Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Deinum Marssumerdyk 7.pdf
Tekst van het document
Marssumerdyk 7 Deinum
Marssumerdyk 7 Deinum ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting
3
BJZ.nu Bestemmingsplannen
2
Marssumerdyk 7 Deinum ontwerp
Toelichting
BJZ.nu Bestemmingsplannen
3
Bestemmingsplan
Marssumerdyk 7 Deinum
Mei 2021
Ontwerp
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum”
Plannaam:
Marssumerdyk 7 Deinum
IMRO-code:
NL.IMRO.1949.BPDeiMarssumerdyk-ON01
Plantype:
Bestemmingsplan
Status:
Ontwerp
Datum:
Mei 2021
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Toelichting
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 6 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ................................................................................................................................................ 6 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................................................ 6 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 7 HUIDIGE PLANOLOGISCH REGIME ..................................................................................................................... 7 LEESWIJZER ................................................................................................................................................. 9
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ....................................................................... 10 2.1
HET PLANGEBIED EN OMGEVING .................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING...................................................................... 12 3.1 3.2 3.3
GEWENSTE SITUATIE ................................................................................................................................... 12 SAMENVATTING GEWENSTE SITUATIE ............................................................................................................. 14 VERKEER EN PARKEREN ................................................................................................................................ 14
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER............................................................................ 17 4.1 4.2 4.3
RIJKSBELEID............................................................................................................................................... 17 PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................................... 19 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................. 20
HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN................................................... 22 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
GELUID .................................................................................................................................................... 22 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 23 LUCHTKWALITEIT ........................................................................................................................................ 24 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 25 MILIEUZONERING ....................................................................................................................................... 27 ECOLOGIE ................................................................................................................................................. 30 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE............................................................................................................... 32 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ............................................................................................................... 33
HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN ........................................................................ 35 6.1 6.2
VIGEREND BELEID ....................................................................................................................................... 35 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 35
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 38 7.1 7.2 7.3
INLEIDING ................................................................................................................................................. 38 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................. 38 VERANTWOORDING VAN DE REGELS ............................................................................................................... 39
HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................... 41 HOOFDSTUK 9 VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ........................................ 42 9.1 9.2 9.3
VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 42 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 44 ZIENSWIJZEN ............................................................................................................................................. 44
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 45 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
BODEMONDERZOEK ............................................................................................................................ 46 QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ............................................................................................................... 47
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp BIJLAGE 3
WATERTOETS .................................................................................................................................... 48
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Aan de Marssumerdyk 7 te Deinum bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met daarop een bedrijfswoning en enkele bijbehorende bouwwerken en opstallen. Op het perceel is een minicamping gevestigd, te weten de minicamping ‘Van Harinxma’, welke is gelegen aan het ‘Van Harinxmakanaal’. Tevens is er een kleinschalig klussenbedrijf gevestigd. De bestaande bedrijfswoning en enkele opstallen ten dienste van de minicamping verkeren in een slechte staat van onderhoud en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd. Initiatiefnemer, eigenaar van het perceel en van de minicamping, is daarom voornemens om de bestaande woning te vervangen voor een nieuwe woning. Hierbij zal tevens een losstaand gastenverblijf en een sauna worden gerealiseerd. Tevens zullen er voor de minicamping nieuwe opstallen met voorzieningen worden gebouwd. Het erf zal in de nieuwe situatie extra landschappelijk worden ingepast en extra worden vergroend ten opzichte van de bestaande situatie, hiermee zal sprake zijn van een aanzienlijke impuls in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied. Tenslotte zal de aanlegsteiger in het noorden van het plangebied planologisch worden bestemd. De gewenste ontwikkelingen zijn in strijd met de geldende gebruiks- en bouwmogelijkheden van de geldende beheersverordening.
