Inspraakreactie mevrouw Van der Laak - Op weg naar een zon en windvisie voor de gemeente Vught
Tekst van het document
Het RIVM beschouwt dergelijk onderzoek echter in veel gevallen als bewijzend in plaats van hypothese-genererend. Uit geen van de beschreven onderzoeken kunnen met zekerheid causale conclusies worden afgeleid. Een aantal onderzoekers erkent dat maar er zijn ook onderzoekers die dit terzijde leggen en ten onrechte van mening zijn dat hun onderzoek causale factoren in beeld heeft gebracht. Toch trekt het RIVM uit observationeel onderzoek met meer of minder grote methodologische beperkingen harde conclusies, hetgeen ongerechtvaardigd is. Er is nog geen algemeen erkende checklist om de kwaliteit van dwarsdoorsnedeonderzoek te beoordelen. Wel is er een instrument hiervoor gepubliceerd, de AXIS-lijst, maar deze wordt nog niet algemeen gebruikt. In appendix D heb ik de kwaliteit van onderzoeken op basis van een aantal criteria beschreven waarmee men een indruk kan krijgen over de kwaliteit van de onderzoeken. Meer dan een indruk is het vooralsnog niet. Ook van de andere onderzoeken heb ik op deze manier een indruk gegeven over de kwaliteit. Nationale overheden en ook de WHO hebben zich verplicht hun energievoorziening minder te baseren op fossiele brandstoffen en meer op natuurlijke energiebronnen, zoals wind- en waterkracht. Veel artikelen beginnen dan ook met deze constatering.
Veel onderzoek is gesponsord door nationale overheden en soms zelfs door direct belanghebbenden, zoals windturbinefabrikanten, en de aanbevelingen en conclusies van onderzoeken lijken vooral de sponsor gerust te willen stellen en al dan niet gevraagd adviezen te geven over de wijze van omgang met windturbinecritici en annoyance. Het onderzoek naar de gezondheidseffecten van windturbines wordt over het algemeen gekenmerkt door kwalitatief minder goed onderzoek waarin voor belangrijke 33
bronnen van vertekening geen of onvoldoende rekening is gehouden en door de auteurs niet-kritisch wordt beschreven. De specifieke gezondheidseffecten van laagfrequent geluid en infrageluid zijn vooral onderzocht in het laboratorium. Deze onderzoeken kenmerken zich door kleine aantallen, gezonde jongvolwassenen proefpersonen die kortdurend werden onderzocht waarbij hypothesen werden onderzocht en nieuwe onderzoeksmethoden werden onderzocht. Het gaat dus om hypothese-genererend onderzoek dat niet als wetenschappelijk bewijs geldt en waaraan geen causale inferenties kunnen worden gekoppeld. Het RIVM doet dat echter toch. Voorts wordt het onderzoek naar de effecten van laagfrequent geluid en infrageluid gekenmerkt door niet-systematisch literatuuronderzoek met een inherent risico op selectie- en informatiebias.
Is de interne en externe validiteit van de onderzoeken in voldoende mate gegarandeerd om de conclusies te onderbouwen? De representativiteit van de onderzoeken, dus de externe validiteit, is onderwerp van discussie. Een aantal grote cohortonderzoeken, zoals de Deense, zijn gebaseerd op de algemene populatie en er zijn dan meestal geen redenen om de uitkomsten niet geldig te verklaren voor de gehele bevolking van een land. In Denemarken zijn gegevens van alle Denen, over bijvoorbeeld medicijnen en ziekten, opgenomen in gegevensbestanden. Maar vaak worden er door onderzoekers geen of onvoldoende pogingen gedaan om duidelijk te maken dat de onderzochte groep proefpersonen representatief is voor de algemene bevolking van een regio of land, zoals uit appendix D blijkt. Sommigen, zoals de onderzoekers van de Canadese Community Noise and Health Study, geven expliciet aan dat ze niet geïnteresseerd zijn in representativiteit. Wat betreft de interne validiteit van de onderzoeken zijn de statistische analyse methoden niet altijd nauwkeurig beschreven waardoor geen conclusie kan worden getrokken of deze goed is toegepast. De interne validiteit van onderzoeken heeft vooral ook te maken met de betrouwbaarheid van onderzoek en de conclusie.
Daarentegen worden, vooral bij het laboratoriumonderzoek, de statistische analysemethoden uitvoerig beschreven, maar deze zijn zoals gezegd hypothesegenererend.
34
Is de zoekactie naar literatuur adequaat? Het gebruik van literatuur in het RIVM-rapport kenmerkt zich door een grote mate van inconsistentie. Zo worden abstracts en proceedings van symposia en niet-gepeerreviewde artikelen of boekbijdragen gebruikt om beweringen te onderbouwen terwijl de wetenschappelijke waarde van deze publicaties uiterst gering zo niet afwezig is. In de artikelen uit Oost-Europese landen wordt vaak verwezen naar onderzoek dat in die landen is verricht maar die door het RIVM vrijwel niet wordt genoemd. En dat is een probleem dat algemeen en regelmatig terugkomt in het rapport. Weliswaar worden de termen voor de zoekacties aangegeven maar hoe in de zoekacties dan abstracts en proceedings terechtkomen is op zijn zachtst gezegd enigszins opmerkelijk. Het RIVM-rapport bespreekt behalve oorspronkelijke onderzoek ook reviews. Dit zijn veelal niet-systematische literatuuroverzichten waarvoor geen zoekacties worden gegeven en die dus niet controleerbaar zijn. Ze moeten worden gezien als persoonlijke visies van auteurs of instellingen. Dat geldt ook voor de RIVM-rapporten die daarom niet gekwalificeerd kunnen worden als wetenschappelijk bewijs.
Is de interpretatie van de onderzoeken adequaat? De conclusies die het RIVM trekt uit de door hun onderzochte literatuur moet op veel aspecten als inadequaat worden beschouwd. Het gebruik van niet-systematische literatuuroverzichten, alsmede onderzoeken uit een zeer lage categorie van wetenschappelijk bewijs, de invloed van onderzoekers met conflicterende belangen en het tekortschieten van de interne en externe validiteit van de onderzoeken gelden als voornaamste redenen daarvoor. Uit laboratoriumonderzoek met een beperkt aantal deelnemers waarvan de representativiteit en de persoonskenmerken niet is aangegeven kunnen geen andere conclusies worden getrokken dan die geldig zijn voor de onderzochte groep. Dat onderzoek is hypothese-genererend. Ik vermeld hier nog dat een groot deel van het onderzoek is verricht bij gezonde (jong)volwassenen maar dat er vrijwel geen onderzoek is verricht bij kinderen en adolescenten, personen met klachten en aandoeningen of met risicofactoren. Die risicofactoren zijn overigens door medewerkers van het RIVM in 2013 in een wetenschappelijk artikel besproken.19
35
Eindconclusie Ik stel daarom vast dat de conclusies die het RIVM trekt op basis van hun literatuuronderzoek niet zijn gebaseerd op het beste wetenschappelijke bewijs. De gebruikte literatuur kent meer of minder ernstige tekortkomingen waardoor de conclusies in twijfel moeten worden getrokken. Op basis van slecht wetenschappelijk onderzoek kunnen geen harde conclusies worden getrokken met betrekking tot de gezondheidseffecten van windturbinegeluid op mensen. De conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor gezondheidseffecten van windturbinegeluid moet daarom worden verworpen. Er is dringend behoefte aan goed wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door onafhankelijke onderzoekers die geen belang hebben bij de uitkomsten daarvan.
36
8
Aanbevelingen voor nader onderzoek
In dit rapport is verslag gedaan van onderzoek naar een specifieke vraagstelling. Tijdens dat onderzoek kwamen de nodige vragen op die interessant en belangrijk zijn om nader te onderzoeken: •
De evolutie van de RIVM-rapporten in de tijd;
•
De rol van framing van tegenstanders van windturbines en de herkomst van het begrip annoyance;
•
Conflicterende belangen bij onderzoekers en de relatie met uitkomsten van onderzoeken;
•
Worden de WHO-criteria voor geluid en windturbinegeluid gevolgd in Nederland?
