CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Deinum Marssumerdyk 7.pdf

Gemeenteraad Waadhoeke 23 december 2021, gemeente waadhoekeBij agendapunt: Bestemmingsplan Deinum- Marssumerdyk 726.619 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In voorliggend geval wordt ter plaatse een vervangende woning gerealiseerd. Er is hiermee sprake van een reeds bestaande situatie. Deze woning wordt dan ook buiten beschouwing gelaten aangezien de huidige bedrijfswoning reeds milieugevoelig is voor omliggende bedrijven en daarmee reeds maatgevend is. Voor het kleinschalige klussenbedrijf en de minicamping wordt gesteld dat naast de bestaande woning vice versa dus ook een camping en een klussenbedrijf voorkomen in de omgeving van het plangebied, dit naast wonen en agrarische cultuurgronden. Er is hiermee sprake is van een matige functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Wonen De bestaande functie ‘het wonen binnen het plangebied’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Minicamping Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een camping aangemerkt als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Gezien de kleinschaligheid van de minicamping kan echter planologisch gezien het beter worden aangemerkt als ‘Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra’, die worden geschaard onder milieucategorie 1. Te meer ook omdat de minicamping binnen de woonbestemming wordt toegestaan. In categorie 1 geldt een maximale richtafstand van 10 meter. Voor de aspecten geur, geluid en gevaar gelden de richtafstanden van 10 meter. Voor het aspect stof geldt geen richtafstand.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt de minicamping naar aard, omvang en situering niet uitgebreid en komt hierdoor niet dichter op gevoelige objecten te liggen. De conclusie is dat de afstand van omliggende woningen ten opzichte van het plangebied hetzelfde blijft en dus voldoet aan de bovengenoemde 10 meter richtafstand. Er is dus geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

Klussenbedrijf Het gaat om het kleinschalige klussenbedrijf van initiatiefnemer. De kernactiviteiten van een klusbedrijf vinden in hoofdzaak plaats op de uitvoeringslocaties van de klussen. De bedrijfslocatie zelf heeft meer een ondersteunende functie voor o.a. de opslag van materialen en materieel en voorbereidende houtbewerkingen bestaande uit o.a. zaagwerk en het vervaardigen van prefab onderdelen. Daarnaast zal er sprake zijn van het aan- en afvoeren van materialen en materieel ten behoeve van het klusbedrijf. De werkzaamheden worden in dit bestemmingsplan alleen toegestaan in de loods, gesitueerd ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – klussenbedrijf’. In de VNG publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor verschillende bedrijven. In de voorliggende situatie is sprake van een “klusbedrijf aan huis”. De bedrijfsomschrijving ”Timmerfabrieken, vervaardigen overige artikelen van hout, p.o. < 200 m²” (SBI 162 nr.1, milieucategorie 3.1) sluit het best aan de op de functie aanduiding “klusbedrijf aan huis”. De richtafstand voor geluid voor milieucategorie 3.1 en het gebiedstype “gemengd gebied” bedraagt 30 meter. Het kleinschalige bedrijf is ondergeschikt aan de woonbestemming en is op de plankaart toegestaan middels een eigen specifieke aanduiding, waarbinnen de werkzaamheden en situering van de bedrijvigheid dient plaats te vinden.

Ten zuiden van het plangebied is op meer dan 30 meter afstand het woonperceel Marssumerdyk 3 gelegen. Gelet op het vorenstaande kan worden gesteld dat kan worden voldaan aan de richtafstand zoals opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een (verdere) aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de toekomstige planologisch toegestane situatie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Het voornemen betreft echter geen nieuwe situatie, er wordt reeds gewoond binnen het plangebied en er is reeds sprake van een bestaand klussenbedrijf en een bestaande minicamping. Er is in dit bestemmingsplan slechts sprake van het toekennen van een passende bestemming met specifieke aanduidingen binnen de regels en op de plankaart, gepaard gaande met de juiste bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dit heeft als gevolg dat er geen verdere toetsing noodzakelijk is wat betreft de interne werking. Daarnaast wordt de woning gebouwd op de locatie van de bestaande woning en zullen tussenliggende afstanden tot nabijgelegen bedrijvigheid niet worden verminderd. Gezien het vorenstaande wordt voor wat betreft de in de omgeving aanwezige milieubelastende functies in alle gevallen voldaan aan de genoemde richtafstanden. De in de omgeving voorkomende (agrarische) bedrijven wordt niet belemmerd door de in dit plan besloten ontwikkeling. Overige milieubelastende functies zijn op ruime afstand van het plangebied gelegen.

