CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Landschapsbiografie Waadhoeke 2023

Voorlichting Raad 16 november 2021, gemeente waadhoeke24.984 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- 45

Klooster Mariëngaarde 1163-1580

Uithof Koehoal Uithof Monnikhuiswier Klooster Lidlum 1 1182-1580

Klooster Berltsum Fraterheren 1482-ca. 1491

Uithof Olde Dal/Vetus Vallis

Uithof Ottamastins

Klooster Lidlum 2 1182-1580

Klooster Anjum 1256-1580

Uithof Valinga

Klooster Tjummarum 1474-1581

Klooster Franjum 1270 Uithof Franjum Uithof Ritsumazijl

Klooster Franeker Kruisheren 1466 - 1580

Klooster Franeker Augustijnen ca. 1393

Dronryp

Franeker

Klooster Miedum Na 1227 - 1289 Klooster Ludingakerke 1158-1580

Uithof Miedum Uithof Meedsterhuis

Uithof Ossefenne

Klooster Achlum 1270 - ca. 1429

Uithof Harlingen/Hamstra Uithof Monnikhuys Spannum

Uithof Achlum Uithof Tallum

Klooster ‘t Zand 1 1266? - ca. 1571 Kloosters en uithoven in Waadhoeke, kaart ca. 1200 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 46 - BoschSlabbers

Klooster Monnikebajum 1186 - 1580

Verscheidene kloosters in Leeuwarden

Tekening van een middeleeuws klooster

mogelijk aangesloten op natuurlijke hoogten en op de eerder aangelegde ringdijken rond de moederpolders. Markant onderdeel van het stelsel van dijkringen is de Slachte(dijk) die omstreeks de dertiende eeuw is aangelegd. Deze kronkelt over een lengte van bijna 42 kilometer dwars door Westergo. De dijk begint bij de Waddendijk tussen Sexbierum en Oosterbierum en loopt vervolgens tussen Harlingen en Franeker naar het zuiden. In die tijd vindt vrijwel al het transport over het water plaats. Om het vervoer over het water mogelijk te houden worden in de dijk -ter hoogte van de kruisende watergangen- ‘coupures’ aangebracht. Bij dreigend hoogwater worden deze met schotbalken, die direct naast de coupure onder een afdak liggen opgeslagen, afgesloten. 1.2 Opkomst kloostercultuur Rond 1150 vestigen de monniken zich in het terpengebied. Dit bood hen een aantrekkelijk vestigingsgebied; in deze welvarende en inmiddels zeer dichtbevolkte streek waren voldoende donateurs en aspirant-kloosterlingen voorhanden. Met de bloei van de kloosters neemt ook de menskracht in het gebied toe. De kloosters brengen de organisatiegraad die nodig is om grotere dijkwerken gecoördineerd ten uitvoer te brengen en ontginningen stelselmatig ter hand te nemen. Dit leidt tot de ontwikkeling van polders waarmee de transformatie van het terpenlandschap wordt ingezet.

Oude schoolplaat: In een middeleeuwsch klooster, J.H.Isings, 1912

Eén van de grootste en rijkste kloosters van het middeleeuwse Friesland was de Premonstratenzer Abdij Lidlum nabij Tzummarum. Het had samen met de verbonden nonnenpriorij meer dan 1.600 hectare grond in het meest vruchtbare deel van Westergo. Nabij Harlingen ontstaat een aanzienlijk Augustijner klooster (Ludingakerke) dat tal van kleinere abdijboerderijen onder zijn bestuur krijgt; de zogenaamde uithoven. Vanuit deze uithoven brengen werkmonniken de kwelders in cultuur.

De kloosters hebben ook een leidende rol bij de ontwikkeling van het bouwmateriaal. In het kustgebied was hout schaars en natuursteen afwezig. Voor de bouw van hun eerste heiligdommen voeren de monniken, vaak afkomstig uit Rijnland, tufsteen aan. Deze relatief lichte steensoort kennen zij uit de Eifel. Naarmate de kloosters groeien neemt de vraag naar duurzaam bouwmateriaal toe. Al snel blijkt de aanvoer van tufsteen te omslachtig -alles moest over water worden aangevoerd- en te kostbaar. De monniken gaan dan over op het maken van baksteen. Deze techniek was eerder door de Romeinen geïntroduceerd, maar is na de Romeinse periode in de vergetelheid geraakt. Het kustgebied biedt voor het steenbakken prima condities: de zware klei van de kweldervlakte levert de grondstof, het aangrenzend veengebied de brandstof. Zo ontstaan de rode kloostermoppen waaruit in het vervolg kerken, kloosters, stinzen, states en boer-

derijen worden opgetrokken. De kloosters bestaan tot aan de reformatie. In 1580 gaan de kloosterbezittingen over naar de Staten van Friesland. Nadien zijn al deze kloosters afgebroken. Soms zijn de oude kloosterterreinen nog in het landschap herkenbaar in sloten, paden en vaarten of in plaatsnamen als Klooster Lidlum, Klooster Anjum of Kloosterpolder. 1.3 Sleutelen aan het watersysteem In de kwelderlaagten wordt de bodem gevormd door zware klei, vaak knipklei. Deze is zo dicht van structuur dat ze nauwelijks water doorlaten; het water kan er niet of nauwelijks naar de ondergrond wegsijpelen. Daarbij komt dat de kwelderlaagten van nature door kwelderwallen zijn ingesloten, waardoor het water ook niet naar zijn omgeving weg kon stromen. Dat maakte de kweldervlakten tot zwaar te bewerken, sompige laagten. Met twee ingrepen wist men hierin enige verbetering aan te brengen: • Door de aanleg van ‘leien’. De kwelderwallen liggen aan of langs een slenk. Door haaks op de kwelderwallen ‘leien’ te graven werden de slenken met elkaar verbonden en konden de tussengelegen kweldervlakten op de slenken afwateren. • Door de aanleg van een intensief greppelpatroon in de kweldervlakten en de smalle percelen tussen de greppeltjes bolvormig op te ploegen, waarmee de kenmerkende kruinige percelen ontstaan. Dit wordt ook wel het ‘rondleggen’ van percelen genoemd. Het re-

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 47

lei lean (schapendrift)

rudimentaire slenk

greppel Zoetwatersysteem op kwelderwallen en kweldervlakten, van de komst van terpen de molen(eigen illustraties) De laaggelegen kwelderlaagten waren van nature erg nat en konden enkel gebruikt worden als graaslanden voor schapen. Deze werden via ‘leanen’, haaks op de kwelderwal, naar de laagtes gedreven.

kruinige percelen

Om de afwatering te verbeteren werden, haaks op de kwelderwal, ‘leien’ of ‘maren’ gegraven. Ook worden de akkers en weilanden bol opgeploegd en zo ontstaan de ‘kruinige’ percelen.

Met de komst van de watermolen kunnen ook de natste delen van het gebied goed genoeg worden afgewaterd om ze geschikt te maken als weiland.

genwater kan zo over de oppervlakte van deze zware kleigronden afvloeien naar de greppels en vervolgens ook naar de aangrenzende sloten, leien en maren. Ondanks deze aanpassingen blijven de kweldervlakten lange tijd te nat en te zwaar om intensief te kunnen gebruiken. Zij worden ingezet als ‘mieden’, als gemeenschappelijke hooilanden. Dit verandert wanneer de introductie van de watermolen het mogelijk maakt ook meren en moerassige laagten als het Riedmeer droog te leggen.

Tekening van maren (leien) en polders aan de Sexbierumervaart (Huisarchief Liackama-van Grotenhuis nr.832, Tresoar) (uit: Philippus Breuker (2017). Het landschap van de Friese klei. Wijdemeer Leeuwarden)

Lange tijd was het Riedmeer, van oorsprong een slenk van de Middelzee langs de noordzijde van de kwelderwal van Wijnaldum, een plaag voor de boeren. Dit gebied was te nat om te kunnen bewerken. De boeren vroegen de adellijke eigenaar herhaaldellijk de omstandigheden te verbeteren, maar deze had geen belang bij verbetering van de agrarische omstandigheden. Hij verkreeg eeuwenlang inkomsten uit het visrecht en het recht zwanen -in die tijd in adellijke kringen een gewild gerecht- te schieten. Pas aan het begin van de 17e eeuw is het Riedmeer met de inzet van 13 molens alsnog ingepolderd, waarbij de Riedpolder is ontstaan.

