Inspraakreactie mevrouw Van der Laak - Op weg naar een zon en windvisie voor de gemeente Vught
Tekst van het document
De onderzoekers stellen in hun discussie dat er geen bewijs is voor welke vorm van slaapproblemen dan ook met WTN-niveaus. De onderzoekers bespreken wel de beperkingen van hun onderzoek. Variatie in nachtelijke WTN-niveaus buitenshuis kan de actigrafische resultaten hebben beïnvloed. Gemiddelde lange termijnmetingen zeggen nog niet zoveel incidentele afwijkingen die de slaap wel kunnen beïnvloeden. Ten slotte geven ze aan dat er geen aanwijzingen dat de WT’s tijdens de looptijd van het onderzoek minder output hebben geleverd. De vraag of de onderzoeksopzet mogelijk niet sensitief genoeg was om effecten op slaap goed te onderzoeken wordt door de onderzoekers ontkend.
2.3 Effecten op het hart- en vaatstelsel. Van Kempen et al.54 Systematisch literatuuronderzoek naar effecten van geluid op voorkomen van HVZ. Dit systematische literatuuronderzoek en kwantitatieve meta-analyse is een update van de beschikbare gegevens over de associatie tussen blootstelling aan omgevingsgeluid en hart- en vaatziekten en metabole ziekten (diabetes mellitus). Het is uitgevoerd volgens de richtlijnen van en in opdracht van de WHO. De onderzoekers vonden 61 onderzoeken die voldoende informatie over de onderzochte variabelen bevatte om te kunnen analyseren. Kwaliteit werd beoordeeld met de GRADE-criteria. De zoekacties en GRADEbeoordelingen worden uitgebreid beschreven. De meeste onderzoeken gingen over de associatie tussen verkeersgeluid en hypertensie en waren dwarsdoorsnede-onderzoeken. Deze hadden een hoog risico op bias. Blootstelling aan verkeersgeluid gaf een statistisch significant verhoogd relatief risico op ischemische hartziekten (RR 1,08 [95%BI-1,01-1,15]) per 10 dB toename. Deze onderzoeken hadden een hoge kwaliteit. Er waren slechts een beperkt aantal
54
onderzoeken die de associatie tussen transportgeluid en beroerte, diabetes en/of obesitas onderzochten. De kwaliteit van deze onderzoeken was matig tot heel laag. Er waren drie onderzoeken die de associatie tussen blootstelling aan WTN en IHZ onderzochten. De kwaliteit van deze onderzoeken was dermate laag dat ze geen conclusie toelieten. Het betrof dwarsdoorsnedeonderzoeken met een veelal lage respons. Voorts werd de aanwezigheid van aandoeningen gebaseerd op zelf-rapportage en interviews. De onderzoekers bevelen aan dat er meer onderzoek van betere kwaliteit moet komen, vooral longitudinaal onderzoek.
Poulsen et al55. Deens prospectief cohortonderzoek. Poulsen en collega’s hebben meerdere artikelen gepubliceerd op basis van een cohortonderzoek waarin zij de associatie hebben onderzocht van blootstelling aan WTN en het gebruik van medicatie en/of bepaalde aandoeningen. Dit artikel onderzoekt de associatie met antihypertensiva.
Het cohort was gebaseerd op de gehele Deense populatie en was prospectief gevolgd van 1996 tot 2013. Via koppelingen met databestanden van WT’s, bevolking, ziektekostenverzekeraars, ziekten, weergegevens, en medicijnen werd een steekproef getrokken die bestond uit ruim 700.000 volwassen personen (binnen een radius van 20 WT-hoogten en 25% aselect getrokken, leefden langer dan een jaar op hetzelfde adres). Voor aanvang van het onderzoek werden diverse verstorende variabelen gedefinieerd, zoals geslacht, leeftijd, opleiding, inkomen, huwelijkse staat, afstand tot de dichtstbijzijnde weg, hoogte van de WT’s en de geschatte validiteit van de geluidsmetingen. WTN werd berekend met modellen en zowel binnenshuis als buitenshuis berekend waarbij ook laag-frequent geluid werd meegenomen. Langdurige nachtelijke 5-jaars gemiddelden werden berekend. Antihypertensiva werden gedefinieerd op basis van ATC-codes (Anatomical Therapeutic and Chemical codering van de WHO). Apart werd ook gekeken naar antihypertensiva met uitsluiting van diuretica. Beschikbaar waren gegevens over het afhalen van de medicijnen maar niet over de dosering en de indicatie. Het onderzoek is gesponsord door drie ministeries: van gezondheid, energie en milieu.
Het cohort dat voor antihypertensiva werd gevormd bestond uiteindelijk uit 535.675 volwassenen en hiervan hadden 83.729 personen meer dan 2 recepten afgehaald met meer dan 180 DDD’s (defined daily dosages). Personen werden ingedeeld in groepen op basis van de berekende blootstelling aan WTN, waarbij de groep met laagste WTN-blootstelling (<24 dBA) als referentiegroep fungeerde. De onderzoekers vonden geen statistisch significante associatie tussen langdurige nachtelijke blootstelling aan WTN binnenshuis of buitenshuis en het afhalen van antihypertensiva. Dit gold zowel voor de groep met als zonder diuretica. Analyse van de invloed van confounders leidde niet tot andere uitkomsten. De onderzoekers geven aan dat zij wel aanwijzingen vonden voor effectmodificatie door leeftijd waarbij mensen ouder dan 65 jaar risico’s toenamen met de leeftijd. Dit aspect verdient volgens de onderzoekers nader onderzoek. De onderzoekers bespreken de positieve punten van hun onderzoek, zoals het prospectieve karakter en dat het representatief is voor de gehele Deense bevolking. Ook noemen ze de zwakke punten, zoals het feit dat het afhalen van medicijnen gelijkgesteld wordt als een diagnose hypertensie. Ook geven ze aan dat bij veel mensen sprake is van hypertensie zonder dat dit bekend is bij hen en bij artsen.
Voorts beschikken ze niet over factoren behorend bij leefstijl, zoals voeding, roken en lichamelijke activiteit. En ten slotte hebben ze geen metingen ter plekke gedaan om hun modellen te valideren.
55
Poulsen et al.56 Deens prospectief cohortonderzoek. In een andere, secundaire, analyse van het bovengenoemde Deense cohortonderzoek hebben Poulsen en collega’s de associatie onderzocht tussen WTN en risico op myocardinfarct en ischemische beroerte. Ze maakten gebruik van ICD-codes (International Classification of Diseases). De steekproef bestond uiteindelijk uit 711.259 personen voor myocardinfarctanalyse waarvan2,7% een myocardinfarct ontwikkelde en 712.401 voor beroerte-analyse waarvan 2,5% een beroerte ontwikkelde. De onderzoekers concluderen dat zij geen overtuigend bewijs hebben gevonden voor een associatie tussen WTN en myocardinfarct en beroerte. Ze geven echter ook aan dat er een risico op expositie-misclassificatie bestaat. Ze vonden wel statistisch significante resultaten bij de groep mensen met myocardinfarct en hoge WTN-blootstellingsniveaus met een hoge validiteitsscore, zowel binnenshuis als buitenshuis berekend. Het betrof echter kleine aantallen personen. Nader onderzoek is daarom wenselijk naar de associatie tussen hoge blootstelling aan WTN en myocardinfarct.
Bräuner et al.57 Deens cohortonderzoek. Geïnspireerd op de American Nurses’ Health Study hebben Deense onderzoekers in 1993 een cohort Deense verpleegkundigen samengesteld met als doel om de effecten van hormonale suppletie therapie te onderzoeken. Er werden in eerste instantie 23.170 vragenlijsten gestuurd naar circa 95% van Deense verpleegkundigen. De gegevens van het onderzoek werden gekoppeld aan dat van het Deense bevolkingsregister, patiëntenregister en doodsoorzakenregister. Ook werden ze gekoppeld aan het Deense energieagentschap waarin alle WT’s zijn opgenomen. Windsnelheden en andere meteorologische gegevens werden geschat, gekoppeld aan gegevens over luchtverontreiniging en verkeer en in een model ingebracht. Het model beoogde de incidentie van myocardinfarct te meten als een functie van de blootstelling WTN met leeftijd als tijdschaal. Analysen vonden plaats met het hele bruto model maar ook met een beperkt model aangepast met potentiële confounders. Voor de uiteindelijke analyse bleven 23.994 verpleegkundigen over. De gemiddelde follow-up bedroeg 20,0 jaar en in die periode kregen 686 vrouwen een myocardinfarct. Deze vrouwen waren onder meer vaker ouder, hadden overgewicht, rookten meer en waren minder lichamelijk actief.
