bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden, te weten 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Het buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) is, evenals een stiltegebied of een natuurgebied, een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied bevindt zich ten oosten op een afstand van circa 1 kilometer van het dorp Tzum.
Rondom het projectgebied liggen voornamelijk agrarische gronden met verspreid liggende agrarische bouwpercelen. Een dergelijke omgeving kan als ‘Rustige woonwijk’ worden beschouwd. Onderstaande tabel toont de richtafstanden voor beide omgevingstypes, waarin in voorliggende ontwikkeling de richtafstanden tot het omgevingstype ‘Rustige woonwijk’ dienen te worden aangehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: a. b.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Binnen het projectgebied bevindt zich een pluimveehouderij waar vleeskuiken worden gefokt en gehouden. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geldt voor dit gebruik de milieucategorie 4.1, de bijbehorende richtafstand bedraagt 200 meter. Hierbij wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Voor de externe werking van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitsluitend getoetst aan de richtafstanden van de overige milieuaspecten. Hierbij geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid in een ‘rustige woonwijk’.
Momenteel is er al agrarische bebouwing mogelijk binnen het agrarische bouwvlak, de uitbreiding van de wintergarten is dan ook geen extra belasting op hetgeen nu mogelijk is. Bovendien neemt het aantal kippen niet toe. Enkel waar de wintergarten buiten het bouwvlak komt is er sprake van een nieuwe functie op een locatie waar dit nog niet mogelijk is. Er moet hierom vanaf deze wintergarten worden gemeten tot de grens van waar een gevoelige functie mogelijk is. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft de (bedrijfs)woning aan de Nieuwbuurtsterweg 47 het betreffende bestemmingsvlak bevindt zich op circa 128 meter vanaf de buiten het bouwvlak vallende wintergarten. Gesteld wordt dat aan de richtafstanden van de milieuzonering wordt voldaan. Hiermee wordt ervan uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van de aspecten geluid, stof en gevaar) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Het uitbreiden van een intensieve veehouderij wordt niet aangemerkt als een ontwikkeling waarbij een milieugevoelig object wordt gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande milieubelastende functies in de omgeving geen sprake is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een maximaal toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 4.6.1.2 Situatie projectgebied In bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvraag milieu neutraal veranderen toegevoegd hier worden onder andere diverse milieuaspecten toegelicht. Betreft geur is onderstaande relevant. Omdat het aantal dieren niet toeneemt en de stalinrichting niet wijzigt kenmerkt zich de verandering als milieuneutraal veranderen. De aanbouw van de wintergarten leidt niet tot andere emissies per dier of een andere milieubelasting dan reeds vergund. De onderlinge afstand tot omliggende woningen is voldoende en wijzigt niet. In het geval van gangbare kuikens (274.000 st.) wijzigt de geurbelasting niet. Bij de diervriendelijker concepten worden er minder kuikens ingezet en is de geuremissie lager. De geuremissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 155.500 st. reguliere kuikens. De overbelaste situatie wordt in dat geval opgeheven. 4.6.2
Conclusie
De geurbelasting in de beoogde situatie blijft binnen de normen zoals die in de Wet Geurhinder en Veehouderij zijn vastgesteld. Daarmee is de situatie vergunbaar. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden In voorliggend geval is het projectgebied gelegen op circa 11 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. In afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van dit gebied weergegeven. Het plangebied is aangeduid met een rode ster
Afbeelding 4.2
Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas van de leefomgeving)
In voorliggend geval gaat het niet om het uitbreiden van het aantal dieren. In de gebruiksfase is er hierom geen verandering. Daarnaast voorziet het voornemen in verbeterde stalinstallaties die de uitstoot doet afnemen. Sinds de invoering van de Stikstofwet is de aanlegfase niet meer relevant voor het aspect stikstof. Gezien bovenstaande wordt een stikstofberekening niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Afbeelding 4.3
Ligging projectgebied ten opzichte van NNN-gebieden (Bron: Atlas van de leefomgeving)
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 4,3 kilometer afstand van het projectgebied, zoals te zien is op afbeelding 4.3. Gezien het feit dat het projectgebied niet in het NNN is gelegen, kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van voorliggende ontwikkeling. 4.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval zijn de gronden van het projectgebied reeds intensief in gebruik. Daarbij is sprake van intensief onderhoud van het projectgebied, waardoor het niet aannemelijk is dat beschermde flora en- of fauna binnen het projectgebied aanwezig is. Gelet op het vorenstaande is een QuickScan ecologie niet noodzakelijk. 4.7.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en het NNN worden verwacht. Tevens worden er geen negatieve effecten op beschermde soorten verwacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied In dat kader is de locatie getoetst aan de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr - 1500 n Chr). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief in een nieuw te maken bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering.