5.5.3

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.6.2.2 Natura 2000 In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Groote Wielen” is gelegen op een afstand van circa 8,1 kilometer. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch regime in de gemeente Waadhoeke.

Ten behoeve van deze ontwikkelingen is een voortoets verricht om inzichtelijk te maken of de instandhoudingsdoelstellingen van nabij gelegen Natura 2000 gebieden aangetast worden. De voorvraag die daarbij beantwoord dient te worden is of het bestemmingsplan leidt (of mogelijk leidt) tot significante effecten op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. In de komende paragrafen wordt nader op de voortoets ingegaan. Ter plaatse wordt de woonbestemming gecreëerd welke is voorzien van een aanduiding voor de minicampingactiviteiten en de activiteiten van het klussenbedrijf. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 8,1 kilometer. Gelet op deze afstand tot het Natura 2000-gebied in combinatie met de gebruiksmogelijkheden van het perceel is er in de aanlegfase en de gebruiksfase geen toename van stikstofbelasting. De instandhoudingsdoelstellingen, zoals verwoord in het Natura 2000-beheerplan, komen niet in het gedrang. 5.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op circa 4 kilometer van het dichtstbijzijnde NNN-gebied.

Gezien de afstand tot het dichtsbijzijnde NNN-gebied, de aard en omvang van de ontwikkelingen wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp 5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In dit geval is er door de Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd, opgenomen in bijlage 2.

5.6.3.2 Natuurwaardenonderzoek Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 18 oktober 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied ligt buiten de begrenzing van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende amfibieën-, vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied en bezetten er geen rust- of voortplantingsplaats. Mogelijk nestelen er vogels in de hagen en struiken in het plangebied maar deze worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdieren wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten voor de meeste soorten niet aangetast. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

5.6.4

Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. In het kader van de zorgplicht hoeven geen specifieke maatregelen genomen te worden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie plangebied In dat kader is de locatie getoetst aan de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr - 1500 n Chr). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief in een nieuw te maken bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering. Met andere woorden: door middel van de twee advieskaarten kan worden nagegaan welke onderzoeksinspanning gevraagd wordt op een bepaalde plaats. Advies ijzertijd-middeleeuwen: In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Advies steentijd-bronstijd: Geen onderzoek noodzakelijk.

Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Op basis van het vorenstaande is geen archeologisch onderzoek vereist. In voorliggend geval is er ter plaatse van de bestaande woning reeds sprake van bodemverstoring.

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp 5.7.2.2 Situatie plangebied Het plangebied kent, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Fryslân, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

5.7.3

Conclusie

Archeologie vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling en er is geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

•

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Groote Wielen” is gelegen op een afstand van circa 8,1 kilometer. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit wijzigingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende plan besloten ontwikkeling betreft een bestaande situatie, waarbij het aantal verkeersbewegingen als gevolg van dit plan niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, niet sprake van een andere functie die leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies.

Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. 5.8.3

Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

5.9

Vrijwaringszones

Nabij het plangebied bevindt zich het Van Harinxmakanaal, waarop de provinciale Vaarwegenverordening van toepassing is. Omdat het Van Harinxmakanaal een doorgaande vaarroute is voor de beroepsvaart, is ten behoeve van het beheer en de veiligheid van dit vaarwater in de regels van dit bestemmingsplan en op de plankaart een vrijwaringszone vastgelegd middels de aanduiding "vrijwaringszone - vaarweg". Hiervoor geldt het uitgangspunt dat in deze zone geen gebouwen en overkappingen gebouwd mogen worden. Dit geldt niet voor de bestaande bouwwerken en tevens is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om nieuwe in de basisbestemming genoemde bouwwerken te bouwen. Hierbij geldt de voorwaarde dat ontheffing is verkregen van de waterwegbeheerder. Zie voor de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - vaarweg in de regels in artikel 8.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Fryslân wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Wetterskip Fryslân

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het plangebied valt onder het beheer van het Wetterskip Fryslân, dat zorg draagt voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in het gebied en dat de grotere boezemwateren en sloten beheert, alsmede de waterkeringen, zoals geregeld in de Waterwet. Ook is het waterschap belast met het peilbeheer in het plangebied.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl), welke is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Voor de watergangen en waterpartijen (waaronder het Van Harinxmakanaal gelegen naast het plangebied) in het plangebied geldt dat de bestaande situatie wordt gecontinueerd. De kwaliteit- en kwantiteitsfunctie van het water in het plangebied is hiermee gewaarborgd. Het bestemmingsplan is in het kader van de watertoets voor een wateradvies naar Wetterskip Fryslân gestuurd. De resultaten hiervan zijn in het bestemmingsplan opgenomen en Wetterskip Fryslân geeft hiermee een positief wateradvies. De watertoets is daarmee afgerond. Het waterschap gaat akkoord met de plannen, mits er wordt voldaan aan de uitgangspunten in de standaard waterparagraaf. Er is geen waterschapsbelang. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een beperkte toename van het verharde oppervlak. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied of een stedelijke watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.