De onderzoekers vonden geen statistisch significante associatie tussen WTN en de incidentie van myocardinfarct bij verpleegkundigen boven 44 jaar. Ook was er geen dosis-respons relatie aantoonbaar. De invloed van confounders en effect-modificatoren was verwaarloosbaar. De onderzoekers bespreken de sterke en zwakke aspecten van hun onderzoek. Sterke punten zijn onder meer dat de vaststelling van de incidentie van myocardinfarct en de risicofactoren daarvoor objectief is vastgesteld in de registraties en niet is gebaseerd op zelfrapportage. Het risico van informatie- en recall bias is daarom minimaal en er is geen selectiebias. Een zwak punt is dat de blootstelling aan geluid klein was, namelijk slechts circa 25% woonde binnen een afstand van 6 kilometer van één of meer WT’s. Een groot deel van de vrouwen heeft nooit in de buurt van WT’s gewoond. Dat de invloed van confounders en effectmodificatoren verwaarloosbaar is, is niet goed onderbouwd aangezien gegevens hierover zijn verzameld aan het begin van het onderzoek, dus zo’n 20 jaar geleden. Voorts geven ze aan dat een belangrijke beperking van hun onderzoek is dat de WTN-niveaus zijn berekend en geen afspiegelingen hoeven te zijn van persoonlijke blootstellingen. Ook konden er geen pieken worden meegenomen in de modellen. Er is ook geen informatie over de ligging van de slaapkamers ten opzichte van het geluid.
Belangrijk is ook dat er weinig myocardinfarcten waren in de groep die blootgesteld was aan het hoogste WTN-niveau, hetgeen expositie-misclassificatie wordt genoemd. Informatie ontbrak ook over de persoonlijke gevoeligheid voor geluid en annoyance-niveau. Derhalve kan het zo zijn, zo stellen de onderzoekers dat ze de effecten van WTN hebben onderschat.
56
Bräuner et al.58 Deens cohortonderzoek. Van het hierboven beschreven Deense cohortonderzoek zijn meerdere secundaire analysen gemaakt. Een daarvan richtte zich op de associatie tussen langdurige blootstelling aan WTN en het risico op beroerte. Voor de uiteindelijke analyse bleven 23.912 verpleegkundigen over. De gemiddelde follow-up bedroeg 19,4 jaar. In die periode ontwikkelden 1097 vrouwen een beroerte. Deze vrouwen hadden meer risicofactoren, zoals roken, minder bewegen en vaker hypertensie. De onderzoekers concluderen dat er geen associatie bestond tussen WTN en incidentie van beroerte. Er was geen aanwijzing voor een causale relatie tussen langdurige blootstelling aan WTN en de incidentie van beroerte. De onderzoekers bespreken de sterke en zwakke aspecten van hun onderzoek en die wijken in essentie niet af van het vorige onderzoek naar myocardinfarcten
Bräuner et al.59 Deens cohortonderzoek. In een andere secundaire analyse van het Deense verpleegkundigencohort is de associatie onderzocht tussen langdurige WTN-blootstelling en atriumfibrilleren. Voor de uiteindelijke analyse bleven 24.137 verpleegkundigen over. Gedurende de gemiddelde follow-up van 17 jaar ontwikkelden 1430 vrouwen atriumfibrilleren. Evenals bij de vorige twee analysen hadden deze vrouwen meer risicofactoren. De resultaten lieten zien dat de groep die gedurende 11 jaar was blootgesteld aan de effecten van nachtelijke WTN het risico, in vergelijking met de groep met de laagste blootstelling aan WTN, een 30% hoger risico had op het ontwikkelen van atriumfibrilleren (HR 1,30 [95%BI=1,05-1,61]). Dat gold ook voor de blootstelling overdag, ’s avonds en de gehele dag. Er was geen invloed van confounders op de uitkomst. De associatie van de gewogen 24-uurs blootstelling was statistisch niet-significant. De onderzoekers manen toch tot voorzichtige interpretatie van de bevindingen omdat de blootstellingsniveaus gering waren. De onderzoekers bespreken de sterke en zwakke aspecten van hun onderzoek en die wijken in essentie niet af van het vorige onderzoek naar myocardinfarcten
2.4 Metabole effecten. Bakker et al.60 Nederlands dwarsdoorsnede-onderzoek. In dit vragenlijstonderzoek naar de associatie tussen WTN, annoyance, zelf-gerapporteerde slaapverstoringen en psychologische distress komt het woord diabetes niet aan bod.
Pedersen et al.61 Zweeds dwarsdoorsnede-onderzoek. Dit betreft een dwarsdoorsnede-onderzoek naar de associatie tussen WTN, annoyance en zelfgerapporteerde gezondheid. In dit artikel worden geen gegevens over het voorkomen van diabetes mellitus beschreven. Er wordt wel aangegeven dat in de vragenlijsten die werden gebruikt ook is gevraagd is naar de gezondheid van de deelnemers, waaronder de vraag of ze diabetes hadden. Er deden 754 mensen mee aan het onderzoek, respons was 57,6%. Hoe volledig de vragenlijsten zijn ingevuld wordt niet vermeld.
Pedersen et al.62 Samenvatting van drie onderzoeken.
57
Gegevens van drie dwarsdoorsnede-onderzoeken (2 Zweedse, 1 Nederlandse) werden samengevat. In totaal namen 1830 mensen deel aan het vragenlijstonderzoek, daarvan hadden 1755 alle vragen ingevuld. SPLniveaus werden berekend en er werd gevraagd naar diverse gezondheidsitems, waaronder diabetes. De keuze voor de gezondheidsitems lijkt enigszins arbitrair en onduidelijk en omvat zeker niet alle op dat moment onderzochte items. De onderzoekers ondernamen veel analysen, maar corrigeerden hiervoor niet. In plaats daarvan moesten relaties tussen SPL-niveaus en de gezondheidsitems in alle drie onderzoeken statistisch significant zijn om feitelijk als een associatie te worden benoemd. Voor diabetes mellitus gold dat niet voor alle onderzoeken en ook niet voor alle deelanalysen. De auteur bespreekt de zwakke punten van het onderzoek, vooral het gegeven dat het om zelfgerapporteerde gezondheidseffecten gaat. Zij stelt ten slotte dat de resultaten niet alarmerend zijn maar vragen om politieke actie en meer onderzoek.
Poulsen et al.63 Deens prospectief cohortonderzoek. Van het hierboven en verderop genoemde Deense prospectieve cohortonderzoek hebben Poulsen en collega’s ook een secundaire analyse verricht naar de associatie tussen langdurige nachtelijke blootstelling aan WTN en het ontstaan van diabetes. Het uiteindelijke cohort bestond uit 614.731 personen van wie 25.148 diabetes ontwikkelden. De onderzoekers vonden geen aanwijzingen voor een statistisch significante associatie tussen langdurige nachtelijke blootstelling aan WTN (binnenshuis en buitenshuis) en het ontstaan van diabetes. Ze tekenen hierbij wel aan dat er maar weinig personen in de hoogste WTN-niveaus waren, een reden om hier nader aandacht aan te besteden. Ook hier bespreken de onderzoekers weer de positieve en zwakke aspecten van hun onderzoek. Met name zijn leefstijlfactoren van belang bij het ontstaan van diabetes en die hebben ze niet gemeten. Residuele confounding kunnen ze ook niet geheel uitsluiten.
2.5 Cognitieve en mentale gezondheidseffecten van windturbinegeluid. Clark et al.64 Systematisch literatuuronderzoek. In een door de WHO gesponsord onderzoek voor de Europese regio is een systematisch literatuuronderzoek gedaan naar de relatie tussen omgevingsgeluid en kwaliteit van leven, welzijn en geestelijke gezondheid. Aangegeven wordt dat de richtlijn voor SPL’s binnenshuis de grens van 50 dB L Aeq 16 uur niet mag overschrijden en voor binnenshuis 30 dB LAeq 8 uur. De zoekstrategie wordt omschreven evenals de kwaliteitscriteria. De nadruk ligt op verkeers-, trein- en vliegverkeersgeluid. Dit laat ik buiten beschouwing. Wat betreft WTN noemen de onderzoekers 5 literatuuroverzichten die eerder zijn gepubliceerd. Ze gaan deze niet uitgebreid bespreken, omdat er weinig onderzoeken zijn gedaan die gepeer-reviewed zijn en van voldoende methodologische kwaliteit. Ze stellen vast dat er geen consistent bewijs is voor een associatie tussen blootstelling aan WTN en een slechte kwaliteit van leven, welzijn en geestelijke gezondheid. De problemen met de onderzoeken zijn dat afstand wordt gebruikt om SPLs te berekenen in plaats van te meten bij de woningen van de onderzoek deelnemers. Ook werd te weinig rekening gehouden met de sociaaleconomische status en andere belangrijke confounders.