Met andere woorden: door middel van de twee advieskaarten kan worden nagegaan welke onderzoeksinspanning gevraagd wordt op een bepaalde plaats. Advies ijzertijd-middeleeuwen: Karterend onderzoek 2 (middeleeuwen) In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Voorliggend geval voorziet enkel in de bouw van één wintergarten met een oppervlak van circa 350 m2. Advies steentijd-bronstijd: Geen onderzoek noodzakelijk. Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Op basis van het vorenstaande is geen archeologisch onderzoek vereist. 4.8.1.3 Toetsing initiatief Gelet op bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Ook in een vrijgegeven projectgebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Toetsing initiatief Er geen sprake is van aantasting cultuurhistorische waarden omdat er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn binnen het projectgebied. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Algemeen
4.9.1.1 M.e.r.-beoordeling Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn alle toestemmingen waarmee een afwijking van een bestemmingsplan kan worden geregeld in de Wro vervallen. Deze zijn overgegaan naar de Wabo als een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo). Een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor bepaalde activiteiten kan bij plannen en/of besluiten op verschillende gronden ontstaan: ▪ ▪ ▪
M.e.r.-plicht en artikel 7.2a Wm; M.e.r.-plicht en plannen kolom 3 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage; M.e.r.-(beoordelings) plicht en besluiten kolom 4 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage.
De eerste twee gronden kunnen voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan niet tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden. Ad 1. Op basis van art. 7.2a Wm geldt een m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is. De omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan is geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Ad 2. Een m.e.r.-plicht kan ontstaan voor plannen in kolom 3 ter realisatie van activiteiten uit kolom 1 met de bijhorende gevallen in kolom 2 in de onderdelen C en D. Een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan wordt in het Besluit milieueffectrapportage niet gezien als een plan (dit wordt nergens genoemd in kolom 3 van de onderdelen C en D). Ook wordt in onderdeel A van de Bijlage de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan voor wat betreft kolom 3 niet gelijkgesteld met een bestemmingsplan. Voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de laatste grond tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.9.1.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit M.e.r. moet aandacht besteden aan de m.e.r. beoordeling. ▪ ▪ ▪
Voor initiatieven < drempelwaarde D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde D-lijst en < drempelwaarde C-lijst geldt een formele m.e.r.beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde C-lijst geldt een m.e.r.-plicht.
Afbeelding 4.4
Drempelwaarden m.e.r.-beoordeling (Bron: infomil.nl: De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten)
4.9.2 Situatie projectgebied In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.- beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling gaat uit van het uitbreiden van het bestaande pluimvee met een wintergarten zonder het vergroten van het aantal dieren. Het gaat om een ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 5, van deze ruimtelijke onderbouwing, geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Deze paragraaf kan worden beschouwd als een vormvrije mer-notitie. 4.9.3 Conclusie Het initiatief is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
WATERASPECTEN
Inleiding
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Beleidskaders
5.2.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.2.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.2.3
Omgevingsvisie provincie Friesland
In de Omgevingsvisie Fryslân – de Romte Diele wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De Omgevingsvisie omschrijft dat de provincie zich klimaatadaptief wil opstellen. Voor de provincie kan de klimaatveranderingen grote gevolgen hebben. Zo ligt meer dan de helft onder NAP en dalen enkele plekken. De provincie wil omgaan met de klimaatverandering door zowel adaptatie: door aanpassingen de klimaatverandering opvangen, als acceptatie van de wateroverlast. Verder zet de provincie zich in voor waterveiligheid, het bewaken van de waterkwantiteit in droge en natte perioden en het beperken van wateroverlast. 5.2.4
Wetterskip Fryslân
Vigerend beleid Het beleid van waterschap Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerplan 2016 – 2021. Veilig, voldoende en schoon water Het waterschap ziet: zorg voor veiligheid achter de dijken, zorg voor voldoende water en zorg voor schoon water als voornamelijke taken. Bij het uitvoeren van die taken werkt het waterschap nauw samen met collega-overheden, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven. Ze participeren daarvoor in gebiedsprocessen, streekagenda’s en andere samenwerkingsverbanden die met water te maken hebben
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Noorderzijlvest. 5.3.2
Watertoetsproces
Het Wetterskip Fryslan is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl), zie bijlage 5. Uit de watertoets volgt dat voor voorliggende ontwikkeling de ‘Normale adviesprocedure’ van toepassing is. In principe brengt het waterschap een positief advies uit ten opzichte van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven ontwikkeling. Wel heeft het waterschap nog de mogelijkheid om nader advies op te stellen, gezien een deel van het projectgebied binnen de laag hoofdwateren zich bevindt. Uit de watertoets komt het volgende waarmee rekening gehouden moet worden. 5.3.2.1 Verhardingsoppervlak Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
5.3.2.2 Hoofdwateren De hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie en hier moet rekening mee worden gehouden. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit.