37
Appendix A. Definities en termen Downwind-turbines geven veel infrageluid en laagfrequent geluid. Dat laatste geldt ook voor zwaardere turbines. Setback: minimale afstand tussen een WT en het dichtstbijzijnde gebouw (550 m. in Canada). Geluid: drukgolf die door een medium gaat. Geluidskracht (sound power): de totale hoeveelheid geluid (in alle richtingen) die wordt geproduceerd, uitgedrukt in watt W. Referentiewaarde: 1 x 10-12 (=0 dB). Het geluidskrachtniveau van WT ligt tussen 95 en 110 dB. Geluidsdruk (sound pressure): de amplitude van de geluidsfluctuaties in een geluidsgolf die door lucht gaat (en door een ontvanger wordt opgepikt), uitgedrukt in Pascal Pa. Is een relevante maat voor expositie aan geluid. Referentiewaarde: 20μPa (=0 dB). DB-schaal: logaritmische schaal. Verdubbeling geluidsdruk komt overeen met een toename van 6dB van het geluidsdrukniveau, hetgeen het gemiddelde niveau over een bepaald tijdsinterval representeert. De voortgeleiding van geluid is afhankelijk van afstand, meteorologische omstandigheden, luchtdichtheid en kenmerken van de grond. Mensen hebben relatief hoge gehoordrempel voor infrageluid (80-110 dB). De belangrijkste kenmerken van geluid zijn de druk (amplitude) en frequentie. Frequentie is het aantal drukgolven per seconde uitgedrukt in Hertz Hz. Dit bepaalt de geluidshoogte of -toon. Frequenties tussen 200Hz-2kHz is middengebied.
Frequenties tussen 2kHz en 20kHz is hoogfrequent geluid. Frequenties boven 20kHz is ultrageluid en niet hoorbaar voor mensen. Frequenties lager dan 20Hz is infrageluid en in het algemeen niet hoorbaar. Laagfrequent geluid tussen 20 en 200 Hz. A-gewogen geluid t.b.v. internationale vergelijkingen, minder geschikt voor geluid dat anders is samengesteld zoals laagfrequente componenten. WT-geluid is mechanisch en aerodynamisch van oorsprong, met name de laatste. Amplitude modulatie: geluidsdruk wisselt regelmatig in de tijd, afhankelijk van de snelheid, richting en turbulentie van het geluid.
38
Het karakteriseren van WT-geluid is moeilijk vanwege variatie in de veroorzakende mechanismen, veranderingen die door de transmissie ontstaan en gebrek aan gestandaardiseerde metingen. Twee geluiden met hetzelfde A-gewogen geluidsdruk niveau hoeven niet geassocieerd te zijn met dezelfde gezondheidseffecten omdat andere effecten belangrijker kunnen zijn, zoals het maximumniveau, duur van de blootstelling en de interpretatie door de hoorder. Geluidsmetingen moeten bestaan uit geluidsdruk niveaus en frequenties. Deze metingen worden vaak gewogen op basis van frequenties die het menselijk gehoor reflecteren, en samengevat worden door een gemiddelde over een tijdsperiode (equivalent geluidsniveau Leq). Het vestibulaire systeem kan door bepaalde geluiden worden geactiveerd. Vestibulaire haarcellen zijn over het algemeen gevoelig voor relatief lage vibrerende frequenties. Het menselijk oor is het meest gevoelig tussen 2 en 5 kHz. Infrageluid (typisch lager dan 20 Hz) kan alleen boven 70 tot 100 dB worden waargenomen, in feite niet ‘gehoord’ ondanks dat het de auditieve cortex bereikt, maar eerder ‘gevoeld’. Mensen met hyperacusis kunnen een ongewone intolerantie hebben voor gewone omgevingsgeluiden (Baguley 2005). Voor omgevingsgeluid, zoals WT, wordt vaak de gemaskeerde gehoordrempel gebruikt De reden is dat de absolute gehoordrempel beïnvloed wordt door andere geluiden.
Lawaai (noise) is een ongewenst geluid. Luidheid is de subjectieve gewaarwording van de intensiteit van een signaal.
39
Appendix B. Bespreking van de onderzoeken in het RIVM-rapport. Hoofdstuk 2
Windturbinegeluid en gezondheid
2.1 Geluidhinder Van Kamp et al.20 Nederlands review op basis van dwarsdoorsnede-onderzoek De gegevens voor dit artikel zijn gepresenteerd op een symposium in Perth (Australië) in 2017. Ze zijn gepubliceerd in de Proceedings van het symposium. Het ministerie van ROM heeft aan het RIVM gevraagd een onderzoek te doen naar de kennis van laagfrequent geluid (LFG) en de beschikbare kennis te verzamelen. De achterliggende idee was dat er onduidelijkheid bestond over de effecten van LFG. Het RIVM verrichtte een steekproef in drie grote steden in Nederland en zond vragenlijsten naar een steekproef van de inwoners. Het onderzoek werd opgezet vanuit de aanname dat maatregelen om geluidsoverlast te verminderen, zoals dubbel glas, succesvol zijn en het geluidsniveau binnenshuis verminderen. Er werden een aantal aspecten van geluid gevraagd, zoals annoyance, noise sensitivity, tevredenheid met de woonomgeving en geluidswerende maatregelen. De analysen werden verricht met een multi-level regressiemodel, maar dit model wordt niet uitgebreid besproken. In totaal namen 3972 personen deel aan het onderzoek, respons was 26%. Deze steekproef was niet representatief voor de Nederlandse bevolking. Zo waren er relatief minder personen jonger dan 40 jaar en waren personen met een niet-Nederlandse nationaliteit ondervertegenwoordigd.
Het bleek dat 7% van de respondenten highly annoyed was door zoemende geluiden in hun omgeving. De onderzoekers geven aan dat deze uitkomst weliswaar statistisch significant is maar niet noodzakelijk klinisch relevant. Achtergrond geluidsniveaus, geluidsgevoeligheid en ontevredenheid met de woonomgeving waren sterk geassocieerd met een hogere mate van annoyance. Omdat het een dwarsdoorsnede-onderzoek betreft kunnen geen causale inferenties worden getrokken. De onderzoekers bespreken de sterke en zwakke punten van hun onderzoek. Sterk punt is dat annoyance vanuit verschillende bronnen is onderzocht en dat er rekening kon worden gehouden met lichamelijke, contextuele en persoonlijke factoren. De lage respons sluit selectiebias niet uit. Ook geven ze aan dat er geen modellen of berekeningen voor LFG beschikbaar zijn. Nader onderzoek is nodig.
2.1.1 Reviews waarin geluidshinder aan bod komt. Guski et al.21 Literatuuronderzoek naar omgevingsgeluid en annoyance. Deze Duitse onderzoekers verrichten, gesponsord door de WHO en het Zwitserse Federale Milieubureau (FOEN), een systematisch literatuuronderzoek en kwantitatieve meta-analyse. Onderzocht werden vliegtuig-, weg, trein- en WT-geluid. De onderzoekers beschrijven uitgebreid de zoekcriteria, het risico op vertekening (bias), publicatiebias, de kwaliteit van de onderzoeken en ook hoe zij de statistische analysen hebben verricht. Ten slotte bespreken ze ook de sterke en zwakke punten van hun onderzoek. Dit onderzoek bevat veel belangrijke methodologische informatie. In totaal gebruikten zij 57 onderzoeken met 68.116 deelnemers voor hun kwantitatieve analyse. Personen van 18 jaar en ouder namen deel.
40
De conclusie is dat het bewijs over de correlatie van blootstelling-response tussen geluidsniveaus en %HA matig is voor vliegtuig- en treingeluid en zwak voor weg- en WT-geluid. Het bewijs voor correlaties tussen geluidsniveaus en annoyance is hoog voor vliegtuig- en treingeluid en matig voor weg- en WT-geluid. Sterke punten van hun onderzoek betreffen het hoge aantal deelnemers (resp. 18.947, 34.211, 12,477, 2481). Een zwak punt betreft de uiteenlopende definitie van geluidsniveaus en %HA. Wat betreft WT-geluid werden 2 onderzoeken opgenomen (alleen het onderzoek van Janssen is opgenomen in het RIVM-rapport).22 De onderzoekers stellen vast dat het duidelijk is dat het niveau van WT-geluid systematisch gerelateerd is aan annoyance, ook bij geluidsniveaus onder 40 dB. Een kwantitatieve analyse levert inconsistente resultaten op. Algemene conclusie: De toename van %HA in de nieuwere onderzoeken (tussen 2000 en 2014) over vliegtuig-, weg- en treingeluid die vergelijkbare Lden niveaus gebruikten als in onderzoeken voor 2000, wijzen op de noodzaak om de geluidslimieten aan te passen in de aanbevelingen.