Onderzoeken hadden vaak een klein aantal deelnemers, respons was laag, er waren onduidelijke definities van blootgestelden en controlegroepen. Ook werden niet-gevalideerde meetinstrumenten gebruikt, bijvoorbeeld voor het meten van de QoL. Het was niet
58
mogelijk om effect sizes te berekenen. Dosis-responsrelaties konden daarom niet worden berekend. Psychologische voorgeschiedenis van deelnemers ontbreekt vaak evenals informatie over hun copinggedrag. De evidence is daarom niet compleet. Er moet meer cohortonderzoek worden gedaan van blootgestelden en ook voor kinderen, volwassenen en ouderen, en risicogroepen. Dat geldt ook voor infrageluid en laagfrequent geluid. Het beschikbare onderzoek is van een zeer laag kwaliteitsniveau. De auteurs sluiten af met de vaststelling dat het gebrek aan bewijs niet betekent dat er geen effecten zijn, deze alleen nog niet (tot oktober 2015) op robuuste wijze zijn onderzocht.
Clark et al.65 Brits systematisch literatuuronderzoek. Dit literatuuroverzicht beschrijft de gegevens over omgevingsgeluid in het Verenigd Koninkrijk na publicatie van de WHO-richtlijnen voor Europa in 2014. In feite worden alleen de effecten van verkeer-, trein- en vliegverkeer besproken. Slechts in drie onderzoeken komen de effecten WTN aan de orde. Het gaat om de effecten op geboortegewicht, prematuriteit en ‘small for gestational age’. Op geen werd een effect gevonden. De onderzoekers geven aan dat er meer en beter, vooral longitudinaal, onderzoek moet worden verricht om onder meer iets over het effect van WTN te kunnen zeggen. Dit onderzoek moet onderzoeksprioriteit krijgen.
Poulsen et al.66 Deens prospectief cohortonderzoek. Dit is een secundaire analyse van het al beschreven Deense prospectieve cohortonderzoek. Nu werden de associatie tussen WTN en ongewenste zwangerschapsuitkomsten onderzocht. Dit betrof de relatie zwangerschapsduur en geboortegewicht: premature geboorte, SGA (small for gestational age) en laag geboortegewicht. In de onderzoeksperiode 1982-2013 werden 135.795 zwangerschappen geanalyseerd. Er werden schattingen gemaakt over de nachtelijke blootstelling aan WTN binnen- en buitenshuis. De resultaten toonden geen statistisch significante associaties tussen de blootstelling aan WTN en de drie ongewenste zwangerschapsuitkomsten. De onderzoekers merken op dat er weinig gevallen in de groep met de hoogste blootstelling aan WTN waren.
2.6 Andere sociale en fysieke aspecten dan geluid. 2.6.1 Visuele aspecten. Review. Freiberg et al. 67Duits systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse. In een kwalitatief hoogwaardig artikel beschrijven Duitse onderzoekers de resultaten van hun onderzoek naar de vraag of de directe of indirecte zichtbaarheid van WT de gezondheid beïnvloedt van mensen die direct in de omgeving wonen. Het gaat om de invloed van visuele annoyance en akoestische factoren. Het onderzoek was niet gesponsord en de onderzoekers beschrijven hun werkwijze dermate gedetailleerd dat het reproduceerbaar is voor anderen. Zij namen 17 onderzoeken van uiteenlopende methodologische kwaliteit op in hun overzicht. De resultaten toonden onder meer dat 6% van de mensen hoge annoyance rapporteerden door veranderd uitzicht en schaduw flikkering. Effecten op andere gezondheidsuitkomsten waren inconsistent. Wel was er een aanwijzing dat directe zichtbaarheid van WT slaapstoornissen verhoogt. Verder was annoyance door
59
directe zichtbaarheid, schaduw flikkering, en knipperende lichten geassocieerd met een statistisch significant verhoogd risico op slaapstoornissen. De onderzoekers komen ook met aanbevelingen om de publieke acceptatie van WT, zoals het betrachten van transparantie en het betrekken van de bevolking. Oppositie tegen WT leidt namelijk tot meer gezondheidseffecten en zorgen. De onderzoekers bevelen meer onderzoek van hoge kwaliteit aan. NB. Dit onderzoek maakt gebruik van de AXIS-checklist. Deze is ook opgenomen in appendix C.
Oorspronkelijke studies. Delicado et al.68 Portugees onderzoek naar visuele aspecten van WT’s. Dit betreft een hoofdstuk in een boek waarin controversiële aspecten rondom WT’s op het Portugese platteland worden besproken. Het is dus geen wetenschappelijke publicatie. Portugal behoort tot de landen met de grootste WT-dichtheid. Op nationaal niveau bleken Portugezen minder enthousiast te zijn geworden. De auteurs doorzochten 4 grote dagbladen van 2001-2013 op berichten over WT’s en vonden 2211 artikelen. Daarvan werd in 25 het woord landschap gebruikt. Op lokaal niveau bleken vooral NGO’s protest aan te tekenen tegen WT’s. Op bestuurlijk niveau werden vooral maatregelen genomen om de last van WT’s te verminderen door aandacht te vragen voor maatregelen die de zichtbaarheid verminderen en meer groenvoorzieningen aan te brengen. Opmerkelijk is dat in de literatuurlijst veel Nederlandse publicaties worden genoemd die bijvoorbeeld in de rapporten van het RIVM niet zijn opgenomen.
Grima-Murcia et al.69 Spaans laboratoriumonderzoek met elektro-encefalografie. De onderzoekers proberen met dit onderzoek meer inzicht te krijgen in de temporale dynamiek van emotieverwerking als mensen naar verschillende landschapsbeelden kijken. Bij 14 vrijwilligers zonder neurologische of psychiatrische voorgeschiedenis, intoxicaties, medicijngebruik en met normale visus werd het effect van 60 landschapsfoto’s met of zonder WT’s, zonnepanelen of kernenergiecentrales op de hersenactiviteit op het EEG in het temporale gebied gemeten en vergeleken met vragenlijsten. Wat betreft WT’s en zonnepanelen werden geen bijzondere waarnemingen gedaan, wel in relatie met kernenergiecentrales. Daar werden op het EEG patronen waargenomen die passen bij negatieve emoties. De waarnemingen kwamen overeen met de scores op de vragenlijsten. De onderzoekers zijn van plan meer onderzoek op dit gebied te verrichten.
Lamy et al.70 Amerikaans interview. Dit artikel is niet opgenomen in de literatuurlijst van het RIVM-rapport. Bij 15 vrijwilligers werd een semigestructureerd interview afgenomen met als doel positieve en negatieve percepties van WT’s te krijgen in 2 dicht bij elkaar gelegen plaatsen aan de oostkust in de VS. Een steekproef van 15 mensen zou voldoende zijn om de meest voorkomende meningen op te sporen. Het interview bevatte zowel open als gesloten vragen en omvatte zowel bestaande als hypothetische WT’s. Het resultaat toonde dat economische voordelen en visuele aspecten erg belangrijk voor de inwoners waren. Daarna volgen geluid, voordelen voor het milieu, gevaren voor de natuur en veiligheidsaspecten. In de
60
discussieparagraaf gaan de auteurs in hoe de geïdentificeerde problemen het beste kunnen worden aangepakt.
Frantal et al.71 Tsjechisch vragenlijstonderzoek. In een steekproef met 474 inwoners van 6 plaatsen (met WT’s) in Tsjechië die van 0,5 tot 9 km van relatief kleine WT’s wonen (aangevuld met inwoners van 12 andere plaatsen) die geen financieel voordeel van WT’S ontvingen). De onderzoekers concluderen dat hun onderzoek nieuw empirisch bewijs levert voor de hypothese dat landschapsverstoring door WT’s een subjectieve en relatieve kwestie is. Landschapsverstoring wordt niet bepaald door het aantal WT’s, de afstand tot de dichtstbijzijnde en zichtbaarheid, maar vooral de indruk van financieel gewin, andere negatieve effecten zoals noise annoyance, en door de sociaaleconomische status van de mensen. Onduidelijk is hoe de steekproef werd getrokken, wat de kenmerken van de inwoners zijn en hoe de regressieanalyse precies werd verricht. Ook is niet duidelijk hoe de vragen werden gesteld en of de geïnterviewden wisten waar het onderzoek over ging.