5.4
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voornemen, mits aan alle adviezen wordt voldaan. Zo wordt er minder dan 1.500m2 aan verhardoppervlak toegevoegd en bevinden de uitbreidingen zich op een afstand groter dan 5 meter vanaf de hoofdwatergang. Hemelwater wordt net als in de huidige situatie via het dak naar de grond afgevoerd waar het infiltreert.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Friesland
Gelet op de aard, omvang en locatie van het plan en het feit dat aan het provinciaal beleid wordt voldaan, wordt vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk geacht.
7.3
Wetterskip Fryslân
Het Wetterskip is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets heeft ertoe geleid dat de ‘Normale adviesprocedure’ van toepassing is. Het waterschap heeft adviezen meegegeven in de uitkomsten van de watertoets. Deze adviezen worden meegenomen in de realisatie van het initiatief. Daarnaast heeft het waterschap het recht om adviezen op te stellen voor de beschreven ruimtelijke onderbouwing. Het waterschap heeft een positief advies gegeven op basis van de watertoets.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
CONCLUSIE
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of de uitbreiding van de pluimveestallen met wintergartens aan de Nieuwbuurtseweg 48 te Tzum in de gemeente Waadhoeke in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is beoordeeld in relatie tot de relevante beleidsuitgangspunten uit het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. De uitkomst van deze analyse is dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de relevante beleidsuitgangspunten. Tevens is de ontwikkeling getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten die in een goede ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Hierbij is ingegaan op hoe de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid en wetgeving ten aanzien van de betreffende milieu- en omgevingsaspecten. Hierin is in beeld gebracht welke effecten de ontwikkeling heeft op het projectgebied en de directe omgeving en omgekeerd: welke effecten de directe omgeving heeft op de voorgenomen ontwikkeling. De uitbreiding van de agrarische bebouwing zorgt hierin niet voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Er wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van de agrarische stal buiten het bouwvlak, aan de Nieuwbuurtseweg 48, te Tzum in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Toelichting Wintergarten concept
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Toelichting gebruik wintergartens d.d. 24 januari 2022 Initiatiefnemer Maatschap J.J.W. Atsma en G.E. Atsma Nieuwbuurtsterweg 48 8804 RJ TZUM Beter Leven 1 ster De fam. Atsma wil met de stallen diverse marktconcepten kunnen bedienen. Afhankelijk van het marktconcept wordt er gekozen voor een lage of hogere dierbezetting. In geval van reguliere kuikens of kuikens van het middensegment is de wintergarten niet nodig. In geval van Beter Leven 1 ster scharrelkuikens is het gebruik van de wintergarten verplicht. Het voornemen is alle stallen van wintergartens te voorzien. V-Stacks In de geurberekeningen gaat we ervan uit dat de aanwezigheid van een wintergarten niet van invloed is op de geurbelasting. Het emissiepunt van de stal wordt gevormd door de plaats van de ventilatoren: de warmtewisselaar en de ventilatoren die in de eindgevel van de binnenstal zijn gesitueerd. In deze toelichting treft u een nadere onderbouwing waaruit blijkt dat de onderdruk in de stal blijft gewaarborgd waardoor de ventilatoren van de binnenstal en de warmtewisselaar (nog steeds) als emissiepunt moeten worden beschouwd. Mechanische ventilatie Luchtverversing van het dierverblijf is nodig om stalgassen, vocht, stof en warmte af te voeren en verse lucht voor de aanwezige dieren aan te voeren. Het gewenste stalklimaat wordt door middel van een klimaatcomputer geregeld (verwarming en ventilatie).