Van Kamp et al.23 24Nederlandse review-updates. Het gaat hier om een scoping-review en een update van de literatuur. Het zijn rapporten die zich richten op alle geluidstypen en geluidsoverlast. De scoping-review en de literatuur-update zijn geschreven in opdracht van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs (DEFRA) en richten zich in het bijzonder op annoyance, slaapverstoringen, cardiovasculaire en metabole effecten van omgevingsgeluid. Bespreking van deze artikelen laat ik buiten beschouwing vanwege de te brede insteek van de auteurs. De nieuwe onderzoeken over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheidseffecten komen in de nieuwe rapporten van het RIVM aan bod.
Simos et al.25 Zwitserland, systematisch literatuuronderzoek. Zwitserse onderzoekers van de universiteit van Geneve verrichtten een onderzoek naar de negatieve effecten van WT. Zij concentreerden zich op de effecten op inwoners in de omgeving. Zes belangrijke aspecten werden onderzocht: noise, laagfrequent geluid, WT-syndroom, bewegende schaduwen en stroboscopische effecten, omgevingseffecten, en sociale aspecten en invloeden op de koopprijzen van onroerend goed. De onderzoekers geven globaal hun zoekactie aan, maar niet de in- en exclusiecriteria. De bespreking van de literatuur (67 ond.) geeft een globaal overzicht van wat er bekend is, er is echter weinig systematiek te ontdekken in de bespreking. In de discussie zetten ze een aantal zaken op een rij en sluiten af met 9 aanbevelingen die als checklist kunnen dienen bij het ontwikkelen van WT-parken. Dit is opmerkelijk. De onderzoekers geven aan geen conflicterende belangen te hebben en ook dat het onderzoek niet gesponsord is. In de Inleiding en in de methodenparagraaf wordt niet aangegeven dat zij aanbevelingen zullen gaan doen. Nimbyisme en noceboeffect worden genoemd.
Freiberg et al.26 Duits verkennend onderzoek naar gezondheidseffecten WT. Een groep Duitse onderzoekers deed een zogenoemde scoping review, een verkennende analyse van de gezondheidseffecten van WT op de gezondheid van mensen die leven in woongebieden. Een scoping review wordt gedaan als een onderzoeksgebied relatief nieuw is of de onderzoeksuitkomsten nogal heterogeen zijn. In een zeer uitgebreid en goed onderbouwde analyse, waarin ze onder meer hun zoekactie naar literatuur goed verantwoorden, namen ze 84 onderzoeken op naar de gezondheidseffecten van WT.
41
Sinds 2010 is sprake van een sterke toename van het aantal publicaties. Met name betrof dit de gevolgen van geluid in relatie tot noise annoyance, het ontbreken van relaties tussen annoyance en stress-effecten en biofysische slaapvariabelen. Verder werden heterogene uitkomsten gevonden ten aanzien van slaapverstoringen, kwaliteit van leven, en geestelijke gezondheidsproblemen. Er bestond onduidelijkheid dan wel tekort aan onderzoek op het gebied van annoyance (m.n. hoe het werkt), vergelijkend onderzoek waarin een groep is onderzocht die niet is blootgesteld aan geluid, objectief onderzoek naar visuele aspecten van WT, de interactie tussen alle WT, en observationele onderzoeken naar het effect van laagfrequent en infra-geluid van WT. Toekomstig onderzoek zou moeten voldoen aan hoge eisen en prospectieve opzet.
2.1.2 Oorspronkelijke studies naar hinder. Klæboe et al. 27Noors onderzoek naar ergernis/overlast. Vragenlijstonderzoek naar gezondheidseffecten nadat lokale gezondheidsautoriteiten de klachten van omwonenden wilden analyseren. Deze eisten een socio-acoustisch onderzoek. Het gaat om een gebied met 31 WT met binnen 2 km 179 eigendommen. Het betreft dus een na-onderzoek, metingen vooraf konden niet worden gedaan omdat de onderzoekers pas werden ingeschakeld toen bewoners al klaagden over de WT. De onderzoekers bespreken in de inleiding met name de overlast en de ergernis van de omwonenden. Ook geluidssensitiviteit wordt besproken. Heeft iets weg van framing. Ook noemen zij dat het niet-ongebruikelijk is dat autoriteiten pas reageren op nieuwe projecten als er klachten van burgers komen. Het is verre van ideaal als onderzoekers pas laat in het proces worden ingeschakeld als de infrastructuur al op zijn plaats is. Bovendien vond het onderzoek plaats in een situatie waar sprake was van een conflict tussen de lokale bevolking en de autoriteiten. Het doel van het onderzoek was dan ook niet verborgen te houden voor bewoners ofschoon de onderzoekers probeerden het onderzoek te brengen als een onderzoek naar de algemene leefomstandigheden.
Het onderzoek is een socio-acoustisch onderzoek waarin de antwoorden op vragenlijsten worden geanalyseerd in relatie tot expositie-indicatoren in de vorm van berekende geluidsniveaus buitenshuis van elke deelnemer, en de lineaire afstand tot de dichtstbijzijnde WT. De validering van de vragenlijsten is ontleend aan eerder onderzoek, extra vragen werden toegevoegd. Onderzoekspopulatie van 18 jaar en ouder (n=240). Respons 38%. Slechts 39% van de eigenaren woont er het hele jaar, 60% slechts een deel. Van mensen die vooral voor recreatiedoeleinden het gebied bezoeken kan men een andere attitude verwachten ten aanzien van geluidsoverlast. Ofschoon aangegeven is dat ze specifiek gaan kijken naar de relatie tussen type bewoning en klachten staat dat niet in hun artikel. Van personen met een lage expositie aan geluid, kwam minder response. Mensen die WT een visuele vloek vinden zijn statistisch significant meer annoyed. De onderzoekers concluderen dat geluid van WT 17-18dBA erger is dan geluid van wegverkeer. Ze kunnen geen harde conclusies trekken maar stellen wel vast dat de tegenstand tegen de windfarm niet monolithisch is maar het resultaat van diverse individuele factoren.
Pawlaczyk M, et al.28 Pools onderzoek. Dwarsdoorsnede-onderzoek bij omwonenden van WT-parken. Het doel van het onderzoek was de relatie te analyseren tussen het percentage mensen dat annoyed is door WT-geluid en het geluidsniveau buitenshuis of de afstand tot de dichtstbijzijnde WT. Een tweede doel was het verkennen (exploreren) van objectieve en subjectieve factoren die het ervaren annoyance kunnen verklaren.
42
Het onderzoek werd uitgevoerd in totaal in 9 regio’s in Noord, centraal en ZO-Polen. Uiteindelijk deden 517 personen van 18-88 jaar mee aan het onderzoek. Zij woonden op204-1726 meter afstand van de dichtstbijzijnde WT. Het resultaat van het vragenlijstonderzoek liet zien dat de A-gewogen SPL’s van 33-50 dB als annoyed of sterk annoyed werd ervaren door respectievelijk 46 en28% van de deelnemers. Binnenshuis ervaarden de deelnemers respectievelijk 34 en 18% annoyance of sterke annoyance. Circa 48-66% van de variantie in annoyance zou verklaard kunnen worden door de algemene mening over WTs, gevoeligheid voor geluid, vorm van het leefgebied en de intensiteit van het verkeer. Geschat werd dat op een afstand van 1000 meter WTN door respectievelijk 43 en 2% als annoyance zou worden ervaren door mensen met negatieve of positieve houding ten opzichte van WTs. Er was geen statistisch significante relatie tussen geluidsniveaus (of afstand) en diverse gezondheids- en welzijnsaspecten. Daarentegen waren alle variabelen die gezondheid en welzijn maten positief geassocieerd met annoyance ten aanzien van WTs.