Ook elders leidt de inzet van molens tot een verbeterde ontwatering van het land. Met de verbeterde drooglegging wordt ook het land zelf Kruinige percelen 48 - BoschSlabbers

Zoetwatersysteem op de bouwlanden, van najaar tot voorjaar (eigen illustraties) In het najaar, nadat het vee en de oogst van het land zijn, worden de zijlen dichtgezet en raakt het land verzadigd met zoet regenwater.

beter begaanbaar. Daarmee verschijnen in het land landpaden, veelal ‘kerkepaden’ die van de boerderijen naar de kerk voeren. Van zoutwatereconomie naar een zoetwatereconomie De bedijking is van grote invloed op het leven in het gebied. Nu grotere gebieden tegen het water zijn beschermd hoeft men niet meer op terpen te wonen. Zo ontstaan naast de terpen vlaknederzettingen, met nieuwe dorpen en over het land verspreid gelegen boerderijen. In de bedijkte gebieden ontwikkelt zich geleidelijk een zoetwatermilieu. Hierdoor ontwikkelen deze gebieden zich van een zoutwatereconomie tot een zoetwatereconomie. Dit vertaalt zich onder meer in de opkomst van de melkveehouderij. Ingenieus waterbeheer in de vroege polders Van oorsprong bepaalden de boeren en de monniken het waterbeheer in de polders. Net als nu hadden de boeren in een deel van het gebied langs de Waddenzee last van een hoog zoutgehalte in de bodem. Zij hadden echter een ingenieus systeem van zoetwaterbeheer ontwikkeld waarmee zij de verzilting en de daaraan verbonden schade vergaand wisten tegen te gaan. Hierbij maakten zij gebruik van de mogelijkheden die het natuurlijk systeem hen bood. Zij gaven zoveel mogelijk ruimte aan het water, waarbij het weren van het zeewater in het groeiseizoen werd gecombineerd met het conserveren van het hemelwater in de wintermaanden en het opwaarderen van de bodemkwaliteit.

In de winter gaan de zijlen open en stroomt slibrijk zeewater over het land. Het slib bezinkt, maar het zout kan niet de bodem in, doordat deze is verzadigd met zoet water.

In het voorjaar gaan de zijlen weer dicht en spoelt de regen het laatste beetje zout van het land. Het vruchtbare slib blijft liggen en het land kan weer gebruikt worden.

Zodra in de herfst de koeien op stal gingen en de oogst van het land was gehaald, werden de zijlen (sluizen) in de dijk dichtgezet. Daarmee werd het zoete regenwater vastgehouden. Wanneer het land met zoet water verzadigd was, zette men de zijlen weer open. Gedurende de wintermaanden stroomde vervolgens bij hoog tij het zoute water van de Waddenzee het gebied weer binnen. Door het bezinken van het meegevoerde slib, rijk aan voedingsstoffen en mineralen, werd de bodemvruchtbaarheid op peil gehouden en kwam de bodem geleidelijk hoger te liggen. Doordat de bodem eerder met zoet regenwater was verzadigd kon het zoute zeewater niet de bodem binnendringen. In het voorjaar gingen de zijlen bij hoog water weer dicht en spoelde de regen het laatste zout van het land. Door zo met het natuurlijk systeem mee te bewegen bleef de bodem vitaal, groeide het land mee met de zeespiegel en was van verziltingschade geen sprake. Dit maakte dat het kustgebied tot een welvarende streek uit kon groeien. Van een officiële bestuursvorm was nog geen sprake. Later ontstonden polderbesturen en weer later tientallen kleine waterschappen, die inmiddels zijn gefuseerd tot een groot provinciaal waterschap.

Omdat vrijwel alles en iedereen met het water was verbonden vindt tot begin twintigste eeuw vrijwel al het transport over het water plaats; van het land naar de boerderij, van de boerderij naar de stedelijke markten. Lange tijd waren de trekvaarten de hoofdaders in vervoerssysteem. Waadhoeke lag strategisch tussen de voorname steden Harlingen, tot in de twintigste eeuw een belangrijke havenstad, en Leeuwarden. De Harlingervaart was een belangrijke trekvaart met zuidelijke aftakkingen naar Sneek en Workum, en vandaar naar de Zuiderzee. Maar ook de Riedstroom, Tzumarrumer Vaart, Sexbierumer Vaart en Slappeterpster Vaart waren als interne waterverbindingen van belang. Het transport over het water was ook meer geriefelijk, tot de introductie van de poldermolen (zie eerder) was het land immers grote delen van het jaar te sompig om te kunnen betreden.

1.4

Kenmerkend zijn de schapendriften in het noordelijk deel van het terpenland. Vanaf de dorpen op de kwelderwal, zoals Firdgum, Tzummarum en Minnertsga, zijn haaks op de kwelderwal lange paden, ‘leanen’, aangelegd om de schapen naar hun graaslanden te brengen: naar de kwelders in het noorden en de gemeenschappelijke hooilanden (mieden) in de kwelderlaagten. Deze ‘leanen’

Transport

Water als hoofdontsluiting Nagenoeg alle terpen lagen aan het water, veelal voormalige slenken en stroomgeulen uit het kwelderland van voor de bedijking. Maar ook het land zelf was met een fijnmazig net van watergangen dooraderd.

Dijken, landwegen en ‘leanen’ Tot in de negentiende eeuw vond vrijwel al het vervoer over het water plaats. Wie over land wilde gaan, volgde de kwelderwallen of maakte gebruik van de dijken, die door hun verhoogde ligging een droge en stevige ondergrond boden.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 49

Netwerk van trekvaarten in Noord Nederland vanaf 1665

Het gardenierslandschap rond Berltsum +/- 1900 (Topotijdreis.nl)

Tzummarum

M i en

Sy

sk

t za

ar le

ne

e

lea

an

ma

Opstrekkende karakter in verkaveling nog steeds goed zichtbaar (Google Earth) 50 - BoschSlabbers

Melkveehouderijen in Greidhoeke (Deinum) Fotograaf: Piet Douma

Melkveehouderijen in Greidhoeke

hebben aan het landschap van de kwelderwallen en -vlakten de kenmerkende opstrekkende verkaveling - haaks op de kwelderwal - toegevoegd. Deze wordt nog versterkt door de ‘maren’, de lange en rechte sloten die op de grens van de buurschapsgebieden zijn aangelegd. 1.5 Land- en tuinbouw De landbouw in Waadhoeke kon floreren door de aanwezigheid van een groot reservoir aan landarbeiders en losse arbeiders, aangevuld met ‘hannekemaaiers’ (seizoensarbeiders) uit het Westfaalse achterland. Van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw kwamen zij in de zomer te voet naar Waadhoeke om op het land te werken. Op Sint Johannesdag traden zij in dienst, aanvankelijk om gras te maaien, maar al snel om ook in de akkerbouw bij de oogst te helpen. Een deel van de -uit het huidige Duitsland afkomstige- hannekemaaiers heeft zich nadien -tussen 1815 en 1850blijvend in Waadhoeke gevestigd. In het terpengebied was sprake van gemengde bedrijven. Op de meer zavelige kwelderwallen werd akkerbouw bedreven, de beter ontwaterde delen van de kweldervlakte waren in gebruik als weiland, de slecht ontwaterde delen dienden als gemeenschappelijk hooiland. Om in dit open land -waar bijna altijd toch wel een wind van zee waait- toch enige beschutting te verkrijgen werden de boerenerven van een stevige beplanting voorzien. Vaak is het erf omgeven door een bomenrij of een flinke houtsingel.

Hierdoor vormen de boerderijen groene eilanden in de weidse polder.

Kronkelige weg in het zuidelijk kleigebied

In het zuidelijk kleigebied van de Greidhoeke overheerst vanouds de melkveehouderij. Opvallend is dat in dit gebied de wegen meer kronkelen, zij volgen de oude wadgeulen die nadien zijn dichtgeslibt en daarmee een steviger en meer zandige ondergrond kennen. In dit gebied staan zowel de wegen als de boerderij zwaarder in de beplanting. Hierdoor heeft het gebied een groener karakter, met ‘de koe in de wei’. Tot begin 20e eeuw verwerken de boeren in de Greidhoeke de melk op de eigen boerderij. Daar karnen zij de melk en verwerken deze tot boter en kaas. De omzetting naar boter en kaas gebeurde vooral op de boerderijen die verder van de stad lagen. De producten werden over het water naar de markten gebracht. Waar de afstand tot de markt groot was -en daarmee de reistijd te lang om de melk vers op de markt te kunnen brengen- werd de melk op de boerderij omgezet naar het langer houdbare boter en kaas. In de zestiende eeuw gaan kleine telers -gardeniers of in het Fries gerniers- zich op de kwelderwal rond Berltsum (tussen Wier en Bitgum) toeleggen op de kleinschalige fruitteelt. Hiertoe huren zij een lapje grond van de kerk of van grote boeren. De lichte bodem en de hoge lichtintensiteit maken dit gebied geschikt voor de teelt van appels, peren, pruimen en bessen. Om in dit overwegend open landschap de straffe wind te breken worden elzensingels op de perceelsgrenzen aangebracht.