Sklenicka et al.72 Centraal-Europees onderzoek. Tsjechische onderzoekers hebben een model ontwikkeld om zo objectief mogelijk de visuele impact van WT’s te bepalen op basis van landschapskenmerken. In Duitsland, Oostenrijk, Polen en Tjechie werden in elk 4 gebieden 100 respondenten geworven die elk 32 foto’s van landschappen beoordeelden met en zonder WT’s. Voorts werden 12 landschapskenmerken geanalyseerd, zoals bebossing, watergebieden en hoogteverschillen. Deze werden gebruikt om voorspellingen te doen in hun regressiemodel. De belangrijkste waren percentage industrieel gebied, percentage bos, dichtheid van de infrastructuur, aantal hoogteverschillen/heuvels en de verspreiding daarvan. Het uiteindelijke model is bruikbaar voor een groot deel van Midden-Europa om de visuele impact van WT’S te voorspellen. Dit met als doel om negatieve invloed op het milieu en de gemeenschap te voorkomen.
Landeta-Manzano et al.73 Spaans onderzoek naar acceptatie. Spaanse onderzoekers hebben onderzocht welke inspanningen en acties een grote Spaanse fabrikant van WT's heeft ondernomen om steun van lokale gemeenschappen te krijgen voor het aanleggen van WT’s. Sociale dan wel maatschappelijke acceptatie bestaat uit sociaal-politieke acceptatie, marktacceptatie en maatschappelijke acceptatie. Dit onderzoek is een exploratorisch/verkennend onderzoek en is met name geschikt voor gebieden waar nog weinig of geen onderzoek naar is verricht. Het is verricht tussen 2014 en 2017. Er werd gebruik gemaakt van interne en externe documenten van het bedrijf. 147 belanghebbenden werden geïnterviewd en 6 experts. Semigestructureerde vragenlijsten werden afgenomen en telefonische contacten volgden. Vier belangrijke aspecten kwamen naar voren: visuele aspecten (de nieuwere modellen zijn groter), gezondheid en veiligheid (veel trainingen voor veiligheid werknemers), deelname en medewerking lokale gemeenschappen (extra maar meestal tijdelijk werk) en sociale investeringen in gemeenschappen (vnl. compensaties voor die gemeenschappen). In de discussieparagraaf worden acties besproken die de lokale acceptatie kunnen vergroten, zoals het bepalen van de locaties die niet alleen op wettelijke of juridische gronden moet plaatsvinden.
61
In de literatuurlijst komt veel onderzoek naar voren over acceptatie. De onderzoekers vinden dit onderwerp van belang met name omdat er vrijwel geen ander onderzoek naar is verricht.
2.6.2 Contextuele, situationele, en persoonlijke factoren. In deze paragraaf wordt naar 3 onderzoeken verwezen die worden genoemd als gedeeltelijke verklaring waarom sommige mensen meer worden gehinderd door WT-geluid dan anderen. Deze onderzoeken gaan respectievelijk over vliegvelden74, autoverkeer75 en vliegverkeer76. Ik laat deze buiten beschouwing omdat ze geen onderbouwing kunnen geven voor het door het RIVM gestelde. Voorts geeft het rapport aan dat geen artikelen over situationele factoren werden gevonden. Onduidelijk is echter wat daar onder wordt verstaan.
Persoonlijke factoren. Van Kamp et al.77 Geluid en gezondheid in subgroepen. Naar dit artikel wordt in de tekst wel gerefereerd maar is niet opgenomen in de literatuurlijst. In dit artikel wordt specifiek gekeken naar de effecten van geluid in groepen van kwetsbare personen, zoals kinderen, ouderen, chronisch zieken en mensen met gehoorstoornissen. Voorts mensen die in ploegendienst werken, gevoelige personen en mensen met psychiatrische aandoeningen. Het gaat in het algemeen over geluid en niet specifiek over WTN. De auteurs concluderen dat er te weinig onderzoek is gedaan naar het effect van omgevingsgeluid bij kwetsbare groepen. Deze groepen zijn ondervertegenwoordigd in onderzoek en bewijs voor effecten is anekdotisch. Er is gebrek aan goed opgezette onderzoeken waarin vergelijkingen worden gedaan tussen de algemene populatie en specifieke subgroepen. Kinderen zijn minder gevoelig voor annoyance, wel zijn ze gevoeliger voor cognitieve effecten. Er is mogelijk een relatie met astma. Geslachtsverschillen moeten meer onderzocht worden.
Maatschappelijke en economische aspecten. Er worden meerdere artikelen genoemd waarin de maatschappelijke aspecten worden onderzocht. Het betreft hier vooral de maatschappelijke aanvaardbaarheid van WT’s. 78 Daaruit blijkt vooral dat van belang is dat het planningsproces rechtvaardig verloopt en dat de lokale bevolking erin betrokken wordt en inspraak krijgt.
Clark et al.79 Interviews met voor- en tegenstanders en ‘middle of the roads’. In dit Australische onderzoek wordt uit elke categorie 2 personen (behorend tot een huishouden) geïnterviewd over hun attitude tegenover WT’s. De interviews worden kwalitatief geanalyseerd en gezondheidseffecten worden als een sociaal fenomeen gezien. Ze worden beoordeeld in het kader van discursieve psychologie. Dit artikel bespreekt 3 interviews. Het is onderdeel van een groter interview waarin 16 interviews worden geanalyseerd. Het artikel laat zien hoe de geïnterviewden ‘feiten’ construeren over de gezondheidseffecten van WT’s. Retorische bronnen worden gebruikt door voor- en tegenstanders. Ook worden lokale onderhandelingen
62
over de legitimiteit van gezondheidsklachten besproken. Terwijl enerzijds voorstanders vinden dat mensen met gezondheidsklachten het recht hebben om hun verhaal te vertellen, gaat dit niet zover dat ze ook op correcte wijze de oorzaak van de klachten kunnen aanwijzen. Hierdoor wordt de legitimiteit van de klachten ondermijnt. Wind turbine syndroom is een omstreden aandoening en politiek controversieel. Directe belangen, en financiële opbrengst en legitimiteit spelen een belangrijke rol bij het beschrijven van de feiten. Een opmerkelijk citaat komt uit een onderzoek van de Australische Senaat. Hierin komt een man aan het woord die 19 WT’s op zijn terrein had en daarvoor in de afgelopen vijf jaar 2 miljoen dollar had verdiend. Hij meldde over de gezondheids- en sociale gevolgen: slaaponderbreking, hoofdpijn, agitatie en een algemeen gevoel van onwelbevinden. Vanwege de herrie konden ze hun ramen niet open doen en geen sociale contacten buiten ontvangen. De Senaatscommissie beoordeelde deze uitspraken als sterk bewijs dat financiële opbrengst tot positieve oordelen over WT’s leidt.
Wen et al.80 Voorstel voor nieuw regressiemodel. In dit onderzoek wordt een nieuw regressiemodel ontwikkelt waarin aandacht is voor meer elementen van WT’S die onvoldoende in eerdere onderzoeken naar visuele aspecten aan de orde kwamen. Het gaat om de hoogte, het aantal WT’s en de afstand tot het WT-park. Door deze visuele elementen in het model op te nemen en te relateren aan de bereidheid WT’s te accepteren dan wel financiële vergoeding te accepteren, zouden betere voorspellingen gedaan kunnen worden. Ook zouden minder proefpersonen nodig zijn. De auteurs wijzen op de beperkingen van hun voorstel, vooral vanwege het geringe aantal data. Het artikel is 18 keer geciteerd volgens Google Scholar.
Thomson et al.81 Amerikaans vragenlijstonderzoek naar verschillen in attitudes. In dit onderzoek worden attitudes, visuele en auditore invloeden en bereidheid te betalen vergeleken tussen bewoners die dichtbij een WT van 2MW wonen en bewoners die dichtbij een steenkolencentrale wonen. 2000 bewoners werden gemaild, de totale respons was 34,1%. De mensen woonden al meer dan 4 jaar in deze buurten. De resultaten lieten zien dat de visuele en auditore effecten tegenover fossiele energie negatiever waren dan tegenover WT’s. Ook bleek dat bij WT de positieve meningen overheerste over de negatieve, terwijl dat bij steenkool omgekeerd was. Mensen die in de buurt van de WT woonden waren bereid 2,56 dollar per maand te betalen om de WT te behouden. Mensen in de buurt van een steenkoolcentrale waren bereid 1,82 dollar per maand te betalen om het laten verdwijnen. Noch afstand tot de energiebronnen noch demografische kenmerken beïnvloedden dit. De onderzoekers geven de beperkingen van hun onderzoek aan: het betrof maar een WT en die stond dichtbij de woonhuizen, veel dichter dan normaal het geval zou zijn.
63
hoofdstuk 3
3.1
Specifieke gezondheidseffecten van laagfrequent geluid en infrageluid.
Hoorbaarheid van infrageluid en laagfrequent geluid.
