Agendabundel
Tekst van het document
Het leveren van maatschappelijke diensten, zoals natuur- en landschapsbeheer, bodembiodiversiteit, waterconservering en berging, dient volwaardig en structureel te worden vergoed. Dit kan op verschillende manieren: door deze diensten zonder meerkosten in het bedrijf in te passen, door vergoeding uit de markt, óf - waar de aanpassingen niet inpasbaar zijn in een regulier verdienmodel - door de overheid. De provincie ondersteund gemeenten bij toepassing van de Nije Pleats methode voor lokale inpassing van agrarische bedrijven; in de Omgevingsverordening geven we aan vanaf welke omvang de Nije Pleats methode relevant is, zodat dit niet voor beperkte agrarische ontwikkelingen nodig is. Extra inspanning voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid kan een plus opleveren in de vorm van extra ontwikkelruimte, nader te regelen in de Omgevingsverordening. 3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Binnen de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande stal, waar pluimvee wordt gehouden, uitgebreid ten behoeve van het vergroten van de leefruimte voor de te houden scharrelvleeskuikens. Op basis van het beleid omschreven in de omgevingsvisie van de provincie Friesland, en de daaruit voortvloeiende Omgevingsverordening, kan worden gesteld dat deze ontwikkeling aansluit bij de doelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie Fryslân.
Deze doelstellingen zijn immers gericht op het maken van een omslag naar duurzame landbouw. In 3.2.2 wordt nader ingegaan op de provinciale omgevingverordening en de bijbehorende toetsing aan de methode Nije Pleats. 3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening
3.2.2.1 Algemeen Op 25-06-2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. De verordening wordt regelmatig gewijzigd, waarvan de laatste wijziging dateert van 23 maart 2021: Aanpassing nummering artikel 10.1.1, eerste lid Verordening Romte Fryslân 2014 (algemene ontheffing). De verordening stelt concrete regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen (uit het streekplan, maar ook daarna opgestelde structuurvisies) doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening voorziet niet in nieuw beleid. Uitsluitend geldend provinciaal ruimtelijk beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de Barro of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet te worden over gedaan. Verder is rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk. In het beleidsdocument is een aparte kop agrarische bedrijven opgenomen, hieronder worden relevante artikelen toegelicht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing Landbouw: (Agrarische bedrijven) artikel 6 Artikel 6.1.3 onder 1 van de verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor uitbreiding van het agrarische bouwperceel kan bevatten tot 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. In artikel 6.1.3 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die ervanuit gaat dat er groter gebouwd mag worden gebouwd onder de volgende voorwaarden: a. b. c.
het bedrijf al een bouwperceel van bijna 1,5 ha of meer dan 1,5 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren, de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en de nieuwe situatie een maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten: I. verbetering van dierenwelzijn, II. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; III. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, IV. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing.
Artikel 6.1.5 geeft onder 1 aan dat bij een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Onder 2 wordt aangegeven dat voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het eerste lid een ruimtelijk inrichtingsplan wordt opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen. 3.2.2.2 Nije Pleats methode De Nije Pleatsmethode is een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting. Voor de methode gelden twee regels: 1.
2.
