bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum
Februari 2022
Status: Definitief
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Ruimtelijke onderbouwing Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum
Plannaam: Plantype: Status: Datum:
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing Definitief Februari 2022
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 3 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ................................................................................................................... 3 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIME ...................................................................................................................... 4 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING ....................................................................... 7 2.1 2.2 2.3
HUIDIGE SITUATIE PROJECTGEBIED................................................................................................................... 7 GEWENSTE SITUATIE ..................................................................................................................................... 8 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 11 3.1 3.2 3.3
RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 11 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 13 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 16
HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 18 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
GELUID .................................................................................................................................................... 18 BODEM.................................................................................................................................................... 18 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 19 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 21 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 22 GEUR ...................................................................................................................................................... 25 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 26 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 28 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 29
HOOFDSTUK 5 WATERASPECTEN........................................................................ 31 5.1 5.2 5.3 5.4
INLEIDING................................................................................................................................................. 31 BELEIDSKADERS ......................................................................................................................................... 31 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 32 CONCLUSIE ............................................................................................................................................... 32
HOOFDSTUK 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 33 HOOFDSTUK 7 VOOROVERLEG ........................................................................... 34 7.1 7.2 7.3
HET RIJK .................................................................................................................................................. 34 PROVINCIE FRIESLAND ................................................................................................................................ 34 WETTERSKIP FRYSLÂN................................................................................................................................. 34
HOOFDSTUK 8 CONCLUSIE ................................................................................ 35 BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ......................................................... 36 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5
TOELICHTING WINTERGARTEN CONCEPT ................................................................................................. 37 ERFINRICHTINGSPLAN ......................................................................................................................... 38 VERLICHTINGSPLAN ............................................................................................................................ 39 AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING BOUW EN MILIEUNEUTRAAL VERANDEREN MET AFWIJKEN BESTEMMINGSPLAN 40 WATERTOETS .................................................................................................................................... 41
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Op verzoek van de heer W. Hoeve van Hoeve Advies BV is een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van het uitbreiden van een pluimveestal, met een overdekte uitloop (wintergarten), aan de Nieuwbuurtsterweg 48, te Tzum (hierna: projectgebied) opgesteld. Ter plaatse runt de initiatiefnemer van voorgenomen ontwikkeling een pluimveehouderij. Bij het kadaster staat deze locatie bekend onder de gemeentecode TJU00 sectie D, perceel 581. Op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013” is het projectgebied voorzien van de bestemming “Agrarisch”. Het projectgebied is voorzien van een bouwvlak, de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf” en de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - radarverstoringsgebied. Daarnaast bevinden zich binnen het projectgebied de gebiedsaanduidingen “veiligheidszone – bevi” en tweemaal “windturbine”. Ter plaatse wordt een vleeskuikenbedrijf (intensieve veehouderij) geëxploiteerd. Op het perceel staan zeven stallen. Initiatiefnemer is voornemens de pluimveestallen uit te breiden, zonder de pluimveestapel uit te breiden.. In totaal wordt er bij elke stal een uitbreiding gerealiseerd. bij stal 4 en 6 gaat het om een overdekte uitloop, bij stal 1, 2, 5 en 7 gaat het om een aanbouw. De uitbreidingen behorend bij stal 1, 2, 4, 5, 6 en 7 worden binnen het bouwvlak gerealiseerd.
Middels een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om de oppervlakte per stal binnen het bouwvlak te vergroten (artikel 3.3.7 van het bestemmingsplan). Hier is reeds een aanvraag voor ingediend. Voor stal 3 geldt echter dat de wintergarten buiten het bouwvlak gelegen. Dit is op twee punten strijdig. Ten eerste is er sprake van een vergroting van de oppervlakte van de bebouwing van een bedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel gemengd agrarische bedrijf’ tot meer dan 1,5 ha. Daarnaast ontbreken buiten het bouwvlak de bouwmogelijkheden voor de beoogde wintergarten. Er zijn geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheden om de realisatie van deze wintergarten mogelijk te maken. Daarom is een omgevingsvergunning op basis van de uitgebreide procedure noodzakelijk In deze ruimtelijke onderbouwing wordt verzocht om af te wijken van het bestemmingsplan ter plaatse van de betreffende stal 3 om deze uit te breiden met een wintergarten. Er wordt met 350m2 oppervlak buiten het bouwvlak gebouwd. De totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt in de nieuwe situatie 15.2232,3 m2. In voorliggend geval van het geldende planologische regime wordt afgeweken en medewerking aan de ontwikkeling verleend conform artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3o.
Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Nieuwbuurtsterweg 48 ten oosten van het dorp Tzum binnen de gemeente Waadhoeke. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving met respectievelijk de rode contour en rode ster weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 1.1 leefomgeving)
Ligging van het projectgebied ten opzichte van de kern Surhuisterveen en de directe omgeving (Bron: Atlas van de
1.3
Huidig planologisch regime
1.3.1
Algemeen
Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013” vastgesteld per 2015-05-26 door de gemeente Franekerdeel. Deze gemeente is in 2018 gefuseerd met de gemeenten het Bildt, Menaldumadeel (Menameradiel) en met vier dorpen van de voormalige gemeente Littenseradeel (Littenseradiel) tot de nieuwe gemeente Waadhoeke. Zie afbeelding 1.2 voor een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2
Uitsnede bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013” (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 1.3.2
Beschrijving bestemmingen
Op basis van het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied 2013”zijn de gronden binnen het projectgebied voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze bestemming is het projectgebied voorzien van een bouwvlak en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf’. Daarnaast liggen binnen het projectgebied enkele aanduidingen. Dit betreffen de ‘gebiedsaanduiding vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’, de “gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – bevi’ en tweemaal afzonderlijk de aanduiding ‘windturbine’. Hieronder wordt kort ingegaan op de bestemmingen en aanduidingen. “Agrarisch” De voor “Agrarisch ”aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch grondgebruik. Specifiek is in dit geval de uitoefening van een gemengd agrarisch bedrijf (grondgebonden en nietgrondgebonden) toegestaan. Ter plaatse van het bouwvlak mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf gebouwd worden. Ter plaatse van de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf” mag de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van de nietgrondgebonden agrarische bedrijfsvoering ten hoogste 1,50 hectare bedragen.
“Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – radarverstoringsgebied ” Om de werking van de radars van Leeuwarden en Wier te beschermen zijn de verstoringsgebieden op de verbeelding aangeduid als vrijwaringszone - radarverstoringsgebied. Op de verbeelding is aangegeven hoe hoog maximaal mag worden gebouwd om de werking van de radars niet te verstoren. Het projectgebied bevindt zich binnen een straal vanaf de radarinstallatie waar tot 70 meter boven NAP gebouwd mag worden. “Gebiedsaanduiding “veiligheidszone – bevi” De voor 'veiligheidszone - bevi' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van het bouwen en/of gebruiken van gebouwen als kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object vanwege locaties voor risicovolle inrichtingen. “Gebiedsaanduiding windturbine” De voor 'windturbine' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor solitaire windturbines. Het aantal te bouwen windturbines, ter plaatse van de aanduiding “windturbine”, zal ten hoogste één per aanduiding bedragen 1.3.3
Strijdigheid
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de huidige intensieve veehouderij door aanbouw van een wintergarten. Zoals in de inleiding aangegeven worden voor zes stallen via een binnenplanse afwijking de uitbreidingen vergund. Voor stal drie is dit niet mogelijk. Het initiatief is strijdig met drie bouwregels van de bestemming “Agrarisch”. Het betreft de bouwregels zoals genoemd in artikel 3.2.1 onder b, d en h van het bestemmingsplan. Ten eerste wordt de uitbreiding buiten het bouwvlak en buiten de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf’ gerealiseerd. Hiermee is het plan strijdig met artikel 3.2.1 onder b. Ten tweede wordt met de uitbreiding de oppervlakte van 1,5 ha aan bedrijfsbebouwing overschreden. Ten derde wordt de maximale oppervlakte van 1.600 m2 per stal overschreden. De ontwikkeling kan daarmee niet in zijn geheel worden uitgevoerd op basis van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt via een omgevingsvergunning afgeweken van het geldende bestemmingsplan via artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 30 van de Wet algemene bepaling BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing omgevingsrecht. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat het voorgenomen initiatief in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige en gewenste situatie ter plaatse van het projectgebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Friesland en de gemeente ‘Waadhoeke’ beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op alle relevante milieu- en omgevingsaspecten. In hoofstuk 5 worden de wateraspecten behandeld. Hoofdstuk 6 staat in het teken van de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 7 in op het vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 2 2.1
PLANBESCHRIJVING
Huidige situatie projectgebied
Het projectgebied betreft het agrarisch perceel aan de Nieuwbuurtsterweg 48 ten oosten van het dorp Tzum, in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke. Hieronder wordt kort ingegaan op de ruimtelijke structuur van het projectgebied. Het projectgebied bevindt zich aan de noordzijde van de Nieuwbuurtsterweg. De omliggende gronden zijn in agrarisch gebruik. Op afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de omgeving opgenomen. Het projectgebied is in aangeduid middels een rode ster.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto projectgebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)
Het projectgebied zelf betreft een agrarisch bedrijfsperceel. Het bevat een bedrijfswoning en verscheidene agrarische gebouwen. Verdeeld over het erf staan zeven grote pluimveestallen. Daarnaast zijn ter plaatse twee gebouwen gevestigd voor onder andere opslag, installatie en werktuigenberging.. Tot slot bevindt zich een spoelwaterbak in de noordwestelijke hoek van het terrein en staan er twee windmolens langs de zuid/- west zijde van het agrarisch perceel. De zeven grote pluimveestallen huisvesten bij elkaar maximaal 274.000 st. vleeskuikens. Aan/binnen zes van de zeven pluimveestallen worden overdekte uitlopen aangelegd conform de regels van het bestemmingsplan. Afbeelding 2.2 toont middels een luchtfoto de huidige situatie van het projectgebied. Het projectgebied is hierin aangegeven met de rode contour.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2.2
2.2
Luchtfoto projectgebied met stalnummers (Bron: Atlas van de leefomgeving, bewerkt)
Gewenste situatie
De concrete ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een bestaande pluimveestal met een wintergarten. Het betreft de pluimveestal nummer drie (zie afbeelding 2.2) gelegen langs de westzijde van het agrarisch perceel. Deze wintergarten is bedoeld voor vergroting van de leefruimte en het kunnen houden van langzaamgroeiende kuikens, in afbeelding 2.5 en bijlage 1 wordt het concept kort toegelicht. Initiatiefnemer wil namelijk naast reguliere vleeskuikens ook scharrenvleeskuikens (met overdekte uitloopkunnen houden. Voor sterkuikens onder het Beter Leven 1 ster predicaat van de Dierenbescherming is een wintergarten (overdekte uitloop) verplicht. Het is de bedoeling om over de volle lengte van de stal een wintergarten te bevestigen waar de kuikens ‘onder buitenomstandigheden’ kunnen scharrelen. De ontwikkeling betreft enkel de uitbreiding van de stal met een wintergarten en heeft geen gevolgen voor het aantal vleeskuikens, dit aantal blijft gelijk met voor het complete agrarische perceel een maximum van 274.000 st. vleeskuikens. De ontwikkeling voorziet op deze manier tevens niet in een vergroting van het productieoppervlak. Voor scharrelvleeskuikens Beter Leven 1 ster geldt een maximale bezetting van 25 kg vlees per m2 stal. Voor reguliere kuikens een maximale bezetting van 42 kg vlees per m2 stal. In geval van scharrelkuikens worden er minder dieren ingezet.