Het is daarbij wenselijk in de nieuwe situatie een woonbestemming aan het perceel toe te kennen, met daarbij een specifieke aanduiding voor het klussenbedrijf en voor de minicamping. Het voornemen is voorbesproken en de gemeente Waadhoeke wil in principe medewerking verlenen aan de ontwikkeling. Voorliggend initiatief is niet in overeenstemming met de geldende “Beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied” van de gemeente Waadhoeke, voorheen Menameradiel. Een herziening van deze beheersverordening middels een bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Aangetoond wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bevindt zich aan de Marssumerdyk 7 te Deinum in het buitengebied van de huidige gemeente Waadhoeke. Kadastraal is dit deel van het plangebied bekend als gemeente Deinum, sectie F, nummer 397. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de directe omgeving en ten opzichte van Deinum zelf weergegeven. De rode omlijning geeft het plangebied indicatief weer.
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied t.o.v. de kern Deinum en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1949.BPDeiMarssumerdyk-ON01) en een renvooi; regels.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Huidige planologisch regime
1.4.1 Algemeen Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de “Beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied”. Deze beheersverordening is op 28 september 2017 door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Menameradiel vastgesteld. Daarnaast ligt het plangebied binnen de begrenzing van het voorbereidingsbesluit “Voorbereidingsbesluit zonneladder”. Dit voorbereidingsbesluit is op 27 mei 2020 door de provincie Fryslân vastgesteld. In afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding behorend bij de geldende beheersverordening opgenomen. Met de rode lijn is het plangebied indicatief weergegeven.
Afbeelding 1.3 Uitsnede geldende beheersverordening (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Afbeelding 1.4 Uitsnede geldende beheersverordening (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.4.2
Beschrijving bestemming en aanduiding
Hieronder wordt op de planologische situatie binnen het plangebied nader ingegaan. Deze locatie is op basis van de geldende beheersverordening voorzien van de enkelbestemming ‘Landelijk gebied’ met daarop de aanduiding ‘wonen’. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – obstakelbeheergebied’. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' mag één woning in maximaal 1 bouwlaag met kap worden gebouwd. De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen op het perceel mag ten hoogste 200 m² bedragen. De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – obstakelbeheergebied’ zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede aangeduid voor het tegengaan van te hoge bouwwerken en beplantingen in verband met de gebruiksmogelijkheden en veiligheidssituatie van de vliegbasis Leeuwarden, waaronder begrepen het vrijhouden van de invliegfunnel.
1.4.3
Strijdigheid
Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' mag op het perceel aan de Marssumerdyk 7 in Deinum uitsluitend worden gewoond. Gelet op het feit dat er ter plaatse een minicamping wordt geëxploiteerd en er een klussenbedrijf is gevestigd, is de huidige woonbestemming niet in overeenstemming met het feitelijk en vergunde gebruik. In het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1987 had het perceel een bedrijfsbestemming, maar in de “Beheersverordening Bestemmingsplan Buitengebied” uit 2007 is de bedrijfsbestemming abusievelijk komen te vervallen. Voorts is het de bedoeling de bedrijfsvoering wat betreft de minicamping verder uit te breiden met een recreatieve functie voor ondermeer gastenverblijf, sauna en overige voorzieningen ten behoeve van de minicamping, hetgeen momenteel niet past binnen de ter plaatse aanwezige woonbestemming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Het is daarom wenselijk een meer uitgebreide en passende woonbestemming aan het perceel toe te kennen, met daarbij specifieke aanduidingen voor het klussenbedrijf en de minicamping. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders om het project te kunnen realiseren.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de historische ontwikkeling van Deinum en de gemeente Waadhoeke en wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Fryslân en de Waadhoeke beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