Radun T, et al29. Fins dwarsdoorsnede-onderzoek. Doel van het onderzoek was om vast te stellen hoe akoestische en niet-akoestische variabelen geassocieerd zijn met WTN-annoyance binnenshuis en buitenshuis en de door WTN geïnduceerde slaapverstoringen. In drie gebieden in Finland werden interviews afgenomen dan wel vragenlijsten ingevuld door 318 deelnemers. De gebieden lagen in de buurt van WT’s (3-5 MW) en de onderzoekers beschouwen deze gebieden als representatief voor de moderne Finse WT-gebieden. Wat precies wordt verstaan onder slaapproblemen wordt aangegeven op een schaal van 1-6. Het lijkt er op dat dit onderzoek een secundaire analyse is van een eerder gepubliceerd onderzoek. De analyse beperkte zich tot de vaste bewoners. Van recreërende mensen verwacht men dat ze negatiever staan tegenover WT’s. Geluidsniveaus (SPLs) werden berekend op basis van internationale standaarden en vervolgens gecontroleerd ter plaatse. Statistische analysen worden uitgebreid verantwoord en beschreven, evenals de vragenlijsten en de gebruikte modellen. Ook de uitkomsten worden zeer gedetailleerd beschreven. Tussen de drie gebieden waren aanzienlijke verschillen, bijvoorbeeld in aantallen WT’s, aantal deelnemers en opleidingsniveau.
De uitkomsten tonen dat zorgen omtrent de gezondheid de belangrijkste verklarende factor is voor de associatie tussen WTN-annoyance binnenshuis en buitenshuis en de door WTN geïnduceerde slaapverstoringen. Andere, minder belangrijke factoren, zijn het gebied, geluidsgevoeligheid en algemene houding ten aanzien van WT’s. Sound level verklaarde ook een deel. Met de modellen werd een voorspellende waarde van 67 tot 71% bereikt. De onderzoekers gaan uitgebreid in op de sterke en zwakken punten van hun onderzoek. Beperkingen zijn onder meer het geringe aantal deelnemers, het beperkte aantal deelnemers in de hogere geluidsniveaus, en het geringe aantal niet-akoestische factoren. Bijna 80% van de deelnemers kwam uit een van de onderzoeksgebieden. Opmerkelijk is dat de onderzoekers aanbevelingen doen aan bestuurders en anderen hoe ze beter kunnen communiceren naar de bevolking over mogelijke zorgen over gezondheidseffecten. Dit kan zorgen en annoyance verminderen en ze het gevoel geven dat er beter naar ze geluisterd wordt. In de uitgebreide lijst sponsoren staan onder meer de Finse Wind Power associatie, producenten van WT en andere grote bedrijven.
43
Song et al. 2016.30 Dwarsdoorsnede/onderzoek op Chinees platteland. Doel van het onderzoek was om de modererende invloed van factoren als annoyance en expositie-respons van WT-geluid vast te stellen en de invloed op slaap en algemene gezondheid. Face-to-face dwarsdoorsnede-onderzoek op het platteland in China in een gebied met 25 WT waar veel huizen binnen 1,2 km van de WT staan en 41% binnen 400 meter. De WT staan op heuvels. Zware WT, 2 MW. Onduidelijk is of het onderzoeksinstituut onafhankelijk is. De onderzoekers gebruikten de vragenlijst die door Pedersen is ontworpen en geven aan dat ze hem eerst gevalideerd hebben. Bevat 4 onderdelen, waarvan algemene gezondheid als laatste (zelf gerapporteerd, niet helemaal duidelijk welke vragen er werden gesteld). Voor de veelheid aan analysen is gecorrigeerd met Bonferroni. 326 bewoners geraadpleegd, 227 lijsten bruikbaar voor analyse (70%). De deelnemers hebben geen economisch voordeel van de WT. Er werd gemeten op 5 dagen, op 1,5 meter hoogte en gedurende 15 minuten. Annoyance, sensitivity en intensity statistisch significant geassocieerd met slaapstoornissen maar niet met algemene gezondheid. Er is geen causaal verband aangetoond. Het is onduidelijk hoe de gezondheidseffecten zijn gemeten.
Health Canada heeft in 2012 aangekondigd dat het in samenwerking met Statistics Canada een onderzoek wil laten doen naar de effecten van geluid, de zogenoemde Community Health and Noise Study CHNS). De onderstaande onderzoeken zijn onder meer het resultaat hiervan waarvan de meeste door Michaud et al. zijn geschreven. Het doel van het onderzoek werd gemaskeerd voor de deelnemers, om te vermijden dat een groep deelnemers met een andere kijk op WT een onevenredig aandeel in de einduitslag krijgt. Het ging vooral om WT’s en de relatie met gezondheid, maar het werd gebracht alsof het om geluid in het algemeen ging. Het betrof een dwarsdoorsnede-onderzoek dat tussen mei 2013 en september 2013 werd uitgevoerd. In totaal namen 1238 personen, aselect gekozen, deel aan het onderzoek (respons 78,9%). De steekproef zou vrij homogeen zijn volgens de onderzoekers, maar details worden niet gegeven. Leeftijd van de deelnemers 18-79 jaar, die van 0,25 tot 11,22 km van WT wonen. Output van de WT gemiddeld 2,0 MW. De berekende WT noise levels bereiken waarden tot 46 dBA
Michaud DS, et al.31 Canadees dwarsdoorsnede-onderzoek van CHNS Dit onderzoek beschrijft de effecten van WT’s waarin modellen werden gemaakt met factoren die WTannoyance in het algemeen kunnen verklaren. Het ging met name om persoonlijk en situationele factoren. Er werden 2 modellen gebruikt. Eén zonder restricties (univariaat) waarin de belangrijkste factoren werden bepaald met de sterkste statistische associatie met WT-annoyance. In een tweede beperkter model (multivariaat) werden die factoren uit de eerste analyse juist niet meegenomen en richtte zich op community annoyance. Het betrof een vragenlijstonderzoek waarin een aantal gevalideerde vragenlijsten over kwaliteit van leven, slaap en stress waren opgenomen. De vragenlijsten waren gepiloteerd en zijn elders beschreven. De onderzoekers pasten Bonferroni-correcties toe. De methoden van analyse worden uitgebreid beschreven. Toenemende WTN leidt tot statistisch significante toenemende annoyance.
44
Factoren die gerelateerd waren aan WTN-annoyance in het multivariate model voor community annoyance waren onder meer andere aan WT gerelateerde annoyance, persoonlijk gewin, geluidsgevoeligheid, zorgen over de lichamelijke veiligheid, en eigendom van de woningen. Veel lichamelijke klachten waren gerelateerd aan WT annoyance. Echter veel chronische klachten, onderzocht door een gezondheidszorgwerker, neigden ertoe niet gerelateerd te zijn. Het multivariate model kon 60% verklaren. De onderzoekers komen met aanbevelingen om de gemeenschaps-annoyance te verminderen. Met name gaat het om vooraf bespreken van zorgen omtrent de lichamelijke veiligheid van WT’s. Het gaat om vertrouwen in autoriteiten, betrokkenheid van de bevolking en verwachtingen van de bevolking. Het lijkt er haast op dat dit het doel van het onderzoek was. Daarbij past de eerste zin van de samenvatting: ´De mogelijkheid dat WT-geluid de menselijke gezondheid beïnvloedt blijft controversieel´. Volgens literatuur zou annoyance een intermediaire factor kunnen zijn tussen expositie en gezondheid. Er is geen bespreking van de beperkingen van het onderzoek.
Michaud et al. 32 Canadees dwarsdoorsnede-onderzoek van CNHS. Dit is een tweede publicatie in het kader van CHNS en beschrijft de percepties en zelf-gerapporteerde gezondheidseffecten van WT’s. Er was geen associatie tussen zelf-gerapporteerde gezondheidseffecten met betrekking tot migraine, duizeligheid, oorsuizen, slaapverstoringen en slaapstoornissen, kwaliteit van leven en ervaren stress en WT-noise levels. Visuele en auditieve perceptie van WT nam statistisch significant toe met de toename van WT-noise levels als wel hoge annoyance ten aanzien van diverse kenmerken van WT’s, zoals licht-flikkeringen, visuele effecten en vibraties. De onderzoekers concluderen dat behoudens annoyance er geen associatie is tussen blootstelling aan WTnoise levels tot 46 dBA en de geëvalueerde gezondheidseffecten. Er is sprake van een beperkte differentiële misclassificatie ten aanzien van het uitsluiten van adressen. Onduidelijk is waarom slechts een beperkt aantal gezondheidseffecten werd gemeten. Opmerkelijk is de vaststelling van de onderzoekers dat het ontbreken van een verband tussen WT-noise levels en prevalentie van klachten een indicatie kan zijn van het gegeven dat klachten niet altijd goed correleren met veranderingen in geluid. Ook geven zij aan dat de precieze bewoordingen in de vragen tot onduidelijkheid over bepaalde associaties kan leiden.
