CConstaterende datwaadhoeke
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Landschapsbiografie Waadhoeke 2023

Voorlichting Raad 16 november 2021, gemeente waadhoeke24.984 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Het verhaal van Waadhoeke 3000 jaar leven met het water

P R O J E C T DATA

Projectnaam

Het verhaal van Waadhoeke 3000 jaar leven met het water

Opdrachtgever

Gemeente Waadhoeke

Opgesteld door

BoschSlabbers landschapsarchitecten Steven Slabbers Rosanne Vlaar Daniyal Sherafat Twan Slagter Sybren Lanting

In samenwerking met

Van Hall Larenstein University of Applied Sciences

Datum

Februari 2023

Projectnummer

BS20-127

4

- BoschSlabbers

I N H O U D S O P G AV E

0. Inleiding ................................................................. 6 1. Kenschets ............................................................ 10 2. Doel van de landschapsbiografie . ............. 11 3. Opbouw ................................................................ 12 4. Werkwijze . .......................................................... 13 5. Doelgroep . .......................................................... 13 6. Tijdlijn ................................................................... 14 A. Het natuurlijke landschap ........................... 16 1. Tot 10.000 voor Christus . ............................. 19 2. 10.000 – 3850 voor Christus ....................... 21 3. 3850 – 2750 voor Christus .......................... 23 4. 2750 voor Christus – 100 na Christus . ... 25 5. 500 voor Christus – 300 na Christus . ..... 27 6. 300 – 900 na Christus ................................... 27 7. Ca. 900 na Christus ....................................... 29 8. Landschapstypen............................................. 29 B. Vroege bewoning, tot aan de bedijking .30 1. Domein van nomadische jager, visser en verzamelaar . ...................................................... 33 2. Ontwikkeling van het terpenlandschap. 33 3. Grote welvaart .................................................

38 Intermezzo: ontwikkeling kwelderwallen en kweldervlakten ...................................................... 40 C. Het bedijkte land ..............................................42 1. Bedijking en ontwikkeling van het terpenland . ........................................................ 45 2. Gefaseerde inpoldering Middelzee ......... 59 3. Overgangszone van land naar zee ........... 64

D. Moderne tijd ...................................................... 66 1. Dijkversterking en landaanwinning . ........ 69 2. Teloorgang van de terpen . ........................... 71 3. Teloorgang van het gardenierslandschap ...................................... 75 4. Industrialisatie.................................................... 75 5. Ontwikkeling infrastructuur ....................... 76 6. Ontwikkeling landbouw en visserij ......... 80 Intermezzo: De 7 ruilverkavelingen van Waadhoeke . ............................................................ 83 7. Stads- en dorpsuitbreidingen .................... 89 8. Kerkbouw ........................................................... 90 9. Bodemdaling en delfstofwinning ............. 90 10. Energie . ............................................................... 90 11. Bestuur ................................................................. 91 E. Huidige tijd . ......................................................... 92 1. Kernkwaliteiten landschap .......................... 95 2. Kernkwaliteiten natuur ................................. 111 F. Het volgend hoofdstuk . .................................113 1. Klimaatadaptatie . .......................................... 115 2. Energietransitie . ............................................. 116 3. Herstel biodiversiteit ..................................... 117 4.

Transitie van de landbouw........................... 117 5. Versterken sociaaleconomisch perspectief . ...................................................... 118 G. Bronnenlijst .......................................................120 H. Bijlage . ................................................................. 124 1. 10 Gouden regels voor de planvorming. 126

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 5

0 Inleiding

“In vandaag ligt een deel van het verleden en dat samen neem je weer naar morgen mee”. In die zin ligt de crux van de landschapsbiografie besloten. De landschapsbiografie heeft niet alleen tot doel de kennis over het landschap te verdiepen en te verbreden, maar vooral ook anderen te inspireren die kennis mee te nemen in hun proces. Door je in het verleden te verdiepen ga je anders naar het heden kijken en kom je mogelijk ook tot andere afwegingen naar de toekomst. De landschapsbiografie gaat in op verleden en heden van het landschap en biedt een onderlegger voor nog te maken (ruimtelijke) beleidskeuzes. Het verdiept het begrip van het landschap en kan van daaruit helpen bij het creëren van draagvlak voor keuzes ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen. Het landschap van Waadhoeke laat zich lezen als een geschiedenisboek. De landschapsbiografie laat zien hoe verschillende episoden (hoofdstukken) elkaar hebben opgevolgd en wat iedere episode daarin naar het volgend hoofdstuk heeft meegenomen. De landschapsbiografie gaat in op de ver-

anderingen die hebben plaatsgevonden, maar ook en vooral op de achtergrond bij die veranderingen, en waaróm zij hebben plaatsgevonden. ‘Rode’ -of eigenlijk ‘blauwe’- draad in de ontwikkeling van Waadhoeke is de omgang met het water. Het verhaal van Waadhoeke gaat over 3000 jaar ‘leven met het water’. Het landschap van vandaag is een momentopname; het is het resultaat van een continue ontwikkeling en tevens het vertrekpunt voor aanstaande ontwikkelingen. De landschapschapsbiografie geeft aan wat uit het landschap van vandaag moet worden meegenomen naar het landschap van morgen, wat in het volgend hoofdstuk niet mag ontbreken.

1940 (Topotijdreis.nl) 8

- BoschSlabbers

2021 (Topotijdreis.nl) Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 9

1. K E N S C H E T S Leven met het water In de geschiedenis van Waadhoeke is de omgang met het water ‘de blauwe draad’. Het verhaal van Waadhoeke gaat over 3000 jaar ‘leven met het water’. Waadhoeke is gevormd vanuit een intergetijdengebied, een door slenken en stroomgeulen dooraderd kwelderland. Grote delen van Waadhoeke waren ‘schemergebied’, dan eens land, dan eens water. Lange tijd leeft men hier in volstrekte symbiose met het water. De eerste bewoners zijn vissers, jagers en verzamelaars, die het gebied periodiek bewonen. Vanaf 500 voor Christus vestigt men zich permanent op de hogere kwelderwallen en oeverwallen. Aanvankelijk zijn die hoog genoeg om droge voeten te houden. Wanneer later de zeespiegel stijgt en de zee onrustiger wordt werpt men op deze kwelderwallen en oeverwallen terpen op om de woonstee tegen hoog water te beschermen. Voor het overige leeft men in open contact met het water. Men leeft aan het water, op het water en met het water. En óver dat water dreef men handel met overzeese volkeren. Later neemt men een volgende stap in de bescherming tegen het water. De terp beschermde wel de boerderij, maar niet het land en het vee in het land. Vanaf 900 na Christus legt men dijken aan om ook het land tegen het water te beschermen. Met de bouw van de dijken sloot men zich van het water af, keerde men geleidelijk het water de rug toe.

Maar nog altijd tekenen het water én de omgang met dat water het landschap van Waadhoeke.

10 - BoschSlabbers

Waadhoeke is een door slenken, vaarten, maren, sloten en greppels doorregen landschap. Het water vormt de nervatuur van het landschap, het brengt letterlijk tekening in het landschap. Samen met de terpen en de dijken, de dijkcoupures met hun schotbalken, de zijlen, sluisjes en resterende molens verhalen over 3000 jaar ‘leven met het water’. Verhalend landschap In de loop der tijd heeft de samenleving het landschap van Waadhoeke voortdurend aangepast aan de wensen van haar tijd en aan de technische en financiële middelen waarover men op dat moment beschikte. Telkens weer bouwde men voort op het bestaande landschap, zonder het voorgaande geheel uit te wissen. Hierbij heeft iedere episode zijn eigen aardigheden aan het landschap toegevoegd. Het resultaat is een uitzonderlijk gelaagd landschap, samengesteld uit elementen en structuren uit verschillende tijdlagen. Het landschap van Waadhoeke laat zich lezen als een geschiedenisboek vol verhalen. Levend landschap Het landschap van Waadhoeke is een levend landschap, continu in ontwikkeling. Wie de topkaart van 1940 naast het huidige kaartbeeld legt ziet hoezeer het landschap in die tijd is veranderd. Dijken zijn versterkt, kavels samengevoegd en agrarische bedrijven en bebouwing zijn aanzienlijk vergroot. De infrastructuur is uitgebreid, dorpen en steden zijn gegroeid en bedrijventerreinen ontwikkeld.