Behler et al.82 Duits laboratoriumonderzoek. Laagfrequent geluid en infrageluid worden in verband gebracht met annoyance en zorgen (distress). Hoe infrageluid precies wordt waargenomen in het auditore systeem is niet geheel duidelijk. In een laboratoriumonderzoek bij 20 gezonde personen (21-34 jaar, gem. 26 jaar; gegevens van 19 personen konden worden geanalyseerd) werden sinusoïden van 8 en 32 Hz aangeboden. De deelnemers moesten het geluidsniveau bepalen en mate van onaangenaamheid. Vervolgens werd het schatten van het geluidsniveau herhaald terwijl functionele MRI werd gemeten. De onderzoekers concluderen dat de hersengebieden die laagfrequent geluid en infrageluid verwerken dezelfde zijn die normale geluidsfrequenties verwerken, namelijk de primaire en secundaire auditore cortex. Er bleek sprake te zijn van een grote mate van interindividuele variatie in het beoordelen van luidheid en onaangenaamheid, maar hieraan konden geen neurale correlaten worden gekoppeld. Voor individuen was activatie van fMRI in de auditore cortex meer gerelateerd aan individuele perceptie dan aan het niveau van de aangeboden prikkel. De onderzoekers maakten modellen om effecten te berekenen maar laten deze niet zien. Ze geven wel de beperkingen van hun onderzoek aan, namelijk dat deze laboratoriumsetting de werkelijkheid geweld aan doet.
In de praktijk wordt laagfrequent en infrageluid aangeboden in een veel complexere omgeving: langduriger blootstelling, complexere geluiden en het geluid grijpt aan op het hele lichaam in plaats van alleen maar in een oor. Voorts ging de rapportage in dit artikel alleen over de frequenties van 8 en 32 Hz terwijl men meerdere frequenties had gemeten.
Burke et al.83 Duits laboratoriumonderzoek. Mensen kunnen infrageluid waarnemen vanaf 2 Hz. Een kleine toename van SPL voor infrageluid kan resulteren in een significante toename van luidheid en annoyance. Het doel was het maskerende effect te onderzoeken van gelijktijdig aangeboden infrageluid en audiogeluid. Er werd gebruik gemaakt van een speciaal ontwikkelde oormicrofoon. Er werden 15 personen (18-30 jaar, otologisch normaal) geworven waarvan de gegevens van 13 personen gebruikt konden worden voor analyse. De resultaten toonden dat de drempelwaarden om infrageluid waar te nemen significant toenemen als een deel van het audiogeluid werd aangeboden op een voldoende hoog niveau. Daarentegen was er geen significant effect van infrageluid op de drempelwaarden van hoorbaar geluid (dit in tegenstelling tot de onderzoekshypothese). Het eerste effect zou toe te schrijven kunnen zijn aan een cognitief effect, bijvoorbeeld door aandacht zo geven ze aan. Een aantal proefpersonen gaf aan dat ze moeite hadden infrageluid waar te nemen en audiogeluid. Geconcludeerd kan worden dat modulatie-effecten van infrageluid niet de gehoordrempel voor audiogeluid beïnvloedt. Dit sluit een effect van infrageluid op de geluidsperceptie van audiogeluid niet uit. Ten slotte zou dit onderzoek er op kunnen wijzen dat infrageluid des te annoyant is in een rustige omgeving.
64
Weichenberger et al.84 Duits laboratoriumonderzoek. In dit onderzoek werd onderzocht of infrageluid toegediend nabij de gehoordrempel ook een effect kan uitoefenen op de globale hersenactiviteit en of deze effecten verschillen van stimulatie van geluid boven de drempel. Aan het onderzoek namen 14 gezonde rechtshandige personen deel (18-30 jaar, gem. 23,4 jaar) met een normale visus en gehoor. De resultaten toonden dat infrageluid toegediend nabij de gehoordrempel (in vergelijking met geen geluid) aanleiding gaf tot significant meer lokale hersenactiviteit in de rechter gyrus temporalis superior, de gyrus cingularis anterior en de rechter amygdala. Deze veranderingen traden niet op als infrageluid boven de drempel werd aangeboden. De onderzoekers stellen dat die hersengebieden te maken hebben met emotionele en autonome reacties. Hier mee zou dus subliminaal infrageluid aanleiding kunnen geven tot een aantal fysiologische en psychologische gezondheidsvraagstukken. Uiteraard moeten deze resultaten bevestigd worden met longitudinaal onderzoek.
Krahé et al.85 Duits laboratoriumonderzoek. In het rapport van het Duitse ministerie van Milieu is een onderzoek opgenomen waarin mensen werden blootgesteld aan verschillende geluidsscenario’s met laagfrequent geluid (3-18 Hz) waarbij de mate van annoyance werd gemeten. Er namen 44 personen aan deel en van 39 konden de resultaten worden geanalyseerd. Er werden ook vragenlijsten afgenomen en een aantal fysiologische parameters gemeten, zoals bloeddruk, ECG en EEG. Tijdens het onderzoek werden alle andere bronnen van geluid uitgeschakeld. De geluidsscenario’s van 10 Hz-95 dB en 18 Hz-85 dB gaven de meeste annoyance, namelijk tussen 4 en 5 op een 10-puntschaal. Behalve ongemak veroorzaakte het geluid ook vibratie en druk in het hoofd. De resultaten van het onderzoek van de fysiologische parameters leverde geen aanwijzing voor acute reacties op. De onderzoekers merken op dat hoewel de aangeboden geluiden buiten het hoorbare gebied lagen, de geluiden wel via het oor werden waargenomen. Ook merken ze op dat in de praktijk mensen gedurende veel langere perioden worden blootgesteld aan deze geluiden dan in dit onderzoek. Ten slotte geven zij nog aan dat de combinatie van laagfrequent geluid met hoorbaar geluid verantwoordelijk zou zijn voor de klachten.
Jurado et al.86 Brits-Equadoriaans laboratoriumonderzoek. Bij 11 proefpersonen is in een laboratorium onderzocht of infrageluid (11 Hz) en laagfrequent geluid (38 Hz) hersenactiviteit opwekken (brain’s frequency-following response FFR) als een objectief correlaat voor individuele gevoeligheid voor deze golven. De golven werden aangeboden met toenemende geluidssterkte. Ofschoon het onderzoek interessant qua opzet was, waren de resultaten vanwege de sterk uiteenlopende interindividuele uitkomsten van FFR’s moeilijk te interpreteren. De onderzoekers concluderen dat FFR’s als reactie op infrageluid kan worden gezien als een positieve bevestiging van een hersenreactie op nauwelijks hoorbaar infrageluid. De afwezigheid van zo’n reactie mag echter niet leiden tot een conclusie dat de desbetreffende persoon zo’n infrageluid niet waarneemt.
65
Marquardt et al. 87Brits laboratoriumonderzoek naar het effect van amplitudemodulatie. Infrageluid uit de omgeving gaat vaak vergezeld van laagfrequent geluid. Zenuwvezels die laagfrequent geluid geleiden kunnen geen onderscheid maken tussen laagfrequent geluid dat door amplitudemodulatie is gewijzigd of laagfrequent geluid dat bovenop infrageluid is geplaatst. In dit onderzoek werd bij 14 personen met een zelf-gerapporteerd normaal gehoor (18-49 jaar) het effect van amplitudemodulatie onderzocht. Van 12 personen konden de gegevens worden geanalyseerd. Geluiden werden aangeboden aan één oor via een buis. Bij het onderzoek kregen ze willekeurig geluiden met en zonder AM aangeboden en moesten ze daarna raden welke het was. Ze kregen eerst een 63 Hz basisgeluid aangeboden die met 8 Hz AM werd gemengd, en daarna een 63 Hz geluid die met 8 Hz op luidheid werd gemoduleerd. De resultaten toonden dat de helft van de deelnemers goed scoorden, vrijwel gelijk aan toeval. Het beste resultaat was 81% correct. Er werden vrijwel geen resultaten bereikt bij een basistoon van 125 Hz. De onderzoekers concluderen dat laagfrequent en amplitude gemoduleerd geluid ten grondslag kan liggen aan klachten over infrageluid uit het milieu, waar de gemeten infrageluidsniveaus lager liggen dan wat ervaren kan worden.
Carlile et al.88 Australisch literatuuronderzoek naar WTN. Dit artikel is het resultaat van een literatuurzoekactie naar de effecten van door WT’s gegenereerd laagfrequent geluid en infrageluid. Het is, zoals de auteurs aangeven, geen alomvattend ofwel systematisch literatuuronderzoek. Een gedeeltelijke samenvatting geef ik in de paragraaf over de analyse van hoofdstuk 3. Hier beperk ik me tot de aanbevelingen van de auteurs voor nader onderzoek. De geluiden van WT’s en WTparken moeten nader gekarakteriseerd en gemodelleerd worden. Dat geldt ook voor de interactie tussen die geluiden en huizen/gebouwen. Nader onderzoek naar de effecten van infrageluid op de cochlea en het vestibulaire apparaat. Meer onderzoek naar de neurale verbindingen in het binnenoor en hoe ze reageren op laagfrequent en infrageluid. Ook moet er meer onderzoek worden gedaan naar de fysiologische gevoeligheid voor WTN van bepaalde personen. Het gaat dan vooral om de vraag of zij behoren tot de groep statistische uitlopers van een normaal verdeelde populatie. Vooral de hypothese dat kleine individuele veranderingen in drempelwaarden voor infrageluid de activatie verklaard van de voorste cingulaire cortex en de amygdala moet nader worden uitgezocht.