Afwenteling van overtollig regenwater op gronden van derden moet worden voorkomen. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 20 à 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast door onder andere te voorkomen dat afstromend hemelwater vanaf het straatoppervlak naar binnen kan stromen. Bij de aanleg van kelderconstructies dient aandacht te worden geschonken aan de toepassing van waterdichte materialen en constructies. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m² in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk.

Afvalwater In het plan wordt het huishoudelijk afvalwater afgevoerd via het bestaande drukrioolstelsel. Het rioleringssysteem grenzend aan het plangebied bestaat uit een drukrioleringssysteem met een beperkte capaciteit waarop alleen afvalwater van huishoudelijke aard of bedrijfsafvalwater (bijvoorbeeld wasplaatsen) mag worden aangesloten als de capaciteit van het stelsel dit toelaat. Op het drukrioleringssysteem mag geen drainage of regenwater worden aangesloten, omdat het rioleringssysteem daar niet op is berekend. Het huiselijk afvalwater wordt afgevoerd op het drukriool dat al reeds aanwezig is bij het plangebied. Hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te het infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. In dit geval wordt de afvoer van het hemelwater op de verharding geïnfiltreerd ter plaatse van de naastgelegen beplanting. Daarnaast zal er een grote, ruime aftakking aan de kavelgrenssloot op eigen perceel worden gemaakt met een overloop. Hierin kan dan de overige benodigde mm (minimaal ruimte voor 30 mm) worden opgevangen en zal aan de gestelde eisen voldaan kunnen worden. Doordat de first flush (kleine buien en het eerste deel van zwaardere buien) wordt afgevoerd en met name dit verontreiniging kan bevatten, vermindert het risico voor de kwaliteit van het grondwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp • • •

• •

7.2.4

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Nadere eisen: hierin is aangegeven op welke punten burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan te realiseren bouwwerken, ter voorkoming van onevenredige aantasting van omliggende gronden; Afwijkingen van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels. Specifieke gebruiksregels: hierin wordt specifiek voor die bestemming aangegeven welk gebruik in strijd is met de bestemming;

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

• •

•

• •

7.2.5

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel staat beschreven welke algemene bouwregels van toepassing zijn. Algemene aanduidingsregels (Artikel 8) Op het Van Harinxmakanaal is de provinciale Vaarwegenverordening van toepassing. Omdat het Van Harinxmakanaal een doorgaande vaarroute is voor de beroepsvaart, is bij dit vaarwater een vrijwaringszone geregeld. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Daarnaast is de landschappelijke inpassing van beide locaties middels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Overige regels (Artikel 11) In de overige regels zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van de wettelijke regelingen waarin naar verwezen wordt en de status van sectorale bestemmingsplannen in relatie tot onderliggend bestemmingsplan. Daarnaast zijn er regels met betrekking tot parkeren opgenomen.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Water (Artikel 3) De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor sloten, vaarten en daarmee gelijk te stellen waterlopen ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging, het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en de recreatievaart. Verder zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'steiger' bestemd voor aanleggelegenheden, steigers, walbeschoeiingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken. Wonen (Artikel 4) De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woonhuizen. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – minicamping’ is een kleinschalige minicamping toegestaan. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke worm van wonen – klussenbedrijf’ is een kleinschalig klussenbedrijf toegestaan. Dit betreft een bedrijf welke naar aard en omvang gelijk kan worden gesteld met bedrijven onder de categorieën 1 en 2. De bestaande minicamping is hier eveneens onder te scharen. ter plaatse van de aanduiding ‘minicamping’. De gronden ter plaatse van de woning zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Daarnaast zijn de gronden binnen het plangebied bedoeld voor bijbehorende bouwwerken, wegen, straten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, erven en terreinen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen het plangebied mag één woning worden gebouwd. De woning dient vrijstaand gebouwd te worden. Verder geldt een maximale bouwhoogte, goothoogte, en dakhelling. Voor bouwwerken geldt eveneens een maximale toegestane bebouwingsoppervlakte. Waarde – Archeologie (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de anterieure overeenkomst wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Fryslân & Waterschap Wetterskip Fryslân