De pluimveehouder maakt gebruik van mechanische ventilatie. Ventilatoren zorgen voor onderdruk in de stal waardoor verse lucht wordt aangezogen. Regelbare openingen zorgen voor de luchtaanvoer. Wintergarten De overdekte uitloop is een additioneel verblijf aan de stal (aanbouw of inpandig) waar de dieren onder buitenomstandigheden kunnen scharrelen. Het is een surplus op de binnenstal. De dieren worden als eendagskuiken opgevangen in de binnenstal (tevens nachtverblijf) waar het voer en drinkwater zich bevinden en de verwarming. Na 3 weken krijgen de kuikens de beschikking over de overdekte uitloop. Hier kunnen ze overdag naar toe. Ze komen er niet allemaal en ook niet allemaal gelijktijdig, een groot deel blijft ook gewoon binnen; het rouleert. ’s Avonds als het schemert gaan ze als vanzelf weer naar binnen. De overdekte uitloop is een overdekte scharrelruimte die in directe verbinding met de stal staat via uitloopopeningen waar alle dieren gemakkelijk en onbeperkt toegang tot hebben. De scharrelruimte heeft veel daglicht en is op zodanige wijze beschermd tegen weersinvloeden dat deze ook bij slecht weer kan worden gebruikt (bijv. door het aanbrengen van windbreek-/ventilatiegaas of damwandprofiel met gaatjes).
Hoeve Advies
1
Voorbeeld Hieronder een voorbeeld (elders) van een binnenstal en een overdekte uitloop.
Binnenstal met voer- en drinkwaterlijnen, verwarming, daglicht en mechanische ventilatie
Inpandige overdekte uitloop (wintergarten) semi-buitenverblijf scharrelruimte
Hoeve Advies
2
Gebruik wintergarten De uitloop wordt vanaf 3 weken tot aan het afleveren op ca. 7 à 8 weken leeftijd een deel van de dag gebruikt, zo’n 4 à 5 weken per ronde. Vanaf een leeftijd van 21 dagen hebben de vleeskuikens beschikking over de overdekte uitloop. De vleeskuikens hebben minimaal 8 uur per dag de beschikking over de overdekte uitloop. Vanaf uiterlijk 10.00 uur ’s morgens hebben de vleeskuikens de beschikking over de overdekte uitloop. De overdekte uitloop wordt van de stal gescheiden door een volledige wand met uitloopopeningen. De uitloopopeningen dienen zo veel mogelijk evenredig verdeeld te zijn over de hele lengte van de stal. Alleen met temperaturen in de overdekte uitloop onder 0o Celsius en/of slechte klimatologische omstandigheden (veel wind, tocht, vocht) mag de pluimveehouder passende maatregelen nemen door het deels laten zakken van de toegangswand of het sluiten van de uitloopopeningen zodat het klimaat in het nachtverblijf optimaal blijft. In de overdekte uitloop wordt geen voer verstrekt. De voermachines bevinden zich in de binnenstal. Omdat een kip bij of net na het eten mest, valt vrijwel alle mest in het strooisel van de binnenstal en komt er amper of geen mest in de wintergarten. Emissiepunt geur De V-Stacks gebruikershandleiding geeft aan: “Bij sommige pluimveestallen is sprake van een overdekte uitloop.
Dit is een onverwarmde scharrelruimte, bijvoorbeeld een Wintergarten. Deze uitloop telt niet mee voor de berekening van de geurbelasting. De uitloopopeningen tussen stal en overdekte uitloop zijn geen relevante emissiepunten voor de geurberekening. De reden is dat bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem sprake is van constante onderdruk in de stal. De lucht komt door luchtinlaatventielen binnen en verlaat de stal via de warmtewisselaar(s), nok- en/of gevelventilatoren. Zodra de uitloopopeningen open gaan, gaan de inlaatventielen helemaal of bijna helemaal dicht. Daardoor fungeren de uitloopopeningen naar de uitloop als luchtinlaat en verlaat de lucht de stal via de nok- of gevelventilatoren. De uitloopopeningen en de uitloop daarachter zijn daarom geen relevante emissiepunten. Het is belangrijk om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt dat onderdruk in de stal is gewaarborgd.”
Mechanische ventilatie De stallen worden mechanisch geventileerd op basis van algemene richtlijnen zoals vastgelegd door het Klimaatplatform. Middels een klimaatcomputer worden in- en uitgaande lucht op elkaar afgestemd, en wordt de toevoer via de inlaatventielen gereguleerd. Als de uitloopschuiven open staan worden de inlaatventielen verder geknepen om onderdruk te behouden. De luiken zijn alleen overdag gedurende ongeveer 10 uur open. Normaal gesproken staat de ventilatie overdag hoger dan het minimum. Om windinvloeden te minimaliseren wordt er windbreekgaas gemonteerd aan de buitenzijde van de wintergarten.