Koch.89 Duits congrespaper. Dit artikel betreft een verslag dat is gepresenteerd op een congres in Zurich in juni 2017. Congrespapers gelden niet als wetenschappelijk bewijs en worden niet verder besproken.
3.2
Effect van lagere frequenties ten opzichte van ‘normaal geluid’.
Reviews. Tonin et al.90 Niet-systematisch literatuuronderzoek. In dit literatuuroverzicht worden de klachten besproken die in verband worden gebracht met infrageluid, het zogenoemde windturbinesyndroom. Besproken worden gegevens van de Australische Senaatscommissie die in 2015 concludeerde dat er in ruime mate bewijs is dat WT’s verantwoordelijk zijn voor klachten. Er wordt een historisch perspectief geboden en daarna volgt een niet-systematische bespreking van de literatuur over infrageluid.
66
Krahé et al.91 Duits congrespaper. Dit artikel is niet gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift maar is een verslag van een presentatie op een congres. Daarom bespreek ik het hier niet verder.
Stevens et al.92 Australisch congrespaper. In deze proceedings van een congres in november 2018 in Australië wordt verslag gedaan van een onderzoek naar het effect van geluid aangeboden aan beide oren (het meeste onderzoek beperkte zich tot nu tot één oor). De amplitude van de geluiden werd gemoduleerd met 2 en 5 Hz, omdat het effect van deze lage frequenties nog niet onderzocht was (van midden en hoge frequenties was wel bekend dat ze sterk bijdragen aan annoyance). De geluiden werden aangeboden aan 21 proefpersonen met een zelf-gerapporteerd normaal gehoor. De resultaten toonden dat geluiden met frequenties van 2 en 5 Hz meer annoyend waren dan die van 10 Hz. Geluiden aangeboden aan beide oren veroorzaakten meer annoyance. Als verklaring geven de auteurs dat de lage frequenties met verschillende snelheden de oren bereiken en daarmee bijdragen aan de annoyance. Het onderzoek is nog niet gepubliceerd in een peer-reviewed tijdschrift.
Maijala et al.93 Fins enquête, veld- en laboratoriumonderzoek. Dit onderzoek is in opdracht van de Finse overheid verricht en gepubliceerd op de website van die overheid. Het is niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift en daarom bespreek ik het slechts kort. Circa 5% van de mensen die in een steekproef waren geselecteerd voor een enquête rapporteerden gezondheidsklachten die werden toegeschreven aan infrageluid van WT’s. Geluidsmetingen ter plekke en aanvullende laboratoriumonderzoek konden een relatie tussen klachten en infrageluid niet objectiveren.
3.3 Onhoorbaar geluid en effecten op het vestibulaire systeem. Jurado et al.94 Brits laboratoriumonderzoek. De onderzoekers van het in paragraaf 3.1 beschreven Brits-Equadoriaanse onderzoek hebben ook onderzocht wat het effect is van door de lucht aangeboden infrageluid op het opwekken van zogenoemde vestibulaire myogene potentialen. Dit zou mogelijk ten grondslag kunnen liggen aan het ‘wind turbine syndroom’. Het gaat hier om cervicale Vestibular-evoked myogenic potentials (cVEMP). Het onderzoek werd uitgevoerd bij 15 proefpersonen (20-29 jaar, gem.23,5 jaar) met een normaal gehoor zonder aandoeningen van het evenwichtsorgaan, tinnitus of hyperacusis. Zij kregen 3 geluidstypen aangeboden: 500 Hz burst tijdelijk, 500 Hz-geluid met AM-tonen van 40Hz, en pure laagfrequente en infrageluidstonen. De resultaten toonden dat er weinig bewijs was dat pure geluiden van 40 Hz of lager cVEMP’s kunnen opwekken. Geconcludeerd wordt dat de sacculus, die de primaire bron is voor activatie van cVEMP’s ongevoelig is voor infrasone stimulatie. Ze geven voorts aan dat niet bekend is of de utriculus of de halfcirkelvormige kanalen daar mogelijk wel bij betrokken zijn, en hetzelfde geldt voor de blootstelling van het gehele lichaam.
Lubner et al.95 Amerikaans literatuuronderzoek naar audiovestibulaire symptomen.
67
In dit literatuuronderzoek is gekeken naar de audiovestibulaire effecten van akoestische en elektromagnetische golven die buiten het normale menselijke gehoor liggen. Zowel mensen als proefdieren werden onderzocht. Zoekacties worden beschreven, maar niet in detail. In de jaren 60 en 70 wordt de term annoyance beschreven in de literatuur. Daarvoor werd ‘stadsmoeheid’ toegeschreven aan blootstelling aan infrageluid maar dat kon niet worden bevestigd. Wat betreft infrageluid (0,1-20 Hz) zijn er diverse casuïstische mededelingen en patiëntenseries gepubliceerd waarin een associatie tussen blootstelling aan deze geluiden in verband is gebracht met klachten zoals duizeligheid, tinnitus en misselijkheid. Deze zijn bepaald niet altijd bevestigd door ander onderzoek. Wat betreft het windturbinesyndroom (slaapverstoringen, hoofdpijn, concentratiestoornissen, prikkelbaarheid, moeheid, duizeligheid, tinnitus en oorpijn) wordt het bestaan ervan onderkend maar aangegeven wordt dat het niet volledig wordt begrepen. Om de pathogenese van de beschreven effecten beter te beschrijven is nader onderzoek hiernaar nodig. De algemene conclusie van de onderzoekers is dat het meeste onderzoek retrospectief is en dat het moeilijk is om de aard, duur, hoeveelheid en de relatie met schade vast te kunnen stellen. Deze conclusie geldt voor alle onderzochte geluidstypen.
3.4 Effect van trillingen. Takahashi et al.96 Japans laboratoriumonderzoek. In een laboratoriumonderzoek werd bij 14 gezonde (jong-)volwassenen het effect onderzocht van trillingen die in het hoofd worden opgewekt in relatie tot achtergrondgeluid. Geconcludeerd werd dat de drempelwaarde voor het waarnemen van vibraties in het hoofd toeneemt als proefpersonen oordoppen gebruiken. Dit zou suggereren dat het waarnemen van vibraties in het hoofd te maken heeft met drukveranderingen in het oor.
Takahashi et al.97 Abstract. Dit stuk blijft onbesproken aangezien het een abstract is en geen wetenchappelijk bewijs vertegenwoordigt.
Nguyen et al.98 Verkennend Australisch veldonderzoek. In Zuid-Australië is een experimenteel onderzoek gedaan naar het effect van WT-vibraties en de menselijke waarneming daarvan. In drie huizen die op 3,3, 5 en 2,4 km van een WT-complex waren gelokaliseerd zijn gedurende enkele dagen metingen verricht, op het bed en op de grond in de slaapkamer, naar vibraties. Vastgesteld werd dat de gemeten vibraties beter correleerden met de lokale windsnelheid en de geleverde power van de WT dan met laagfrequent geluid. Toename van de lokale windsnelheid gaan vermoedelijk ook vergezeld met een toename van de door WT geïnduceerde vibratie die ten onrechte in verband zou kunnen worden gebracht met WT-vibraties. De onderzoekers geven aan dat de metingen niet bij slapende proefpersonen zijn verricht en dat bekend is dat de combinatie van vibratie en geluid bijdragen aan slaapverstoringen. De gemeten vibraties zijn allemaal onder de grens die de Australische overheid heeft bepaald
68
Appendix C. AXIS-checklist. The final AXIS tool following consensus on all components by the Delphi panel (Yes No Do not know/ comment). Introduction 1 Were the aims/objectives of the study clear? Methods 2 Was the study design appropriate for the stated aim(s)? 3 Was the sample size justified? 4 Was the target/reference population clearly defined? (Is it clear who the research was about?) 5 Was the sample frame taken from an appropriate population base so that it closely represented the target/reference population under investigation? 6 Was the selection process likely to select subjects/participants that were representative of the target/reference population under investigation? 7 Were measures undertaken to address and categorise non-responders? 8 Were the risk factor and outcome variables measured appropriate to the aims of the study? 9 Were the risk factor and outcome variables measured correctly using instruments/ measurements that had been trialled, piloted or published previously? 10 Is it clear what was used to determined statistical significance and/or precision estimates? (eg, p values, CIs) 11 Were the methods (including statistical methods) sufficiently described to enable them to be repeated? Results 12 Were the basic data adequately described? 13 Does the response rate raise concerns about non-response bias? 14 If appropriate, was information about
non-responders described? 15 Were the results internally consistent? 16 Were the results for the analyses described in the methods, presented? Discussion 17 Were the authors’ discussions and conclusions justified by the results? 18 Were the limitations of the study discussed? Other 19 Were there any funding sources or conflicts of interest that may affect the authors’ interpretation of the results? 20 Was ethical approval or consent of participants attained? 69
Appendix D. Kenmerken van de onderzoeken. zie tabellen op de volgende pagina’s
70
Onderzoeker
n
Land
Soort onderzoek
SteekKenmer Represen proefken tatieve verantdeelne steekwoordin mers proef g
Sponsoren
Analyse Responsnon%age responders
Adequate Aanbeveli meetinngen strumenten
Bespreking sterke en Opmerkingen zwakke punten
2.1 Geluidhinder 2.1.1 Reviews Guski 2017 Van de Kamp 2020a Van de Kamp 2020b Simos 2019 Freiberg 2019 2.1.2 Oorspronkelijke studies Klaeboe 2016 Pawlaczyk 2018
90 Noorwegen 517 Polen
Vagenlijst ond na installatie WT Dwarsdoorsnede ond.