HOOFDSTUK 2 2.1
HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied en omgeving
Het plangebied ligt aan de Marssumerdyk 7 te Deinum in het buitengebied van de gemeente Waadhoeke, ten noordoosten van de kern Deinum. De locatie grenst aan het Van Harinxmakanaal. Het erf ligt in een landschap waarin weilanden, bebouwingsclusters, (agrarische) bedrijven, woningen, water en bosjes elkaar afwisselen. Het aangrenzende landschap wordt gevormd door een recht wegenpatroon, verspreid liggende woningen, glooiende landerijen en diverse beplantingselementen. Ten noorden van het plangebied ligt het Van Harinxmakanaal, hier is eveneens een aanlegsteiger voor kleine bootjes, hengelsport et cetera gesitueerd, ten oosten grenst het aan de infrastructuur van de Marssumerdyk. Ten zuiden ligt een woning met bijbehorende opstallen en een tuin. Tenslotte zijn ten westen agrarische cultuurgronden gelegen. Op het perceel is een (bedrijfs)woning aanwezig. Daarnaast zijn op het perceel enkele bijbehorende bouwwerken en andere opstallen aanwezig, ondermeer voor de ter plaatse aanwezige minicamping en het klussenbedrijf. Minicamping Van Harinxma is een rustig gelegen minicamping aan het Van Harinxmakanaal, gelegen tussen de dorpen Ritsumazijl en Deinum. De opstallen zijn gedeeltelijk van asbesthoudende daken voorzien en worden gebruikt ten behoeve van opslagdoeleinden en de opslag van materieel voor het onderhoud van de minicamping en het klussenbedrijf.
Het erf wordt via diverse in- en uitritten op de Marssumerdyk ontsloten. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen met daarin de huidige situatie van het plangebied. Afbeelding 2.2 bevat een foto van de huidige bebouwing van de minicamping.
Afbeelding 2.1 Huidige situatie (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Afbeelding 2.2 Vogelvluchtaanzicht bestaande bebouwing van de minicamping (Bron: Maps Google)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
HOOFDSTUK 3 3.1
PLANBESCHRIJVING
Gewenste situatie
De voorgenomen ontwikkeling, het toekennen van een passende woonbestemming met daarbij specifieke aanduidingen voor het klussenbedrijf en de minicamping en het reguleren van de bouw- en gebruiksregels op het perceel, wordt door de gemeente Waadhoeke aangemerkt als een wenselijke ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie in het buitengebied. In het vooroverleg over het voornemen op dit perceel zijn uitvoerig de mogelijkheden voor het plangebied besproken. Uiteindelijk is besloten om de bestaande (bedrijfs)woning te vervangen voor een nieuwe woning met daarbij de mogelijkheid tot een inwoonsituatie, dit met het oog op de mantelzorg. Deze mantelzorgfunctie is vergunningvrij en er is geen sprake van twee zelfstandige woningen. Tevens zullen bij de woning een losstaand gastenverblijf en een sauna worden gebouwd. Hieronder zijn enkele impressiebeelden opgenomen van de woning en de vervangende opstal ten bate van de minicamping. De oppervlakte van de nieuwbouw komt overeen met de oppervlakte van de bestaande gebouwen. Opgemerkt wordt, zie ook afbeelding 3.2, dat dit de bestaande oppervlakte betreft, deze oppervlakte is op basis van de geldende beheersverordening echter niet toegestaan aangezien binnen de aanduiding 'wonen' slechts maximaal 200 m² worden gebouwd. In de toekomstige situatie wordt deze oppervlakte binnen de regels mogelijk gemaakt.
Wat betreft de gebruikswaarde wordt gesteld dat het perceel een grote erftransformatie ondergaat, waarbij onder meer de in slechte staat verkerende bestaande bedrijfswoning wordt vervangen voor een nieuwe te bouwen woning. De meerwaarde van deze ontwikkeling wordt gevormd door het terugbrengen van de cultuurhistorische elementen in het ontwerp. De bebouwing zal qua vorm, maatvoering en uitstraling aansluiten bij de bestaande bedrijfswoning en de kenmerken van de omgeving van het plangebied. Hierdoor worden de cultuurhistorische aspecten opnieuw zichtbaar en herkenbaar gemaakt. Het realiseren van deze gebouwen zal de herinnering aan het verleden levendig houden. De te realiseren woning zal voldoen aan de eisen van deze tijd ten aanzien van duurzaamheid. De voorgenomen ontwikkeling draagt dan ook bij aan de toekomstwaarde van het plangebied.