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aan de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân voorgelegd. Zij hebben beiden een reactie op het plan ingediend. In deze paragraaf is de inhoud van de reacties samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Waterschap Wetterskip Fryslân Het waterschap geeft aan dat de watertoets niet is uitgevoerd. Gemeentelijke reactie: Ten tijde van het opstellen van het concept-bestemmingsplan waren er problemen met de digitale watertoets, maar is er telefonisch contact geweest met het waterschap. Inmiddels is de digitale uitkomst van de watertoets ontvangen en is door het waterschap aangegeven dat er geen waterschapsbelang is en dat er een algemene paragraaf in de waterparagraaf dient te worden opgenomen. Dit is gebeurd. De vooroverlegreactie leidt daarmee niet tot inhoudelijke wijzigingen aan het plan, verder is in bijlage 3 bij deze toelichting de uitkomsten van de watertoets opgenomen. Provincie Fryslân De provincie heeft voorliggend plan ter advisering ontvangen en geeft aan enkele opmerkingen te hebben, te weten wat betreft de aspecten ‘vaarwegen’, ‘archeologie’ en ‘ecologie’. Hierna worden deze opmerkingen kort besproken en van een reactie voorzien.

‘Vaarwegen’ De provincie geeft aan dat de oever en ondergrond van de steiger (gelegen in het noorden van het plangebied, voorzien van een waterbestemming en de aanduiding ‘steiger’) in eigendom zijn van de provincie Fryslân. Voor het plaatsen van de steiger en de uitbreidingen van de steiger zijn diverse provinciale ontheffingen verleend op basis van de Vaanwegen Verordening Fryslân. In deze ontheffingen is expliciet benoemd dat er niet mag worden afgemeerd. De provincie constateert dat deze expliciete wensen niet op de juiste manier juridisch zijn geregeld in voorliggend bestemmingsplan. In het ontwerpbestemmingsplan wordt daarom in de regels van de waterbestemming een afmeerverbod opgenomen voor het gebruik van de steiger. Tevens wordt er voor de oevers van het Van Harixmakanaal, welke juridisch zijn geregeld in de Vaarwegen Verordening Fryslân, een beheerzone van 25 meter opgenomen waar deze verordening op van toepassing is. Deze beheerzone van 25 meter is opgenomen in het bestemmingsplan. Gemeentelijke reactie: Handhaving van de regels uit de provinciale Vaarwegenverordening liggen in beginsel bij de provincie zelf en is feitelijk sectorale wetgeving naast het bestemmingplan. Het opnemen van een regeling is het bestemmingsplan is in beginsel dan ook een dubbeling en niet nodig.

Echter achten wij het vanuit een duidelijk toetsingskader niet bezwaarlijk om, net als in de andere plannen van de gemeente Waadhoeke, hiervoor een regeling op te nemen. Het plan is hierop aangepast in die zin dat de aanduiding ‘vrijwaringzone – vaarweg’ is opgenomen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

‘Archeologie’ De provincie constateert dat de nieuw te bouwen woning en schuur gezamenlijk een oppervlak hebben van 498 m². Op basis van het FAMKE is het advies, om bij ontwikkeling van 500 m² en meer, karterend archeologisch onderzoek uit te voeren alvorens te starten met bouwen. De provincie kan instemmen met de motivering in de toelichting wat betreft het aspect archeologie en beaamt dat op basis van de huidige stukken blijkt dat de 500 m² niet wordt overschreden. Wel adviseert de provincie om middels een dubbelbestemming de verwachtingswaarde archeologie op te nemen in het ontwerp-bestemmingsplan. Gemeentelijke reactie: De gemeente kan zich vinden in het voorstel in die zin dat de bestemming ‘Waarde – Archeologie’ is toegevoegd. ‘Ecologie’ De provincie constateert dat voor de ontwikkelingen geen AERIUS berekening is opgenomen in het bestemmingsplan, maar dat er een motivering is gegeven dat er geen effecten zijn te verwachten. De provincie adviseert om alsnog een berekening uit te laten voeren en deze toe te voegen aan de toelichting. Gemeentelijke reactie: In het voorliggende ontwerpbestemmingsplan nemen we dit voorstel niet over. Ten aanzien hiervan het volgende. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Het plangebied is echter niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Groote Wielen” is gelegen op een afstand van circa 8,1 kilometer. In voorliggend bestemmingsplan is bovendien slechts sprake van de bouw van een nieuwe woning en het voornamelijk legaliseren van een bestaande minicamping en een klussenbedrijf. Daarbij kan voor de aanlegfase gesteld worden dat in het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, de aanlegfase van de ontwikkeling bij nieuwe bestemmingsplan en omgevingsvergunningen achterwege kan worden gelaten. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door de bouw mogelijke veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij een natuurvergunning. De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw-, sloop en aanleg en ander werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt. Concluderend betekent dit dat de aanlegfase sinds het in werking treden van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering niet meer berekend hoeft te worden.