Zo ontstaat in dit gebied een opvallend kleinschalig landschap, gerund door kleine telers op kleine vaak ‘bolle’ percelen, dat wordt aangeduid als het

‘gardenierslandschap’. Ook zij brengen hun oogst met een snik over het water naar de stad om het daar op de markt te verkopen. Begin achttiende eeuw worden in en nabij St.Annaparochie en Vrouwenparochie ook grotere kwekerijen opgezet. Brede windsingels beschermen de boomgaarden tegen de straffe zeewind. Door hoge beplanting met lage beplanting te combineren, zoals struikbessen onder appelbomen, weet men de productie op te voeren. Met name in St.-Annaparochie floreert gedurende twee eeuwen de fruitteelt. Dit leidt ook tot de bouw van een tuinbouwschool, een vruchtenjamfabriek en ook zijn er het hele jaar door fruitveilingen. 1.6 Visserij Tot in de twintigste eeuw kent de Waddenkust tussen Harlingen en Zwarte Haan een levendige vissersgemeenschap. De visserij vond overwegend plaats vanaf het land, met haaks op de kust geplaatste fuiken. De vissers woonden aan de dijk, in eenkamerwoningen die in een lange rij tegen de binnenkant van de zeedijk lagen geklampt; de lange jammers. Het buurtschap Koehoal was gericht op de visserij, maar ook de bewoners van het nabijgelegen Tzummarum leefden hiervan. Om de vangst naar het dorp te brengen is vanaf de zeedijk de Vissersvaart doorgetrokken. Ondanks de ligging aan zee en de dooradering van water is de positie van de visserij in Waadhoeke bescheiden gebleven. Dit komt deels door het ontbreken van voldoende nabijgelegen stedelijke

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 51

Eise Eisinga Planetarium, Franeker

Erfbeplanting en boerderij langs kronkelige weg (Greidhoeke)

Stadhuis Franeker Fotograaf: Guido Hibma 52 - BoschSlabbers

Molen bij de Puollen

Steenoven en panfabriek langs vaarten in de buurt van Franeker +/- 1900 (Topotijdreis.nl)

markten, maar ook doordat de reformatie, anders dan het katholicisme, de consumptie van vis nooit heeft aangemoedigd. In het van origine gereformeerde Waadhoeke maakt vis slechts beperkt deel uit van het eetpatroon. 1.7 Industrie en nijverheid; steen- en pannenbakkerijen en wolkammerijen In het terpenland van Waadhoeke wordt al vanaf de 12e eeuw steen gebakken. De omstandigheden waren gunstig: er was klei, er was geschikte brandstof in de vorm van turf en er was behoefte aan steen als bouwmateriaal. In de middeleeuwen eerst voor kloosters, stinzen en parochiekerken, later ook voor de welvarende steden. Dankzij de aanwezigheid van vaarwegen konden klei en turf worden aangevoerd en konden de geproduceerde stenen, dakpannen en andere producten worden afgevoerd. Via de Friese havens konden producten worden geëxporteerd naar het buitenland en naar andere Nederlandse gewesten. Het steenbakken is eind 12e eeuw geïntroduceerd door de kloosters. Dit neemt een vlucht in de middeleeuwen, wanneer steen nodig is voor versterkte woonhuizen (stinzen) en voor de bouw van parochiekerken. Met de groei van de steden ontstaan in de directe omgeving van de steden veel steen- en pannenbakkerijen, zoals in de omgeving van Harlingen en Franeker, maar ook bij Berltsum. Steenbakkerijen worden vaak aangeduid als ‘Tichelwurk’, en panbakkerijen als ‘Panwurk’.

Panwerken produceerden veelal ook estrikken (vloertegels). De logische plek voor een tichel- of panwerk was aan het water. De aanwezigheid van

een vaarweg was essentieel voor het aanvoeren van klei en turf en voor het afvoeren van het product. Stenen werden ook geëxporteerd. Ze waren bovendien ook geschikt als ballastvracht in lege zeeschepen. Dat verklaart mogelijk de concentratie van tichelwerken bij de havenstad Harlingen. De industrie kon hier ook tot bloei komen door de beschikbaarheid van arbeid. De opkomst van de industrie leidde tot de ontwikkeling van nieuwe buitenbuurten nabij de steden, zoals de Grettingabuurt en Koningsbuurt bij Harlingen en aan de Franeker Vliet. In Waadhoeke zijn, met name in het noordelijk kwelderwallenlandschap, vanouds veel schapen gehouden. Hieruit volgde de nijverheid van het wolkammen. In wolkammerijen worden de langere vezels van wol parallel gelegd en van ongerechtigheden ontdaan zodat een glad gesponnen ruwvezelgaren ontstaat. 1.8 Wetenschap Franeker ontwikkelt zich tot centrum van de wetenschap. Toen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in opstand kwam tegen Spanje, koos Franeker al vroeg de zijde van Willem van Oranje. Franeker werd hiervoor in 1585 beloond met een universiteit, de Universiteit van Franeker. Na de Universiteit van Leiden is dit de oudste universiteit van Nederland. Aan deze “Franeker Academie” werden theologie, rechten, medicijnen, klassieke talen, wijsbegeerte en wis- en natuurkunde gedoceerd.

Eise Eisinga (1716-1787) was als hoogleraar verbonden aan de Franeker Academie. Hij was de zoon van een wolkammer met een buitengewone interesse voor en kennis van de astronomie. Later heeft Eise de wolkammerij van zijn vader uitgebreid tot een werkplaats waar tientallen vrouwen werkten en die ook de gekamde wol naar Amerika exporteerde. Dat maakte Eise tot een vermogend man. Eise heeft als kind al de interesse in de sterrenkunde van zijn vader overgenomen. Later heeft hij zich door zelfstudie aan de Franeker Academie in de wiskunde en astronomie bekwaamd. De combinatie van kennis verkregen aan de Academie en kapitaal vergaard uit de wolkammerij, stelde hem in staat in Franeker zijn eigen planetarium te bouwen. Dit planetarium is inmiddels voorgedragen voor de status van werelderfgoed en maakt deel uit van zowel de Friese als de Nederlandse canon.

In 1811 liet Napoleon de universiteit sluiten. In 1815 als opvolger van de Franeker Academie het Rijksatheneum opgericht. Door gebrek aan studenten moest deze in 1847 alweer de poorten sluiten. Ofschoon Franeker niet meer over een universiteit beschikt, vinden er nog altijd academische promoties plaats. Promovendi aan de Rijksuniversiteit Groningen, die promoveren op een onderwerp dat aan Friesland is gelieerd of die een band met Friesland hebben, mogen hun proefschrift in de Franeker Martinikerk verdedigen.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 53

Kerk tekent het dorpssilhouet

Het poortgebouw van de Liauckamastate

Hegewier bij Sexbierum 54 - BoschSlabbers

Romaanse toren bij Firdgum

Poptaslot of Heringastate in Marsum (foto: Hans Hageman, 1993, https://www.kastelen.nl/kasteel-beeldbank.php?id=320)

1.9 Bouwkunst Kerken Met de kloosters verschenen in de terpdorpen ook de Romaanse kerken, opgetrokken uit kloostermoppen, met een markante vierkante toren bekroond door een zadeldak. Deze kerken tekenden in het vervolg het silhouet van de dorpen en waren in dit overwegend open land al van verre zichtbaar. Zij vormden fiere ‘landmarks avant la lettre’. Stinzen en states In de 15e eeuw was Waadhoeke een welvarende en voorname streek, rijk aan ‘states’ en ‘stinzen’. ‘Stins’ is Fries voor ‘steenhuis’. Steen was een kostbaar bouwmateriaal dat alleen door de rijkste families - zoals de Friese adel - kon worden toegepast. In de 12e eeuw wordt in Waadhoeke voor het eerst baksteen als bouwmateriaal gebruikt. Adellijke Friese families bouwen stinzen om zich tegen aanvallen van buitenaf te beschermen. In die tijd was Friesland naast welvarend vooral ook rijk aan twisten. Het was een vete-maatschappij waarin Schieringers en Vetkopers, Hoeken en Kabeljauwen elkaar veelvuldig betwistten. Bij de Schieringers en Vetkopers draaide het om een geschil tussen cisterciënzers / bernardijnen en premonstratenzers / norbertijnen; twee kloostergemeenschappen met grote invloed in Waadhoeke en omstreken. Bij de Hoekse en Kabeljauwse twisten draaide het niet om de kerkelijke, maar om de wereldlijke macht, de aanhangers waren voor of tegen Jacoba van Beieren.