Afbeelding 3.1 Impressie beoogde inrichting nieuwe situatie plangebied (Bron: Bureau Puur)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Afbeelding 3. 2 Oppervlakteberekening bestaande- en nieuwe bebouwing (Bron: Bureau Puur)
Afbeelding 3.3 Impressie aanzicht nieuwe bebouwing (Bron: Bureau Puur)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
3.2
Samenvatting gewenste situatie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: • • • • • • •
de sloop van de bestaande (bedrijfs)woning en enkele opstallen met een oppervlakte van 689,5 m² aan de Marssumerdyk 7 te Deinum; sanering van asbest en overtollige erfverharding; vervanging van de bestaande (bedrijfs)woning en realisatie nieuwe opstallen ten dienste van de minicamping en het klussenbedrijf, in totaal circa 662 m2 aan nieuwe bebouwing; realisatie van een gastenverblijf en een sauna, nabij de woning; zorgvuldige landschappelijke inpassing van het perceel; de transformatie naar een woonbestemming met daarbij een specifieke aanduiding voor de minicamping en het klussenbedrijf; planologisch bestemmen van de aanlegsteiger in het noorden van het plangebied.
Landschappelijke inpassing Eén van de speerpunten van het provinciaal beleid is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel. Bij nieuwe bebouwing in het buitengebied is een goede landschappelijke inpassing van belang. Door het verwijderen van de bestaande opstallen en de realisatie van een nieuwe woning wordt het meest recht gedaan aan het behoud van het erf. Het ensemble wordt hersteld in haar oorsprong door de zowel voor als achter de tuin te omzomen met een haag. De beleving van het landschap wordt versterkt door passende landschappelijke inpassing door middel van het behoud van de solitaire elementen. Verder worden er nieuwe erfbomen, fruitbomen en een erfbosje aangeplant. De achterzijde van het perceel blijft open, net zoals in de huidige situatie het geval is. Het aanzicht op het perceel vanuit het westen (de agrarische cultuurgronden) zal niet veranderen. De opgaande beplanting wordt hier behouden. Door deze toevoegingen wordt het erf, met daarbij de minicamping landschappelijk ingepast en worden natuurwaarden toegevoegd. Er ontstaat nieuwe ruimte met biodiversiteit voor het versterken van de flora en fauna en met name voor de erfvogels. De bestaande erfverharding wordt grotendeels vervangen door halfverharding, menggranulaat, grastegels en gras.
De omgeving is een relatief laag liggend vlak gebied. Kenmerkend voor dat gebied is het regelmatige patroon van verkaveling en wegen waarlangs verspreid agrarische bebouwingen liggen met groene erven. De landbouw is sterk vertegenwoordigd in het landschap en de gronden zijn overwegend in gebruik als graslanden. De rooilijn voor de nieuwe woning is ongeveer gelijk aan die van de bestaande woning. Er komen drie uitritten op het langgerekte terrein, zodat de functies wonen, recreatie en bedrijf goed van elkaar gescheiden kunnen worden, waardoor een veilige en verantwoorde ontsluiting ontstaat. Door deze ontwikkelingen wordt de ruimtelijke kwaliteit van deze plek en die van de minicamping op deze plek aanzienlijk verhoogd.