In een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, wordt in de plantoelichting onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het eerste lid wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen
De verordening biedt ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Voor schaalvergroting (geregeld in artikel 6.1.2 en 6.1.3 van de verordening) geldt de voorwaarde dat het bedrijf in de beoogde bedrijfsomvang ter plekke kan functioneren en qua ligging en ontsluiting en inpasbaar is binnen de kwaliteiten van landschap en natuur. Hierbij laat de gemeente zich in een vroeg stadium door deskundigen integraal adviseren over de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf. Deze maatwerkmethode levert winst voor de agrariër en winst voor de inpassing van het boerenerf in het landschap op. Daarnaast is er sprake van tijdswinst als de deskundigen op één moment en gezamenlijk tot een integraal advies komen. Het expertiseteam van De Nije Pleats, waarvan het contactpunt bij Hûs en Hiem zit, is een serviceteam richting gemeenten dat snel het gewenste maatwerk kan leveren.. Een gemeente kan deze integrale advisering en onderbouwing ook zelf organiseren. In dat geval zal verzekerd moeten zijn dat alle relevante deskundigen tijdig worden ingeschakeld. Uiteraard mag sprake zijn van maatwerk: bij kleinschalige perceel verruiming in niet complexe situaties kan de Nije Pleats-methodiek ook eenvoudiger vormgegeven worden. Artikel 6.1.5 van de omgevingsverordening borgt die Nije Pleats methodiek bij bouwpercelen > 1,5 ha en bij nieuwe bouwpercelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de provinciale verordening Toetsing
Artikel 6
De uitbreiding buiten het bestaande bouwvlak samen met de bebouwing en het groen binnen het bestaande bouwvlak komt neer op een ruimte beslag van circa 3 ha en komt dus uit boven de 1,5 ha. Het totaal bebouwde oppervlak bedraagt in de nieuwe situatie 15222,3 m2. De uitbreiding komt met 350m2 buiten het bestaande bouwvlak te liggen. De uitbreiding aan stal drie is redelijkerwijs niet binnen het bestaande bouwvlak te realiseren. De uitbreiding is een beperkte uitbreiding die maatschappelijk voordeel oplevert ten aanzien van de verbetering van dierenwelzijn, vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen. Toetsing
Nije Pleats
Voorliggend bouwvlak is reeds groter dan 1,5 hectare. Daarnaast voorziet de wintergarten in een zeer geringe toename, van oppervlak, ten opzichte van het huidige bouwvlak. De wintergarten bevindt zich aansluitend aan bestaande bebouwing, wat een maatwerktraject niet nodig maakt. Er is geen heroverweging van landschappelijke inpassing nodig zoals dat bij bouwblokverruiming of uitbreiding met nieuw stallen het geval is. Ook qua welstand is er geen noodzaak voor een zware toets omdat de benodigde bouwvergunning door welstand wordt getoetst. Tot slot leidt de uitbreiding niet tot een grotere bedrijfsomvang of toename van dieren en gaat de ontwikkeling niet ten koste van de kwaliteit van het landschap en de natuur Gelet op bovenstaande wordt toetsing aan artikel 6.1.5 wordt hierom niet noodzakelijk geacht. De Nije Pleats methode wordt hierom achterwege gelaten. Wel heeft de initiatiefnemer een inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2) waardoor het totale erf landschappelijk wordt ingepast. Tevens is er rekening gehouden met de lichtinvloed van de ontwikkeling op omliggende percelen, door het uitvoeren van een verlichtingsplan (zie bijlage 3) De verlichting is zo geplaatst dat het licht geen uitstraling heeft naar de omgeving. 3.2.3
Conclusie toetsing provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de Provincie Friesland.
3.3
Gemeentelijk beleid
De gemeente Waadhoeke heeft een welstandsnota opgesteld, hieronder wordt hieraan getoetst. 3.3.1
Welstandsnota Waadhoeke
3.3.1.1 Algemeen De gemeente Waadhoeke heeft per 12 december 2019 een welstandsnota opgesteld. De laatste wijzigingen zijn doorgevoerd per 1 juli 2021. Het welstandsbeleid van Waadhoeke is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Waadhoeke. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Waadhoeke. Uitgangspunt daarbij is dat met het opstellen van welstandsbeleid de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht levert. Burgers, ondernemers en ontwerpers worden in een vroeg stadium geïnformeerd over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.3.1.2 Buitengebied Het buitengebied van de gemeente Waadhoeke kan globaal in tweeën worden gedeeld. In het noorden ligt de nadruk van de agrarische bedrijfsvoering op de akkerbouw terwijl het zuidelijk deel voornamelijk wordt bepaald door veehouderijbedrijven. De bebouwing ligt in beide gebieden sterk verspreid in het landschap, waarbij de boerderijen het bebouwingsbeeld domineren. Verspreid zijn ook woningen in het buitengebied gesitueerd en op een aantal plaatsen is sprake van een kleine bebouwingsconcentratie in de vorm van zeer kleine dorpjes en gehuchten. Voor de cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zijn objectcriteria geformuleerd. Voor de beschrijving van deze boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen. Naast de authentieke boerderijen is er op het boerenerf bebouwing gerealiseerd die ten dienste staat van het akkerbouwbedrijf, dan wel het veehouderijbedrijf. Deze bebouwing is qua bouwhoogte veelal ondergeschikt aan de authentieke boerderij, maar qua oppervlakte veelal omvangrijk. Het grote verschil tussen de agrarische bedrijfsbebouwing voor een akkerbouwbedrijf en een veehouderijbedrijf zit in de goothoogte van de gebouwen.