De diercategorie wijzigt niet omdat stalinrichting en ventilatie niet aangepast hoeven te worden; de inkomende lucht wordt via de wintergarten aangezogen en verlaat de binnenstal middels de uitblaasventilator(en) van de warmtewisselaar(s) en de stalventilatoren – overeenkomstig de vergunning. Voor voorliggend initiatief is een erfinrichtingsplan (bijlage 2) en lichtplan (bijlage 3) opgesteld. Initiatiefnemer heeft recent het erf verfraaid met nieuwe aanplant waardoor het bedrijf vanaf de zichtlijn vanaf de weg geheel ‘in het groen’ komt te staan. De nieuwe aanplant sluit aan bij de bestaande beplanting en is streekeigen. De voorgenomen ontwikkeling is landschappelijk ingepast, dankzij de aanpassingen binnen het projectgebied wijzigt de uitstraling naar buiten niet. In de wintergarten wordt lichtuitstraling voorkomen doordat de armatuur in de overdekte uitloop aan het dak is bevestigd en daardoor is afgeschermd. Afbeelding 2.3 toont een uitsnede van het inrichtingsplan voor de nieuwe situatie. In afbeeldingen 2.4 is respectievelijk een dwarsdoorsnede van de uitbreiding van de stallen te zien. Op afbeelding 2.5 wordt het concept van een wintergarten toegelicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2.3
Uitsnede inrichtingsplan nieuwe situatie (Bron: Hoeve Advies)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2.4
Dwarsdoorsneden uitbreiding stallen (Bron: Hoeve Advies)
Afbeelding 2.5
Illustratie huisvesting (Bron: https://beterleven.dierenbescherming.nl/vleeskuiken-1ster)
2.3
Verkeer en parkeren
Bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In voorliggende ontwikkeling gaat het om de uitbreiding van het bestaande bedrijf waarbij het aantal dieren niet toeneemt. De uitbreiding voorziet alleen in het realiseren van een vrijwillige vergroting van de staloppervlakte van kuikens. Het initiatief brengt geen veranderingen voort ten opzichte van parkeren. Het eigen terrein blijft hierin voorzien. Voor dergelijke activiteiten wordt tevens geen toename van verkeersgeneratie verwacht, aangezien het aantal dieren niet toeneemt en daarmee de bedrijfsvoering niet wijzigt. Gesteld wordt dat de ontsluiting van het erf niet wijzigt en blijft plaatsvinden via de bestaande in- en uitritten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Ruimte Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
2.
3.
4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel: Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Sterke en gezonde steden en regio’s: Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven.
Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR (voorloper van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: Bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
Stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. ´
3.1.2
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid
Voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een intensieve veehouderij waarbij de bestaande pluimveestal wordt uitgebreid met een wintergarten. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een goed leefklimaat voor de dieren in de stal. Binnen de ontwikkeling is daarmee geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Deze functie is, gelet op de definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het Rijksbeleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid van de provincie Friesland is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de omgevingsvisie provincie Fryslân – de Romte Diele en de verordening Romte Fryslân 2014. 3.2.1
Omgevingsvisie provincie Fryslân – de Romte Diele
3.2.1.1 Algemeen Provincie Fryslân heeft per 23-9-2020 haar omgevingsvisie vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie het beleid zoals zij dat voor ogen ziet als de Omgevingswet naar verwachting in 2023 in werking treedt. De provincie heeft een viertal doelstellingen die ze als speerpunt wil behandelen. Een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. Dat zijn de ambities van de provincie Fryslân voor de Friese leefomgeving. Met de leefomgeving bedoeld de provincie: de gedeelde ruimte waarin de mensen in de provincie samenleven. Fryslân is van alle mensen die er wonen, werken of te gast zijn. Hierna wordt ieder speerpunt kort toegelicht. Vitaal Betekent dat de provincie streeft naar brede welvaart door slimme economische groei: dat is groei die een positieve bijdrage levert aan de ambities. Een sterke, groene economie genereert de middelen om te investeren in omgevingskwaliteiten. Het zorgt ervoor dat de steden, de dorpen en het platteland leefbaar zijn en blijven. Dat er voldoende woningen, voorzieningen en bedrijvigheid zijn. Dat de bereikbaarheid goed is. En dat leegstand en verpaupering van bebouwing zijn teruggedrongen. Veerkrachtig Betekent dat Fryslân ingrijpende ontwikkelingen kan opvangen. Veranderingen in het klimaat bijvoorbeeld, waardoor het energiegebruik moeten worden teruggedrongen.