Een andere beperking van de CHNS kan zijn dat de verwachtingen ten aanzien van rust en vrede niet expliciet werden geëvalueerd. Ten slotte geven de onderzoekers in de discussie nog aan dat de prevalentie van gezondheidseffecten opvallend overeenkomt met die van grootschalige op de algemene populatie gebaseerde onderzoeken. Als bewezen wordt geacht dat medicatiegebruik (bv. voor angst, depressie of hypertensie) niet gerelateerd is aan WT-noise levels.
Van dezelfde auteurs is in 2016 nog een derde artikel verschenen ontleend aan de CHNS. Deze bespreek ik in de volgende paragraaf over slaapverstoring.
Keith SE et al.33 Canadees dwarsdoorsnede-onderzoek, verantwoording keuzes.
45
In dit artikel wordt de wiskundige onderbouwing van de in de CHNS gebruikte modellen en metingen van de sound pressure levels SPL’s verantwoord. Er worden vergelijkingen gemaakt met een Zweeds model. Afwijkingen en marges worden berekend. De SPL’s worden gebruikt om de blootstelling-response relaties te bepalen binnen de CHNS. Van belang is dat modellen worden gebruikt en, zoals bekend, zijn aannames, veronderstellingen en schattingen daarbij de basis. De onderzoekers verantwoorden hun keuzes met literatuur en andere bronnen. Daarbij is niet duidelijk in hoeverre hier alle uiteenlopende gezichtspunten worden meegenomen. Zo ontbreken bijvoorbeeld sensitiviteitsanalysen.
Michaud et al.34 CHNS – analyse van kritiek op het onderzoek. In dit artikel gaan de CHNS-onderzoekers in op kritiek die is geuit in media en andere bronnen. Zij leggen de opzet van het onderzoek uit en benoemen de sterke en zwakke punten ervan. Constructieve kritiek betrof onder meer het uitsluiten van jonge en oudere mensen, niet alle onderzoeksgegevens zijn beschikbaar voor het publiek, het niet betrekken van mensen die mogelijk verhuisd zijn vanwege overlast van WT, vertekende conclusie omdat ondanks toename van annoyance er geen nadelige gezondheidseffecten zouden zijn. De onderzoekers pareren deze kritiek over het algemeen goed onderbouwd. In de conclusie stellen zij dat dwarsdoorsnede-onderzoeken geen causaliteit kunnen aantonen, ze kunnen wel meerdere uitkomsten en blootstellingen op hetzelfde moment bepalen in grote gemeenschappen. Ze geven voorts aan dat generalisatie naar de algemene populatie in Canada op basis van hun onderzoek niet mogelijk is. Ze gaan echter voorbij aan het probleem dat er geen voor- en/of nametingen worden verricht waardoor de interpretatie van de uitkomsten problematisch wordt. Ook hebben zij onvoldoende psychologische kenmerken van de deelnemers in kaart gebracht. Opmerkelijk ten slotte is dat dit artikel is gepubliceerd in een Australisch tijdschrift.
Michaud et al.35 CNHS en ontwikkeling van een samengestelde annoyance-schaal. In een andere secundaire analyse van de CNHS gaan onderzoekers van Health Canada, die aangeven geen conflicterende belangen te hebben, een samengestelde annoyance-schaal ontwikkelen op grond van de meest gerapporteerde wijzen van annoyance: vibraties, flikkerend licht, schaduw flikkeringen, geluid en visuele effecten. Deze 5 elementen hadden de onderzoekers opgenomen in de oorspronkelijke CNHSvragenlijst. De onderzoekers verantwoorden dit doordat ze hebben gevonden dat sterke annoyance niet zozeer gericht is tegen WTN maar tegen andere elementen. Een schaal zou ook belanghebbenden beter van dienst kunnen zijn bij het verminderen van negatieve invloeden op andere gemeenschappen. De onderzoekers beschrijven hoe ze de schaal hebben ontworpen en wat de voor- en nadelen ervan zijn. Ten slotte stellen ze vast dat dit de eerste analyse van deze soort is en dat het prematuur is om de huidige resultaten te sterk te interpreteren.
Michaud et al.36 CNHS en de samengestelde annoyance-schaal en WT. In een volgende secundaire analyse gaan de onderzoekers vervolgens de annoyance-schaal die ze op grond van de gegevens uit hun eigen onderzoek hadden ontworpen weer testen in diezelfde onderzochte groep, hetgeen toch wel enigszins opmerkelijk is. Ze bevelen hun schaal ook aan om te gebruiken in de rechtspraak,
46
dus juridische maatregelen, mee te onderbouwen. Vrijwel alle auteurs van de 6 besproken CNHSonderzoeken zijn verbonden aan Health Canada, de opdrachtgever en sponsor van de CNHS. Met een duidelijk beschreven statistisch analysemodel willen de onderzoekers de scores op de schaal vergelijken met de zelf-gerapporteerde gezondheidstoestand van de deelnemers. De onderzoekers berekenen waarden tussen 0-20 maar geven vervolgens ook aan dat bij het ontbreken van een drempelwaarde (waarboven er een duidelijke relatie is tussen gezondheidseffecten en de score op de schaal), het niet duidelijk wat de betekenis van deze waarden is. In de discussie geven de onderzoekers nog aan dat een relatie tussen beide niet betekent dat annoyance de gezondheidseffecten veroorzaakt. Er is slechts sprake van statistische observaties van een gegevensbestand dat op een bepaald moment in de tijd is verzameld zonder gedocumenteerde historische gegevens die ook invloed op annoyance en gezondheid kunnen hebben.
Hongisto et al.37 Fins dwarsdoorsnede-onderzoek. Doel van dit dwarsdoorsnede-onderzoek was om te bepalen wat de expositie-blootstellingsrelatie was tussen de sound level buitenshuis vergeleken met de noise annoyance binnenshuis. In 3 gebieden in Finland, die representatief zouden zijn voor Finland, werden deelnemers geworven met in totaal 753 respondenten afkomstig uit 429 huishoudens tot 2 km afstand van de WT’s. Het zijn dezelfde 3 gebieden die ook in het onderzoek van Radun zijn gebruikt. De blootstelling aan WT-geluid bedroeg 26,7 – 44,2 dBA De analysemethoden en uitkomsten worden uitgebreid beschreven. Opmerkelijk is dat de auteurs aangeven dat de resultaten kunnen worden gebruikt voor politieke besluitvorming. Des te opmerkelijker is daarom dat onder de sponsoren onder meer grote bedrijven, windbedrijven, ministeries zijn opgenomen.
Botelho et al.38 Portugees onderzoek naar relatie WTN en isolatiemaatregelen. In het noorden van Portugal, in een heuvelachtig gebied met hoge en lage delen, hebben onderzoekers onderzocht of er een verband is tussen WTN en maatregelen die mensen hebben genomen om hun huizen beter te isoleren. Metingen en procedures worden beschreven. Enkele gegevens ontbreken zoals het aantal mensen dat in de omgeving woont waardoor de representativiteit niet duidelijk is. Er wordt een vragenlijst gemaakt en getest en de SPLs worden gemeten. In totaal deden 80 personen mee aan het onderzoek, waarvan 29 aanpassingen in hun woningen hadden aangebracht. De onderzoekers hebben een model gemaakt om de relatie SPL en aanpassingen te onderzoeken. In dat model zijn opgenomen WT SPLs, zelf-gerapporteerde annoyance, en hun intentie of gebleken bereidheid aanpassingen te doen. Een van de uitkomsten is dat verschil in hoge en lage gedeelten medebepalend is voor de auditore sensatie en perceptie van SPLs. De onderzoekers noemen als belangrijkste bevinding dat blootstelling aan WTN een significante invloed op het welzijn van omwonenden is. Ze geven aan dat hun onderzoek ook van belang is voor beleidsmakers en de politiek.