De glastuinbouw heeft lokaal zijn intrede

gedaan en ook toont het huidige kaartbeeld de introductie van de windenergie. Dat zijn alleen nog maar de veranderingen die op kaart, in het platte vlak, zichtbaar zijn. Minstens zo bepalend zijn de minder direct zichtbare veranderingen, als het veranderend peilbeheer, het veranderend teeltprogramma, de opdringende verzilting, het verlies aan micro-reliëf en in mindere mate de bodemdaling. Al deze op zich kleine veranderingen sorteren tezamen een groot ruimtelijk effect.

2. D O E L VA N D E L A N D S C H A P S B I O G R A F I E Vandaag de dag komen opnieuw tal van opgaven op het landschap van Waadhoeke af, denk aan de energietransitie, de omschakeling naar de kringlooplandbouw, het terugdringen van de stikstofdepositie, herstel van de biodiversiteit, het anticiperen op de klimaatverandering, het versterken van de leefbaarheid. Deze opgaven zullen op hun beurt het landschap van nu wederom aanzienlijk doen veranderen. Verandering is inherent aan een levend landschap. Verandering moet men niet willen stoppen, dat is een strijd die men op voorhand verliest. De kunst is die veranderingen zodanig te geleiden dat de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. En dat alles zodanig dat het landschap ‘zijn verhaal kan blijven vertellen’. De landschapsbiografie brengt dat verhaal in beeld, van wording tot de nieuwe tijd en geeft aan welke waarden moeten worden meegenomen naar de toekomstige tijd. Daarmee verbindt de landschapsbiografie verleden, heden en toekomst. In de landschapsbiografie betreft het landschap naast direct waarneembare zaken -denk aan terpen, dijken en waterlopen, grondgebruik, maat en schaal- ook zaken die niet direct zichtbaar zijn maar wel bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit en het grondgebruik.

Het gaat daarbij om de kenmerken van de bodem, het watersysteem, de aanwezigheid van delfstoffen. Ook aardkundige en

archeologische waarden dragen bij aan de herkenbaarheid van de geschiedenis, aan de leesbaarheid van het ‘verhaal van Waadhoeke’. Zij zijn daarmee deel van de ruimtelijke kwaliteit. Het landschap is meer dan de reflectie van de ondergrond, het weerspiegelt ook de samenleving van waaruit het is gevormd. De landschapsbiografie laat ook zien hoe sociale en economische aspecten hun weerslag op de landschapsontwikkeling hebben gehad. Relatie met ontwikkelperspectief, omgevingsvisie en omgevingsplan De landschapsbiografie is geen planvormend document, het beschrijft de geschiedenis van het landschap, van het ontstaan van de natuurlijke basis tot aan het landschap van vandaag. De landschapsbiografie beschrijft de kenmerken van het landschap van vandaag en geeft aan welke van die kenmerken het waard zijn mee te nemen naar ‘het landschap van morgen’. De landschapsbiografie spreekt zich nadrukkelijk niet uit over de keuzen die ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling moeten worden gemaakt. De landschapsbiografie biedt een onderlegger voor nog op te stellen planvormende documenten, waarin de ruimtelijke koers wordt uitgezet als ontwikkelperspectief, gemeentelijke omgevingsvisie en omgevingsplan.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 11

3. OPBOUW De landschapsbiografie is opgebouwd in 6 blokken die verschillende episoden uit de ontwikkeling van het landschap belichten. Het eerste blok (A) gaat in op de wording van het landschap, op de vorming van de natuurlijke onderlegger. Blok B belicht de eerste occupatie, waarbij op oever- en kwelderwallen honderden terpen worden opgeworpen van waaruit het gebied wordt bewerkt, maar waarin het gebied nog in een volledig open contact met de zee staat. Deze blokken overlappen elkaar deels; terwijl de mens de oudste kwelderwallen al bewoont, gaat meer zeewaarts het proces van kweldervorming nog door. Blok C betreft de gefaseerde bedijking van het gebied, de periode waarin Waadhoeke zich stapsgewijs van de zee afsluit en de samenleving geleidelijk steeds meer met de rug naar de zee leeft. Blok D belicht ‘de Moderne tijd’, de periode vanaf circa 1825 waarin dijken worden versterkt, terpen worden afgegraven, het vervoer over het water wordt verdrongen door het transport over de weg, steden en dorpen groeien en ruilverkavelingen het landschap versneld transformeren. Blok E identificeert de kernkwaliteiten van het huidige landschap die het waard zijn te worden meegenomen naar het landschap van morgen. Tot slot gaat blok F kort in op de ‘Het volgende hoofdstuk’, op de opgaven die op het landschap van vandaag afkomen en die in het landschap van morgen moeten worden ingepast.

De praktijk leert dat een goede landschappelijke inpassing alleen kans van slagen heeft wanneer deze van meet af aan in de planvorming wordt meegenomen. 12 - BoschSlabbers

10.000 v. Chr.

1000 n. Chr. 0

Nu

Blok A. Het natuurlijke landschap

7.000 v. Chr.

650 v. Chr.

10.000 v. Chr.

1000 n. Chr. 0

Nu

Blok B. Vroege occupatie, tot aan de bedijking

800 n. Chr. 10.000 v. Chr.

0

1850 n. Chr. Nu

Blok C. Het bedijkte land

1825 2020 10.000 v. Chr.

0

Blok D. Moderne tijd

Nu 10.000 v. Chr.

0

Blok E. Huidige tijd

Nu 10.000 v. Chr.

Blok F. Het volgende hoofdstuk

0

?

BoschSlabbers is samen met de studenten van Van Hall Larenstein het veld in geweest. De studenten hebben in groepjes verschillende onderwerpen onderzocht en dit gepresenteerd op locatie.

In de bijlage zijn ‘tien gouden regels’ opgenomen die hiertoe handvatten aanreiken.

hen concepten voorgelegd met de vragen ‘waar kan het scherper, wat ontbreekt er, waar zitten omissies die hersteld moeten worden?

4. WERKWIJZE De landschapsbiografie is tot stand gekomen in samenwerking met ‘deskundigen van de toekomst’ en met raadpleging van de ‘deskundigen van nu’. BoschSlabbers landschapsarchitecten heeft bij de totstandkoming van de landschapsbiografie nauw samengewerkt met staf en studenten van Hogeschool Van Hall Larenstein. Studenten, in verschillende fasen van hun opleiding, hebben in het kader van de landschapsbiografie deelonderzoeken verricht. Dit bood hen de gelegenheid onderwijs en werkveld met elkaar te verbinden. Deze samenwerking bood ons de mogelijkheid ‘extra handen’ in te zetten als ook de laatste inzichten en specifieke gebiedskennis in de landschapsbiografie te incorporeren. Eerstejaars studenten hebben aan thematische verdiepingen gewerkt, tweede- en derdejaars studenten hebben kleine opdrachten uitgewerkt en daar ’storymaps’ bij samengesteld. Een enkele student heeft bij BoschSlabbers aan dit project zijn projectstage gevolgd en een tweetal afstudeerders hebben ten aanzien van de terpen verdiepend onderzoek gedaan.

Wij zijn de vertegenwoordigers van het Team Ruimtelijke Kwaliteit van de provincie Fryslân, Van Hall Larenstein, Streekwurk, Hûs en Hiem, Steunpunt Monumentenzorg Fryslân, Jaap Scheffer als lokale historisch onderzoeker, historisch-geograaf Meindert Schroor en Peter de Ruyter als voormalig voorman van Atelier Fryslân hiervoor veel dank verschuldigd.

5. D O E LG R O E P De landschapsbiografie heeft op de eerste plaats tot doel om planvormers, beleidsmakers en bestuurders te helpen om tot weloverwogen besluiten ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van het landschap te komen. Tegelijkertijd is ‘het verhaal van Waadhoeke’ zo uitzonderlijk rijk en gelaagd dat de landschapsbiografie voor een ieder die in verleden, heden en mogelijke toekomsten van Waadhoeke geïnteresseerd is van informatie kan voorzien. De landschapsbiografie richt zich daarom zowel op de planvormer, beleidsmaker en bestuurder als ook op de geïnteresseerde burger.