De provincie wil dat de Friese steden, dorpen en landschappen robuust zijn en tegen een stootje kunnen. Ook wil zij dat de economie circulair en veelzijdig is zodat economische kansen ten volle benut kunnen worden en eventuele tegenvallers goed opgevangen kunnen worden. Karakteristiek Dit betekent dat er gestreefd wordt om de identiteit te behouden. De Friese ruimte heeft een eigen karakter met onder andere terpen, de Wadden, het coulisselandschap. De ambitie van de provincie is om die herkenbaarheid te behouden en te gebruiken bij nieuwe plannen. Gezond Dit betekent een goede kwaliteit van de bodem, het water en de lucht. De provincie wil dan ook in een goede staat doorgeven aan toekomstige generaties. De provincie wil vruchtbare landbouwgronden, kenmerkende natuurgebieden en veel verschillende soorten planten en dieren. De rust, de stilte en het donker in delen van de provincie Fryslân worden beschermd. Voor deze woning is het onderwerp Vitaal daarbij van belang. Dit betekent dat de Friese steden, dorpen en het platteland leefbaar zijn en blijven. Dat er voldoende woningen, voorzieningen en bedrijvigheid zijn, en dat de bereikbaarheid goed is. Een sterke economie ligt hieraan ten grondslag.
Deze bestaande woning een woonfunctie geven is van belang om ook in dit gebied leegstand te voorkomen 3.2.1.2 Friese landbouw duurzaam, zowel ecologisch als economisch De provincie heeft als doel om de Friese landbouw duurzaam, zowel ecologisch als economisch te hebben in 2025 Toelichting Duurzame landbouw is als gebruiker en beheerder één van de pijlers van een vitaal en aantrekkelijk platteland. Innovatie en samenwerking in de keten zijn succesfactoren om tot duurzame landbouw te komen;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing kennisinstellingen spelen hierin een belangrijke rol. De diversiteit aan agrarische bedrijven ziet de provincie als kracht, doordat verschillende typen bedrijven kennis en ervaringen uitwisselen. Bedrijven maken eigen keuzes in bedrijfsvoering. Dat kan schaalvergroting zijn, maar ook schaalverkleining, biologisch, extensivering, verbreding en verdieping. Ook agrarisch beheer van natuurgebieden kan onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. Belangrijk is dat bedrijven natuurlijke en sociale binding met hun omgeving houden: grondgebonden bedrijven in een omvang die past in het landschap en bij de Friese identiteit en sociale context. Natuurlijke omstandigheden, zoals waterpeilen en bodemkwaliteit, worden meer bepalend voor bedrijfsvoering. Ook medegebruik van agrarische grond, zoals waterberging en natuurbeheer, wordt meer van invloed. Omgevingskwaliteiten in een gebied bepalen zo de agrarische ontwikkelmogelijkheden; dit verschilt per locatie. Acties De provincie stimuleert de landbouwsector om de omslag te maken naar een duurzame, natuurinclusieve en grondgebonden kringlooplandbouw. Dit doet ze via een integrale Landbouwagenda die samen wordt opgesteld met partners, met daarin o.a. het ondersteunen van kennisontwikkeling en voorbeeldprojecten. Het ontwikkelen van nieuwe, houdbare verdienmodellen voor de landbouw is essentieel.
Het leveren van maatschappelijke diensten, zoals natuur- en landschapsbeheer, bodembiodiversiteit, waterconservering en berging, dient volwaardig en structureel te worden vergoed. Dit kan op verschillende manieren: door deze diensten zonder meerkosten in het bedrijf in te passen, door vergoeding uit de markt, óf - waar de aanpassingen niet inpasbaar zijn in een regulier verdienmodel - door de overheid. De provincie ondersteund gemeenten bij toepassing van de Nije Pleats methode voor lokale inpassing van agrarische bedrijven; in de Omgevingsverordening geven we aan vanaf welke omvang de Nije Pleats methode relevant is, zodat dit niet voor beperkte agrarische ontwikkelingen nodig is. Extra inspanning voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid kan een plus opleveren in de vorm van extra ontwikkelruimte, nader te regelen in de Omgevingsverordening. 3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Binnen de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande stal, waar pluimvee wordt gehouden, uitgebreid ten behoeve van het vergroten van de leefruimte voor de te houden scharrelvleeskuikens. Op basis van het beleid omschreven in de omgevingsvisie van de provincie Friesland, en de daaruit voortvloeiende Omgevingsverordening, kan worden gesteld dat deze ontwikkeling aansluit bij de doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie Fryslân.