3.3
Verkeer en parkeren
3.3.1
Uitgangspunten
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018)’ van het CROW. Het verkeer- en parkeerbeleid van de gemeente Waadhoeke is gebaseerd in op de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018)’ van het CROW. Op basis van parkeernormen en de ‘mate van stedelijkheid’ wordt berekend hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn voor een bepaalde ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp De gemeente Waadhoeke is een plattelandsgemeente met een groot buitengebied. De grootste concentraties van zowel verkeer als inwoners zijn te vinden in de kernen. De gemeente Waadhoeke wordt daarom conform getypeerd als ‘Weinig stedelijk’. Parkeren Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018)’ van het CROW beleidsnotitie waarbij voor de verkeersgeneratie eveneens wordt aangesloten bij deze publicatie van het CROW. In dit geval wordt er uitgegaan van de volgende uitgangspunten: •
• •
Functie: o Woning o Kleinschalig bestaand klussenbedrijf o Bestaande minicamping Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk; Stedelijke zone: buitengebied;
Gewenste situatie Het voornemen voorziet in het planologisch toestaan van een woning, een kleinschalig klussenbedrijf en een minicamping. Woning In het voorliggende plan worden één reguliere woning mogelijk gemaakt. Feitelijk is er echter geen sprake van een wijziging van de planologische toegestane situatie, desondanks wordt de parkeerbehoefte van de woning in beeld gebracht. Een enkele vrijstaande woning heeft een parkeernorm van minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaats per woning. Dit toegepast op de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling betekent dat er een parkeerbehoefte van maximaal 2,8 parkeerplaatsen (afgerond 3) is in de nieuwe situatie. Deze parkeerbehoefte kan worden gevonden op eigen terrein, aangezien het perceel van voldoende omvang is om te voorzien in de parkeerbehoefte van zowel de bewoners als de eventuele bezoekers. Gesteld wordt dat aan de benodigde parkeerbehoefte kan worden voldaan Kleinschalig klussenbedrijf Ter plaatse van het plangebied is het klussenbedrijf het best te vergelijken met de functie ‘bedrijf arbeidsextensief/ bezoekers extensief’. Het bedrijf ziet voornamelijk op klussen op locatie van opdrachtgevers, daardoor is geen sprake van een groot bedrijfspand of klussen binnen de locatie van het plangebied. De bedrijfsruimte zal voornamelijk voor opslagdoeleinden en de voorbereiding van klussen worden gebruikt.
De oppervlakte die hiervoor wordt aangehouden is een oppervlakte van circa 100 m2. Voor deze functie geldt een parkeernorm van minimaal 2,1 en maximaal 2,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee maximaal 2,6 (is afgerond 3) parkeerplaatsen. Tevens wordt opgemerkt dat ten aanzien van onderliggend bedrijf er in de praktijk geen bezoekers komen aangezien de klussen op locatie worden uitgevoerd, opgemeten en geoffreerd. Deze parkeerbehoefte kan worden gevonden op eigen terrein, aangezien het perceel van voldoende omvang is om te voorzien in de parkeerbehoefte van zowel de werknemers als de eventuele bezoekers. Gesteld wordt dat aan de benodigde parkeerbehoefte kan worden voldaan Minicamping Ter plaatse van het plangebied is de minicamping het best te vergelijken met de functie ‘camping parkeerterrein’. De parkeerbehoefte hiervoor is in het buitengebied minimaal 1,1 en maximaal 1,3 parkeerplaats per standplaats. Gezien het feit dat het in dit geval circa 15 standplaatsen mogelijk zijn op de minicamping, waarbij gebruik kan worden gemaakt van basisvoorzieningen, kan hier het beste op deze functie worden aangesloten. Dit in aanmerking nemende levert het voornemen een maximale parkeerbehoefte op van 15 x maximaal 1,3 = 19,5 (is afgerond 20) parkeerplaatsen.