Hoeve Advies
3
Een klimaatcomputer ventileert de stal op basis van onderdruk. De automatische klimaatregeling/-besturing is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • onderdruk • maximale temperatuur • minimaal zuurstofgehalte lucht (d.m.v. meten CO2-gehalte) • minimale temperatuur • aantal dieren en het gewicht van de dieren Zodra de uitloopopeningen open gaan, gaan de inlaatventielen helemaal of bijna helemaal dicht. Daardoor fungeren de uitloopopeningen naar de uitloop als luchtinlaat en verlaat de lucht de stal via de stalventilatoren.
Instelbare uitloopschuiven
Dimensionering De openingen dienen dusdanig geconstrueerd te zijn dat de dieren geen belemmeringen ondervinden bij het in- en uitlopen. In een raamwerk wordt een schuif geplaatst; de doorloophoogte moet minimaal 45 cm hoog zijn. De breedte wordt afgestemd op het aantal meters wat nodig is: per 1.000 kuikens dient 1 m doorloopopening beschikbaar te zijn. De doorloopluiken worden evenredig over de lengte verdeeld.
Stal 1 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 4 nokventilatoren en 8 ventilatoren in de eindgevel en 2 ventilatoren van een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 424.000 m3/u ofwel 11,8 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 36.000 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 36.000 st. maar ca. 26.000 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 26.000 st. kuikens x 1 m = 26,00 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 20 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,50 m breed gemonteerd: 30,00 m.
Hoeve Advies
4
Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten). De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,16 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Stal 2 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 8 nokventilatoren en 5 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 314.000 m3/u ofwel 9,5 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 33.000 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 33.000 st. maar ca. 21.000 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 21.000 st. kuikens x 1 m = 21,00 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 17 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,50 m breed gemonteerd: 25,50 m. Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten).
De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,10 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Stal 3 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 10 nokventilatoren en 6 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 358.000 m3/u ofwel 9,5 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 37.500 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wl wintergarten gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 37.500 st. maar ca. 20.500 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 20.500 st. kuikens x 1 m = 20,50 meter opening. Er worden dan aan één zijde van de stal 17 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,50 m breed gemonteerd: 25,50 m.
Hoeve Advies
5
Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten). De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,07 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Stal 4 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 10 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 349.000 m3/u ofwel 8,2 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 42.500 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 42.500 st. maar ca. 20.500 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 20.500 st. kuikens x 1 m = 20,50 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 20 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,25 m breed gemonteerd: 25,00 m. Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten).
De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,09 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Stal 5 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 10 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 349.000 m3/u ofwel 8,2 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 42.500 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 42.500 st. maar ca. 25.500 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 25.500 st. kuikens x 1 m = 25,50 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 16 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,75 m breed gemonteerd: 28,00 m. Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten).
Hoeve Advies
6
De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,21 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Stal 6 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 20 nokventilatoren en 3 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 369.500 m3/u ofwel 8,7 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 42.500 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 42.500 st. maar ca. 19.500 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 19.500 st. kuikens x 1 m = 19,50 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 23 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,25 m breed gemonteerd: 28,75 m. Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten).
De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s Bij ventilatie door de doorloopluiken 0,90 m/s De oppervlakte aan doorloopluiken is iets groter dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken heel iets lager is.
Stal 7 De stal wordt mechanisch geventileerd d.m.v. 10 ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar; de max. ventilatiecapaciteit is 350.500 m3/u ofwel 8,8 m3 p.d.p.u. Voor het houden van reguliere kuikens of kuikens van het zgn. middensegment is de wintergarten niet nodig (afgesloten) en wordt alleen de binnenstal gebruikt. Als er geen scharrelvleeskuikens worden gehuisvest zijn het er max. 40.000 stuks. Als er scharrelvleeskuikens BLK* worden gehouden wordt de wintergarten wel gebruikt. De dierbezetting is dan lager; er worden dan geen 40.000 st. maar ca. 22.500 st. vleeskuikens in de stal gehuisvest. Per 1.000 vleeskuikens is 1,00 m doorloopopening naar de wintergarten nodig. Dit is 22.500 st. kuikens x 1 m = 22,50 meter opening. Er zijn aan één zijde van de stal 21 st. uitloopschuiven van 0,50 m hoog en 1,25 m breed gemonteerd: 26,25 m. Om aan te tonen dat de onderdruk in de stal is gewaarborgd wanneer de doorloopluiken open gaan is de vergelijking tussen de luchtsnelheid gemaakt wanneer de luiken dicht zijn (stal met afgesloten wintergarten) en wanneer de luiken open staan (stal met wintergarten). De instromende lucht bij standaardventilatie heeft de volgende snelheid: Bij ventilatie door de inlaatventielen 0,95 m/s
Hoeve Advies
7
Bij ventilatie door de doorloopluiken 1,14 m/s
De oppervlakte aan doorloopluiken is kleiner dan de oppervlakte aan inlaatventielen, vandaar dat de intreesnelheid bij de doorloopluiken hoger is.