De eerste stinzen waren versterkte torens, of ‘torenstinzen’ die men via een trap binnentrad. Zodra iedereen veilig binnen was geklommen, werd de trap ingetrokken, opdat de vijand niet binnen kon komen. Deze stinzen stonden op een terp of ‘wierd’. Vaak lag als extra bescherming een gracht om de stins. Zo ontstond aan de zeedijk een keten van omgrachte woontorens, maar ook elders op het land verschenen verdedigbare boerderijen. Met de uitvinding van het buskruit raakt de verdedigende functie van de stinzen in de vijftiende eeuw op achtergrond. Vanaf dat moment worden zij in toenemende mate ook voor bewoning gebruikt, waarbij zij worden uitgebreid met vensters en haardplaatsen. Ook worden ter bewoning nieuwe ‘zaalstinzen’ gebouwd. Deze waren langwerpig van grondvorm en beschikten vaak over een grote en een kleine zaal. In de 16e eeuw wordt het ‘centraal gezag’ ingesteld. Dit maakt nog niet direct een einde aan de vete-maatschappij, maar vermindert voortaan wel de noodzaak van individuele bescherming middels een stevig stenen bouwwerk. Nadat zij hun verdedigende functie hebben verloren zijn veel stinzen afgebroken. In de 17e en 18e eeuw bouwen adellijke families en het patriarchaat uit de steden een nieuwe soort ‘stins’: de state. Deze states vormen meer zomerverblijven op het land, op korte afstand van het winterverblijf in de stad. Ook zijn stinzen omgevormd tot state.

States waren grote, comfortabele woonhuizen, vaak met een stenen poort over de gracht, trap-

torens, grote vensters en hoge schoorstenen. Sommige states, zoals het Poptaslot, groeiden uit tot kleine kastelen. Anderen, zoals Liauckamastate en Schatzenburg, ontwikkelden zich tot adellijke lusthoven, omgeven door een lommerrijke parkaanleg. Wanneer begin 19e eeuw het Friese Hof, het toenmalige rechtelijke bestuurscentrum van Friesland, wordt opgeheven, vertrekt een deel van de Friese adel naar Den Haag en worden veel states verkocht. Veel states zijn nadien afgebroken of door een boerderij vervangen. Zo is van Firdgum bekend dat in en bij het dorp vier states hebben gestaan (de Camstra State, Farnia State, de Jelgersma State en de Klein Folta, die allemaal zijn vervangen door grotere boerderijen). In haar hoogtijdagen telde Friesland ongeveer 500 stinzen en states, waarvan circa 180 in Waadhoeke. Verreweg de meesten daarvan zijn inmiddels verdwenen. Twee stinswieren, de Hegewier bij Sexbierum en de stinswier bij Menaam, zijn nog aanwezig. Twee states, het Poptaslot en de Schatzenburg, zijn nog in volle glorie aanwezig. Van sommige states resteert nog een deel, zoals de kelder van de Camstrastins bij Firdgum, het poortgebouw van de Liauckamastate en de entree (homeiepeallen) van de Ringiastate bij Blessum. Sommigen, zoals de Lautastate en de Hemmema state bij Bitgum, zijn nog deels in het landschap traceerbaar aan de hand van oude slotenpatronen of boomsingels.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 55

Stins of state Stins of state die nog beleefbaar is

St.-Annaparochie (huidige locatie)

Camstrastate

Lauta tún

Stinswier bij Menaam Liauckamastate

Poptaslot / Heringastate Schatzenburg

Dronryp Camminghahuis Franeker

Landschap van Stinzen en States, ondergrond: 1500 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 56 - BoschSlabbers

Entree van de Ringiastate (homeiepeallen)

Stinzenflora Stinzenflora zijn knol- en bolgewassen die in een ver verleden zijn aangeplant als sierplant rond landgoederen en de stinzen en vervolgens zijn verwilderd. Het specifiek voorkomen van deze plantensoorten rondom stinzen is in Friesland het eerst beschreven en de term is daarna ook gangbaar geworden in de rest van Nederland en Duitsland. Onder het begrip ‘Stinzenflora’ vallen soorten als de winterakoniet, boshyacinth, voorjaarshelmbloem, sneeuwklokje, daslook en vogelmelk.

Schatzenburg met lommerijke parktuin

Camstrastate

Voormalige state plaats (Lautastate) Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 57

Skré

dyk

1250-1300

1150-1200

Inpoldering zuidelijk deel Middelzee (11e-13e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 58 - BoschSlabbers

Zwette

eerste inpoldering van de Middelzee

kwelderwal

Im

2 . G E FA S E E R D E I N P O L D E R I N G MIDDELZEE De Middelzee bestaat uit een brede trechtermond die landinwaarts overgaat in een smallere inhammen die diep het land inreiken. Vanaf de elfde eeuw verlandt de Middelzee, als eerste slibben de smallere inhammen dicht waarna ook de brede trechter verzandt. 2.1 Middeleeuwse inpoldering van de smalle inhammen van de Middelzee In de dertiende eeuw worden stapsgewijs de diepe inhammen van de Middelzee bedijkt. Vanuit de door werkmonniken geëxploiteerde ‘uithoven’ worden de drooggelegde gronden omgevormd tot boerenland. Daarbij vormen de Middelzeedijken op het oude land de basis. Dwars op de Middelzeedijken worden dijken aangelegd waarmee steeds een deel van de zeearm wordt afgedamd, waarna het in cultuur wordt genomen. Wanneer het werk was voltooid werd verder zeewaarts weer een nieuwe dwarsdijk aangelegd, waarmee de voorgaande dijk haar zeewerende functie verliest en slaperdijk wordt. Op deze wijze is de ladderstructuur ontstaan die de middeleeuwse inpoldering van de diepe inham van de Middelzee kenmerkt. Deze middeleeuwse ‘nieuwlanden’ in de Middelzee behoorden vanouds toe aan de gemeenschap op het oude terpenland. Dat verklaart dat zij nooit intensief bewoond zijn geweest, de gronden waren immers al verdeeld over de reeds bestaande neder-

pre

ssi

eo

ud

ez

eek

leip

old

ers

(M

idd

ele

zettingen op het oude land en werden ook vanuit die nederzettingen bewerkt. Nog altijd kennen deze nieuwlanden weinig bebouwing. De bebouwing die er is ligt gespreid, waarbij de boerderijen vooral langs de oude Middelzeedijken liggen. Begin 1300 wordt tussen Britsum (Oostergo) en Bitgum (Westergo) de Skrédyk (of Bildtdijk) aangelegd, waarna het nieuwe land ten zuiden daarvan wordt drooggelegd en verkaveld. Om de grens tussen Oostergo en Westergo te trekken én om de afwatering van het gebied te regelen wordt de Zwette gegraven. Deze Skrédyk is de laatste dijk in de reeks van vroege inpolderingen van de Middelzee. Daarmee begrenst de Skrédyk het Middeleeuwse bedijkingslandschap (van voor 1505) van de Middelzee. Dit landschap wordt gekenmerkt door een blokverkaveling, waarvan de percelen in langwerpige oost-west georiënteerde stroken liggen, aangeduid met de naam ‘keer’. Ten noorden van de Skrédyk lag tot 1505 de brede zeemonding nog open. Hier ging de opslibbing onverminderd door, waarmee Groot Bildt en Klein Bildt ontstonden. De naam ‘Bildt’ is afkomstig van opgebild, hetgeen opgeslibd betekent. Men is ook niet ‘in’ maar ‘op’ het Bildt. De kerken en dorpelingen van de aangrenzende dorpen legden kadijken aan en namen de opgeslibde kwelders in gebruik. Dat verandert in 1498 wanneer het inmiddels aanzienlijk aangewassen gebied in handen komt van Albrecht van Saksen.