Nee J/N
? ?
Nvt Nee
Overheid Univ.??
38% 78% (hoe?)
Nee Nee
Ja ?
Ja Ja
J/N J/N
Radun 2019
318 Finland
Dwarsdoorsnede ond.
J/N
?
J/N
Overheid, WT-bedrijf
Nazien Hon
Nee
Ja
Ja
Ja
Is een secundaire analyse
Song 2016 Michaud 2018a Michaud 2018b Michaud 2018c
227 China 1238 Canada 1238 Canada 1238 Canada
Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond.
Ja Ja Elders Ja
Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Univ., bedrijf Overheid Overheid Overheid
70% 78,90% ? ?
Nee Nee Nee Nee
Nee Ja Ja Ja
Ja Ja Ja Ja
Nee J/N J/N J/N
Geen causaal verband mogelijk, is secundaire analyse. Auteurs waarschuwen voor over-interpretatie vd resultaten Auteurs vinden verantwoording st.pr niet nodig
Botelho 2017
80?? Portugal
Geluidsmetingen, vragenlijsten
J/N
?
Nee
Univ., bedrijf
?
Nee
Ja
Nieuw ontw.
J/N
J/N Nee Nee Ja Nee
Overheid, WT-bedrijf 57% Werkgevers, instit. ? CH overheid ? Overheid Circa 20% Overheid, 25%, 22%
Nee ? ? J/N Nee
Ja Ja Ja Ja Nieuw ontw. Ja Ja Ja J/N Ja Ja Ja Ja Ja/nee: deels nieuwe Ja
J/N Nee
Overheid, WT-bedrijf Prive, NGOs
Ja Nvt
Ja Ja, ook psycholog. J/N Ja Ja J/N
Hongisto 2017 Schäffer 2019 Schäffer 2018 Haac 2019 Hübner 2019 Pohl 2018 Krogh 2019 2.2 Slaapverstoring 2.2.1 Reviews Basner 2018 Van Kamp 2020a Van Kamp 2020b Micic 2018 Freiberg 2019 2.2.2 Oorspronkelijke studies Lane 2016 Poulsen 2019a Radun 2019 Morsing 2018 Smith 2020 Song 2016 Kageyama 2016 Michaud 2016a 2.3 Effecten op hart- en vaatstelsel Reviews. Van Kempen 2018 Van Kamp 2020a
71
Systematisch literatuuronderzoek Scoping review Syst. Literatuuronderzoek Systematisch literatuuronderzoek Systematische scoping review
429 Fin 43 CH 52 CH, DE 1043 VS 2422 DE, CH en VS 212 (en 133) Duitsland 67 Canada
74 Zie regel 7 Zie regel 8
22 Canada
Dwarsdoorsnede ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond. Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond. Longitudinaal ond. Kwalitatief ond., pilot
NL, SE, CH Zie regel…
Zoekacties en resultaten onvoldoende gekwantificeerd
J/N J/N J/N J/N J/N J/N Nee
? ? ? Ja Nee ? Nvt
36%, 23% 67 ipv 25
Syst literatuuronderzoek Scoping review Syst lit ond Niet-systematisch literatuuronderzoek Systematische scoping review Veldonderzoek, piloot
584891/ 583968 Denemarken Prospectief cohortond. Zie regel … Dwarsdoorsnede ond. 12 Zweden Laboratorium ond., pilot 50 Zweden Zie regel… 1079 Japan 1238 Canada
Gaat over alle omgevingsgeluiden Idem
Laboratorium ond. Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond. Dwarsdoorsnede ond.
Syst lit ond Scoping review
Deel vd deelnemers werkt in het bedrijf Deel vd deelnemers werkt in het bedrijf Steekproeven 2009 en 2016, nogal uiteen Aanbevelingen hoe annoyance te verminderen Een artikel met meer deelnemers zal volgen
Geschreven voor de WHO
Bespreking blijft achterwege.
J/N
Nee
Nee
Univ?
43%
?
Nee
Ja
J/N
Deelnemers vinden steeds moeilijker vanwege lobbywerk
Ja
Ja
Ja
Overheid
Nvt
Nvt
Nee
Ja
Ja
Diagnose niet gemeten, andere indic.,gebaseerd op alg. pop.
Nee
Nee
Nee
Overheid
Nvt
Nvt
Nee
Ja
Ja
Polysomnografie en vragenlijsten
?
Nee
Nee
Ja
Ja
Mogelijk zelf-selectie bias bij deelnemers
? ?
Nee Nee
Nee Ja
Ten dele Ja
Ja J/N
Deelnemers niet geinformeerd over doel onderzoek Deelnemers niet geinformeerd over doel onderzoek
Ja
Nee
Nee
Overheid (CoI)
J/N Elders
? Nee
Nee Nee
Overheid Univ, bedrijf
Gaat over blootstelling aan alle vormen van omgevingsgeluid
Onderzoeker
Oorspronkelijke studies Michaud 2018c Poulsen 2018a Poulsen 2019b Bräuner 2018 Bräuner 2019a Bräuner 2019b 2.4 Metabole effecten Reviews. Van Kempen 2018 Van Kamp 2020a Oorspronkelijke studies Michaud 2016b Poulsen 2018b 2.5 Cognitieve en mentale effecten Reviews. Clark 2018 Clark 2020 Freiberg 2019 Oorspronkelijke studies Poulsen 2018c 2.6 Andere sociale en fysieke aspecten Reviews. Simos 2019 Freiberg 2019 2.6.1 Visuele aspecten Reviews. Freiberg 2019 Oorspronkelijke studies. Delicado 2017 Grima-Murcia 2017 Lamy 2017 Frantal 2017 Sklenicka 2018 Landeta-Manzano 2018
72
n
Land
Soort onderzoek
SteekKenmer Represen proefken tatieve verantdeelne steekwoordin mers proef g
Sponsoren
Analyse Responsnon%age responders
Adequate Aanbeveli meetinngen strumenten
Bespreking sterke en Opmerkingen zwakke punten
CNHS zie nr Dwarsdoorsnede ond. 535.675 Denemarken Prospectief cohortond. Zie Poulsen 2019a 711.249 Denemarken Prospectief cohortond. Zie Poulsen 2019a 23.994 Denemarken Prospectief cohortond. 28.731 Denemarken Prospectief cohortond. Idem 28.731 Denemarken Prospectief cohortond. Idem
Zie regel 7
Voorschrijfindicatie niet bekend
Ja
Nvt
Nvt
Overheid, Hart Sticht
86%
Nee
Nee
Ja
Ja
Syst literatuuronderzoek Scoping review
Gaat over blootstelling aan alle vormen van omgevingsgelduid
1238 Canada Zie Michaud 2018a 614.731 Denemarken Zie Poulsen 2019 a
Selectie gezondheidsitems is niet verantwoord door de auteurs
Syst literatuuronderzoek Australie Zie regel…
Geen causale inferenties mogelijk, lage WT's Risico expositie misclassificatie
WHO
Zie hiervoor de tekst
Scoping review
135.795 Denemarken prospectief cohortond. Poulsen 2019a
Inde hoogste blootstellingscategorieen weinig zw.schappen
Syst lit onderzoek met beperkingen Scoping review
Scoping review Portugal 14 Spanje 15 VS 474 Tjechië 400 Tjechië Spanje
Analyse van mediaberichten en off docs Laboratoriumonderzoek Semi-gestructureerde interviews Dwarsdoorsnede onderzoek Ontwikkeling van een model Single case study
J/N Ja J/N J/N
Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Overheid Overheid Overheid? Overheid
Nvt Nvt ? ?