Deze doelstellingen zijn immers gericht op het maken van een omslag naar duurzame landbouw. In 3.2.2 wordt nader ingegaan op de provinciale omgevingverordening en de bijbehorende toetsing aan de methode Nije Pleats. 3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening
3.2.2.1 Algemeen Op 25-06-2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. De verordening wordt regelmatig gewijzigd, waarvan de laatste wijziging dateert van 23 maart 2021: Aanpassing nummering artikel 10.1.1, eerste lid Verordening Romte Fryslân 2014 (algemene ontheffing). De verordening stelt concrete regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening voorziet niet in nieuw beleid. Uitsluitend geldend provinciaal ruimtelijk beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de Barro of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet te worden over gedaan. Verder is rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk. In het beleidsdocument is een aparte kop agrarische bedrijven opgenomen, hieronder worden relevante artikelen toegelicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing Landbouw: (Agrarische bedrijven) artikel 6 Artikel 6.1.3 onder 1 van de verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor uitbreiding van het agrarische bouwperceel kan bevatten tot 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. In artikel 6.1.3 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die ervanuit gaat dat er groter gebouwd mag worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a. b. c.
het bedrijf al een bouwperceel van bijna 1,5 ha of meer dan 1,5 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren, de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en de nieuwe situatie een maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten: I. verbetering van dierenwelzijn, II. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; III. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, IV. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing.
Artikel 6.1.5 geeft onder 1 aan dat bij een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Onder 2 wordt aangegeven dat voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het eerste lid een ruimtelijk inrichtingsplan wordt opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen. 3.2.2.2 Nije Pleats methode De Nije Pleatsmethode is een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting. Voor de methode gelden twee regels: 1.
2.
In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het eerste lid wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen
De verordening biedt ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Voor schaalvergroting (geregeld in artikel 6.1.2 en 6.1.3 van de verordening) geldt de voorwaarde dat het bedrijf in de beoogde bedrijfsomvang ter plekke kan functioneren en qua ligging en ontsluiting en inpasbaar is binnen de kwaliteiten van landschap en natuur. Hierbij laat de gemeente zich in een vroeg stadium door deskundigen integraal adviseren over de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf. Deze maatwerkmethode levert winst voor de agrariër en winst voor de inpassing van het boerenerf in het landschap op. Daarnaast is er sprake van tijdswinst als de deskundigen op één moment en gezamenlijk tot een integraal advies komen. Het expertiseteam van De Nije Pleats, waarvan het contactpunt bij Hûs en Hiem zit, is een serviceteam richting gemeenten dat snel het gewenste maatwerk kan leveren.. Een gemeente kan deze integrale advisering en onderbouwing ook zelf organiseren. In dat geval zal verzekerd moeten zijn dat alle relevante deskundigen tijdig worden ingeschakeld. Uiteraard mag sprake zijn van maatwerk: bij kleinschalige perceel verruiming in niet complexe situaties kan de Nije Pleats-methodiek ook eenvoudiger vormgegeven worden. Artikel 6.1.5 van de omgevingsverordening borgt die Nije Pleats methodiek bij bouwpercelen > 1,5 ha en bij nieuwe bouwpercelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de provinciale verordening Toetsing