Daarnaast is gedurende de ontwikkeling van de landschapsbiografie een breed samengesteld - van provinciaal tot lokaal, van wetenschappelijk tot praktijkgericht - forum van deskundigen geraadpleegd. Op verschillende momenten hebben wij Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 13

tot 10.000 v. chr.

10.000 - 3850 v. chr.

3850 - 2750 v. chr.

2750 v. Chr. - 700 n. chr.

600 v. chr. - 1000 n. chr.

Terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten

Zuidelijk terpenlandschap

Dekzandlandschap

Kustmoeras

6. T I J D L I J N Het landschap van Waadhoeke heeft zich in de loop van de tijd geëvolueerd tot het landschap dat het vandaag is. De tijdlijn geeft de verschillende stappen in het transformatieproces weer. Verder in deze landschapsbiografie worden deze stappen meer uitvoerig beschreven en geïllustreerd. De tijdlijn geeft weer hoe het landschap zich onder invloed van het water en onder invloed van de mens heeft ontwikkeld. Onder invloed van het water is op het onderliggend dekzandlandschap een kustmoeras gevormd, dat later via een wadlandschap is getransformeerd tot een landschap van kwelderruggen en kweldervlakten, dat naar het zuiden overgaat in een zeekleigebied. Dat kwelderlandschap vormt samen met het zeekleigebied de basis. Dit is het landschap dat door de mens stapsgewijs in cultuur is gebracht. Daarbij zijn uiteindelijk drie essentieel verschillende landschapstypen ontstaan, waarbinnen een verdere differentiatie aanwezig is.

BINNENDIJKS LANDSCHAP ONDBEDIJKT OF BUITENDIJKS LANDSCHAP

14 - BoschSlabbers

Wadlandschap

Kwelderlandschap

In de periode voor de bedijking is het meer organisch gegroeide terpenlandschap ontstaan. Hierbij is onderscheid tussen het noordelijk terpenlandschap, waar de terpen nauwgezet de parallel gelegen kwelderuggen volgen en het zuidelijk kleiterpenlandschap, waar de terpen meer los verspreid over het landschap zijn ontwikkeld. In de periode na de bedijking zijn vanuit de Middelzee de zeekleipolders ontstaan. Deze zijn meer planmatig ontwikkeld. Hierbinnen is onderscheid tussen de meer kleinschalige en minder regelmatige oude zeekleipolders, de grootschalige, laatmiddeleeuwse zeekleipolders van Het Oud Bildt en de later aangedijkte polders van Het Nieuw Bildt en Oude Bildtpollen. Tot slot is er nog het buitendijks landschap, waarbij vooral oostelijk van Zwarte Haan de opeenvolging van slikvlakte naar lage en hoge kwelders zichtbaar is en rijshoutdammen als relicten van vroegere landwinambities extra tekening aanbrengen.

Middelzee

1000 - 1500 n. chr.

1500 - 1800 n. chr.

1800 - 1950 n.chr.

1950 - nu

TERPENLAND

Terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten na ruilverkaveling

Zuidelijk terpenlandschap vóór ruilverkaveling

Zuidelijk terpenlandschap na ruilverkaveling

Oude zeekleipolders vóór ruilverkaveling

Oude zeekleipolders na ruilverkaveling

ZEEKLEIPOLDERS

Terpenlandschap van kwelderwallen en kweldervlakten vóór ruilverkaveling

Jonge zeekleipolders vóór ruilverkaveling

Jonge zeekleipolders na ruilverkaveling

Nieuwe aandijkingen vóór ruilverkaveling

Nieuwe aandijkingen na ruilverkaveling

Dichtslibbende Middelzee

Buitendijks gebied ten westen van Zwarte Haan (natuurgebied)

Buitendijks gebied ten oosten van Zwarte Haan

Buitendijks gebied ten oosten van Zwarte Haan (natuurgebied) Landschapsbiografie - Waadhoeke

WAADHOEKE BUITENDIJKS

Buitendijks gebied ten westen van Zwarte Haan

- 15

A Het natuurlijke landschap

10.000 v. Chr.

De diepe ondergrond van het landschap van Waadhoeke wordt gevormd door een golvend pakket dekzand dat in de laatste ijstijd door de wind is afgezet. Vanaf het moment dat de aarde, na afloop van de ijstijden, weer opwarmt staat de landschapsvorming hier onder invloed van de zee. Van circa 7000 voor Christus tot 900 na Christus bepaalt de schoksgewijze zeespiegelstijging - in combinatie met de aanvoer van zand en klei door de zee - de landschapsontwikkeling. In deze periode wordt op de ondergrond van dekzand afwisselend zand, klei en veen afgezet. Tegelijkertijd schuurt de zee getijdengeulen in het aldus gevormde landschap (verder) uit. Vanuit dit waddenlandschap vormen zich drie essentieel verschillende gebieden die zich tot op de dag van vandaag als heel verschillende landschappen tonen:

• Een opgeslibd, door geulen dooraderd kwelderlandschap dat tot de aanleg van dijken vanaf 900 na Christus onder invloed van de getijden staat en waaruit zich later het organische gegroeide terpenlandschap zal ontwikkelen. Een landschap waarin de oude zeebodem nog altijd doorklinkt. • De Middelzee die in fasen wordt drooggelegd en waarbij een stelselmatig, door de mens ontworpen en ingericht landschap ontstaat. • De overgangszone van land naar wad naar Waddenzee, wat later als buitendijks landschap zal worden aangeduid.

1000 n. Chr. 0

Nu

Bo or ne sle nk Berltsum (huidige locatie)

Hoog van Harlingen Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Marn

eslen

k

Riviervlakten en beekdalen Pleistocene zandgebieden (beneden -16m. NAP) Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

9000 v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 18 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

de

kz

an

dl

an

ds

ch

ap

1. TOT 1 0.000 VO O R C H R I S T U S Golvend dekzandplateau Gedurende de laatste ijstijd (het Weichselien) is in Noord-Europa vrijwel de gehele watervoorraad vastgelegd in dikke ijskappen die de poolgebieden tot in Scandinavië bedekken. Hierdoor ligt de zeespiegel erg laag en staat de latere Noordzee nog bijna helemaal droog. De Britse eilanden maken dan nog deel uit van het Europese vasteland. Het is in noordelijk Europa dermate koud dat plantengroei nauwelijks mogelijk is. Hierdoor heeft de wind vrij spel op de ondergrond en kan deze veel zand meevoeren. In noordelijk Nederland is dit als een golvend dekzand pakket, met een afwisseling van hoogten en laagten, afgezet. Ook het gebied van Waadhoeke is in die tijd nog een overwegend droge en zandige vlakte met afwisselend hoogten (zoals het gebied rond het huidige Harlingen) en laagten, zoals het dal van de Boorne.

Zo zou het landschap er ongeveer uitgezien kunnen hebben Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 19

Bo orn esl enk Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

3850 v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 20 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

ku

st

m

oe

ra

s

2. 1 0.000 - 3850 VO O R C H R I S T U S Zeespiegelstijging vormt kustmoeras Na afloop van de laatste ijstijd warmt de aarde op en slijt smeltwater geulen in het onderliggend zandpakket uit. In Waadhoeke wordt hierbij de Boornelaagte -die al in de periode van de dekzandafzettingen is gevormd- dieper uitgesleten, waarmee de Boorneslenk ontstaat. In deze periode stijgt de zeespiegel met 60 tot 75 cm per eeuw en komt ook de vegetatieontwikkeling weer op gang. Met het stijgen van de zeespiegel komt ook het grondwater hoger te staan. Afgestorven plantenresten raken onder water waar zij, eenmaal afgesloten van zuurstof, niet meer worden afgebroken maar worden omgezet in veen. Zo maakt het huidige Waadhoeke rond 7000 voor Christus deel uit van een uitgestrekt kustmoeras waarin afwisselend veenvorming plaatsvindt en door de zee klei wordt afgezet. Veen en klei overdekken zo de ondergrond van golvend dekzand.