Emissiepunt per stal Gezien de intreesnelheid is bij zowel het gebruik van de inlaatventielen als bij het gebruik van de doorloopluiken de onderdruk in de stal gegarandeerd, waardoor we kunnen stellen dat alle ventilatie via de ventilatoren de stal verlaat en deze (nog steeds) het emissiepunt van de stal vormen. De wintergarten zelf vormt geen relevant emissiepunt omdat de inkomende lucht van buiten via de inlaatventielen en/of doorloopluiken naar de binnenstal wordt afgezogen en daar via de ventilatoren wordt uitgeblazen. Ing. W. (Wim) Hoeve HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
8
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Landschappelijke inpassing d.d. 10 december 2021 Inititatiefnemer Maatschap J.J.W. en G.E. Atsma Nieuwbuurtsterweg 48 8804 RJ TZUM Aanleiding T.b.v. het houden van scharrelvleeskuikens wordt aan verschillende stallen een overdekte uitloop bevestigd (wintergarten) waar ze ‘onder buitenomstandigheden’ kunnen scharrelen. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder 3.2.1 onder h in die zin dat een bedrijfsgebouw of een overkapping wordt uitgebreid met of tot een oppervlak groter dan 1.600 m2, mits met een erfinrichtingsplan en een lichtplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Erfinrichtingsplan
De fam. Atsma heeft recent het erf verfraaid met nieuwe aanplant waardoor het bedrijf vanaf de zichtlijn vanaf de weg geheel ‘in het groen’ komt te staan. De nieuwe aanplant sluit aan bij de bestaande en is streekeigen.
Nieuwbuurtsterweg 48 (bron: PDOK.nl/viewer)
Hoeve Advies
1
In deze bijlage ziet u een bovenaanzicht en treft u meerdere foto’s van hoe het is aangelegd en in de bijlage een factuur waaruit u kunt opmaken welke beplanting is toegepast. We menen dat de inpassing gelet op het landschap uitermate geslaagd is voor de huidige bedrijfsvoering en daarmee ook toereikend is voor de beoogde bedrijfsvoering, aangezien het een inwendige aanpassing van het erf betreft en ‘de uitstraling naar buiten’ niet wijzigt.
Aanplant inpassing 2020 Nieuwbuurtsterweg 48 (bron: PDOK.nl/viewer)
Hoeve Advies
2
Zicht binnenzijde erf Nieuwbuurtsterweg 48 (bron: PDOK.nl/viewer)
Zicht vanaf westzijde Nieuwbuurtsterweg 48 (bron: google earth)
Ing. W. (Wim) Hoeve HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
3
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Verlichtingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Lichtplan t.a.v. overdekte uitloop (wintergartens) d.d. 10 december 2021 Initiatiefnemer Maatschap J.J.W. en G.E. Atsma Nieuwbuurtsterweg 48 8804 RJ TZUM Aanleiding T.b.v. het houden van scharrelvleeskuikens wordt aan verschillende stallen een overdekte uitloop bevestigd (wintergarten) waar ze ‘onder buitenomstandigheden’ kunnen scharrelen. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder 3.2.1 onder h in die zin dat een bedrijfsgebouw of een overkapping wordt uitgebreid met of tot een oppervlak groter dan 1.600 m2, mits met een erfinrichtingsplan en een lichtplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Lichthinder Lichtuitstraling wordt voorkomen doordat de armatuur in de overdekte uitloop aan het dak is bevestigd en daardoor is afgeschermd door: • de plaatsing van de armaturen; deze hangt boven de muurplaat waardoor er geen direct zicht is op de lampen • de richting waarin de armaturen het licht uitstralen • het gebruik van perfo damwandplaat of antranciet windbreekgaas aan de open zijde • de landschapselementen zoals bomenrijen die naast de stallen staan
Verlichtingsarmaturen die door positie en vorm lichtuitstraling naar buiten voorkomen
Hoeve Advies
1