Akkerbouwbedrijven hebben uit oogpunt van de bedrijfsvoering behoefte aan een hoge goothoogte, terwijl tot nog toe die hoogte bij veehouderijbedrijven beperkt kon blijven. Hier is overigens ook een trend naar hogere stallen waarneembaar. Ondanks de forse nieuwe agrarische bebouwing is de historische boerderij in de meeste gevallen nog beeldbepalend voor het erf. De nieuwe bebouwing is veelal op het achtererf geplaatst. In het buitengebied komen verspreid ook andere bijzondere functies en gebouwen voor, zoals woningen, windmolens en gemaaltjes. 3.3.1.3 Toeting initiatief aan Welstandsnota Waadhoeke. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bestaande stal met een wintergarten, waarbij de structuur en het aanzien van het agrarisch erf nauwelijks tot niet wijzigt. Tevens past de bebouwing binnen een uitgevoerd inpassingsplan. Aan de welstandscommissie is het om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de omgeving. 3.4
Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het van relevante gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie projectgebied
De uitbreiding van de pluimveestallen wordt in het kader van de Wgh niet aangemerkt als een geluidgevoelig object. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai zijn dan ook niet van toepassing. In paragraaf 4.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. 2.
als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijfstijd van minder dan 2 uur gehanteerd;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 3.
4.2.2
als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Situatie projectgebied
Binnen de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande pluimveestallen uitgebreid met de aanbouw van een wintergarten (overdekte uitloop). Met de uitbreiding wordt een verbetering in het leefklimaat voor de dieren in de stal beoogd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee niet in het mogelijk maken van een gebouw welke bestemd is voor (nagenoeg) langdurig menselijk verblijf. Daarmee wordt voldaan aan de tweede uitzonderingsregel uit voorgaande paragraaf. Een bodemonderzoek kan om deze reden achterwege blijven. 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ▪ ▪
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ▪ ▪ ▪
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloer met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsten 70 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000
80 m
90 m
100 m
120 m
140 m
160 m
387.000
473.000
581.000
817.000
1.075.000
1.376.000
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Voorliggende ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.2
Situatie projectgebied
In bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvraag milieu neutraal veranderen toegevoegd. Hierin worden onder andere diverse milieuaspecten toegelicht. Betreft de luchtkwaliteit is onderstaande relevant. Fijnstof Minder dieren betekent minder uitstoot. De 274.000 st. vleeskuikens blijven vergund, maar als er scharrelvleeskuikens worden gehouden is de emissie lager. De fijnstofemissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 216.500 st. reguliere kuikens. Ammoniak Minder dieren betekent minder uitstoot. De 216.500 st. vleeskuikens blijven vergund, maar als er scharrelvleeskuikens worden gehouden is de emissie lager. De ammoniakemissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 274.000 st. reguliere kuikens. In de situatie met scharrelvleeskuikens voldoet de situatie ook aan de normstelling van het Besluit huisvesting; de max. e.w. voor de stalemissie in bestaande stallen opgericht voor 1 juli 2015 is 0,045 kg NH3 p.d.p.j.; de werkelijke emissie in het geval van 155.500 st. vleeskuikens is 0,021 kg NH3 en veel lager dan deze norm. Niet in betekende mate (NIBM) Gelet op bovenstaande kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging en zelfs zorgt voor een verbetering van de luchtkwaliteit.