Schäffer et al.39 Zwitsers laboratoriumonderzoek. Omgevingsgeluid kenmerkt zich door een breed frequentiebereik. Het is niet bekend welke delen van het geluidsspectrum met name bijdragen aan annoyance. Doel van dit onderzoek was om in het laboratorium korte termijn-annoyance reacties te meten met verschillende breedband geluiden met 40 dBA, een
47
luistertest dus. Drie belangrijke bronnen worden gebruikt: SPLs, vorm van het geluidsspectrum en amplitudemodulatie (AM). Men maakte gebruik van een factorieel ontwerp waarmee men meerdere relaties kan onderzoeken. Er deden 52 mensen aan het experiment mee, waarvan het merendeel werkzaam was in het bedrijf waar de testen werden verricht. Er is geen steekproefberekening verricht. Annoyance werd gemeten op een schaal van 0 – 10 en er werd een vragenlijst afgenomen. Annoyance nam toe met toenemende energie in het laagfrequente gebied en met de diepte van de periodieke AM en was ook sterker in situaties met random AM. De onderzoekers concluderen dat behoudens standaard SPL-metingen ook andere akoestische kenmerken meegenomen moeten worden bij het bepalen van de omgevingsinvloeden van geluid.
Schäffer et al.40 Zwitsers laboratoriumonderzoek. Dezelfde onderzoeksgroep heeft bij een groep vrijwilligers de invloed van diverse audiovisuele effecten van WTN-situaties op korte termijn-annoyance van WT onderzocht, wederom met een factorieel ontwerp. 43 vrijwilligers namen deel, grotendeels werkzaam in het bedrijf. Het betrof gezonde jongvolwassenen van 1952 jaar die zich gezond voelen en over het algemeen positief staan tegenover WT’s. De onderzoekers concluderen dat visuele effecten van WT’s als effect-modificator op annoyance optreden. SPLs en AM vergroten annoyance, de visualisatie van een landschap vermindert het en de zichtbaarheid van een WT vergroot het.
Haac et al.41 Amerikaans dwarsdoorsnede-onderzoek. In dit door het Amerikaanse ministerie van Energie gesponsorde onderzoek, is onderzocht hoe WTN wordt ervaren door individuen en welke factoren daarop van invloed zijn. Het onderzoek moest representatief zijn voor de gehele VS. De WT’s moesten minimaal 1,5 MW zijn. Er werden steekproeven genomen uit de WT-projecten, met en zonder geluidsmodellen. Er namen 1043 personen deel aan het onderzoek. De ervaringen werden bepaald over het afgelopen jaar. Gevoeligheid voor geluid werd op een 5-puntschaal gemeten. Uitvoerig wordt besproken hoe de regressiemodellen werden samengesteld. Het WT-geluidsniveau was de beste voorspeller van de hoorbaarheid van WT-geluid en een significante voorspeller van annoyance. Geluids-annoyance bleek het best verklaarbaar uit visuele afkeuring (OR 11,0 [95%BI=4,8-25,4]). De uiteindelijke modellen bleken hoorbaarheid voor 80% te voorspellen en annoyanceniveau voor 62% van de individuen. Vooral mensen die financieel niet profiteren van de WT’s hebben een hogere mate van annoyance. Zwakke punten waren onder meer dat het gehoor van de deelnemers niet is onderzocht, interpretatie van sterke annoyance is de conclusie van de onderzoekers op basis van vragenlijsten.
De onderzoekers bevelen een meer holistische benadering van annoyance aan waarin perceptie (hoorbaarheid), persoonlijke evaluatie van geluid (zelf-gerapporteerde annoyance) en symptomen (stressindicatoren, gezondheidseffecten, invloed op slaap) worden meegenomen.
Hübner et al.42 Vergelijkend dwarsdoorsnede-onderzoek EU en VS.
48
In dit onderzoek werden dwarsdoorsnede-onderzoeken uit de VS (2016) naar effecten van WTN vergeleken met Europese (2009-2013) i.c. Duitse (waaronder Pohl) en Zwitsers dwarsdoorsnede-onderzoeken. In de VS was de minimum capaciteit van de WT 1,5 MW. Response bedroeg 22% In de EU was de minimum capaciteit van de WT 0,6 MW, respons bedroeg 25%. Vergelijkingen tussen beide steekproeven op uiteenlopende variabelen, zoals beroep, geslacht, leeftijd en opleiding toonden geen belangrijke verschillen. Annoyance werd gemeten op een 5-puntsschaal. Gemeten werden annoyance, stress-symptomen, coping respons en een aantal moderatoren. Onderzoekers gebruiken een nieuw ontwikkelde annoyanceschaal om stress te meten. Minder dan 5% van de deelnemers ervaarden psychologische en fysieke klachten. Ze stellen ook vast dat de wijze waarop ze metingen hebben verricht niet precies genoeg is omdat ze daarmee de subgroep personen die deze klachten hebben onvoldoende terugzien in hun onderzoek. Maar ze stellen ook vast dat WTannoyance en gerelateerde stresseffecten geen grootschalig probleem vormen. Ze bespreken de zwakke punten van dit onderzoek, namelijk de verschillende manieren waarop de steekproeven zijn getrokken, pre- en post-metingen zijn beter dan dwarsdoorsnede-onderzoek. Desondanks zijn ze van mening dat de resultaten gegeneraliseerd kunnen worden.
Bovendien geven ze adviezen over de aanpak van WT-parken, onder meer om de bevolking er actief bij te betrekken. Gesponsord door windenergiebedrijf.
Pohl et al.43 Duits longitudinaal onderzoek. In dit onderzoek in Saksen worden elementen van stress-psychologie met geluidsmetingen geïntegreerd om een beter begrip te krijgen van oorzaken en effecten van WTN. De onderzoekers kozen voor een longitudinale opzet omdat daarmee onderzocht kan worden of WTN-annoyance een stabiel fenomeen in de tijd is of dat het beïnvloed kan worden door informatie over oorzaken en effecten van WTN. Er werd geworven bij 590 personen, maar er deden 212 mee aan het eerste deel en 133 ook aan het tweede deel. Er werd een nonrespons-analyse verricht, karakteristieken van de deelnemers worden summiers beschreven. Interviews werden in 2012 en 2014afgenomen. De steekproef zou representatief zijn voor Duitsland, maar gegevens worden niet getoond, wel resultaten van vergelijkingen. De vragenlijsten bevatten 450 items (ontleend aan eerder onderzoek naar stresseffecten van WT). waaronder psychologische en medische. Diverse stressindicatoren en 5 moderatoren werden onderzocht. Deelnemers konden zelf geluidsmetingen doen. De deelnemers kregen informatie over de aard en effecten van WTN. 69,3% van de deelnemers had WTN ervaren. 34,9% waren annoyed en 9,4% sterk annoyed. 9,9% had psychologische of fysieke symptomen die ze toeschreven aan WTN en die ze tenminste eenmaal per maand ervaarden.
In 2014 werd een lagere score bereikt en bovendien ervaarden de bewoners meer last van verkeersgeluid. Het ging algemeen performance, emotie, stemming en slaap. Duizeligheid als symptoom werd niet genoemd, waarmee de onderzoekers zeggen dat er geen negatieve invloed van laagfrequent geluid werd gevonden. Gedachten om te verhuizen kwamen zelden voor. Lokaal verkeersgeluid zorgde voor evenveel annoyance als WTN. Mensen met de meeste annoyance hadden ook de meeste stressreacties. De onderzoekers geven aan dat positieve copingstrategieën ondersteund kunnen worden als onderdeel van een stress managementtraining. AM zou een van de verklaringen kunnen zijn voor annoyance. Ten slotte bevelen de onderzoekers aan om de strategie die ze hebben toegepast verder te ontwikkelen en te repliceren. WTNannoyance kan verminderd worden door empirische informatie aan de bewoners te geven.