Verlichting in wintergarten De scharrelruimte wordt niet intensief verlicht; er is volop daglicht beschikbaar. De kuikens verblijven er alleen overdag en redden zich met daglicht. Er hangt wel verlichting om alles goed te kunnen zien als de stal moet worden schoongemaakt en voor eventuele controlewerkzaamheden. Maatregelen om lichthinder te voorkomen De volgende maatregelen worden genomen om lichthinder tegen te gaan: 1. Positionering lampen. Door de lampen zo op te hangen dat de zijwanden niet onnodig worden verlicht en de lichtbron niet direct zichtbaar is vanuit de omgeving, wordt lichthinder voorkomen. De verlichting hangt daardoor niet in het zicht, ook niet van grote afstand gezien. Het licht dat naar buiten straalt, is indirect licht. 2. In overleg met de stalinrichter wordt gekozen voor een armatuur met een lichtbundel op de vloer. Door de juiste behuizing voor de lamp te kiezen, kan de verlichting beter gericht worden en is er minder zicht op de lamp. Zo wordt de lichtuitstoot naar buiten beperkt. Dit kan door middel van armaturen met asymmetrische spiegels of goed gerichte afschermkappen of LED-verlichting die naar beneden schijnt en niet rondom. 3. Door de lampen horizontaal te plaatsen en niet met de dakhelling mee wordt het licht naar beneden gericht in plaats van naar opzij of zelfs deels naar boven. 4.
De armaturen worden op starre wijze bevestigd, waardoor wordt voorkomen dat er buiten de stal onregelmatige lichtschijnsels zichtbaar zijn. Zouden de armaturen aan kabels of kettingen worden opgehangen dan kunnen armaturen als de wind er vat op krijgt heen en weer slingeren. 5. In het geval van een aanbouw-wintergarten bestaat de zijwand uit een muurtje van maximaal ca. 40 cm hoog met daarboven een 2 m effectieve opening van perfoplaat of windbreekgaas (vaste opstelling) wat lichtuitstraling tegengaat. 6. In het geval van een tussenbouw-wintergarten bevindt zich de opening boven de muurplaat van de beide stallen met 1 m effectieve opening van perfoplaat of windbreekgaas (vaste opstelling) wat lichtuitstraling tegengaat. Met bovenstaande maatregelen is lichthinder voldoende te voorkomen c.q. in te perken op het moment dat de verlichting gebruikt wordt.
Voorbeeld tussenbouw
Voorbeeld aanbouw
Ing. W. (Wim) Hoeve HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
2
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4 Aanvraag omgevingsvergunning bouw en milieuneutraal veranderen met afwijken bestemmingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Toelichting aanvraag milieuneutraal veranderen t.b.v. aanbouw overdekte uitloop (wintergarten) d.d. 13 december 2021 Initiatiefnemer Maatschap J.J.W. Atsma en G.E. Atsma Nieuwbuurtsterweg 48 8804 RJ TZUM Vleeskuikens De fam. Atsma voert een vleeskuikenhouderij aan de Nieuwbuurtsterweg 48 in Tzum. Op het bedrijf worden in 7 stallen in totaal 274.000 st. vleeskuikens gehouden. De fam. Atsma huisvest reguliere vleeskuikens maar wil er ook kuikens van het middensegment (lagere bezetting) of scharrelvleeskuikens (met overdekte uitloop) kunnen houden. Voor sterkuikens onder het Beter Leven 1 ster predicaat van de Dierenbescherming (BLK*) is een wintergarten (overdekte uitloop) verplicht. Het is de bedoeling over de volle lengte van de stallen een wintergarten te bevestigen waar de kuikens ‘onder buitenomstandigheden’ kunnen scharrelen. In de huidige situatie worden er ten hoogste 274.000 st. vleeskuikens gehuisvest overeenkomstig de milieuvergunde situatie van 11 juli 2018 (kenmerk V-20180217). Als er vleeskuikens BLK* worden gehuisvest zullen het er ca. 155.500 st. zijn. Aspect milieu / milieuvergunning Voor het aanpassen van de bestaande stallen 1, 2 en 4 t/m 7 in de vorm van een inpandige overdekte uitloop (stal 4 en 6) dan wel in de vorm van een een aanbouw (stal 1, 2, 5 en 7) is op 10 december jl.