Besluit gevoelige bestemmingen Een pluimveestal wordt niet aangemerkt als ‘gevoelige bestemming’. Een toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied); Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart en het bestemmingsplan is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het projectgebied is hierin indicatief met de rode omlijning aangegeven en aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas van de leefomgeving)
In het bestemmingsplan is een “Veiligheidszone – bevi” gelegen op het perceel. De risicocontouren van risicovolle inrichtingen die buiten de inrichting vallen benoemd in de toelichting zijn aangeduid als veiligheidszone - bevi. Binnen deze aanduiding mogen er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied:
zich bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen buiten de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het gebied bevindt zich binnen een gebied waarvan de maximale waterstand bij overstroming 0,5 tot 1 meter bedraagt. Daarnaast kent het perceel in het bestemmingsplan de aanduiding “veiligheidszone - bevi”. Binnen deze aanduiding mogen er geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Omdat de ontwikkeling geen toename van het aantal personen betreft en er geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd” wordt een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing anderzijds’. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden of zijn gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden, te weten 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Het buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) is, evenals een stiltegebied of een natuurgebied, een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied bevindt zich ten oosten op een afstand van circa 1 kilometer van het dorp Tzum.
Rondom het projectgebied liggen voornamelijk agrarische gronden met verspreid liggende agrarische bouwpercelen. Een dergelijke omgeving kan als ‘Rustige woonwijk’ worden beschouwd. Onderstaande tabel toont de richtafstanden voor beide omgevingstypes, waarin in voorliggende ontwikkeling de richtafstanden tot het omgevingstype ‘Rustige woonwijk’ dienen te worden aangehouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: a. b.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Binnen het projectgebied bevindt zich een pluimveehouderij waar vleeskuiken worden gefokt en gehouden. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geldt voor dit gebruik de milieucategorie 4.1, de bijbehorende richtafstand bedraagt 200 meter. Hierbij wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Voor de externe werking van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitsluitend getoetst aan de richtafstanden van de overige milieuaspecten. Hierbij geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid in een ‘rustige woonwijk’.
Momenteel is er al agrarische bebouwing mogelijk binnen het agrarische bouwvlak, de uitbreiding van de wintergarten is dan ook geen extra belasting op hetgeen nu mogelijk is. Bovendien neemt het aantal kippen niet toe. Enkel waar de wintergarten buiten het bouwvlak komt is er sprake van een nieuwe functie op een locatie waar dit nog niet mogelijk is. Er moet hierom vanaf deze wintergarten worden gemeten tot de grens van waar een gevoelige functie mogelijk is. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft de (bedrijfs)woning aan de Nieuwbuurtsterweg 47 het betreffende bestemmingsvlak bevindt zich op circa 128 meter vanaf de buiten het bouwvlak vallende wintergarten. Gesteld wordt dat aan de richtafstanden van de milieuzonering wordt voldaan. Hiermee wordt ervan uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van de aspecten geluid, stof en gevaar) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Het uitbreiden van een intensieve veehouderij wordt niet aangemerkt als een ontwikkeling waarbij een milieugevoelig object wordt gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande milieubelastende functies in de omgeving geen sprake is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een maximaal toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 4.6.1.2 Situatie projectgebied In bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing is de aanvraag milieu neutraal veranderen toegevoegd hier worden onder andere diverse milieuaspecten toegelicht. Betreft geur is onderstaande relevant. Omdat het aantal dieren niet toeneemt en de stalinrichting niet wijzigt kenmerkt zich de verandering als milieuneutraal veranderen. De aanbouw van de wintergarten leidt niet tot andere emissies per dier of een andere milieubelasting dan reeds vergund. De onderlinge afstand tot omliggende woningen is voldoende en wijzigt niet. In het geval van gangbare kuikens (274.000 st.) wijzigt de geurbelasting niet. Bij de diervriendelijker concepten worden er minder kuikens ingezet en is de geuremissie lager. De geuremissie van 155.500 st. scharrelvleeskuikens is ca. 43% lager dan die van 155.500 st. reguliere kuikens. De overbelaste situatie wordt in dat geval opgeheven. 4.6.2
Conclusie
De geurbelasting in de beoogde situatie blijft binnen de normen zoals die in de Wet Geurhinder en Veehouderij zijn vastgesteld. Daarmee is de situatie vergunbaar. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden In voorliggend geval is het projectgebied gelegen op circa 11 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. In afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van dit gebied weergegeven. Het plangebied is aangeduid met een rode ster
Afbeelding 4.2
Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Atlas van de leefomgeving)
In voorliggend geval gaat het niet om het uitbreiden van het aantal dieren. In de gebruiksfase is er hierom geen verandering. Daarnaast voorziet het voornemen in verbeterde stalinstallaties die de uitstoot doet afnemen. Sinds de invoering van de Stikstofwet is de aanlegfase niet meer relevant voor het aspect stikstof. Gezien bovenstaande wordt een stikstofberekening niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Afbeelding 4.3
Ligging projectgebied ten opzichte van NNN-gebieden (Bron: Atlas van de leefomgeving)
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 4,3 kilometer afstand van het projectgebied, zoals te zien is op afbeelding 4.3. Gezien het feit dat het projectgebied niet in het NNN is gelegen, kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van voorliggende ontwikkeling. 4.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval zijn de gronden van het projectgebied reeds intensief in gebruik. Daarbij is sprake van intensief onderhoud van het projectgebied, waardoor het niet aannemelijk is dat beschermde flora en- of fauna binnen het projectgebied aanwezig is. Gelet op het vorenstaande is een QuickScan ecologie niet noodzakelijk. 4.7.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en het NNN worden verwacht. Tevens worden er geen negatieve effecten op beschermde soorten verwacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied In dat kader is de locatie getoetst aan de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr - 1500 n Chr). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief in een nieuw te maken bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering.