Het parkeren ten behoeve van de minicamping kan eenvoudig plaatsvinden bij de standplaatsen en op de parkeervoorzieningen op het eigen terrein. Zoals weergegeven in hoofdstuk 2 uiteengezet is er voldoende ruimte voor de berekende parkeerbehoefte. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Conclusie Gelet op hetgeen hiervoor beschreven wordt geconcludeerd dat voor het aspect parkeren en vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de ontwikkeling. Verkeer Ten gevolge van het plan neemt het aantal verkeersbewegingen niet of in slechts beperkte mate toe. Ten aanzien van de bestaande woning, het klussenbedrijf en de bestaande minicamping is reeds al sprake van bewoning en exploitatie van het bedrijf en de minicamping met bijbehorende verkeersbewegingen. De Marssumerdyk en omliggende wegen zijn bovendien in voldoende mate ingericht om een eventuele beperkte toename van het verkeersbewegingen veilig en eenvoudig af te wikkelen. Eindconclusie Gelet op het vorenstaande zijn er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Ruimte Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
2.
3.
4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven.
Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op de ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´
4.1.2
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid
Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Met het voornemen wordt een extra woning toegevoegd in een bestaand stedelijk gebied. Hierdoor wordt er zorgvuldig met de ruimte omgegaan. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling. Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Wat de “Ladder voor duurzame verstedelijking” betreft is een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang. Hierin is uitgesproken dat met de realisatie van 11 woningen niet voorzien wordt in een woningbouwlocatie of andere stedelijk ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (ABRS 16 september 2015, 201501297/1/R4).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Geconcludeerd wordt dat er geen woning wordt toegevoegd, dat de minicamping en het klussenbedrijf reeds bestaand zijn en diverse jaren worden geëxploiteerd en ook vergund zijn, dat daarom geen verdere toetsing plaats hoeft te vinden aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” en dat het initiatief voldoet aan het rijksbeleid. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Verordening Romte Fryslân 2014. Provinciale Staten van de provincie Fryslân hebben in hun vergadering van 25 november 2020 de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 gewijzigd vastgesteld. De verordening is in werking getreden op 8 december 2020.
4.2.1
Verordening Romte Fryslân 2014
De Verordening Romte Fryslân 2014 is opgesteld om er voor te zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie. De regels in de verordening zijn een verdere uitwerking van het Streekplan Fryslân 2007 en bevatten de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De Verordening Romte is op 25 juni 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Verordening. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Verordening is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. De Verordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid juridisch geborgd is.
4.2.4
Toetsing van het initiatief aan de Verordening Romte Fryslân 2014
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Verordening Romte Fryslân 2014ontstaat globaal het volgende beeld. Volgens de Verordening is het landelijk gebied primair bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. De provincie streeft naar een vitaal en duurzame buitengebied, waarbij bestaande functies behouden dienen te worden. In onderhavig geval betreft het een bestaande woning welke vervangen wordt. Daarnaast is er binnen het plangebied een bestaande minicamping en een klussenbedrijf gesitueerd. Toetsing In het landelijk gebied worden voor dit soort ontwikkelingen, binnen reeds bestaand bebouwd terrein in het buitengebied, ontwikkelingsmogelijkheden voor deze functies geboden. -
Minicamping: dit betreft kleinschalig kamperen en is toegestaan op grond van artikel 5.1.1.1.a (tot 15 kampeermiddelen) van de Verordening Romte; Er is sprake van een reeds bestaand en vergund klussenbedrijf, welke gezien de aard en omvang past binnen de woonbestemming. De bestaande woning wordt herbouwd en past als gevolg hiervan binnen de regels van de Verordening Romte.
Per saldo is geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden op de groene omgeving, aangezien er geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte plaatsvindt. De maximaal toegestane oppervlakte aan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp bebouwing betreft de bebouwing zoals die momenteel aanwezig is binnen het plangebied. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het provinciale beleid. Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving en de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan daarmee in verhouding met de geboden ontwikkelingsmogelijkheden.