In natuurgebied de Oerd op Ameland ligt vandaag de dag nog een kustmoeras Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 21

Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Kreken en stroompjes Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

2750v. Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 22 - BoschSlabbers

Im

pr

es

sie

w

ad

la

nd

sc

ha

p

3. 3850 - 2750 VO O R C H R I S T U S Van kustveenmoeras tot Wadlandschap In deze periode versnelt de zeespiegelstijging andermaal en verandert het gebied van Waadhoeke geleidelijk in een groot getijdenbekken. In het centrale, laaggelegen deel van dit bekken kan de sedimentatie (= afzetting van zand en klei door het water) de zeespiegelstijging niet langer bijhouden waardoor het gebied permanent onder water komt te staan. De hoger gelegen randen van het bekken veranderen in een getijdenlandschap met getijdengeulen, wadden en slikken (zie kaart hiernaast). Met de stijgende zeespiegel schuift ook het kustveenmoeras verder landwaarts, waarbij het steeds vaker door de zee wordt overspoeld. Het dikke pakket zeeklei dat zo op het kustveen wordt afgezet vormt de basis voor de latere ontwikkeling van de Greidhoeke; het zuidelijk terpenlandschap op een ondergrond van veen. Rond 5500 voor Christus zet de zee enkele kilometers buiten de huidige kustlijn, ongeveer ter hoogte van de huidige Waddeneilanden, zandige strandwallen af. Achter die strandwallen ontwikkelt een landschap vergelijkbaar met de huidige Wadden.

Het landschap van Waadhoeke van 5000 jaar geleden was vergelijkbaar met de huidige Waddenzee Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 23

Bo or ne sle nk

Ro

Oostergo

pt as

Berltsum (huidige locatie)

le nk Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Marn

Leeuwarden (huidige locatie)

Westergo

eslen

k

Reeks van kwelderwallen, met oudste kwelderwal (bij Dronryp)

Kreken en stroompjes Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0 m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

100 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 24 - BoschSlabbers

tijdelijke bewoning op de kwelderwal

Im

pr

es

sie

kw

el

de

rla

nd

sc

ha

p

4. 2750 VO O R C H R I S T U S - 1 00 N A CHRISTUS Van wad naar kwelderlandschap Omstreeks 3500 voor Christus vertraagt de zeespiegelstijging, terwijl de zee onverminderd grote hoeveelheden zand naar het kustgebied aanvoert. Daarmee kan de sedimentatie niet alleen gelijke tred houden met de zeespiegelstijging maar deze zelfs overtreffen. Door opslibbing breidt het areaal kweldergebied aanzienlijk uit. Omstreeks 2750 voor Christus is vrijwel het gehele gebied van Waadhoeke een -dan nog onbewoond- getijdenlandschap. Bij springtij en stormvloeden worden de hogere, met vegetatie bedekte zandplaten overspoeld. Hierbij komt ook het materiaal dat het zeewater meevoert tot afzetting. De grovere, zwaardere deeltjes komen als eerste, dichtbij de stroomgeul, tot afzetting. De fijnere, lichtere deeltjes worden verder door het water meegevoerd en bezinken pas waar het water vrijwel tot stilstand komt. Door de afzetting van zand en slib ontstaan langs de stroomgeulen flauwe terreinverheffingen, de zogenaamde kwelderwallen. Deze liggen wat hoger en zijn samengesteld uit lichte, meer zavelige klei. De achtergelegen kweldervlaktes liggen lager en zijn samengesteld uit zware tot zeer zware klei. In de loop der tijd ontstaan voor de oude kwelderwallen weer nieuwe kwelderwallen.

Zo vormt zich een reeks van kwelderwallen, met daartussen kweldervlakten, waarbij de kwelderwallen van zuid naar noord jonger en hoger worden. Langs grote getijdenkreken, als de Boorneslenk, ontstaan meer zandige oeverwallen. De Boorneslenk is als ‘kwartiermaker’ voor de latere Middelzee voor de ontwikkeling van het landschap van vandaag het meest belangrijk geweest, maar ook Roptaslenk, Rieslenk en Marneslenk klinken door in het landschap van vandaag.

1

4

2

5 Illustratie van de vorming van de reeks van kwelderwallen en kweldervlakten. (Vanaf ‘stap 4’ is er voor het eerst sprake van permanente menselijke occupatie van het landschap. Voor die tijd kwam ook al tijdelijke bewoning op de kwelderwal voor).

3 Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 25

reeks van kwelderwallen, met jongste kwelderwal (bij de Hoarnestreek)

Oostergo Berltsum (huidige locatie)

Leeuwarden (huidige locatie) Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Westergo

Terpen Kreken en stroompjes Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (tussen -16 en 0m. NAP) Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

800 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 26 - BoschSlabbers

kweldervlakte

permanente bewoning op de terp

kwelderwal

Im

kw

pr es eld sie t er er v lak pen ten lan

ds

ch

ap

va

nk

we

lde

rw

all

en

5. 500 VO O R C H R I S T U S - 300 N A

en

CHRISTUS Ontwikkeling van het terpenlandschap Omstreeks 500 voor Christus neemt de zeespiegelstijging dermate af dat kwelders veel minder frequent overstromen. Daarmee wordt het kwelderlandschap geschikt voor permanente bewoning. De kolonisten vestigen zich op de kwelderwallen (dit wordt in blok B verder uitgewerkt). Kort na het begin van de jaartelling worden ook de meer zuidelijk gelegen klei-op-veen-gebieden ontgonnen, waarbij sloten worden gegraven om de ontwatering te verbeteren. Hierdoor komt het veen in de ondergrond weer in contact met zuurstof, waardoor het oxideert. Hiermee komen deze gronden -die aanvankelijk hoger dan hun omgeving lagen- lager dan hun omgeving te liggen.

terpen verspreid over het landschap

restant van een kwelderwal

kreken Im

pre

ssi

ez

uid

eli

jk

ter

pe

nla

nd

sch

ap

6. 300 - 900 N A C H R I S T U S Vorming van Middelzee en Westergo Omstreeks het jaar 300 neemt de stormintensiteit weer toe. Tijdens stormen stroomt de zee met kracht naar het inmiddels lager gelegen achterland. Hierbij wordt de Boorneslenk zo zeer vergroot dat zich een brede zeearm vormt die later als Middelzee zal worden aangeduid. Deze kent een zeer brede trechtermond die overgaat in een lange en veel smallere uitloper die tot diep rond het gebied van het huidige Waadhoeke dringt. Het brengt daarbij de scheiding aan tussen het land oostelijk en westelijk van de Middelzee: Oostergo en Westergo. Rond 800 na Christus maakt de Middelzee verbinding met de Marneslenk en wordt Westergo een eiland, geheel omsloten door water of kweldergebieden die bij hoog water onderstromen.

brede kwelderwal langs de Middelzee permanente bewoning op de terp

Im

pr

es

sie

Mi

dd

elz

ee

(la

ter

ou

de

en

jon

ge

ze

ek

lei

po

lde

rs)

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 27

Oostergo Berltsum (huidige locatie)

Franeker (huidige locatie) Harlingen (huidige locatie)

Westergo

Leeuwarden (huidige locatie)

Dijken Terpen Waterlopen Binnenwater Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Bedijkte kwelderwallen Bedijkte kwelders Veengebieden Beekdalen Pleistocene zandgebieden (boven 0 m. NAP) Stuwwallen Huidige kustlijn Gemeentegrens

1200 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 28 - BoschSlabbers

kweldervlakte

terpdorp

kwelderwal

Im p vla ress kte ie nla binn nd en sc ha dijks p kw

eld

er w

all

en

en

7. CA . 900 N A C H R I S T U S Begin van de bedijkingen Vanaf de tiende eeuw wordt de mens steeds meer de dominante factor in de landschapsvorming. Dat begint met de bedijking en wordt nog versterkt wanneer in de 12e eeuw de monniken zich in het dan welvarende en dichtbevolkte terpengebied vestigen (zie ook blok C). Door dijkaanleg ontstaat binnendijks polderland, afgeschermd van de zee en daarmee niet langer onder invloed van erosie en sedimentatie. In de buitendijkse kwelders gaan de processen van erosie en sedimentatie onverminderd door. Voor deze kwelders geldt dat hoe langer zij onder invloed van de zee staan, des te hoger zij opslibben.

terp

Slachtedijk

Im

pre

ssi

eb

inn

en

dij

ks

zu

ide

terpdorp

lijk

ter

Vanaf de twaalfde eeuw slibt de Middelzee geleidelijk dicht. De meest landinwaarts gelegen inhammen verzanden als eerste. Omstreeks 1200 wordt een begin gemaakt met de bedijking van de Middelzee. Hierbij worden als eerste de smalle uitlopers in cultuur gebracht waarna vanaf 1505 de brede trechtermond wordt ingepolderd.