Artikel 6
De uitbreiding buiten het bestaande bouwvlak samen met de bebouwing en het groen binnen het bestaande bouwvlak komt neer op een ruimte beslag van circa 3 ha en komt dus uit boven de 1,5 ha. Het totaal bebouwde oppervlak bedraagt in de nieuwe situatie 15222,3 m2. De uitbreiding komt met 350m2 buiten het bestaande bouwvlak te liggen. De uitbreiding aan stal drie is redelijkerwijs niet binnen het bestaande bouwvlak te realiseren. De uitbreiding is een beperkte uitbreiding die maatschappelijk voordeel oplevert ten aanzien van de verbetering van dierenwelzijn, vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen. Toetsing
Nije Pleats
Voorliggend bouwvlak is reeds groter dan 1,5 hectare. Daarnaast voorziet de wintergarten in een zeer geringe toename, van oppervlak, ten opzichte van het huidige bouwvlak. De wintergarten bevindt zich aansluitend aan bestaande bebouwing, wat een maatwerktraject niet nodig maakt. Er is geen heroverweging van landschappelijke inpassing nodig zoals dat bij bouwblokverruiming of uitbreiding met nieuw stallen het geval is. Ook qua welstand is er geen noodzaak voor een zware toets omdat de benodigde bouwvergunning door welstand wordt getoetst. Tot slot leidt de uitbreiding niet tot een grotere bedrijfsomvang of toename van dieren en gaat de ontwikkeling niet ten koste van de kwaliteit van het landschap en de natuur Gelet op bovenstaande wordt toetsing aan artikel 6.1.5 wordt hierom niet noodzakelijk geacht. De Nije Pleats methode wordt hierom achterwege gelaten. Wel heeft de initiatiefnemer een inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2) waardoor het totale erf landschappelijk wordt ingepast. Tevens is er rekening gehouden met de lichtinvloed van de ontwikkeling op omliggende percelen, door het uitvoeren van een verlichtingsplan (zie bijlage 3) De verlichting is zo geplaatst dat het licht geen uitstraling heeft naar de omgeving. 3.2.3
Conclusie toetsing provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de Provincie Friesland.
3.3
Gemeentelijk beleid
De gemeente Waadhoeke heeft een welstandsnota opgesteld, hieronder wordt hieraan getoetst. 3.3.1
Welstandsnota Waadhoeke
3.3.1.1 Algemeen De gemeente Waadhoeke heeft per 12 december 2019 een welstandsnota opgesteld. De laatste wijzigingen zijn doorgevoerd per 1 juli 2021. Het welstandsbeleid van Waadhoeke is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Waadhoeke. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Waadhoeke. Uitgangspunt daarbij is dat met het opstellen van welstandsbeleid de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht levert. Burgers, ondernemers en ontwerpers worden in een vroeg stadium geïnformeerd over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.3.1.2 Buitengebied Het buitengebied van de gemeente Waadhoeke kan globaal in tweeën worden gedeeld. In het noorden ligt de nadruk van de agrarische bedrijfsvoering op de akkerbouw terwijl het zuidelijk deel voornamelijk wordt bepaald door veehouderijbedrijven. De bebouwing ligt in beide gebieden sterk verspreid in het landschap, waarbij de boerderijen het bebouwingsbeeld domineren. Verspreid zijn ook woningen in het buitengebied gesitueerd en op een aantal plaatsen is sprake van een kleine bebouwingsconcentratie in de vorm van zeer kleine dorpjes en gehuchten. Voor de cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zijn objectcriteria geformuleerd. Voor de beschrijving van deze boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen. Naast de authentieke boerderijen is er op het boerenerf bebouwing gerealiseerd die ten dienste staat van het akkerbouwbedrijf, dan wel het veehouderijbedrijf. Deze bebouwing is qua bouwhoogte veelal ondergeschikt aan de authentieke boerderij, maar qua oppervlakte veelal omvangrijk. Het grote verschil tussen de agrarische bedrijfsbebouwing voor een akkerbouwbedrijf en een veehouderijbedrijf zit in de goothoogte van de gebouwen.