Dan treedt een nieuwe fase in; die van de groot-

eu

ws

e in

po

lde

rin

g)

schalige, post-middeleeuwse inpolderingen, naar Hollands model. 2.2 Grootschalige drooglegging trechtermond Middelzee De gefaseerde bedijking en drooglegging van de brede trechtermond van de Middelzee start aan het begin van de 16e eeuw, kort nadat het kweldergebied in 1498 in eigendom komt van hertog Albrecht van Saksen. In februari 1505 sluit Albrechts zoon, Georg van Saksen, een overeenkomst met vier Dordtse edelmannen om Oud Bildt te bedijken. Zo’n 1500 arbeiders uit Zuid-Holland, Zeeland, NoordBrabant en Noord-Holland leggen in 261 dagen een ruim 14 kilometer lange nieuwe zeedijk aan -de Oudebildtdijk- met daarin twee sluizen om het overtollige water uit te kunnen slaan. Deze wordt ook wel aangeduid als ‘de tweede zeedijk’. Om het werk nog voor het stormseizoen af te kunnen ronden worden vijftien ‘homannen’ ingezet. Een ‘homan’ was een honderd man sterke arbeidersploeg die was belast met de aanleg van één kilometer dijk(vak). Ofschoon de dijk al in 1505 is voltooid zijn nog tot 1508 aanpassingen aan de dijk gedaan. Veel dijkwerkers zijn nadien op het Bildt blijven wonen.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 59

Po l

dijk

1754 1715

Nieuw

O

e ud

bil

dt

dij

ebildtdijk

k

Westhoekpolder

St.-Annaparochie

1970 1505-1508

Franeker

Inpoldering noordelijk deel Middelzee, het Bildt (16e-18e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 60 - BoschSlabbers

Arbeiderswoningen Poldijk Herenboerderij Oudebildtdijk

Groote Gat

Herenboerderij

Arbeiderswoningen Im

pre

Im ssi

ej

on

ge

ze

ek

lei

po

lde

pre

ssi

Nieuwebildtdijk en

i eu

we

aa

nd

ijk

rs

Het was niet zonder reden dat Georg voor de inpoldering Hollanders inhuurde. Het Friese grondrecht bepaalde dat bewerkte buitendijkse kwelders en landen van (Friese) particulieren en kloosters na inpoldering in het bezit van deze partijen bleven. Georg wilde zich na inpoldering van zoveel mogelijk pacht verzekeren. Door de overeenkomst met de Hollandse adel dacht hij zich op het Hollandse recht te kunnen beroepen dat -anders dan het Friese grondrecht- bepaalde dat buitendijks gebied moet worden afgestaan aan de ontginner. Deze gedachtengang bleek niet volhoudbaar. Ondanks de aanstelling van Hollandse werklieden maakten de Friezen toch aanspraak op de kweldergronden die zij voor de aanleg van de Oudebildtdijk bewerkten en wilden daar alleen tegen een redelijke vergoeding afstand van doen. Het kweldergebied was een inkomstenbron voor boeren, verpachters en voor het grote kloosterschap Ludingakerke uit Almenum (nu Harlingen). Georg van Saksen kon met Ludingakerke vrij snel tot een overeenkomst komen voor een vergoeding van de voormalige kweldergronden. Dit klooster had eerder goed verdiend aan de aanleg van de grachten in Harlingen waardoor het minder afhankelijk was van de inkomsten uit de kweldergronden.

ing

De overwegend Hollandse bedijkers delen het nieuwe land in naar voorbeeld van de Zuidhollandse en Zeeuwse nieuwlandpolders, maar nu op een nog grotere schaal. In het midden van de polder wordt een kaarsrechte weg aangelegd, eerst ‘Regentenweg’ en later ‘Middelweg’ genoemd. Aan deze weg worden drie werkkampen opgericht van waaruit de dijkwerkers dagelijks naar de Oudebildtdijk trekken om aan de dijk te werken. Deze nederzettingen zijn vernoemd naar de plaatsen waar de dijkwerkers vandaan komen. Zo ontstaan de drie dorpen: Wijngaarden, Altoenae en Kijfhoek. Elk dorp vormde een katholieke parochie, en de namen daarvan gingen al snel over op de dorpen. Zo ontstonden St.-Jacobiparochie (voor Wijngaarden), St.-Annaparochie (voor Altoenae), en Vrouwenparochie (voor Kijfhoek). In het Oud Bildt staan de boerderijen langs de polderwegen, maar ook op hogere plekken in het land, via insteekwegen met de polderwegen verbonden. Aan de Oudebildtdijk is een lintbebouwing ontstaan met monumentale ontginningsboerderijen die vrij aan de binnenzijde van de dijk liggen en landsarbeidershuisjes die aan de buitenzijde tegen de dijk aangeklampt liggen. Het verschil in maatschappelijke status vertaalt zich zo direct in de ruimtelijke structuur. Het Buiten Bildt blijft tot 1599 onbedijkt. Wanneer in 1600 de Nieuwebildtdijk als derde zeedijk wordt aangelegd ontstaat het Nieuw Bildt.

De ontginningsboerderijen liggen hier aan de dijk, kort

en

achter de landarbeidershuisjes of vrij in de polder aan lange insteekwegen. Met de aanleg van de Koedijk wordt vanuit de Oostergo, door klooster Mariëngaarde, het aangrenzende Monnikenbildt ingepolderd. Met de aanleg van de Poldijk (1715) en de Noorderleegdijk (1754), die de Oude Bildtpollen en de Nieuwe Bildtpollen omsluiten, verworden op hun beurt delen van de Nieuwebildtdijk en de Koedijk tot slaperdijken. Aanpassingen aan het watersysteem Zo zijn continu nieuwe stukken kwelderland ingepolderd, waarbij een patchwork aan polders ontstaat dat stapsgewijs wordt uitgebreid. In dit proces worden zeedijken binnendijken en polders die aanvankelijk direct aan zee grensden binnenpolders. In dit proces van inpolderen en aandijken stond men voor een dubbele opgave. Niet alleen moesten de nieuw-bedijkte gebieden worden ingericht -waarbij voor de afwatering een netwerk van vaarten moest worden aangelegd- ook moest de inrichting van eerder bedijkte gebieden op de nieuwe situatie worden aangepast. Afwateringsvaarten moesten worden verlengd en sluizen of ‘zijlen’ worden verlegd. Niet alleen het land schoof richting zee op, maar ook al hetgeen daarmee verbonden was. Dit is goed zichtbaar in de gefaseerde ontwikkeling van het Bildt. Bij iedere bedijking van de opgeslibde kwelder in de trechtermond van de Middelzee is de zeesluis of ‘zijl’ verder zeewaarts verlegd.

Aanvankelijk lag de sluis bij Oude Leije, na inpoldering van het Oud Bildt werd de zeesluis in de Oude Bildtdijk /

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 61

Arbeiderswoningen aan de buitenzijde van de zeedijk

Een Grietenijkaart van het Bildt omstreeks 1700. Kaart door F. Halma (1714) naar C. Schotanus. https://friesscheepvaartmuseum.nl/beeld/fsm-col1dat1000023690

Erfbeplanting

Schutsluis in Oude Leije

De zijl in Oudebildtzijl

62 - BoschSlabbers

Kop-hals-romp boerderij van het Bildtse type

Koedijk opgenomen, waarbij het dorp Oudebildtzijl ontstond. Bij de inpoldering van het Nieuw Bildt werd de zeesluis naar Nieuwbildtzijl verlegd. Zo kwamen er, als ware het de jaarringen van een boom, drie sluizen met zijldorpen in elkaars verlengde te liggen: Oude Leije, Oudebildtzijl en Nieuwebildtzijl. 2.3 Landbouw Het land was niet ondankbaar. De vruchtbare grond maakte dat de landbouw hier kon floreren. Rijke oogsten vertaalden zich in rijke boerderijen. De boerderijen in het Bildt waren groot en statig, omgeven door een royaal erf dat zwaar in de beplanting stond. Het landbouwkundig gebruik weerspiegelt de bodemsamenstelling. De Middelweg in het Oud Bildt valt vrijwel samen met het onderscheid tussen zware klei in het zuiden en de lichte zavel in het noorden. Op de lichte zavel ten noorden van de Middelweg overheerst de akkerbouw, in het zuidelijk deel het grasland. De latere aandijkingen onderscheiden zich in verkaveling en grondgebruik. Zij kennen een blokverkaveling en bestaan uit kalkrijke zavel en klei, waardoor zij geschikt voor akkerbouw zijn. Niet voor niets toont het wapen van het Bildt een drietal schelpen waar aren uit groeien en staat aan de Nieuwe Bildtdijk nog altijd een boerderij met de luisterrijke naam Aren út skelpen. In korte tijd groeit het Bildt uit tot ‘de graanschuur’ van Friesland en later tot het centrum voor pootaardappelenteelt.

Kop-hals-romp boerderij

2.4 Boerderijbouw Kenmerkend voor Waadhoeke zijn de kop-hals-rompboerderij, de Bildtse boerderij en de stelpboerderij.

uilenbord geplaatst; een driehoekig bord met een gat in het midden waar uilen door in en uit konden gaan. Boerderij de Kloosterplaats te Achlum en de Ypeystate bij Rewert zijn hiervan voorbeelden.

Kop-hals-rompboerderij Deze typisch Friese boerderijvorm vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het Bildt en is van daaruit over Friesland verspreid. Bij deze boerderijvorm is het woonhuisgedeelte de kop, het middengedeelte de hals en de schuur de romp.

Bildtse boerderij De Bildtse boerderij is een variant op de kop-hals-rompboerderij, waarbij het voorhuis haaks op de schuur staat in een L-vorm (boerderijen van het winkelhaaktype).

