameld en op hun kant te drogen gezet, opdat zij als brandstof konden worden ingezet.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 37

3 . G R OT E W E LVA A R T Wanneer de zee rond 400 na Christus weer rustiger wordt bieden de hoog opgeslibde kwelders wederom een aantrekkelijk woongebied. Ondanks de aanleg van de dijkjes blijven de mogelijkheden voor de akkerbouw echter beperkt. De akkerbouw brengt onvoldoende op om het steeds dichterbevolkte terpengebied van graan te voorzien. Daarop wordt de terpbewoner - geholpen door de talloze vaarverbindingen naar zee - naast boer ook handelaar. Vee, huiden en het Friese laken worden belangrijke exportproducten en geruild voor graan en maalstenen. In die tijd wordt de Noordzee nog aangeduid als ‘de Friese Zee’. Het kustgebied waar Waadhoeke toe behoort is een open, naar buiten gekeerde samenleving. De kustbewoners onderhouden intensieve handelscontacten met overzeese culturen, met Frankische, Angelsaksische Baltische en Scandinavische volkeren, waaronder de Vikingen (zie kaart hiernaast). Dit komt mede omdat de ‘nieuwe bewoners’ van het terpengebied deels van deze gebieden afkomstig waren en derhalve met deze gebieden én hun producten bekend waren. Handelsroute 600 n. Chr. Handelsroute 789 - 810 n. Chr. Handelsroute 860 n. Chr. Handel over de Noordzee

38 - BoschSlabbers

Het gebied wordt steeds intensiever bewoond en groeit vanaf de vroege middeleeuwen uit tot één van de dichtst bevolkte en meest welvarende streken van Noordwest-Europa. Archeologisch onderzoek leert dat Wijnaldum in die tijd mogelijk een machtscentrum is, vondsten

duiden op de aanwezigheid van ateliers van een verscheidenheid aan ambachtslieden: goud- en zilversmeden, bronsgieters, glas- en barnsteenbewerkers, wevers en een wapensmid. De zilveren Arabische munt die, verwerkt in een sieraad, hier is aangetroffen geeft aan dat er, direct of indirect, sprake was van zowel verreikende als verrijkende handelscontacten. Ook de grote zilverschatten die bij Tzummarum, Wirdum en Winsum zijn gevonden - met munten die omstreeks 800 na chr. in Dorestad zijn geslagen - geven de welvaart van dat moment weer. Mogelijk hebben de oorspronkelijke eigenaren deze schatten begraven om te voorkomen dat zij door de Vikingen geroofd zouden worden.

Inzoom: fibulae In 1953 vond een boerenknecht tijdens het graven van een drainagesleuf in de terp van Tjitsma, in de Wijnaldumerpolder, een grote gouden mantelspeld. De inleg van dit sieraad bestaat uit meer dan 300 stenen, waaronder almandijnen uit India. Deze ‘fibula’ uit ca. 624 na Christus is waarschijnlijk het eigendom geweest van een Friese koningin of priesteres. In mei 2020 is grenzend aan Waadhoeke, bij Swichum, een nog veel grotere Domburgfibula uit de zevende eeuw gevonden. Waar fibulae gewoonlijk van brons waren, is deze van verguld zilver en gedecoreerd met twee beestenkoppen, mogelijk de raven Huginn en Munnin, hulpdieren van de Noorse god Odin. Fibulae werden gebruikt door de ‘koningen’ van die tijd. Deze fibulae geven aan dat het gebied in de zevende eeuw al intensief werd bewoond en welvarend was. Het geeft ook aan dat er in die tijd mogelijk al sprake was een veelheid aan overzeese contacten, zowel met Angelsaksische en Frankische als met Scandinavische volkeren.

Fibula van Wijnaldum Fries Museum, https://www.friesmuseum.nl/collectie/eengreep-uit-de-collectie/mantelspeld-van-wijnaldum

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 39

I N T E R M E Z ZO : O N T W I K K E L I N G K W E L D E R WA L L E N E N K W E L D E R V L A K T E N

Minnertsga

Minnertsga

Wier Firdgum

Firdgum

Tzummarum

Tzummarum

Ried

Ried

Slappeterp

Slappeterp Boer

Boer

Situatie +/- 1000 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Situatie +/- 750 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

k) k iltdy y d B Sé lde Alde Sédyk (Griene dyk) (A

Balkesyl Séd

yk

Balkesyl

Minnertsga Ald

eS

y éd

k

Minnertsga Wier

Wier

Firdgum

Firdgum

Tzummarum

Klooster Lidlum

Tzummarum

Klooster Anjum

Hegesyl

D

ie eR

Ried

Situatie +/- 1250 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Klooster Anjum

Hegesyl De

Boer

40 - BoschSlabbers

Klooster Lidlum

Rie

Ried

Slappeterp

Boer

Situatie +/- 1500 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Slappeterp

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 41

C Het bedijkte land

10.000 v. Chr.