8. L A N D S C H A P S T Y P E N Het landschap dat aldus is gevormd bestaat uit de volgende typen: • Zuidelijk terpenlandschap van de Greidhoeke (Greide is het Friese woord voor grasland op klei) • Het terpenlandschap van de kwelderwallen en kweldervlakten • De Middelzee (waaruit later de oude en jonge zeekleipolders worden drooggelegd) • Buitendijks kweldergebied

pe

nla

nd

sch

ap

dichtslibbende Middelzee

Zijl

Hegedijk

Im p (la ressi ter e ou dich de t en slibb jon e ge nde zee Mid d kle ipo elze lde e rs)

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 29

B Vroege bewoning, tot aan de bedijking

650 v. Chr.

7.000 v. Chr.

10.000 v. Chr.

Tijdelijke occupatie (jagers & verzamelaars)

Toen de oudste kwelderplaten eenmaal zo hoog waren opgeslibd dat ze minder frequent door de zee werden overspoeld bleek Waadhoeke al snel een aantrekkelijk woongebied. Hier woonde men niet alleen relatief ‘hoog en droog’, maar bleek men ook royaal omgeven door voedsel. Als jager, visser, verzamelaar troffen de eerste bewoners hier een gevarieerd dieet. Tot aan de bedijking waren land en water intens vervlochten. Het gebied was dooraderd met een fijnmazig stelsel van slenken en geulen en zo direct met zee verbonden. Dit legt de basis voor de intensieve handelscontacten die Waadhoeke al in de vroege middeleeuwen onderhield met Angelsaksische, Frankische, Scandinavische en Baltische volkeren. Tot aan de bedijking was Waadhoeke naast een agrarische gemeenschap ook een zeevarende gemeenschap. Dat laatste verandert met

de bedijking, waarmee de bewoners de zee letterlijk de rug toekeren en zich nagenoeg volledig op het land en het landgebruik gaan richten. Die bedijking vindt stapsgewijs plaats. Als eerste primitieve dijkjes, opgetrokken uit wier en plaggen die in de kwelders zijn gestoken, bij individuele boerderijen en terpen. In de tiende eeuw is een aantal hiervan samengevoegd tot ringdijken rond ‘moederpolders’. Weer later is men overgegaan tot de aanleg van een zeedijk die Waadhoeke tegen overstroming vanuit de Waddenzee moest beschermen, gevolgd door de aanleg van een dijk langs de Middelzee. Daarmee werd de Westergo waar Waadhoeke deel van uitmaakt tot een door dijken omgeven eiland. Mogelijk is de Tzummerpolder de oudste polder van het land. In dat geval moet het ook wel de oudste polder ter wereld zijn, waarmee het typisch

Nederlandse ‘polderen’ zijn oorsprong heeft in Waadhoeke. In de middeleeuwen ontwikkelt Waadhoeke zich tot een van de dichtstbevolkte en meest welvarende streken van Noordwest Europa. Omstreeks het jaar 700 beleeft het gebied een ongekende economische bloei. Je zou kunnen zeggen dat de ‘Gouden Eeuw’ in Waadhoeke zo’n 1000 jaar eerder heeft plaatsgevonden dan in westelijk Nederland. Die combinatie van een dichtbevolkt gebied en grote welvaart maakt de streek voor kloosterorden interessant om zich te vestigen. Hier waren zowel voldoende donateurs als voldoende aspirant-kloosterlingen. Omgekeerd brachten de kloosters de organisatiegraad die nodig was om hier grootschalige bedijkingen en ontginningen letterlijk ter hand te kunnen nemen.

1000 n. Chr. 0

Nu

Terpen Kreken en stroompjes Zee Wadden en slikken Strandwallen en lage duinen Gebieden met kwelderwallen en -ruggen Kwelders Huidige kustlijn Gemeentegrens

Minnertsga (huidige locatie)

Berltsum (huidige locatie)

Sexbierum (huidige locatie)

Menaam (huidige locatie)

Dronryp (huidige locatie) Franeker (huidige locatie)

800 na Chr. (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE) 32 - BoschSlabbers

Historische kaart (1935) Wijnaldum, gelegen op een reeks van terpen

1.

D O M E I N VA N N O M A D I S C H E JAG E R, VISSER EN VERZAMELAARS

Omstreeks 7000 voor Christus is Waadhoeke een uitgestrekt kustmoeras met een grote afwisseling aan landschappen, flora en fauna. Dit biedt al vroeg gevarieerde mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Het kwelderland wordt in die tijd bewoond door nomaden die in tijdelijke, seizoensgebonden kampen bivakkeren. Zij leven van de jacht (op boommarters, bunzings, oerrunderen, reeën, elanden en watervogels), de visvangst en het verzamelen van wortels, noten en vruchten.

2. O N T W I K K E L I N G VA N H E T T E R P E N LANDSCHAP 2.1 Eerste vlaknederzettingen op oever- en kwelderwal Wanneer de oudste kwelders eenmaal zo hoog zijn opgeslibd dat zij nog maar incidenteel overstromen, wordt het gebied voor het eerst permanent bewoond. Omstreeks 600 voor Christus vestigen de eerste kolonisten zich op de hoger gelegen, zandige oeverwal, vanwaar zij ook de lager gelegen kweldervlakten beweiden. Vermoedelijk waren zij afkomstig van het hoger gelegen Drents Plateau - waar de landbouwomstandigheden, door verstuiving en veenvorming, snel verslechterden - en uit WestFriesland. Mogelijk was een deel van deze nieuwe bewoners al met het gebied bekend, omdat ze het eerder als tijdelijke weide voor hun vee gebruikten.

Rond 400 voor Christus vestigt men zich ook op de hoger opgeslibde zavelige kwelderwallen. Deze waren beter begaanbaar en lichter te bewerken dan de zware kleigronden in de lager gelegen kweldervlakten. In die tijd ontstaan op de binnenste -en daarmee oudste- kwelderwal de eerste agrarische nederzettingen, die later zullen uitgroeien tot dorpen als Menaam en Dronryp. Ongeveer honderd jaar later is ook de volgende kwelderwal zo hoog opgeslibd dat deze voor bewoning geschikt wordt. Rond 200 voor Christus ontstaan de eerste nederzettingen op de kwelderwallen van Salverd-Skingen en Harlingen. Omstreeks het begin van de jaartelling is alweer de volgende kwelderwal dermate hoog opgeslibd dat deze ‘rijp’ voor bewoning is. Zo zijn de kwelderwallen vanuit het land richting zee in gebruik genomen. In eerste instantie zijn deze nederzettingen direct op deze kwelderwal -zonder extra ophoging- aangelegd. Het zijn daarmee ‘vlaknederzettingen’. Nu lagen deze kwelderwallen wel hoger dan hun omgeving, maar ook weer niet zo hoog dat ze een finale bescherming tegen het water boden. Om de kwelderwallen enigszins voor overstroming te behoeden zijn al voor de jaartelling eenvoudige plaggendijkjes aangelegd. Deze beschermden de akkers bij de dorpen en waren hoog genoeg om een groot deel van de stormvloeden te kunnen keren.