Rond 1600 floreert de landbouw in Waadhoeke. De vruchtbare grond, de verbeterde ontwatering en de talloze landaanwinningen maken dat er steeds grotere opbrengsten van het land worden geoogst. De sterke toename in de oogst noopt tot grotere opslagplaatsen. Zo ontstond de kop-hals-rompboerderij, waarbij het woongedeelte niet recht voor de schuur staat, maar door een tussenbouw daarvan is gescheiden. Vanaf die tijd worden nieuwe boerderijen op deze manier gebouwd. Een kop-hals-rompboerderij was zowel geschikt voor veeteelt als voor akkerbouw. Een veeteeltbedrijf kent een hoger voorhuis met daaronder de melkkelder en heeft stalraampjes in de schuur. Een akkerbouwbedrijf heeft een verlengd voorhuis voor een grotere graanopslagzolder en grotere ramen aan de achterkant van de schuur, die als dorsruimte werd gebruikt. De kop van een kop-hals-rompboerderij heeft topgevels met schoorstenen. Op de uiteinden van de nok van de romp is als bescherming een

Stelpboerderij Ook de stelpboerderij heeft zijn oorsprong in Friesland. Dit boerderijtype is in de 17e eeuw, na ontwikkeling van de kop-hals-romp boerderij, ontwikkeld, maar werd pas later, tussen 1890 en 1940, populair. Bij de stelpboerderij bevinden de woon- en werkruimtes zich onder één dak. Daarmee was deze veel goedkoper te bouwen dan de kop-hals-rompboerderij die uit verschillende delen bestaat. De Friese stelpboerderij was gebaseerd op de NoordHollandse stolpboerderij. Het verschil tussen de stelp en de stolp is het dak. Bij de stolp is deze piramidevormig, bij de stelp niet doordat de ondergrond een rechthoekige vorm heeft. Dat de Friese stelp langer is dan de stolp vloeit voort uit het feit dat de Friezen grotere boerderijen nodig hadden om alle melk op de boerderij te kunnen verwerken tot kaas of boter. Daartoe werd onder de stelp een grote melkkelder gebouwd. De woongedeelten en de aanwezige melkkelder liggen direct achter de voorgevel. Boven de melkkelder bevindt zich de opkamer. De opzet

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 63

Paalrijen in de kwelders, ooit aangelegd met de gedachte dit land ook in te dijken, maar dat is nooit gebeurd

van de schuur is vrijwel hetzelfde als bij de kop-hals-rompboerderijen, alleen neemt de koestal meestal niet de gehele zijbeuk in beslag, maar ligt deze tegen de woonvertrekken, achter de voorgevel.

64 - BoschSlabbers

3 . OV E R G A N G S ZO N E VA N L A N D N A A R ZEE Vanaf de zeventiende eeuw stimuleren de boeren aan de kust, met name in het gebied tussen Zwarte Haan en Holwerd, de aanslibbing op de kwelders door het graven van greppels. Toen bleek dat in het begroeide deel van de kwelder de aanwezigheid van greppels de aanslibbing tussen de vegetatie versnelde, verlengde men deze greppels tot in het kale slik, tot ongeveer 100 meter voorbij de begroeiing. Zo ontstond een stelsel van evenwijdig aan de kust gegraven greppels, die uitmondden in loodrecht op de kust staande uitwateringen. Later zijn ook paalrijen met daartussen rijshout aangebracht om de opslibbing te versnellen. Deze ‘boeren-methode’ van landaanwinning is voortgezet tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Zo ontstonden telkens weer jonge kwelders en slibvlakten. Waren de kwelders hoog genoeg opgeslibt, dan werden zij met een zomerdijk tegen hoog water beschermd en als zomerpolder ingezet voor het beweiden van het vee. Kenmerkend voor Friesland is dat de gronddruk hier minder groot was dan in Holland waardoor de kwelder pas werd ingepolderd wanneer de grond volledig was gerijpt.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 65

D Moderne tijd

10.000 v. Chr.

Het begrip ‘modern’ is relatief. Met de ‘Moderne tijd’ wordt de periode bedoeld waarin de occupatie van Waadhoeke in grote lijnen is volbracht en de onderlegger van het huidige landschap zijn vorm heeft gekregen. Belangrijk voor deze periode zijn de welvaartsexplosie tussen 1840 en 1870 en de Tweede Wereldoorlog. Beiden hebben, ieder op zijn eigen wijze, tot een grote vernieuwingsdrang geleid. De eerste heeft geleid tot de drang landbouwgronden te verbeteren en het land beter te ontsluiten, als ook tot een grootschalige vernieuwing van de kerken. De tweede heeft -vanuit de gedachte ‘nooit meer honger’- geleid tot een drang de productiviteit van het land danig op te voeren.

De ‘Moderne tijd’ begint met de watersnood van februari 1825, die grote schade veroorzaakte langs de Nederlandse, Duitse en Deense Waddenkusten. De ‘Moderne tijd’ omvat ook de teloorgang van de terpen, de industrialisatie, de ontwikkeling van het wegverkeer, de opkomst van het forensisme en daarmee de groei van de agrarische dorpen en niet op de laatste plaats de invloed van de ruilverkavelingen op natuur en landschap.

1825 0

2020

Binnenpolderdijken uit de 10e-11e eeuw, met de moederpolders en Slachtedijk Zeedijken uit de 11e-12e eeuw Dwarsdijken in de Middelzee uit de 13e eeuw Dijken in het Bildt uit de 16e-18e eeuw Dijk van de Westhoekpolder van rond 1970 Dijkputten

Po l

Nieuw

O

e ud

bil

dt

dij

dijk

ebildtdijk

k

Griene dyk

We st

Se

k dy

A

Slachte dijk

Slac

htedijk

Bedijkingsgeschiedenis van Waadhoeke - tot ongeveer 1970 68 - BoschSlabbers

ldd

yk

elij

ke

Mi

dd

elz

eed

ijk

Skré

dyk

1.

DIJKVERSTERKING EN L A N DA A N W I N N I N G

Na de grote watersnood van 3 tot 5 februari 1825, waarbij de Friese Waddenkust zwaar is getroffen, zijn de oude zeedijken structureel verbeterd. Daarbij zijn de dijkputten ontstaan, van waaruit de aarde werd gewonnen, die nodig was om de dijken te versterken. Met het versterken van zeedijken hebben tal van eeuwenoude binnendijken, waaronder de Slachte, hun primaire waterkerende functie verloren. Veel van deze dijken zijn nadien verloren gegaan, maar de Slachte wordt tot op de dag van vandaag als slaperdijk in stand gehouden. In de loop van de twintigste eeuw is de zeedijk langs de Waddenkust geleidelijk aan verhoogd, verbreed en ‘rechtgetrokken’. Bij Koehoal is voor ‘de kortste weg’ gekozen en even verderop zijn als laatste de ‘slikken of voorgronden’ bij Dijkshoek ingepolderd. De verbreding heeft doorgaans aan de binnenzijde van de dijk plaatsgevonden. Daarbij zijn nagenoeg alle oude vissershuisjes -de ‘lange jammers’- die tegen de dijk stonden, verloren gegaan. Haaks op de dijk zijn strekdammen aangelegd om de zeestroming te geleiden en de golven te breken. De ‘boerenlandaanwinning’ die in de 17e eeuw is ingezet ging door tot diep in de twintigste eeuw. Omstreeks 1970 is bij Dijkshoek de laatste zomerpolder voor de Armendijk bij het bedijkte land getrokken.

De gegraven greppels en paalrijen in de kwelders bij Noorderleeg (foto: Siebe Swart)

Inpoldering bij Dijkshoek Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 69

inpoldering Westhoek Koehoal

Im

pr

es

sie

Koehoal

Im bu

ite

nd

ijk

Im p (v o r e s s ie or 195 bui ten 0)

sg

dij

eb

ks

ied

ge

70 - BoschSlabbers

bij

W es

th

oe

k(

vo

or

19

50

pr

es

sie

bu

ite

nd

ijk

dt

en

oo

ste

nv

an

Zw

eb

ied

bij

W es

th

oe

k(

na

)

Im p (na ress ie 19 bu 50 ite )

bie

sg

ar t

eH

aa

n

nd

ijk

sg

eb

ied

ten

oo

ste

nv

19

an

50

Zw

)

ar

te

Ha

an

Terpafgraving te Marsum in 1916 (Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, deel van objectnummer SHBO-F-KU-AA 59322)

Terpbazen gaven hun terpen fraaie namen (Boersma, J. (1935, maart 6). Terp De Goudberg. Nieuwsblad van Friesland.)

zich nam. Hij maakte reclame voor de kwaliteit van de terpaarde onder aspirant-kopers en maakte dat de terp over het water te bereiken was. Wanneer het dorp nog geen opvaart had, liet hij deze voor de terpafgraving graven.

vormt deze een belangrijk onderdeel van het archeologisch bodemarchief.