Met de aanleg van de terpen waren wel de bewoners, maar niet hun land en hun vee tegen het wassende water beschermd. Om ook de cultuurgronden en het vee tegen overstroming te beschermen zijn vanaf de eerste helft van de tiende eeuw dijken aangelegd. Aanvankelijk waren deze nog laag en primitief, opgebouwd uit kwelderplaggen en ander materiaal, maar allengs verbreed, verhoogd en onderling verbonden. De dijkaanleg was in eerste instantie gericht op de bescherming van het oude terpenlandschap tegen overstroming vanuit de Waddenzee en de Middelzee. Daartoe zijn eerst de wadgeulen gedicht en is op de overgang

naar de Waddenzee de oude zeedijk aangelegd. Vervolgens zijn ook langs de Middelzee dijken aangebracht. In dit oude terpenlandschap is de bodemopbouw sterk sturend in het landgebruik, de terpen volgen de kwelderen oeverwallen, de zware kleigronden in de kweldervlakten zijn in gebruik als (gemeenschappelijke) hooilanden. Op de brede oeverwal langs de Middelzee ontwikkelt zich tussen Wier en Bitgum het gardenierslandschap. Wanneer de bedijkte Middelzee geleidelijk aan steeds verder verzandt wordt deze fasegewijs ingepolderd. Eerst stap voor stap de smalle zeearm die tot diep het oude land inreikt, waarbij een ladderstructuur ontstaat,

800 n. Chr. 0

en vanaf 1505 ook de brede trechtermond. Hier ontstaan de grote, stelselmatig ingedeelde zeekleipolders. Dit proces van aandijken zet zich voort tot in de 18e eeuw. Hier ontstaan zeer grootschalige landschappen met akkerbouw op de lichtere gronden in het noorden en veeteelt op de zwaardere klei in het zuiden. Het land is niet ondankbaar; de vruchtbare bodem brengt grote oogsten voort. Deze oogsten zijn zelfs zo groot dat hier een nieuw boerderijtype ontstaat: de kophals-romp-boerderij.

1850 n. Chr. Nu

Wijnaldumer polder

Polder Tzum-west

Polder Bolsward-Witmarsum

Polder Oosterend

Moederpolders (10e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE)

Moederpolder met bochtig verloop van de ringdijk (Slachtedijk)

Zeedijk (11e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE)

Zeedijk bij Zwarte Haan

44 - BoschSlabbers

1.

B E D I J K I N G E N O N T W I K K E L I N G VA N HET TERPENLAND

1.1 Bedijkingsgeschiedenis terpenland Ontstaan van de moederpolders In de tiende eeuw worden de Tzummerpolder -en mogelijk ook de Wijnaldumerpolder- als eerste delen van het open kwelderlandschap door een ringdijk omsloten. Deze ringpolders worden ook wel ‘moederpolder’ genoemd. Deze ‘moederpolders’ waren autonome eenheden, een eigenstandige ringdijk beschermde de eigen polder tegen de zee. Na de aanleg van een ringdijk werd het ingesloten land ingepolderd. Het waterpeil in de polder regelde men met eenvoudige uitwateringssluisjes op de plek waar de dijk de loop van een wadkreek kruiste. Zo een sluisje was niet meer dan een houten koker door de dijk met een klep die bij eb werd geopend. Deze moederpolders zijn ontstaan uit een aaneenschakeling van individuele ontginningen die vanuit de terpen plaatsvonden. Hierbij maakten primitieve dijkjes van plaggen plaats voor een langere en hogere ringdijk met als doel de achtergelegen dorpen (Wijnaldum, Herbaijum en Midlum in de Wijnaldummerpolder; Tzum en Barrum in de Tzummerpolder) mét de bijbehorende cultuurgronden af te schermen van de zee. Bij de aanleg van de ringdijk is gebruik gemaakt van natuurlijke hoogten - kwelderwallen - en aangesloten op reeds bestaande terpen. Dat verklaart het grillige verloop van de dijk (zie foto van moederpolderdijk op de volgende pagina).