een aanvraag ‘milieuneutraal veranderen’ ingediend – inclusief verzoek om af te mogen wijken van het bestemmingsplan (art. 3.3.7) t.b.v. het vergroten van het staloppervlak tot meer dan 1.600 m2 omdat dit zo is voorgeschreven in het bestemmingsplan (art. 3.2.1 onder a). Deze aanvraag voldeed aan de criteria voor bouwvergunningvrij. Aspect bouw / bouwvergunning De aanbouw van wintergartens aan stal 1, 2, 5 en 7 vond plaats op het achtererfgebied, was niet hoger dan 5,00 m waarbij de dakhelling voldeed aan de minimale 15o die in het bestemmingsplan is voorgeschreven; de aanvraag van 10 december 20121 kon om die reden bouwvergunningvrij worden verleend; er was geen omgevingsvergunning nodig voor het aspect bouw. De aanbouw voor stal 3 vindt echter plaats buiten het bouwvlak en past daarom niet onder de algemene regels. Men dient daarom naast het aspect milieu ook een aanvraag voor het aspect bouw en afwijken bestemmingsplan in te dienen. Vooroverleg De volgorde van bovenstaande aanvragen (de aanvraag van 10 december 2021 voor de aanen verbouw van de stallen binnen het bouwvlak vs. de daaropvolgende aanvraag voor de aanbouw voor de stal buiten het bouwvlak) heb ik bij wijze van telefonische vooroverleg op
Hoeve Advies
1
10 dec. 2021 doorgesproken met Stephan Strikwerda, vergunningverlener Wabo, van de gemeente Waadhoeke. De fam. Atsma kan zodra de vergunning voor de verbouw van de stallen binnen het bouwvlak verleend is daarmee aan de slag; dat de instemming voor de aanbouw van stal 3 buiten het bouwvlak vanwege de uitgebreide procedure dan wat langer duurt is niet erg. Omdat er 7 stallen moeten worden aangepast vergt dit de nodige investering en tijd. Bestemmingsplan Het perceel Nieuwbuurtsterweg 48 maakt onderdeel uit van het Bestemmingsplan Buitengebied 2013 van de gemeente Franekeradeel, vastgesteld 25 juni 2015. Het perceel heeft een enkelbestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf’. De bouwregels in art. 3.2.1 geven aan dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen voor niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering ten hoogste 1,50 ha mag zijn (3.2.1 d), dat de maximale oppervlakte per gebouw 1.600 m2 is (3.2.1 h) en dat de goot- en gebouwhoogte niet hoger mag zijn dan 5,00 m resp. 14,00 m en de dakhelling niet minder dan 15o of meer dan 60o (3.2.1 h).
De aanbouw van wintergartens leidt tot een toename van stalvloeroppervlak groter dan 1.600 m2 en een gezamenlijk oppervlak van de bedrijfsgebouwen voor niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering van meer dan 1,50 ha; bovendien wordt de wintergarten van stal 3 opgericht buiten het bouwvlak. Bij omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing om af te wijken van het bestemmingsplan wordt instemming. De stallen zijn op zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast en er vindt geen onevenredige afbreuk plaatsvindt; het gaat bovendien om vrijwilllige leefruimtevergroting om het welzijn van de dieren te vergroten. Gezamenlijk oppervlak (art 3.2.1 onder d) De gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering zal ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf" ten hoogste 1,50 hectare bedragen, aldus art. 3.2.1 onder d. In de beoogde situatie betreft het een beschikbaar vloeroppervlak van: Stal
Binnenstal m2
Wintergarten m2
Binnenstal m2
Type
1 2.000,0 601,2 2.601,2 Aanbouw 2 1.446,1 625,7 2.071,8 Aanbouw 3 1.647,1 341,2 1.988,3 Aanbouw 4 1.581,6 400,4 1.982,0 Inpandig 5 2.002,0 499,5 2.201,5 Aanbouw 6 1.493,3 380,6 1.873,9 Inpandig 7 1.742,1 464,5 2.206,6 Aanbouw Totaal 11.912,2 3.313,1 15.222,3 *oppervlak per dierverblijf (bron: bouwtekeningen Van Pijkeren Systeembouw) De gezamenlijke oppervlakte die voor de dieren beschikbaar is is 15.222,3 m2 en overschrijdt de voorgeschreven max. 1,50 ha.