4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de in voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Verordening verwoorde en verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Welstandsnota
De gemeente Waadhoeke heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Het plangebied ligt in het welstandsgebied “Landelijk gebied”. In dit gebied is een bijzonder ambitieniveau van kracht. De nadruk ligt op het behoud en waar mogelijk versterken van de bestaande en gewenste kwaliteit. Voor het buitengebied is een aantal gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld waaraan het bouwplan zal worden getoetst. De bouwplannen zijn voorgelegd aan welstandscommissie. De commissie heeft de bouwplannen getoetst aan de welstandscriteria. Hieruit volgt dat de plannen nog op detailniveau aangepast worden maar op hoofdlijnen akkoord zijn bevonden. Het uitgangspunt is dat de bouwplannen een definitief positief welstandsadvies krijgen. 4.3.2
Woonvisie Waadhoeke 2020-2030
In de Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 is het gemeentelijke beleid ten aanzien van wonen en woningbouw geformuleerd. De hoofdlijnen van de woonvisie gelden voor een periode van 10 jaar. Deze is bedoeld om projecten in gang te zetten die bijdragen aan het lange termijn doel. Jaarlijks actualiseert de gemeente de uitvoeringsagenda en wordt overwogen of de woonvisie aangepast dient te worden. De woonvisie is gebaseerd op een regionaal woningmarktonderzoek waarin cijfers en kennis over het wonen van organisaties als makelaars, corporaties, huurdersorganisaties en zorgpartijen bijeen zijn gebracht. Tot 2025 is er nog groei van het aantal huishoudens te verwachten van enkele tientallen wonen. Lokaal verschilt dit: in kernen waar de bereikbaarheid en het voorzieningenniveau bovengemiddeld is, is vaak genoeg instroom van elders om nog groei te mogen verwachten. Elders zullen minder courante woningen steeds vaker overtollig raken. Eerst vooral in de sociale huurvoorraad, daarna ook in de koopvoorraad. Per kern is in de woonvisie de woningbehoefte bekeken. In Franeker is volgens het marktonderzoek dat ten grondslag aan de woonvisie ligt, ruimte voor 55 tot 75 woningen tot 2030. Er is ruimte voor meer binnenstedelijke plannen, gemengd grondgebonden en gestapeld, huur en koop, herinvulling van panden, plekken of vervanging van woningen.
De vervangende woning die in het plangebied worden gerealiseerd is planologisch reeds toegestaan. Nadere toetsing aan de Woonvisie kan daarom achterwege worden gelaten. 4.3.3
Nota Recreatie & Toerisme
Gemeente Waadhoeke heeft stevige ambities op het gebied van toerisme. Dit blijkt uit het coalitieakkoord 2018-2022 ‘Nije grinzen, Nije kânsen’. Maar ook in het “Ontwikkelperspectief Waadhoeke 2018-2028” en de Recreatie en Toerisme nota ‘Beleef Waadhoeke’ klinken deze ambities duidelijk door. Deze nota is vastgesteld op 23 januari 2020.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp Deze nota is het resultaat van een interactief proces. Met de nota ligt er een duidelijke visie op R&T. De ambitie is scherp gesteld en er zijn drie profielen benoemd (Waddenkust, De oude zee en Academiestad). Deze drie profielen functioneren als onderleggers voor het toekomstbeeld van de gemeente. Vanuit het toekomstbeeld zijn er drie hoofdopgaven voor de gemeente, doorvertaald naar de drie actielijnen in het uitvoeringsprogramma, te weten: -
Zichtbaarheid & Samenwerking Franeker versterken als toeristische trekker Landschap versterken als toeristische trekker Recreatie en toerisme in Waadhoeke: de ambitie
De kleinschalige minicamping ter plaatse heeft niet als doel om zoveel mogelijk toeristen te trekken, maar wél om meer toeristen uit de doelgroep te trekken en om deze bezoekers een zo mooi mogelijke beleving te bieden. Zo krijgt de gemeente enthousiaste en loyale bezoekers. Dit doen de initiatiefnemers met karakteristieke voorzieningen die bij het plangebied passen, waarbij kwaliteit voorop staat. Zo profiteren bewoners en ondernemers van de gemeente Waadhoeke als gevolg van deze bestaande minicamping nu en in de toekomst zo optimaal mogelijk van de positieve effecten van recreatie en toerisme.