Deze moederpolders vormen de kern van waaruit de bedijking is voortgezet en waar in de loop der tijd nieuwe polders aan zijn gegroeid. De jongere dijken sloten doorgaans haaks aan op de oude dijken van de moederpolders. Zo kwam in dit deel van de Westergo een intrigerend ‘polderpatchwork’ tot ontwikkeling; een aaneengesloten systeem van elf polders. Afdammen wadgeulen en aanleg van de eerste zeedijk Wanneer rond het jaar 800 de zee weer agressiever wordt slijten de wadgeulen zo ver uit dat zij de aanliggende terpen bedreigen. Dit dwingt de inmiddels toegenomen bevolking zich verder tegen het water te beschermen. De boeren gaan dan, in samenwerking met de lokale elite, over tot de aanleg van grotere, collectieve dijkstructuren. In de tiende eeuw worden daartoe als eerste de wadgeulen afgedamd. Omstreeks 1000 wordt van Dijkshoek tot aan Marsum (via Wier, Berltsum, Bitgum, Bitgummole en Ingelum) een lange zeewerende dijk aangelegd (Griene Dyk, Hege Dyk, Alddyk). Deze staat bekend als ‘de eerste zeedijk’. De aanleg van de zeedijk reduceert de dijken die eerder zeewering waren, zoals de ringdijken rond de moederpolders, tot binnendijken. Anders dan bij de moederpolders, die waren gericht op het beschermen van het gebied binnen hun eigen ringdijk, had de aanleg van de zeedijk tot doel het gehele achterland tegen de zee te beschermen.

De aanleg van de zeedijk voltooit de successie van individuele bescherming naar collectieve bescherming: • De eerste terpen waren huisterpen, gericht op de bescherming van eigen woonplaats (er waren ook agrarische terpen, waar geen bebouwing op heeft plaatsgevonden). • Vervolgens groeit een deel van de huisterpen uit tot dorpsterpen, gericht op de bescherming van de dorpsgemeenschap. De terpen beschermen wel het dorp tegen hoog water, maar niet het bijbehorende land en het vee in het land (dat werd bij hoog water ook de terp opgedreven). • Daarop worden bij de terpen de eerste eenvoudige dijkjes aangelegd om het land enigszins tegen hoog water te beschermen. • Vervolgens worden de moederpolders ontwikkeld, gericht op de bescherming van have en goed binnen het door de ringdijk afgeschermd gebied. • Tot slot zijn grotere dijkstructuren ontwikkeld gericht op de collectieve bescherming van een breder achterland. Vanaf de elfde eeuw worden rond de Westergo en Oostergo stapsgewijs dijkringen aangelegd, om hen te beschermen tegen overstroming vanuit de Middelzee. In Westergo wordt daarbij zoveel als mogelijk aangesloten op natuurlijke hoogten en op de reeds aangelegde ringdijken rond de moederpolders.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 45

Klooster Mariëngaarde 1163-1580

Uithof Koehoal

Uithof Monnikhuiswier

Klooster Lidlum 1 1182-1580

Klooster Berltsum Fraterheren 1482-ca. 1491

Uithof Olde Dal/Vetus Vallis

Uithof Ottamastins

Klooster Lidlum 2 1182-1580

Klooster Anjum 1256-1580

Uithof Valinga

Klooster Tjummarum 1474-1581

Klooster Franjum 1270 Uithof Franjum Uithof Ritsumazijl

Klooster Franeker Kruisheren 1466 - 1580

Klooster Franeker Augustijnen ca. 1393

Dronryp

Franeker

Klooster Miedum Na 1227 - 1289 Klooster Ludingakerke 1158-1580

Uithof Miedum Uithof Meedsterhuis

Uithof Ossefenne

Klooster Achlum 1270 - ca. 1429

Uithof Harlingen/Hamstra Uithof Monnikhuys Spannum

Uithof Achlum Uithof Tallum

Klooster ‘t Zand 1 1266? - ca. 1571 Kloosters en uithoven in Waadhoeke, kaart ca. 1200 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 46 - BoschSlabbers

Klooster Monnikebajum 1186 - 1580

Verscheidene kloosters in Leeuwarden

Tekening van een Middeleeuws klooster

Oude schoolplaat: In een middeleeuwsch Klooster, J.H.Isings, 1912

Een markant onderdeel van het stelsel van dijkringen is de Slachte(dijk) die omstreeks de dertiende eeuw is aangelegd. Deze kronkelt over een lengte van bijna 42 kilometer dwars door Westergo. De dijk begint bij de Waddendijk tussen Sexbierum en Oosterbierum en loopt vervolgens tussen Harlingen en Franeker naar het zuiden.

de inpolderingen heeft vanuit Oostergo plaatsgevonden. Zo is het Monnikenbildt ingepolderd door klooster Mariëngaarde nabij Hallum. Dat klooster ligt niet in Waadhoeke maar is medebepalend geweest voor de bedijking/inpoldering.