Krogh et al.44 Canadees kwalitatief onderzoek. 67 personen namen deel aan een kwalitatief onderzoek waarin de overwegingen werden onderzocht waarom mensen hun huizen willen verhuren of verkopen omdat er WT’s in de omgeving geplaatst gaan of
49
gingen worden. 28 van de 67 had hun huis verhuurd of verkocht, 31 overwoog dat, 4 hadden hun huis al verkocht voordat er gebouwd werd en 4 hadden besloten te blijven. De belangrijkste motivatie om te verhuren/verhuizen was dat hun gezondheid zou verslechteren dan wel hun gezondheidsklachten zouden verergeren. Dat werd ook gemeld door deelnemende artsen. Dit waren voorlopige resultaten, de definitieve volgen. Een van de auteurs is medewerker van een groene energie-organisatie. De onderzoekers beoogden 25 deelnemers te werven.
2.2 Slaapverstoring.
2.2.1 Reviews over slaapverstoring. Basner et al.45 Review voor de WHO. In een systematisch literatuuroverzicht en kwantitatieve meta-analyse hebben Amerikaanse onderzoekers voor de WHO de effecten van omgevingsgeluid op slaap onderzocht. De gegevens worden gebruikt om Europese richtlijnen te onderbouwen. Het was de onderzoekers vooral te doen om nonlaboratoriumonderzoek. De geluidsniveaus mochten zowel gemeten als berekend zijn. De kwaliteit van de onderzoeken werd bepaald met behulp van GRADE-criteria. De onderzoekers vonden 74 onderzoeken die gepubliceerd waren in de periode tussen 2000 en 2015. Daarvan waren 41 geschikt voor kwantitatieve analysen en 33 voor kwalitatieve analysen. Onderzocht werden de effecten van blootstelling aan verkeers-, trein- en vliegtuiggeluid en andere bronnen en zelf-gerapporteerde slaapverstoringen. De uitkomsten toonden dat als in de vragenlijstonderzoeken specifiek werd gevraagd naar grote slaapverstoringen in relatie tot geluid de associaties voor alle drie geluidstypen statistisch significant werden. Als in de vragen geen geluid in relatie tot slaapverstoringen werden genoemd waren de associaties statistisch niet-significant. Polysomnografisch onderzoek laat zien dat elke toename van geluid van 10 dB van L max binnenshuis gemeten statistisch significant was geassocieerd met wakker worden ‘s nachts.
Er waren te weinig gegevens om kwantitatieve analysen te doen over mobiliteit, hart- en bloedrukgegevens en over kinderen en slaapverstoringen. Voor de beoordeling van de effecten van WTN werden 6 onderzoeken gevonden. Het ging om de associatie tussen zelf-gerapporteerde slaapverstoringen en berekende A-gewogen SPL’s. Als tenminste een maal per maand een slaapverstoring werd gerapporteerd dan gold dit als zodanig. Vijf onderzoeken konden kwantitatief worden geanalyseerd. Het resultaat toonde dat slaapverstoringen per 10 dB toename van het geluidsniveau niet-significant waren geassocieerd. Er was sprake van een grote mate heterogeniteit. Er is behoefte aan onderzoek waarin slaapverstoringen objectief worden gemeten en gerelateerd worden aan geluidsniveaus, evenals associaties tussen slaapverstoringen en WTN-niveaus. Ze geven ook aan dat het bewijs beperkt is. Wat betreft het gehele onderzoek wordt geconcludeerd dat transportgeluid zowel de objectief vastgestelde slaapfysiologie als zelf-gerapporteerde slaap bij volwassenen verstoort. De kwaliteit van het bewijs, op basis van GRADE-criteria was alleen voor (corticaal vastgestelde) wakker worden en zelf-gerapporteerde slaapverstoringen matig, voor de rest laag tot zeer laag.
50
Micic et al.46 Niet-systematisch literatuuronderzoek. Bespreking van deze review blijft achterwege. De reden is dat de auteurs hun zoekactie niet hebben verantwoord waardoor niet gecontroleerd kan worden of zij de literatuur selectief hebben geciteerd. Zoals eerder al aangegeven is dat een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van een review.
Het onderzoek van Michaud et al 2016c wordt verderop besproken.
2.2.2 Oorspronkelijke studies naar slaapverstoring.
Lane et al.47 Canadees veldonderzoek. In een steekproef werden de effecten van WTN op slaap onderzocht bij 22 personen. 12 behoorden tot een groep die binnen 795 meter van een WT woonden en 10 op 2931 meter. De gebieden waren vergelijkbaar wat betreft terrein en demografische kenmerken (data worden niet getoond). De uiteindelijke respons bleek 45%. De groep niet-blootgestelde waren gemiddeld bijna 20 jaar jonger dan de blootgestelden. Slaap werd gemeten met actigrafie en slaapdagboeken, gebaseerd op de gevalideerde Pittsburgh Sleep Diary. Metingen vonden gedurende 5 nachten plaats. SPL’s werden ook in de slaapkamers gemeten bij 1 persoon in elke groep. Er werden geen statistisch significante verschillen gevonden in slaapparameters, zoals totale slaaptijd, slaapefficiëntie en periodes met wakkerzijn. De slaapdagboeken lieten significante verschillen zien wat betreft de tijd van het naar bed gaan en de tijd tot inslaapvallen. Beide waren eerder/korter in de blootgestelde groep. Ten aanzien van de wakkere periodes noemden de deelnemers niet WT’s. De onderzoekers noemen als belangrijkste beperking van hun onderzoek het geringe aantal deelnemers waardoor de statistische power klein is. Ze bevelen het gecombineerde gebruik van actigrafie en slaapdagboeken aan.
Poulsen et al.48 Deens prospectief cohortonderzoek. Van het verderop beschreven prospectieve Deense cohortonderzoek hebben Poulsen en collega’s ook een secundaire analyse gedaan naar de associatie van WTN en slaapmedicatie en antidepressiva. Dit cohort bestond uit 583.968 personen die slaapmedicatie hadden afgehaald bij de apotheek en 584.891 die antidepressiva hadden afgehaald. De indicaties voor deze medicijnen was niet bekend. De onderzoekers concluderen dat bij personen van 65 jaar en ouder 5-jaars nachtelijke blootstelling aan hoge WTN-niveaus (>42 dB) is geassocieerd met een statistisch significant verhoogd risico om slaapmedicatie en antidepressiva af te halen bij de apotheek. De onderzoekers bespreken ook hier de positieve en zwakke aspecten van dit onderzoek. Naast de verderop genoemde positieve aspecten, speelt als zwak aspect mee met name dat antidepressiva voor meerdere indicaties zijn geregistreerd en de indicaties voor de gebruikers van deze middelen niet bekend is. Bovendien wordt het feitelijke gebruik van de medicijnen niet gemeten.
Radun T, et al49. Fins dwarsdoorsnede-onderzoek. Doel van het onderzoek was om vast te stellen hoe akoestische en niet-akoestische variabelen geassocieerd zijn met WTN-annoyance binnenshuis en buitenshuis en de door WTN geïnduceerde slaapverstoringen.
51
In drie gebieden in Finland werden interviews afgenomen dan wel vragenlijsten ingevuld door 318 deelnemers. De gebieden lagen in de buurt van WT’s e(3-5 MW) n de onderzoekers beschouwen deze gebieden als representatief voor de moderne Finse WT-gebieden. Wat precies wordt verstaan onder slaapproblemen wordt aangegeven op een schaal van 1-6. Het lijkt er op dat dit onderzoek een secundaire analyse is van een eerder gepubliceerd onderzoek. De analyse beperkte zich tot de vaste bewoners. Van recreërende mensen verwacht men dat ze negatiever staan tegenover WT’s. Geluidsniveau´s (SPLs) werden berekend op basis van internationale standaarden en vervolgens gecontroleerd ter plaatse. Statistische analysen worden uitgebreid verantwoord en beschreven, evenals de vragenlijsten en de gebruikte modellen. Ook de uitkomsten worden zeer gedetailleerd beschreven. Tussen de drie gebieden waren aanzienlijke verschillen, bijvoorbeeld in aantallen WT’s, aantal deelnemers en opleidingsniveau. De uitkomsten tonen dat zorgen omtrent de gezondheid de belangrijkste verklarende factor is voor de associatie tussen WTN-annoyance binnenshuis en buitenshuis en de door WTN geïnduceerde slaapverstoringen. Andere, minder belangrijke factoren, zijn het gebied, geluidsgevoeligheid en algemene houding ten aanzien van WT’s. Sound level verklaarde ook een deel.