Met andere woorden: door middel van de twee advieskaarten kan worden nagegaan welke onderzoeksinspanning gevraagd wordt op een bepaalde plaats. Advies ijzertijd-middeleeuwen: Karterend onderzoek 2 (middeleeuwen) In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Voorliggend geval voorziet enkel in de bouw van één wintergarten met een oppervlak van circa 350 m2. Advies steentijd-bronstijd: Geen onderzoek noodzakelijk. Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Op basis van het vorenstaande is geen archeologisch onderzoek vereist. 4.8.1.3 Toetsing initiatief Gelet op bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Ook in een vrijgegeven projectgebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen.
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Toetsing initiatief Er geen sprake is van aantasting cultuurhistorische waarden omdat er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn binnen het projectgebied. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Algemeen
4.9.1.1 M.e.r.-beoordeling Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn alle toestemmingen waarmee een afwijking van een bestemmingsplan kan worden geregeld in de Wro vervallen. Deze zijn overgegaan naar de Wabo als een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo). Een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor bepaalde activiteiten kan bij plannen en/of besluiten op verschillende gronden ontstaan: ▪ ▪ ▪
M.e.r.-plicht en artikel 7.2a Wm; M.e.r.-plicht en plannen kolom 3 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage; M.e.r.-(beoordelings) plicht en besluiten kolom 4 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage.
De eerste twee gronden kunnen voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan niet tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden. Ad 1. Op basis van art. 7.2a Wm geldt een m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is. De omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan is geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Ad 2. Een m.e.r.-plicht kan ontstaan voor plannen in kolom 3 ter realisatie van activiteiten uit kolom 1 met de bijhorende gevallen in kolom 2 in de onderdelen C en D. Een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan wordt in het Besluit milieueffectrapportage niet gezien als een plan (dit wordt nergens genoemd in kolom 3 van de onderdelen C en D). Ook wordt in onderdeel A van de Bijlage de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan voor wat betreft kolom 3 niet gelijkgesteld met een bestemmingsplan. Voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de laatste grond tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing 4.9.1.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit M.e.r. moet aandacht besteden aan de m.e.r. beoordeling. ▪ ▪ ▪
Voor initiatieven < drempelwaarde D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde D-lijst en < drempelwaarde C-lijst geldt een formele m.e.r.beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde C-lijst geldt een m.e.r.-plicht.