Voor de gebruiksfase geldt in voorliggend plan dat gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden en het feit dat in dit gebied geen sprake is van enige functionele verandering ten opzichte van de bestaande situatie. Er wordt reeds gewoond, er wordt al een minicamping geëxploiteerd en er is een kleinschalig klussenbedrijf gevestigd. Hieruit kan zonder berekeningen worden geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden. Het uitvoeren van een stikstofonderzoek is daarom dan ook niet noodzakelijk. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gelet op het feit dat hier geen sprake is van een nieuw beleidsvoornemen, maar van het hoofdzakelijk in overeenstemming brengen van de planologische situatie met het feitelijke en vergunde gebruik, is besloten dat geen inspraak nodig is.

9.3

Zienswijzen

Deze paragraaf zal worden aangevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan voor eenieder ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

Bijlage 1

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

Bijlage 2

Quickscan flora en fauna

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp

Bijlage 3

Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Marssumerdyk 7 Deinum

Marssumerdyk 7 Deinum ontwerp

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Bijlage 1 Bodemonderzoek Deinum, Marssumerdyk 7

4

Bijlage 2

Bijlage 2 Quickscan flora en fauna

54

Bijlage 3

Bijlage 3 Wateroets en Reactie waterschap

91

BJZ.nu Bestemmingsplannen

2

Marssumerdyk 7 Deinum ontwerp

Bijlagen bij toelichting

BJZ.nu Bestemmingsplannen

3

Marssumerdyk 7 Deinum ontwerp

Bijlage 1

Bijlage 1 Bodemonderzoek Deinum, Marssumerdyk 7

BJZ.nu Bestemmingsplannen

4

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl

november ’19

Onderwerp:

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

Projectnummer:

19-M9135

Opdrachtgever:

BJZ.nu

Datum:

28 november 2019

0

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

onderwerp

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

datum

donderdag 28 november 2019

projectnummer

19-M9135

in opdracht van

BJZ.nu Twentepoort Oost 16 7609 RG Almelo

uitgevoerd door

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Milieukundige begeleiding (water)bodemsaneringen en nazorg SIKB 6000, protocol 6001: Milieukundige begeleiding landbodemsanering met conventionele methoden”

(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.

november ’19

1

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

Inhoudsopgave 1

2

INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1

Algemeen ................................................................................................................................. 3

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3

1.3

Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3

1.4

Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.5

Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4

VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1

3

4

5

Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 11

VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 13 3.1

Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 13

3.2

Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 14

CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 16 4.1

Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 16

4.2

Toetsingscriteria .................................................................................................................... 17

4.3

Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 18

4.3.1

Milieuhygiënische kwaliteit grond ...................................................................................... 18

4.3.2

Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ............................................................................. 20

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 22

LITERTUURLIJST ................................................................................................................................. 26 COLOFON ............................................................................................................................................. 27

Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring

november ’19

2

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van BJZ.nu is in oktober/november 2019 door Sigma Bouw & Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 uitgevoerd op een deel van een perceel gelegen aan de Marssumerdyk nr. 7 te Deinum (gemeente Waadhoeke). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.

De veldwerkzaamheden van Sigma Bouw & Milieu zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters) en 2002 (het nemen van grondwatermonsters) van toepassing. Sigma Bouw & Milieu verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek

Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van een woning/kantoor/toiletgebouw op de onderzoekslocatie.

1.3

Doel van het onderzoek

Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.

november ’19

3

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

1.4

Referentiekader van het onderzoek

Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). 1.5

Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek, (hoofdstuk 2)  veldonderzoek, (hoofdstuk 3)  chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4)  conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).

november ’19

4

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Marssumerdyk nr. 7 te Deinum

2

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9). In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in Tabel 1. Tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek

Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens

Aanleiding tot vooronderzoek Eigendomssituatie

A 0

B 0

C

D

G

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Antropogene lagen in de bodem

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Geohydrologie

✓

✓

Geval van ernstige bodemverontreiniging?

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Kwaliteit o.b.v. BKK

✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓ 0

✓

✓

✓

✓

✓

2. Bodemopbouw en geohydrologie Bodemopbouw

4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

F

✓

Hoogteligging

3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

E

Voormalig Huidig

✓

Toekomstig Asbestverdacht?

✓

✓

✓

✓

5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=3540ad23-1206-4383-9364-0dd16d808395