BRON: Topotijdreis.nl

2.2 Ontstaan van terpen Wanneer de zee onrustiger wordt en het water geleidelijk hoger komt te staan, gaat men de woonplaatsen fasegewijs verhogen om zich tegen stormvloeden te beschermen. Door het stapelen van huishoudelijk afval, mest en zoden ontstaan individuele huisterpen in het landschap. Deze individuele huisterpen, ook wel huispodia genoemd, waren aanvankelijk niet veel hoger dan 1 à 2 meter. Doordat de zeekust in die tijd nog ver verwijderd was, kwamen extreem hoge waterstanden minder vaak voor. Zo’n huisterp was ook niet veel groter dan de boerderij zelf en kende steile randen. Naarmate meer bewoners besluiten hun woonplaats met afval en zoden op te hogen ontstaan er ‘eilandjes’ op korte afstand van elkaar. Later, wanneer de zee dichterbij komt waardoor er meer dreiging van de stormvloeden uitgaat, worden de terpen verder opgehoogd. Daarbij wordt de terp -doordat men de rand niet te steil kon afwerken- ook groter. Zo smelten individuele huisterpen samen tot dorpsterpen, die in de loop der tijd steeds groter worden. Veel dorpen in Waadhoeke zijn ontstaan uit een reeks van terpen. De topografische kaart 1935 van Wijnaldum en omgeving brengt dit goed in beeld. De huizen op de terpen waren opgetrokken uit hout, leem en plaggen. Zij hadden daarmee niet het eeuwig leven. Wanneer een huis dusdanig in verval was geraakt dat het niet langer bewoonbaar was werd het afgebroken.

Vaak werd op dat moment ook een nieuwe laag op de terp aange-

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 33

Tolsum

bracht. Daarmee verdwenen de resten van het oude huis onder het oppervlak en ontstond een steviger ondergrond voor de bouw van nieuwe huizen. Elke keer dat de nederzetting werd uitgebreid met een nieuwe boerderij werd aan de rand van het dorp een nieuw huispodium opgeworpen dat aan de bestaande terp werd vastgebouwd. Zo werden de terpen steeds groter en eigenlijk ook hoger dan voor de bescherming tegen het water nodig was. Ook werden terpen vergroot ten behoeve van de akkerbouw, om gewassen te kunnen verbouwen die een drogere groeiplaats prefereren. Met name op de kwelderwal die van Sexbierum tot Minnertsga loopt zijn veel dorpen ontstaan uit een cluster van terpen. Om in dit door zoutwater omgeven gebied toch over zoetwater te kunnen beschikken hadden de meeste dorpsterpen een dobbe waarin het hemelwater werd opgevangen en vastgehouden. Sommige dorpen beschikten over een waterput. Hiermee werd water uit de zoetwaterbel in de ondergrond -die dreef op het zoute water- geput. Ook was op de terpen enige beplanting (vlier, iep en els) aanwezig, maar dit was onvoldoende om de bewoners van bouwhout of brandstof te voorzien. Deze terpen maakten een permanente bewoning van het kwelderland mogelijk. Zo ontwikkelt zich op de nog onbedijkte kwelder een zwerm van honderden terpen. Nergens elders in het Waddengebied treft men een dergelijke concentratie van terpen aan.

Huidige terpenlandschap ten zuiden van Tzum (foto: Siebe Swart) 34 - BoschSlabbers

In het noordelijk deel van Waadhoeke volgen de terpen nauwgezet de kwelderwallen, in het zuidelijk kleigebied van Greidhoeke kennen zij een lossere ordening en liggen zij meer verspreid in het landschap. Maar zowel in het noordelijk landschap van de kwelderwallen en -vlakten, als in het zuidelijk kleiterpenlandschap zijn vrijwel alle terpen direct aan de geulen en slenken opgeworpen. De toevoeging ‘ryp’ -hetgeen rand of oever betekent- verwijst naar de ligging aan water, zoals bij Dronryp. 2.3 De Romeinse aanwezigheid Rond het begin van de jaartelling beïnvloedt de aanwezigheid van de Romeinen de gemeenschap van Waadhoeke. De Romeinen brengen naast nieuwe gebruiksvoorwerpen -als mantelspelden - ook nieuwe materialen -als brons- en de techniek van het steenbakken naar Waadhoeke. Ook introduceren zij de kip, zowel op het erf als op het menu. Het schrijfplankje van Tolsum, het Apollobeeldje en de Votiefsteen van Hludana, die bij de latere terpafgravingen zijn aangetroffen, vormen tastbare herinneringen aan deze periode. Ofschoon de Romeinse aanwezigheid niet lang duurt (ongeveer van 12 voor Christus tot 54 na Christus) blijven de handelscontacten tussen de Romeinen en Waadhoeke nog meer dan twee eeuwen bestaan. De Romeinse geschiedschrijver Plinius (23-79 na Christus) beschreef het gebied en zijn strijd tegen het water in zijn ‘Naturalis historica’ als volgt:

Handel vanuit het Romeinse Rijk Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 35

“Twee keer per etmaal komt de oceaan daar met geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt een eeuwig omstreden natuurlijk gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vasteland behoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge terpen of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze erop hebben gebouwd lijken zij zeelieden wanneer water het omringende land bedekt, maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken” 2.4 Derde golf van terpontwikkeling Omstreeks 300 na Christus is de zee dermate onrustig dat de bewoners zich -tijdelijk- uit het kustgebied terugtrekken. Het is niet bekend of het gebied dan geheel verlaten is, maar zeker is dat de bewoningsdichtheid dan sterk afneemt.

Vermoede begindateringen voor permanente bewoning van verschillende terpen BRON: Wiersma, J., & Nieuwhof, A. (2018). Het ontstaan van het terpen- en wierdenlandschap. In A. Nieuwhof, J.Nicolay, & J. Wiersma (editors), De geschiedenis van terpen- en wierdenland: Een verhaal in ontwikkeling (blz. 11-26). (Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek; Vol. 100). Vereniging voor Terpenonderzoek

36 - BoschSlabbers

Tussen 350 en 550 vindt in Europa een ware volksverhuizing plaats waarbij grote groepen mensen migreren. Omstreeks het jaar 400 trekt men opnieuw naar het gebied van Waadhoeke en volgt een hernieuwde bewoning. Deze nieuwe bewoners komen waarschijnlijk uit Noordwest-Duitsland en staan bekend als Angelsaksen. Deze hernieuwde bewoning leidt tot een nieuwe golf van terpontwikkeling, waarbij bestaande terpen worden versterkt en vergroot en nieuwe terpen worden aangelegd. In het noordelijk terpenland worden de nieuwe terpen met name op de jongere, meer zeewaarts gelegen kwelderwallen opgeworpen.

Het gereconstrueerde zodenhuis te Firdgum

Ofschoon vanaf 1200 baksteen wordt toegepast voor de bouw van kloosters, kerken en stinzen duurt het tot de late middeleeuwen voordat de gebakken steen ook in de boerderijbouw wordt toegepast. Tot die tijd worden de terpboerderijen opgetrokken uit hout en zoden. Het gereconstrueerde zodenhuis bij Firdgum geeft hiervan een goed beeld. Datering op basis van ligging en naamgeving De oudste terpen liggen op de binnenste kwelderwal, gaandeweg worden ook de meer zeewaartse kwelderwallen bewoond. De jongste terpen liggen op de buitenste kwelderwal. Daarmee laten de terpen van Waadhoeke zich naar hun ligging dateren. Ook uit de naamgeving is de ouderdom van de terp te herleiden: • Bij de oudste terpen eindigt de naam op ‘hem’ of ‘um’. Dit is bij de meeste terpdorpen in Waadhoeke het geval: Tzum, Barrum, Klooster Lidlum, Midlum, Bitgum, Firdgum, Dongjum, Marsum, Boksum en vele anderen. • Nederzettingen waarvan de naam op ‘ns’ eindigt, zoals bij Peins en Zweins, zijn net iets later ontstaan. • Eindigt de naam op ‘wier’, zoals bij de nederzetting Wier, dan duidt dat op een weer iets latere oorsprong. • Eindigt de naam op ‘terp’, zoals bij Slappeterp, dan ligt de oorsprong nog wat later. • Eindigt de naam op buur, dan duidt dat op een oorsprong in de late middeleeuwen. Dit is bij de nederzetting Boer, dat in 1433 nog als ‘Buur’ wordt aangeduid, het geval.