4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in het in dit hoofdstuk behandelde beleidsstuk.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectenrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
De te realiseren vervangende woning wordt in de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelige functie. Het is echter een bestaande situatie (bestaande woning), daarbij gezien de locatie en gelet op het feit dat voor de woning al tussenliggende bebouwing staat wordt verwacht dat deze ontwikkelingen geen impact hebben op het aspect ‘wegverkeerslawaai’. Daarnaast betreft de maatgevende Marssumerdyk een zeer rustige, bestemmingsverkeer en doodlopende weg. Onder deze omstandigheden wordt verwacht dat dat deze ontwikkeling geen impact heeft op het aspect ‘wegverkeerslawaai’. Daarmee is er ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woning en de te realiseren opstallen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen.
5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op milieuhinder (o.a. geluid) als gevolg van individuele bedrijven. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt.
5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. In dit geval is er door Sigma Bouw en Milieu een bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch verdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet vrij is van bodemverontreiniging. De bovengrond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie bevatten plaatselijk verontreinigingen t.o.v. resp. de achtergrondwaarde en de streefwaarde. De plaatselijk verhoogd gemeten chemische verontreinigingen overschrijden de tussenwaarde en/of de bodemindex >0.5 niet en geven daardoor geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De onderzoeksresultaten stemmen overeen met de gestelde hypothese, de vooraf gestelde hypothese “verdacht” wordt bevestigd. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er beïnvloeding van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden.
De vooraf gehanteerde hypothese is gezien de doelstelling van het onderzoek alsmede de bekende onderzoeksresultaten voldoende om conclusies te verbinden betreffende de kwaliteit van de bodem t.p.v. de onderzoekslocatie. Op basis van de chemisch-analytische onderzoeksresultaten zijn er uit milieuhygiënische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de geplande nieuwbouw van een woning en bijgebouwen ten behoeve van de minicamping op de onderzoekslocatie.
5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart. (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: 1. 2. 3.
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook ligt het plangebied niet in het inventarisatiegebied van buisleidingen. Mogelijk vindt over de N31 en over de spoorlijn Leeuwarden – Harlingen incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De N31 ligt op circa 475 meter ten oosten van het plangebied, de spoorlijn op 525 meter ten zuiden. Het Rijk heeft het ontwerp Basisnet Weg (december 2008) en het Basisnet Spoor (juli 2010) opgesteld. De N31 is, gezien de beperkte hoeveelheid en samenstelling van het vervoer, geen veiligheidszone en geen Plasbrandaandachtsgebied (PAG). De spoorlijn is niet opgenomen in het Basisnet Spoor. Dit betekent dat er geen zones langs de N31 en de spoorweg liggen, waarbinnen de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten tegengegaan wordt. Nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan, maar aangezien er wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, moet voor bouwplannen wel nagegaan worden of de risico’s aanvaardbaar zijn. Echter, het plangebied met de woning, minicamping en klussenbedrijf betreft een bestaande situatie welke reeds jaren wordt geëxploiteerd en ook zodanig vergund is. Daarom is er geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico. Bovendien liggen de routes voor gevaarlijke stoffen op ruime afstand.
Daarnaast is het Van Harinxmakanaal is aangewezen als "groene vaarweg", een voor het transport voor gevaarlijke stoffen minder belangrijke vaarweg. Hiervoor geldt dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour en dat een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. Het aspect externe veiligheid vormt voor de voorgestane ontwikkelingen dan ook geen beperking en aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Marssumerdyk 7 Deinum” Ontwerp 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.
5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.