In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstaat meer oog voor de waarde van het buitendijks gebied voor de natuur en voor het Wad als natuurlijk systeem en verlaat men het principe van de landaanwinning.

2 . T E LO O R G A N G VA N D E T E R P E N De terpen waren opgetrokken uit vruchtbare grond, zeer geschikt voor het verbeteren van landbouwgronden. Terpaarde bleek een uitstekende meststof en bodemverbeteraar. Deze aarde bood naast een rijkdom aan dierlijke mest ook een hoog gehalte aan klei, waardoor vocht en voedingsstoffen beter worden vastgehouden. Al in de achttiende eeuw is het gebruik van ‘huisstee-aarde’ voor bemestingsdoeleinden bekend en zijn terpen op beperkte schaal voor eigen gebruik afgegraven. Dit raakt in een versnelling wanneer omstreeks 1840 tal van commissies, genootschappen en maatschappijen zich uitspreken over de kansen die bodemverbetering biedt voor de landbouw op de arme zandgronden en in de veenkoloniale gebieden. Daarmee komt het commercieel afgraven van de vruchtbare terpaarde in zwang. Vanaf 1840 bieden advertenties in de Leeuwarder Courant terpaarde aan. De waarde van de terpaarde blijkt wel uit het gegeven dat met één ha terp de productiviteit van ongeveer 375 ha bouwland sterk kon worden verbeterd. De eigenaar van de terp, meestal de bewoner, verkocht de bovengrond van de terp aan de ‘terpbaas’ die vervolgens het gehele proces van afgraven op

Terpschippers vormden de schakel tussen de terpbaas en de terpboeren. Zij hadden zich gespecialiseerd in het vervoer van terpaarde over de Friese wateren. Vrijwel ieder terpdorp lag aan het water en beschikte over een eigen haventje. Speciale schepen, skûtsjes, werden met terpaarde volgeladen. Werd de terpaarde aanvankelijk met kruiwagens over planken naar het schip gebracht, tegen het einde van de 19e eeuw werden kipkarren ingezet om de terpaarde te vervoeren. Hiervoor werd een smalspoor aangelegd waarover de karren, vaak aangedreven door paarden of zelfs een locomotief, de aarde naar de skûtsje brachten. Nagenoeg alle terpen in Waadhoeke zijn - deels of geheel - afgegraven. Als eerste zijn de terpen afgegraven die niet (meer) bewoond waren. Deze konden in hun geheel worden afgegraven en zijn daarmee letterlijk in het landschap uitgevlakt. Op terpen waar nog maar weinig bewoning aanwezig was bleek het veelal lucratiever de resterende bebouwing te slopen om zo alsnog de gehele terp af te kunnen graven. Zo zijn veel terpen in hun geheel verdwenen, soms herinneren nog slechts een bocht in de weg of het slotenpatroon aan de voormalige aanwezigheid van de terp. Waar de terpzool in de ondergrond is bewaard,

Toen de individuele terpen eenmaal waren afgegraven, kwam ook de aarde van de dorpsterpen in beeld. Hier werden de niet-bebouwde oppervlakten afgegraven. De afgraving gebeurde in ‘klampen’; de terpen werden loodrecht naar beneden afgegraven. Vaak werd de terp tot aan de rand van het kerkhof afgegraven, waarbij de menselijke resten naar beneden rolden. Omdat aan de terpzool -de onderste laag van de terp- ten onrechte de hoogste waarde werd toegekend, werden de terpen zo diep mogelijk weggegraven, soms tot in het zand van de onderliggende kwelderwal. Vaak is dat nu de plaats waar de ijsbaan ligt. De prijs van de terpaarde bleef door de jaren heen redelijk stabiel, prijzen schommelden tussen zo’n 25 en 75 cent per ton terpaarde. Grote terpen werden daarmee voor tienduizenden guldens verkocht, waarbij de ondergrond bij de verkoper in bezit bleef. Zo zijn enorme hoeveelheden terpaarde uit het gebied ingeruild voor nieuwe boerderijen, rentenierswoningen en pastorieën. Mogelijk verklaart dat mede de opkomst van de villacultuur die, met name in het kleiterpenlandschap, in de negentiende eeuw plaatsvindt. Mogelijk is een deel van de terpaarde vanuit Waadhoeke naar de Drentse zandgronden en de Groninger veenkolonieën afgevoerd, maar de meeste terpaarde is gebruikt om gronden in de directe nabijheid te verbeteren. Zo is terpaarde Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 71

Spoorlijn Tramlijn Weg Grote vaart Dorpsvaart Nog bestaande terp Voormalige terp Zuivelfabriek - aanwezig Zuivelfabriek - verdwenen

St.-Annaparochie

Dronryp Franeker

Waadhoeke rond 1900 72 - BoschSlabbers

Terp afgegraven tot aan de kerk (Zweins)

opgebracht op de hooilanden (‘maden’ of ‘mieden’) en op de zwaardere kleigronden in de kweldervlakten. Deze kampten met lage opbrengsten en het opbrengen van terpaarde bracht hierin structureel verbetering aan. In Westergo, waar Waadhoeke onderdeel van uitmaakt, zijn veel meer terpen afgegraven dan elders in het noordelijke zeekleigebied. Daar zijn twee mogelijke verklaringen voor. In het noordelijk terpengebied was de afstand tussen de terpen op de kwelderwallen en de te verbeteren ‘mieden’ in de kweldervlakten heel kort. Daarbij komt dat terpaarde een ideale meststof voor klavers bleek, in die tijd een belangrijk veevoeder, en daarmee extra aantrekkelijk om op de hooilanden in de kweldervlakten en op de weilanden in de Greidhoeke op te brengen.

In 1910 bedenkt ook de Belastingdienst dat er met de terpen geld te verdienen is. Terpeigenaren betalen niet langer belasting per vierkante meter, maar per kubieke meter terp. Dit veroorzaakt een versnelling van de afgravingen. Eigenaren maken de terpen liever te gelde dan niet-gemaakte inkomsten af te moeten dragen aan de Belastingdienst. Jac P. Thijsse schrijft hierover in 1915 tijdens een reis naar Friesland: “Die fiscus mocht weleens wat meer om de gevolgen van zijn daden

Uitzicht vanaf de rand van afgegraven terp (Blessum)

denken”. Aangezien in Waadhoeke nagenoeg alle terpafgravingen voor 1910 hebben plaatsgevonden, lijkt dit fiscale aspect hier nauwelijks een rol te hebben gespeeld. Het gebruik van terpaarde als bodemverbeteraar gaat door tot het moment dat de kunstmest zijn intrede doet in de agrarische wereld. Anders dan in rest van het land, waar men rond 1930 begint met de grootschalige toepassing van kunstmest, verloopt in Waadhoeke de overgang naar kunstmest uiterst moeizaam. Hier gebruikt men van oudsher terpaarde als bodemverbeteraar en wilde men aanvankelijk van deze nieuwe meststof weinig weten. Advertenties raadden aan om toch vooral terpaarde te blijven gebruiken, omdat terpaarde vele jaren zijn effect behoudt, terwijl kunstmest elk jaar opnieuw uitgestrooid moet worden. Ook was er het sociaal appèl, te denken aan de werkgelegenheid van terpbazen, arbeiders en schippers, die er enorm bij gebaat waren dat boeren aarde bleven afnemen. Bij veel pachtende boeren maakte de pachtovereenkomst het gebruik van kunstmest bovendien onmogelijk. Vaak verbood de pachtovereenkomst het uitstrooien van kunstmest over het land en verplichtte de pachter tot het gebruik van terpaarde om de akker te verbeteren.