In zo’n terpdorp stonden de boerderijen niet alleen dicht op elkaar, maar ook onhandig ver van het land dat vanuit de boerderij werd bewerkt. Na de bedijking vindt een ontwikkeling plaats waarbij boerderijen vanuit de dorpen naar het buitengebied worden uitgeplaatst. Men durft dan nog niet al te zeer op de dijken, die in eerste instantie nog regelmatig doorbreken, te vertrouwen. Deze boerderijen worden op nieuwe huisterpen in het verder overwegend lege land gebouwd. 2.5 Primitieve akkerbouw en veeteelt De eerste terpbewoners leven vooral van de jacht en de (schelp)visserij en van het vee dat men op de kweldervlakten liet grazen. Akkerbouw was maar beperkt mogelijk. Waar de terp groot genoeg was lagen akkertjes op de terp zelf, elders lagen zij op de glooiingen van de terpen en deels ook in de kwelder. De akkertjes in de kwelder werden omgeven door een lage ringdijk, samengesteld uit kwelderplaggen die in de onmiddellijke nabijheid waren gestoken. Zo’n dijk was niet meer dan 1 à 2 meter hoog en 3 meter breed, genoeg om de gewassen te beschermen tegen hoge (storm) vloeden in voorjaar en zomer. In herfst en winter waren overstromingen geen probleem, het gewas was dan immers al van het land en bij die overstromingen werd vruchtbaar slib op het land afgezet. Daarmee werden de gronden op natuurlijke wijze bemest en verder opgehoogd.

De niet-bedijkte gronden werden gebruikt als weidegrond voor runderen en schapen. De runderen waren zowel trekdier als melk- en slachtvee. Hun huiden dienden als handelswaar, hun beenderen

werden gebruikt om gebruiksvoorwerpen van te maken. Ook schapen dienden als melk- en slachtvee, maar belangrijker was hun wollige vacht. Dit vormde de grondstof voor het beroemde Friese laken, dat in de periode 800-1000 een van de belangrijkste exportproducten van de streek was. Omstreeks het begin van de jaartelling verschijnt ook de kip op het erf van de terpbewoners. Het vee was ook leverancier van brandstof. Door het zoute milieu is Waadhoeke nooit rijk geweest aan opgaande beplantingen. Hout om te stoken was maar beperkt voorhanden. Van het vee in kwelders en kweldervlakten werden de koeienvlaaien verzameld en op hun kant te drogen gezet, opdat zij als brandstof konden worden ingezet.

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 37

Fibula van Wijnaldum (Wijnaldum grenst aan Waadhoeke) Fries Museum, https://www.friesmuseum.nl/collectie/een-greep-uit-de-collectie/mantelspeld-van-wijnaldum

3 . G R OT E W E LVA A R T In de vroege middeleeuwen, vanaf de vijfde eeuw, wordt het gebied van Waadhoeke steeds intensiever bewoond en groeit het uit tot één van de dichtstbevolkte en meest welvarende streken van Noordwest Europa. Archeologisch onderzoek leert dat Wijnaldum in die tijd mogelijk een machtscentrum is, vondsten duiden op de aanwezigheid van ateliers van een verscheidenheid aan ambachtslieden: goud- en zilversmeden, bronsgieters, glas- en barnsteenbewerkers, wevers en een wapensmid. De zilveren Arabische munt die hier, verwerkt in een sieraad, is aangetroffen geeft aan dat er, direct of indirect, sprake was van zowel vérreikende als verríjkende handelscontacten. Ook de grote zilverschatten die bij Tzummarum, Wirdum en Winsum zijn gevonden - met munten die omstreeks 800 na chr. in Dorestad zijn geslagen - geven de welvaart van dat moment weer. Mogelijk hebben de oorspronkelijke eigenaren deze schatten begraven om te voorkomen dat zij door de Vikingen geroofd zouden worden. Ondanks de aanleg van de dijkjes blijven de mogelijkheden voor de akkerbouw beperkt. Deze brengt

Inzoom: fibulae In 1953 vond een boerenknecht tijdens het graven van een drainagesleuf in de terp van Tjitsma, in de Wijnaldumerpolder, een grote gouden mantelspeld. De inleg van dit sieraad bestaat uit meer dan 300 stenen, waaronder

38 - BoschSlabbers

almandijnen uit India. Deze ‘fibula’ uit ca. 624 na Christus is waarschijnlijk het eigendom geweest van een Friese koningin of priesteres. In mei 2020 is grenzend aan Waadhoeke, bij Swichum, een nog veel grotere Domburgfibula uit de zevende eeuw gevonden. Waar fibulae gewoonlijk van brons waren, is deze van verguld zilver en gedecoreerd met twee beestenkoppen, mogelijk de raven Huginn en Munnin, hulpdieren van de Noorse god Odin. Fibulae werden gebruikt door de ‘koningen’ van die tijd. Deze fibulae geven aan dat het gebied in de zevende eeuw al intensief werd bewoond en welvarend was. Het geeft ook aan dat er in die tijd mogelijk al sprake was een veelheid aan overzeese contacten, zowel met Angelsaksische en Frankische als met Scandinavische volkeren.

onvoldoende op om het steeds dichterbevolkte terpengebied van graan en groenten te voorzien. In deze door zout water gedomineerde omgeving is ook nauwelijks opgaande beplanting van enige omvang aanwezig, waardoor ook bouwhout schaars is en overwegend vanuit elders moet worden betrokken. Daarop worden de terpbewoners -geholpen door de talloze vaarverbindingen naar zee- naast boer ook handelaar. Vee, huiden en het Friese laken worden belangrijke exportproducten en geruild voor graan, maalstenen en bouwhout.

Het Friese laken stond hoog aangeschreven. Bekend is dat Karel de Grote (743-814) kazuifels vervaardigd van Fries laken als geschenk aan bevriende vorstenhuizen gaf. Dat Friese laken was gemaakt van schapenwol dat door de toevoeging van urine was vervilt. Pas veel later zou linnen de belangrijkste lakenstof worden. Mogelijk heeft ook het Darinkdelven een rol gespeeld bij het succes van de handel. In die tijd was zout, nodig voor het conserveren van vis en vlees, een buitengewoon kostbaar product, dat toen ook wel het ‘witte goud’ werd genoemd.

Het woord salaris is afkomstig van het Latijnse woord salarium dat ‘zoutrantsoen’ betekent. Dit komt omdat zout vroeger werd gebruikt als betaal- en ruilmiddel. De Romeinen betaalden bijvoorbeeld de soldaten en ambtenaren met zout.

In het zuidelijk deel van Waadhoeke was onder het kleidek nog altijd het veen aanwezig, dat gedurende eeuwen door de zee overspoeld was geweest en derhalve een hoog zoutgehalte kende. Door dit veen onder het klei (de ‘darinck’) vandaan te halen (‘te delven’), te drogen te leggen en vervolgens te verbranden en uit te spoelen kon men dit zout uit het veen destilleren.

In die tijd wordt de Noordzee nog aangeduid als ‘de Friese Zee’. Het kustgebied waar Waadhoeke toe behoort is een open, naar buiten gekeerde samenleving. De kustbewoners onderhouden intensieve handelscontacten met overzeese culturen, met Frankische, Angelsaksische Baltische en Scandinavische volkeren, waaronder de Vikingen. Mogelijk komt dit mede omdat de ‘nieuwe bewoners’ van het terpengebied deels van deze gebieden afkomstig waren en derhalve met deze gebieden én hun producten bekend waren.

Handelsroute 600 n. Chr. Handelsroute 789 - 810 n. Chr. Handelsroute 860 n. Chr.

Handel over de Noordzee

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 39

I N T E R M E Z ZO : O N T W I K K E L I N G K W E L D E R WA L L E N E N K W E L D E R V L A K T E N

Minnertsga

Minnertsga

Wier Firdgum

Firdgum

Tzummarum

Tzummarum

Ried

Ried

Slappeterp

Slappeterp

Boer

Boer

Situatie +/- 1000 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Situatie +/- 750 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

) yk yk iltd d B Sé lde Alde Sédyk (Griene dyk) (A

Balkesyl Séd

yk

Balkesyl

Minnertsga Ald

eS

y éd

k

Minnertsga Wier

Wier

Firdgum

Firdgum

Tzummarum

Klooster Lidlum

Tzummarum

Hegesyl

Klooster Anjum D

ie eR

Ried

Situatie +/- 1250 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Klooster Anjum

Hegesyl De

Boer

40 - BoschSlabbers

Klooster Lidlum

Rie

Ried

Slappeterp

Boer

Situatie +/- 1500 (gebaseerd op kaart Archeologische Steunpunt te Firdgum)

Slappeterp

Landschapsbiografie - Waadhoeke

- 41

C Het bedijkte land

10.000 v. Chr.