Akkerbouwbedrijven hebben uit oogpunt van de bedrijfsvoering behoefte aan een hoge goothoogte, terwijl tot nog toe die hoogte bij veehouderijbedrijven beperkt kon blijven. Hier is overigens ook een trend naar hogere stallen waarneembaar. Ondanks de forse nieuwe agrarische bebouwing is de historische boerderij in de meeste gevallen nog beeldbepalend voor het erf. De nieuwe bebouwing is veelal op het achtererf geplaatst. In het buitengebied komen verspreid ook andere bijzondere functies en gebouwen voor, zoals woningen, windmolens en gemaaltjes. 3.3.1.3 Toeting initiatief aan Welstandsnota Waadhoeke. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bestaande stal met een wintergarten, waarbij de structuur en het aanzien van het agrarisch erf nauwelijks tot niet wijzigt. Tevens past de bebouwing binnen een uitgevoerd inpassingsplan. Aan de welstandscommissie is het om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de omgeving. 3.4
Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het van relevante gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie projectgebied
De uitbreiding van de pluimveestallen wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. In paragraaf 4.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. 2.
als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijfstijd van minder dan 2 uur gehanteerd;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.
4.2.2
als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Situatie projectgebied
Binnen de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande pluimveestallen uitgebreid met de aanbouw van een wintergarten (overdekte uitloop). Met de uitbreiding wordt een verbetering in het leefklimaat voor de dieren in de stal beoogd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee niet in het mogelijk maken van een gebouw welke bestemd is voor (nagenoeg) langdurig menselijk verblijf. Daarmee wordt voldaan aan de tweede uitzonderingsregel uit voorgaande paragraaf. Een bodemonderzoek kan om deze reden achterwege blijven. 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ▪ ▪
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ▪ ▪ ▪
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloer met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsten 70 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000
80 m
90 m
100 m
120 m
140 m
160 m
387.000
473.000
581.000
817.000
1.075.000
1.376.000
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Voorliggende ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.2
Situatie projectgebied
In bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvraag milieu neutraal veranderen toegevoegd. Hierin worden onder andere diverse milieuaspecten toegelicht. Betreft de luchtkwaliteit is onderstaande relevant. Fijnstof Minder dieren betekent minder uitstoot. De 274.000 st. vleeskuikens blijven vergund, maar als er scharrelvleeskuikens worden gehouden is de emissie lager. De fijnstofemissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 216.500 st. reguliere kuikens. Ammoniak Minder dieren betekent minder uitstoot. De 216.500 st. vleeskuikens blijven vergund, maar als er scharrelvleeskuikens worden gehouden is de emissie lager. De ammoniakemissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 274.000 st. reguliere kuikens. In de situatie met scharrelvleeskuikens voldoet de situatie ook aan de normstelling van het Besluit huisvesting; de max. e.w. voor de stalemissie in bestaande stallen opgericht voor 1 juli 2015 is 0,045 kg NH3 p.d.p.j.; de werkelijke emissie in het geval van 155.500 st. vleeskuikens is 0,021 kg NH3 en veel lager dan deze norm. Niet in betekende mate (NIBM) Gelet op bovenstaande kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging en zelfs zorgt voor een verbetering van de luchtkwaliteit.
Besluit gevoelige bestemmingen Een pluimveestal wordt niet aangemerkt als ‘gevoelige bestemming’. Een toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied); Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart en het bestemmingsplan is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het projectgebied is hierin indicatief met de rode omlijning aangegeven en aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas van de leefomgeving)
In het bestemmingsplan is een “Veiligheidszone – bevi” gelegen op het perceel. De risicocontouren van risicovolle inrichtingen die buiten de inrichting vallen benoemd in de toelichting zijn aangeduid als veiligheidszone - bevi. Binnen deze aanduiding mogen er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied:
zich bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen buiten de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het gebied bevindt zich binnen een gebied waarvan de maximale waterstand bij overstroming 0,5 tot 1 meter bedraagt. Daarnaast kent het perceel in het bestemmingsplan de aanduiding “veiligheidszone - bevi”. Binnen deze aanduiding mogen er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Omdat de ontwikkeling geen toename van het aantal personen betreft en er geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd” wordt een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing anderzijds’. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden of zijn gesitueerd. 4.5.2