Pas nadat was aangetoond dat de toepassing van kunstmest 20% meer opbrengst leverde dan het gebruik van terpaarde en bleek dat kunstmest -anders dan terpaarde- ook te gebruiken was bij regenachtige of koude weers-

omstandigheden, gaat ook Waadhoeke over op het gebruik van kunstmest. In de eerste oorlogsjaren herleeft de belangstelling voor terpafgravingen. Er is dan een tekort aan kunstmest, terwijl boeren uit armoede hun terpaarde voor een veel lagere prijs van de hand doen en schippers tegen lagere tarieven het transport verzorgen. Dat maakt terpaarde als bodemverbeteraar voor een laatste maal interessant. Ook de Rijksdienst voor het Nationale Plan (voorloper Rijksplanologische Dienst) neemt deze opleving waar. Ter bescherming van het landschapsschoon legt zij in 1943 vergaande beperkingen op aan het afgraven van terpen. In 1944 stelt deze rijksdienst een lijst samen van terpen die ‘ongeschonden behouden moeten blijven’. Daarmee wordt het afgraven feitelijk beëindigd. Terpvondsten Bij de terpafgravingen is -naast botten, hout van prehistorische boerderijen en potscherven- een verscheidenheid aan archeologische vondsten aan de oppervlakte gekomen, die de rijke geschiedenis van Waadhoeke over de volle breedte en een lange tijdsspanne weerspiegelen. • Bij de afgraving van de terp van Winsum (1861) is een omvangrijke Romeinse zilverschat gevonden. • Bij de afgraving van de terp van Tolsum -een buurtschap nabij Tzum, aan de Slachtedijk- is ‘het schrijfplankje van Tolsum’ boven aarde

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 73

Gardenierslandschap bij Berltsum (kaart 1950) (Topotijdreis.nl)

Gardenierslandschap bij Berltsum (kaart 2020) (Topotijdreis.nl)

Resterende beplanting gardenierslandschap

Zuivelfabriek De Ried

Moderne agrarische architectuur

74 - BoschSlabbers

• • •

•

gekomen. Dit wordt beschouwd als de oudst geschreven tekst van Nederland. Bij het afgraven van een terp nabij Tzum is een Romeins apollobeeldje gevonden. Bij Spannum is een Merovingische bronzen armband aangetroffen. Bij het afgraven van de terp van Hitzum kwamen een gouden sieraadmunt, een bronzen mantelspeld, een bronzen Romeins masker en een bronzen vrouwenbeeldje aan de oppervlakte. Bij het afgraven van de terp van Bitgum kwam een votiefsteen uit het begin van de jaartelling vrij, met daarop een afbeelding van de godin Hludana.

3 . T E LO O R G A N G VA N H E T GARDENIERSLANDSCHAP Tegen het einde van de 19e eeuw wordt binnen de ‘kamerstructuur’ van het gardenierslandschap het fruit vervangen door de dan meer rendabele aardappelteelt. De sloten, het kenmerkend reliëf en de elzensingels (‘greppeltsjelân’ en ‘ekers’) zijn nog lange tijd gehandhaafd. Aan deze ‘kleinste vorm van akkerbouw’ komt in 1949 een eind wanneer minister Mansholt verordent dat op ieder perceel nog maar eens in de drie jaar aardappelen mogen worden verbouwd, om de verspreiding van de besmettelijke aardappelmoeheid tegen te gaan. Bij de latere ruilverkaveling zijn percelen samengevoegd en gladgestreken, zijn kavels vergroot en zijn de resterende perceelsbeplantingen gerooid, waardoor het gardeniersland-

schap voor het grootste deel letterlijk is uitgevlakt (zie ook onder 6). Tussen Wier en Marsum resteren nog kleine stukjes van de voormalige singelstructuur.

In Dronryp ontwikkelde zich een aardappelmeelfabriek (1880-1930) waar later een vlaswerkingsbedrijf in werd gevestigd. Ook aan de Langhuisterweg onder St.-Annaparochie vestigt zich een vlasfabriek.

4 . I N D U S T R I A L I SAT I E Opkomst melk- en aardappelmeelfabrieken Tot eind 19e eeuw wordt de melk op de boerderij verwerkt tot zuivelproducten en door de boeren zelf rondgebracht. Vanaf eind 19e eeuw ontstaan verspreid over Waadhoeke circa 15, veelal kleine zuivelfabrieken, die de productie en distributie goeddeels van de boeren overnemen. De eerste melkfabrieken zijn opgericht door ondernemende pioniers en niet veel later door zuivelcoöperaties. Die coöperaties waren ook facilitair naar de aangesloten boeren; kunstmest en veevoeder werden gemeenschappelijk ingekocht. De melkfabrieken namen een belangrijke plaats in het leven in, vaak waren zij het hart van het dorp. Veel van deze eerste melkfabrieken was slechts een kort leven beschoren, vaak waren ze binnen tien jaar al weer buiten bedrijf, ingehaald door de coöperatieve ontwikkeling. Als laatste was zuivelfabriek De Volharding in Dronryp tot 2021 nog in bedrijf. De zuivelfabrieken van Winsum, Tzum, Ried en Oude Bidtzijl zijn als industrieel erfgoed nog aanwezig. De opkomst van de melkfabriek werkt ook door in de boerderijbouw. Nu de melk niet langer op de fabriek wordt verwerkt, is de bouw van de melkkelder niet langer noodzakelijk.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 75

Grote vaart Dorpsvaart

ar t

Oud

eR

St.-Annaparochie

iid

Ouwe Fa

Blikvaar t

Mod de

rg at

va

5. ONTWIKKELING INFRASTRUCTUUR

n

Be r lts u m

De

Sexb ier u mer

Rie

Leeuwarden fe

ar

t

Franeker

rt Tre k va a

Harlingen

na

a

ee rL

uw

a rden

Trekvaar t

Ze ilv

aa

n

n

va

rt

a

rt

aa

Va

H ar lin ge

n na

ar B

rS

ne

ek

ol s w ar

5.1 Tram- en spoorlijnen Kort nadat de spoorwegwet van Thorbecke (1860) is aangenomen, wordt het spoor van de havenstad Harlingen naar het Duitse Ihrhove aangelegd. Al in 1863 wordt als eerste het baanvak HarlingenLeeuwarden geopend. In 1880 wordt in Utrecht de Nederlandse Tramwegmaatschappij opgericht. Deze had de ambitie om door heel Nederland tramwegen aan te leggen, maar heeft uiteindelijk alleen in Friesland -met enkele uitlopers naar andere provinciestramlijnen gerealiseerd. Aanvankelijk werden op de NTM lijnen paardentrams ingezet. In 1900 wordt als eerste de paardentramlijn Berltsum St.- Annaparochie geopend, maar al in 1932 wordt de laatste paardentramlijn (Makkum-Harkezijl) opgeheven. Nadien is de paardentram vervangen door de stoomtram. Zo voerde een stroomtram van Harlingen, via Midlum, Herbaijum, Franeker en Dronryp naar Marsum.

d

Vaarten als belangrijkste infrastructuren voor 1860

De Rie 76 - BoschSlabbers

Dronryp

In het door waterlopen en vaarten doorregen kustlandschap was het transport over het water tot diep in de negentiende eeuw belangrijker dan het transport over het land. Langs de grotere vaarten maakten jaagpaden het vervoer per trekschuit mogelijk. In het land waren -afgezien van incidentele kerkepaden die de boerderijen met de kerken verbonden- nauwelijks wegen aanwezig. Dat verandert omstreeks 1900 wanneer Waadhoeke intensief op het tram- en treinnet wordt aangesloten en verbindingswegen over land worden aangelegd.

Ouwe Faart

Spoorlijn Tramlijn Weg Grote vaart Dorpsvaart

St.-Annaparochie

In dezelfde tijd kreeg de Nederlandse Tramweg Maatschappij concurrentie van de Noord-Friesche Locaalspoorweg-Maatschappij. Deze NFLS werd in 1899 in Leeuwarden opgericht. Deze legde vooral noordelijk van Leeuwarden normaalsporige lokaalspoorlijnen aan. Vanuit Leeuwarden liep een lijn naar Stiens, waar deze zich splitste in een oostelijke en westelijke tak. De westelijke tak ging via onder andere St.-Annaparochie en Tzummarum naar Harlingen met een zijtak naar Franeker. De aanleg van deze lokaalspoorlijnen was bedoeld voor het vervoer van passagiers, maar meer nog voor het transport van de landbouwproducten, en dan met name de aardappelen van het Bildt, dat inmiddels was uitgegroeid tot marktleider. De spoorlijnen zijn zo vlak mogelijk aangelegd en doorsnijden daarmee letterlijk het aanwezige reliëf. Dit is nog goed zichtbaar bij Dongjum waar het spoor de terp en de kwelderwal doorklieft met markante steilranden als gevolg.

Leeuwarden Dronryp

Franeker Harlingen

Spo

or lijn

Har lingen -

a Leeuw

rden

Vaarten en spoorlijnen als belangrijkste infrastructuren rond 1900

Al in de jaren dertig komt een einde aan het passagiersvervoer, in de jaren zeventig staken ook de goederentreinen -met hun ladingen aardappelen- de strijd tegen de vrachtwagens. Rails worden weggehaald, taluds overgroeid of met paden belegd. Met uitzondering van de lijn HarlingenLeeuwarden zijn alle spoorverbindingen tussen 1965 en 1985 opgeheven. Hier en daar, zoals in Tzummarum, herinnert een spoorwachtershuisje of stationsgebouw aan de Noord-Friesche Locaalspoorweg-Maatschappij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=931ce7bb-868d-43a8-8cec-c26ab73dc5a1