Afbeelding 4.4
Drempelwaarden m.e.r.-beoordeling (Bron: infomil.nl: De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten)
4.9.2 Situatie projectgebied In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.- beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De voorliggende ontwikkeling gaat uit van het uitbreiden van het bestaande pluimvee met een wintergarten zonder het vergroten van het aantal dieren. Het gaat om een ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 5, van deze ruimtelijke onderbouwing, geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Deze paragraaf kan worden beschouwd als een vormvrije mer-notitie. 4.9.3 Conclusie Het initiatief is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
WATERASPECTEN
Inleiding
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Beleidskaders
5.2.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.2.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.2.3
Omgevingsvisie provincie Friesland
In de Omgevingsvisie Fryslân – de Romte Diele wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De Omgevingsvisie omschrijft dat de provincie zich klimaatadaptief wil opstellen. Voor de provincie kan de klimaatveranderingen grote gevolgen hebben. Zo ligt meer dan de helft onder NAP en dalen enkele plekken. De provincie wil omgaan met de klimaatverandering door zowel adaptatie: door aanpassingen de klimaatverandering opvangen, als acceptatie van de wateroverlast. Verder zet de provincie zich in voor waterveiligheid, het bewaken van de waterkwantiteit in droge en natte perioden en het beperken van wateroverlast. 5.2.4
Wetterskip Fryslân
Vigerend beleid Het beleid van waterschap Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerplan 2016 – 2021. Veilig, voldoende en schoon water Het waterschap ziet: zorg voor veiligheid achter de dijken, zorg voor voldoende water en zorg voor schoon water als voornamelijke taken. Bij het uitvoeren van die taken werkt het waterschap nauw samen met collega-overheden, maatschappelijke organisaties, burgers en bedrijven. Ze participeren daarvoor in gebiedsprocessen, streekagenda’s en andere samenwerkingsverbanden die met water te maken hebben
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Noorderzijlvest. 5.3.2
Watertoetsproces
Het Wetterskip Fryslan is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl), zie bijlage 5. Uit de watertoets volgt dat voor voorliggende ontwikkeling de ‘Normale adviesprocedure’ van toepassing is. In principe brengt het waterschap een positief advies uit ten opzichte van de in deze ruimtelijke onderbouwing beschreven ontwikkeling. Wel heeft het waterschap nog de mogelijkheid om nader advies op te stellen, gezien een deel van het projectgebied binnen de laag hoofdwateren zich bevindt. Uit de watertoets komt het volgende waarmee rekening gehouden moet worden. 5.3.2.1 Verhardingsoppervlak Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
5.3.2.2 Hoofdwateren De hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie en hier moet rekening mee worden gehouden. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone 5 meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone van hoofdwatergangen betreffen een vergunningsplichtige activiteit.
5.4
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voornemen, mits aan alle adviezen wordt voldaan. Zo wordt er minder dan 1.500m2 aan verhardoppervlak toegevoegd en bevinden de uitbreidingen zich op een afstand groter dan 5 meter vanaf de hoofdwatergang. Hemelwater wordt net als in de huidige situatie via het dak naar de grond afgevoerd waar het infiltreert.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Friesland
Gelet op de aard, omvang en locatie van het plan en het feit dat aan het provinciaal beleid wordt voldaan, wordt vooroverleg met de provincie niet noodzakelijk geacht.
7.3
Wetterskip Fryslân
Het Wetterskip is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets heeft ertoe geleid dat de ‘Normale adviesprocedure’ van toepassing is. Het waterschap heeft adviezen meegegeven in de uitkomsten van de watertoets. Deze adviezen worden meegenomen in de realisatie van het initiatief. Daarnaast heeft het waterschap het recht om adviezen op te stellen voor de beschreven ruimtelijke onderbouwing. Het waterschap heeft een positief advies gegeven op basis van de watertoets.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
CONCLUSIE
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of de uitbreiding van de pluimveestallen met wintergartens aan de Nieuwbuurtseweg 48 te Tzum in de gemeente Waadhoeke in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is beoordeeld in relatie tot de relevante beleidsuitgangspunten uit het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. De uitkomst van deze analyse is dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de relevante beleidsuitgangspunten. Tevens is de ontwikkeling getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten die in een goede ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Hierbij is ingegaan op hoe de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid en wetgeving ten aanzien van de betreffende milieu- en omgevingsaspecten. Hierin is in beeld gebracht welke effecten de ontwikkeling heeft op het projectgebied en de directe omgeving en omgekeerd: welke effecten de directe omgeving heeft op de voorgenomen ontwikkeling. De uitbreiding van de agrarische bebouwing zorgt hierin niet voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Er wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van de agrarische stal buiten het bouwvlak, aan de Nieuwbuurtseweg 48, te Tzum in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Nieuwbuurtsterweg 48, Tzum Ruimtelijke onderbouwing