Met de aanleg van de terpen waren wel de bewoners, maar niet hun land en hun vee tegen het wassende water beschermd. Om ook de cultuurgronden en het vee tegen overstroming te beschermen zijn vanaf de tiende eeuw dijken aangelegd. Aanvankelijk waren deze nog laag en primitief, opgebouwd uit kwelderplaggen en ander materiaal, maar allengs verbreed, verhoogd en onderling verbonden. De dijkaanleg was in eerste instantie gericht op de bescherming van het oude terpenlandschap tegen overstroming vanuit de Waddenzee en de Middelzee. Daartoe zijn eerst de wadgeulen gedicht en is op de overgang naar de Waddenzee de oude zeedijk aangelegd. Vervolgens zijn ook langs de Middelzee dijken aangebracht. In dit oude terpenlandschap is de bodemopbouw sterk sturend in waar mensen gaan wonen en hoe zij het land

gebruiken. In het noordelijk deel van Waadhoeke volgen de terpen nauwgezet de parallel verlopende kwelderwallen, deze liggen wat hoger en de bodem is hier lichter waardoor er ook mogelijkheden zijn voor akkerbouw. De zware kleigronden in de tussengelegen kweldervlakten zijn in gebruik als (gemeenschappelijke) hooilanden. Op de brede oeverwal langs de Middelzee ontwikkelt zich tussen Wier en Bitgum het gardenierslandschap. In het zuidelijk deel liggen de terpen meer los verspreid over het kleilandschap. In het bochtig verloop van de wegen herkent men nog de oude stroomgeulen, die later met zand zijn dichtgeslibt en nadat het omliggend kleigebied wat was ingeklonken, wat hoger dan hun omgeving lagen. Deze Greidhoeke is het land van melk, kaas en boter.

800 n. Chr. 0

Wanneer de bedijkte Middelzee geleidelijk aan steeds verder verzandt, wordt deze fasegewijs ingepolderd. Eerst stap voor stap de smalle zeearm die tot diep in het oude land reikt, waarbij een ladderstructuur ontstaat en vanaf 1505 ook de brede trechtermond. Hier ontstaan grote, stelselmatig ingedeelde zeekleipolders. Dit proces van aandijken zet zich voort tot in de 18e eeuw. Hier ontstaan zeer grootschalige landschappen met akkerbouw op de lichtere gronden in het noorden en veeteelt op de zwaardere klei in het zuiden. Het land is niet ondankbaar; de vruchtbare bodem brengt grote oogsten voort. Deze oogsten zijn zelfs zo groot dat hier een nieuw boerderijtype ontstaat: de kop-hals-romp-boerderij.

1850 n. Chr. Nu

Wijnaldumer polder

Polder Tzum-west

Polder Bolsward-Witmarsum

Polder Oosterend

Moederpolders (10e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE)

Moederpolder met bochtig verloop van de Nijbuorsterdyk

Zeedijk (11e eeuw) (gebaseerd op paleogeografische kaart RCE)

Zeedijk bij Zwarte Haan

44 - BoschSlabbers

1.

B E D I J K I N G E N O N T W I K K E L I N G VA N HET TERPENLAND

1.1 Bedijkingsgeschiedenis terpenland Individuele bedijking Al heel vroeg hebben mensen eenvoudige plaggendijkje aangelegd om hun spaarzaam aanwezige akkertjes tegen overstroming door zout water te beschermen. Deze eerste dijkjes waren individueel ontwikkeld, gericht op de bescherming van het eigen land en zowel in de hoogte als in de lengte beperkt van omvang. Bij Peins zijn bij opgravingen resten van dijkjes van voor het begin van de jaartelling aangetroffen. Ontstaan van de moederpolders In de tiende eeuw worden de Tzummerpolder -en mogelijk ook de Wijnaldumerpolder- als eerste delen van het open kwelderlandschap door een ringdijk omsloten. Deze ringpolders worden ook wel ‘moederpolder’ genoemd. Deze ‘moederpolders’ waren autonome eenheden, een eigenstandige ringdijk beschermde de eigen polder tegen de zee. Na voltooiing van de ringdijk werd het ingesloten gebied ingepolderd. Het waterpeil in de polder regelde men met eenvoudige uitwateringssluisjes. Deze lagen op de plek waar de dijk de loop van een wadkreek kruiste. Zo een sluisje was niet meer dan een houten koker door de dijk met een klep die bij eb werd geopend. Deze moederpolders zijn ontstaan uit een aaneenschakeling van individuele ontginningen die eerder vanuit de terpen hadden plaatsvonden. Hierbij

maakten primitieve dijkjes van plaggen plaats voor een langere en hogere ringdijk met als doel de achtergelegen dorpen (Wijnaldum, Herbaijum en Midlum in de Wijnaldummerpolder; Tzum en Barrum in de Tzummerpolder) mét de bijbehorende cultuurgronden af te schermen van de zee. Bij de aanleg van de ringdijk sloot men aan op natuurlijke hoogten -kwelderwallen- en op de reeds bestaande terpen. Dat verklaart het grillige verloop van de dijk. Deze moederpolders vormen de kern van waaruit de bedijking is voortgezet en waar in de loop der tijd nieuwe polders aan zijn gegroeid. Jongere dijken worden doorgaans haaks aangesloten op de oude dijken van de moederpolders. Zo komt in dit deel van de Westergo een intrigerend ‘polderpatchwork’ tot ontwikkeling; een aaneengesloten systeem van elf polders. Afdammen wadgeulen en aanleg van de eerste zeedijk Rond het jaar 800 wordt de zee weer agressiever, deze slijt de wadgeulen zo ver uit dat zij de aanliggende terpen bedreigen. Dit dwingt de inmiddels sterk toegenomen bevolking tot de inzet van nieuwe middelen om zich beter tegen het water te beschermen. Men gaat dan over tot de aanleg van grotere, collectieve dijkstructuren. In de tiende eeuw worden als eerste de wadgeulen afgedamd.

Omstreeks 1000 wordt van Dijkshoek tot aan Marsum (via Wier, Berltsum, Bitgum, Bitgummole en Ingelum) een lange zeewerende dijk aangelegd (Griene Dyk, Hege Dyk, Alddyk). Deze staat bekend als ‘de eerste zeedijk’. De aanleg van de

zeedijk reduceert de dijken die eerder zeewering waren, zoals de ringdijken rond de moederpolders, tot binnendijken. Anders dan bij de moederpolders, die waren gericht op het beschermen van het gebied binnen hun eigen ringdijk, had de aanleg van de zeedijk tot doel het gehele achterland tegen de zee te beschermen. De aanleg van de zeedijk voltooit de successie van individuele bescherming naar collectieve bescherming: • De eerste terpen waren huisterpen, gericht op de bescherming van eigen woonplaats. • Vervolgens groeit een deel van de huisterpen uit tot dorpsterpen, gericht op de bescherming van de dorpsgemeenschap. De terpen beschermen het dorp tegen hoog water, maar niet het bijbehorende land en het vee in het land (dat werd bij hoog water de terp opgedreven). • Daarop worden bij de terpen de eerste eenvoudige dijkjes aangelegd om de akkertjes enigszins tegen hoog water te beschermen. • Vervolgens worden de moederpolders ontwikkeld, gericht op de bescherming van have en goed binnen het door de ringdijk afgeschermd gebied. • Tot slot zijn grotere dijkstructuren ontwikkeld gericht op de collectieve bescherming van een breder achterland. Vanaf de elfde eeuw worden rond de Westergo stapsgewijs een stelsel van dijkringen aangelegd, die het gebied moet beschermen tegen overstroming vanuit de Middelzee. Daarbij wordt waar Landschapsbiografie - Waadhoeke

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=waadhoeke&id=931ce7bb-868d-43a8-8cec-c26ab73dc5a1