Met de modellen werd een voorspellende waarde van 67 tot 71% bereikt. De onderzoekers gaan uitgebreid in op de sterke en zwakken punten van hun onderzoek. Beperkingen zijn onder meer het geringe aantal deelnemers, het beperkte aantal deelnemers in de hogere geluidsniveaus, en het geringe aantal niet-akoestische factoren. Bijna 80% van de deelnemers kwam uit een gebied. Opmerkelijk is dat de onderzoekers aanbevelingen doen aan bestuurders en anderen hoe ze beter kunnen communiceren naar de bevolking over mogelijke zorgen over gezondheidseffecten. Dit kan zorgen en annoyance verminderen en hen het gevoel geven dat er beter naar ze geluisterd wordt. In de uitgebreide lijst sponsoren staan onder meer de Finse Wind Power associatie, producenten van WT en andere grote bedrijven.
Morsing et al.50 Zweeds piloot-laboratoriumonderzoek. Voorafgaande aan het hierboven beschreven onderzoek Zweeds laboratoriumonderzoek van Smith et al. hebben dezelfde onderzoekers twee pilotonderzoeken verricht om de apparatuur en het ontwerp van het onderzoek te testen. Met name werden bepaalde aspecten van WTN onderzocht en werd bekeken welke het meeste effect op de slaap hadden. Aan het eerste onderzoek namen 6 personen deel. De PSG, het geluid en de vragenlijsten werden uitgeprobeerd en bleken te voldoen. In het tweede onderzoek werd het geluid gevarieerd toegediend, er namen 6 personen aan deel. In de analyse werd gecorrigeerd voor multipele vergelijkingen. De onderzoekers concluderen dat er enig effect van WTN is op frequentie van wakker worden, minder N3slaap, minder continue N2-slaap, toegenomen zelf-gerapporteerde verstoringen en ochtendmoeheid. AM had een verstorend effect op wakefulness. De onderzoekers geven aan dat de conclusies beperkt zijn vanwege de geringe steekproefgrootte en niet representatief zijn.
Smith et al.51 Zweeds laboratoriumonderzoek.
52
In dit onderzoek werden polysomnografie en vragenlijsten gebruikt om het effect van een nacht blootstelling aan WTN op de slaap te bepalen. Ook werd het effect van AM gemeten. 50 vrijwilligers namen deel, zij waren gezond, gebruikten geen medicatie en meldden dat ze geen gehoorproblemen hadden. 24 personen woonden in de buurt van WT’s (<1 km) en 26 niet. Deelnemers mochten geen alcohol gebruiken, wel was het gebruik van cafeïne toegestaan. Deelnemers brachten drie nachten door in het laboratorium, waarvan één om te wennen, één om te meten en één diende als controle. Ze ondernamen verder hun dagelijkse activiteiten. Het onderzoek werd uitgevoerd volgens richtlijnen van de American Academy of Sleep Medicine. Cortisolconcentraties werden in het speeksel bepaald. Slaapverstoringen werden op een 11-puntsschaal gemeten en op een 5-puntsschaal werden de effecten van WTN bepaald. De wijze waarop geluideffecten werden gemeten en de kenmerken van het geluid worden uitvoerig beschreven. Een getrainde en geblindeerde laboratoriummedewerker scoorde de gegevens. De resultaten lieten geen significante verschillen zien wat betreft begin van de slaap, slaapduur, of indicatoren voor slaapfragmentatie of doorslapen tussen de WTN-nacht en de controlenacht. Wel was er een langere REM-slaap latentieperiode en minder REM-slaap tijdens AM.
Er waren geen verschillen in cortisolconcentraties tussen beide groepen op enig moment. Uit de vragenlijsten kwam naar voren dat WTNnachten onder meer gepaard gingen met een verminderde slaapkwaliteit de volgende ochtend, toegenomen moeheid en irritatie, minder plezier hebben. Er waren geen effecten op gespannenheid ’s ochtends, ervaren slaapdiepte en oriëntatie. Tijdens hoge AM was er minder N2-slaap. Personen die dichtbij WT’s woonden rapporteerden slechtere slaap in zowel de WTN-nacht als de controlenacht in vergelijking met de referentiegroep. Bij de bespreking van de sterke en zwakke aspecten van het onderzoek noemen de onderzoekers dat het geluidsniveau van 32 dB mogelijk aan de lage kant is en dat mensen die het meest gehinderd worden door WTN niet in het onderzoek waren opgenomen. Ze geven voorts aan dat uit de vragenlijsten aspecten naar voren komen die op de lange termijn de gezondheid kunnen bepalen en niet worden gemeten door polysomnografie. De steekproef van 50 personen was mogelijk te klein om effecten te meten. Zelfselectiebias kan niet worden uitgesloten. En het feit dat de deelnemers niet-geblindeerd waren kan de uitkomsten beïnvloed hebben.
Kageyama et al. 2016.52 Japans dwarsdoorsnede-onderzoek. Voornamelijk universitaire onderzoekers. Doel van het onderzoek was de expositie-respons relatie te onderzoeken tussen gezondheidsklachten en WT-geluid. Het ging om slaapstoornissen en algemene gezondheidseffecten, zelf-gerapporteerd via directe interviews met hulp van vragenlijsten. Deze relatie zou niet eerder binnenshuis zijn gemeten, alleen op basis van afstandsmetingen en mathematische modellen. De onderzoekers geven aan dat de volgorde van de vragen van belang zijn voor de uitkomsten. Zo probeerde men het doel van het onderzoek verborgen te houden voor de deelnemers, hen werd gezegd dat het om een algemeen omgevingsonderzoek ging. Er werd gebruik gemaakt van een internationaal erkende slaapdefinitie en getrainde interviewers. Voor de algemene gezondheidseffecten werd een gevalideerde Japanse vragenlijst gebruikt. Geluidsniveau´s werden ter plekke gemeten, 3 maal per week gedurende 10 minuten gedurende 5 dagen. Er deden 747 respondenten mee uit 34 gebieden met WT (49%) en 332 (45%) uit 16 gebieden zonder WT. In totaal dus 1079 personen, waarvan 80% 50 jaar en ouder was.
53
Bij 1,2% van de respondenten was sprake van insomnia volgens een strikte definitie. Deze personen hadden ook overdag klachten door de slaapstoornis. De onderzoekers bespreken vrij uitgebreid de beperkingen van hun onderzoek: er zouden meerdere geluidsmetingen in het jaar gedaan moeten worden, er is niet binnenshuis gemeten, rol hyperacusis is niet onderzocht, bij bepalen oorzaak-gevolg relatie is van belang wat men eerst benoemd de DSI of geluidssensitiviteit, de steekproef is mogelijk niet representatief omdat ernstig zieke personen niet deelnamen en ook werd niet gevraagd naar life events.
Michaud et al.53 Canadees dwarsdoorsnede-onderzoek. Dit is een derde onderzoek dat is ontleend aan de CHNS en gepubliceerd in 2016. Doel van deze analyse was de effecten van WTN te onderzoeken in relatie tot zelf-gerapporteerd en objectief slaaponderzoek. Het betrof dezelfde groep mensen die in de vorige paragraaf zijn beschreven, maar de respons was geringer. De onderzoekers geven aan dat mensen vaak een slechte indruk hebben van hoeveel ze hebben geslapen, vaak slapen ze langer dan ze denken en daarom is objectief slaaponderzoek wenselijk. De Pittsburgh Sleep Quality Index (PSQI) werd afgenomen als subjectieve maat en als objectief instrument werd een Actiwatch2-slaaphorloge gebruikt, een band die om de pols wordt aangebracht en die allerlei slaapeigenschappen registreert. Eindpunten waren slaapefficiëntie, slaaplatentie, totale duur van wakkerzijn na het inslaapvallen, totale slaaptijd en het aantal keren dat men wakker is. De statistische analyse wordt uitgebreid beschreven. De sound pressure levels buitenshuis waren max 46 dB(A). 821 mensen namen deel aan het actigrafisch onderzoek (66%). Vastgesteld wordt dat de WTN-niveaus geen statistisch significante relatie hebben met gerapporteerde slaapproblemen. Er werd wel een statistisch significante relatie gevonden tussen WTNniveaus en het gebruik van slaapmedicatie (ten minste eenmaal per week).