In die tijd vindt vrijwel al het transport over het water plaats. Om het vervoer over het water mogelijk te houden worden in de dijk -ter hoogte van de kruisende watergangen- ‘coupures’ aangebracht. Bij dreigend hoogwater worden deze met schotbalken, die direct naast de coupure onder een afdak liggen opgeslagen, afgesloten. 1.2 Opkomst kloostercultuur In de tweede helft van de twaalfde eeuw vestigen de monniken zich in het terpengebied. Dit bood hun een aantrekkelijk vestigingsgebied; in deze welvarende en voor die tijd dicht bevolkte streek waren voldoende donateurs en aspirant kloosterlingen voorhanden. Met de bloei van de kloosters (zie jaart hiernaast) neemt ook de menskracht in het gebied toe. De kloosters brengen de organisatiegraad die nodig is om grote dijkwerken gecoördineerd ten uitvoer te brengen en ontginningen stelselmatig ter hand te nemen. Dat leidt tot de ontwikkeling van polders waarmee de transformatie van het terpenlandschap wordt ingezet. Bij het verder in cultuur brengen van Westergo waren ook kloosters uit Oostergo betrokken, een deel van

Eén van de grootste en rijkste kloosters van de middeleeuwse Friesland was de Premonstratenzer abdij Lidlum nabij Tzummarum. Het had samen met de verbonden nonnenpriorij meer dan 1.600 hectare grond in het meest vruchtbare deel van Westergo. Nabij Harlingen ontstaat een aanzienlijk Augustijner klooster (Ludingakerke) dat tal van kleinere abdijboerderijen onder zijn bestuur krijgt; de zogenaamde uithoven. Vanuit deze uithoven brengen werkmonniken de kwelders in cultuur.

De kloosters hebben ook een leidende rol bij de ontwikkeling van het bouwmateriaal. In het kustgebied was hout schaars en natuursteen afwezig. Voor hun eerste heiligdommen voeren de monniken, vaak afkomstig uit Rijnland, tufsteen aan. Deze lichte steensoort kennen zij uit de Eifel. De toenemende vraag naar duurzaam bouwmateriaal in het kustgebied maakt de aanvoer van tufsteen te omslachtig en te kostbaar. De monniken gaan over op het maken van baksteen, een techniek die eerder door de Romeinen was geïntroduceerd maar die na de Romeinse periode in de vergetelheid is geraakt. Het kustgebied

biedt voor het steenbakken prima condities: de zware klei van de kweldervlakte levert de grondstof, het aangrenzend veengebied de brandstof. Zo ontstaan de rode kloostermoppen waaruit in het vervolg de kerken, kloosters, stinzen, states en boerderijen worden opgetrokken. De kloosters bestaan tot aan de reformatie, in 1580 gaan de kloosterbezittingen over naar de Staten van Friesland. Nadien zijn al deze kloosters afgebroken. Soms zijn de oude kloosterterreinen nu nog in het landschap herkenbaar in sloten, paden en vaarten of in plaatsnamen als Klooster-Lidlum, Klooster-Anjum of Kloosterpolder. 1.3 Sleutelen aan het watersysteem In de kwelderlaagten wordt de bodem gevormd door zware klei, vaak knipklei, die zo dicht van structuur is dat het water niet of nauwelijks kan wegsijpelen. Deze gronden zijn van zichzelf weinig tot slecht waterdoorlatend. Daarbij vormden de kwelderlaagten van nature door kwelderwallen ingesloten depressies, waarin het water niet weg kon stromen. Dat maakte de kweldervlakten tot buitengewoon moeilijk te bewerken, sompige laagten. Met twee ingrepen wist men hierin al vroeg enige verbetering in aan te brengen: • Door de aanleg van ‘leien’ of ‘mearen’. De kwelderwallen liggen aan of langs een slenk. Door haaks op de kwelderwallen ‘leien’ te graven werden de slenken met elkaar en met de centrale kweldervlakte verbonden en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=ef13dc5a-02cb-4b62-89c4-3db05f7c2b9e