Nvt Nvt Nee Nee
Nee Ja Ja Ja
Ja Nvt Ja Onduidelijk
Nee Nee Nee Nee
Niet verder geanalyseerd Enigszins ongebruikelijk onderzoek Veel Oost-Europees onderzoek id lijst Instrumentontwikkeling voor meten visuele impact Onderzoek naar acties fabrikant om acceptatie te verwerven
Onderzoeker
2.6.2 Contextuele en andere factoren Ansensio 2017 lercher 2017 Haubrich 2020 Van Kamp 2013 Smith 2020 Klaeboe 2016 Michaud 2016a Song 2016 Kageyama 2016 Beuret t/m Saeporsdottir Clark 2018 Wen 2018 Thomson 2018 3.1 Hoorbaarheid IG en LFG Reviews. Carlisle 2018 Van de Berg 2017 Oorspronkelijke studies Krahe 2020 Behler 2020 Burke 2019 Weichenberger 2017 Jurado 2020a Marquardt 2018 Jurado 2019 Koch 2017 3.2 Lagere frequenties ivm normaal geluid Reviews. Van Kamp 2017 Tonin 2017 Lubner 2020 Oorspronkelijke studies Krahe 2019 Stevens 2018 Maijala 2020 Krahe 2020 3.3 Onhoorbaar geluid Jurado 2020b Lubner 2020 Krahe 2020 3.4 Effect van trillingen Reviews. Nguyen 2020 Oorspronkelijke studies Takahashi 2017 Takahashi 2013 Krahe 2020
73
n
Land
Soort onderzoek
SteekKenmer Represen proefken tatieve verantdeelne steekwoordin mers proef g
Sponsoren
Analyse Responsnon%age responders
Adequate Aanbeveli meetinngen strumenten
Bespreking sterke en Opmerkingen zwakke punten
Gaat over vliegverkeer, is niet beoordeeld Daat over autoverkeer, is niet beoordeeld Gaat over vlieggeluid, is niet beoordeeld Zie regel… Zie regel Zie regel.. Zie regel… Zie regel… Zie regel.. Australië China en VK 2000 VS
Zie regel 39 Duitsland 19 Duitsland 13 Duitsland 14 Duitsland 11 Engeland?? 12 Engeland?? 24 Equador 16 Duitsland
Nederland Australië VS 27 Duitsland 21 Australië 1351 Finland Zie regel…
Niet-systematisch literatuuronderzoek Laboratoriumonderzoek Vragenlijst onderzoek Dwarsdoorsnede-onderzoek Dwarsdoorsnede 0nd Dwarsdoorsnede onderzoek Niet geanalyseerd Interview Voorstel nieuwe meta-analyse techniek Dwarsdoorsnede-onderzoek
Gaat over maatschappelijke aanvaardheid, niet geanalyseerd Nee Nvt J/N
Nee Nvt ?
Nee Nvt
Overheid Overheid
Nee Nvt
Nee Nvt
Nee Ja
Ja Nieuw
J/N J/N
Nee
Univ. en bedrijf?
34,10%
Nee
J/N
Ja
Nee
Niet-systematisch literatuur ond RIVM-rapport 2017 Laboratorium ond Laboratorium ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond. Laboratorium ond.
Gaat over WTP (pay) en WTA (accept)
Niet bruikbaar om conclusies op te baseren, namelijk selctief
Nazien J/N J/N J/N J/N J/N J/N
Nee Nee Nee Nvt Nvt Nvt Nee
Nee Nee Nee Nvt Nvt Nvt Nee
Overheid Overheid Overheden ? Overheid Overheid ?
Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt
Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt Nvt
Nee Nee Nee J/N Nee Nee
Ontw./nieuw Ontw./nieuw Nieuw Nieuw Nieuw
J/N Ja J/N J/N J/N
Syst. lit ond van dwarsdoorsnede-ond. Niet-systematisch literatuurond. + 2 exp. Systematisch lit. ond. met beperkingen
Hypothese genererend Hypothese testend ond. Hypothese genererend ond. Hypothese-generernd onderzoek Hypothese genererend Hypothese genererend Congres paper, niet verder geanalyseerd
Vanwege de niet-systematische opzet geen verdere details Vanwege de niet-systematische opzet geen verdere details
Klachtenanalyse Laboratoriumonderzoek Vragenlijst ond, lab ond en veld ond Laboratoriumonderzoek
Nvt Nee
Nvt Nvt
Nvt Nvt
Univ.? Univ.? Overheid
Nvt Nvt
Nvt Nvt
Nee Nee
Ontw Nieuw
J/N Nee
Congrespaper, niet gepubliceerd in wetenschappelijk tijdschrift Congrespaper, niet gepubliceerd in wetenschappelijk tijdschrift Niet gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift
15 Engeland?? Zie regel… Zie regel…
Laboratoriumonderzoek Systematisch lit. ond. met beperkingen Laboratoriumonderzoek
J/N
Nvt
Nvt
Univ.?
Nvt
Nvt
Nee
Nieuw
J/n
3 Australie
Veldonderoek
Nee
Nee
Nee
Overheid
Nvt
Nvt
Nee
Nieuw
J/N
Exploratief onderzoek
Japan 14 Japan Zie regel…
Abstract Laboratoriumonderzoek Laboratoriumonderzoek
J/N
Nee
Nee
Overheid
Nvt
Nvt
Nee
Nieuw
J/N
Niet geanalyseerd omdat het geen wetenschappelijk artikel is Hypothese-genererend onderzoek
Appendix E. Literatuurlijst van het oorspronkelijke RIVM-rapport. Deze lijst is rechtstreeks gekopieerd uit het RIVM-rapport
Ansensio, César, Gasco Sanchez, Luis, Arcas, G.(2017) A Review of Non-Acoustic Measures to Handle Community Response to Noise around Airports, Current Pollution Reports 3(3):230–244. Bakker, R. H., Pedersen, E., van den Berg, G. P., Stewart, R. E., Lok, W., & Bouma, J. (2012). Impact of wind turbine sound on annoyance, self-reported sleep disturbance and psychological distress. Science of the total environment, 425, 42-51. Baliatsas, C., Kamp, I. van, Bolte, J., Schipper, M., Yzermans, J., Lebret, E.(2012) Non-specific physical symptoms and electromagnetic field exposure in the general population: can we get more specific? A systematic review. Environment International: 2012, 41(1), 15-28 Basner, M. and S. McGuire (2018). "WHO environmental noise guidelines for the european region: A systematic review on environmental noise and effects on sleep." International Journal of Environmental Research and Public Health 15(3). Behler and Uhlenkamp (2020): Behler, O. and S. Uppenkamp (2020). "Activation in human auditory cortex in relation to the loudness and unpleasantness of low-frequency and infrasound stimuli." PLoS ONE 15(2). Beuret, JE. (2016). Is trust negotiable? Building a place-based general interest for the acceptance of the Saint Brieuc and Saint Nazaire offshore wind farms. Geographie Economie Societe, 2016; 18(3):335-58.
Botelho A, Arezes P, Bernardo C, Dias H, Pinto LMC (2017) Effect of Wind Farm Noise on Local Residents' Decision to Adopt Mitigation Measures Int J Environ Res Public Health. 2017 Jul 11;14(7). Bräuner, E. V., Jørgensen, J. T., Duun-Henriksen, A. K., Backalarz, C., Laursen, J. E., Pedersen, T. H., ... & Andersen, Z. J. (2018). Long-term wind turbine noise exposure and incidence of myocardial infarction in the Danish nurse cohort. Environment international, 121, 794-802. Bräuner, E. V., Jørgensen, J. T., Duun-Henriksen, A. K., Backalarz, C., Laursen, J. E., Pedersen, T. H., ... & Andersen, Z. J. (2019a). Long-term wind turbine noise exposure and the risk of incident atrial fibrillation in the Danish Nurse cohort. Environment international, 130, 104915. Bräuner, E. V., Jørgensen, J. T., Duun‐Henriksen, A. K., Backalarz, C., Laursen, J. E., Pedersen, T. H., ... & Andersen, Z. J. (2019b). Association Between Long‐Term Exposure to Wind Turbine Noise and the Risk of Stroke: Data From the Danish Nurse Cohort. Journal of the American Heart Association, 8(14), e013157. Brennan, N., Van Rensburg, T.M. & Morris, C. (2017). Public acceptance of large-scale wind energy generation for export from Ireland to the UK: evidence from Ireland. Journal of Environmental Planning and Management, 60:11, 1967-1992. Burke, E., Hensel, J., Fedtke, T., Uppenkamp, S., & Koch, C. (2019).