Bijlage - Welstandsnota Helvoirt gemeente Vught
Tekst van het document
46
4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden:
Afwijken van het advies op welstandsmotieven / second-opinion Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit bouwen op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking: Enerzijds kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie. Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd.
De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.
Afwijken van het advies om andere redenen. Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder d Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.
47
Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke niet snel ondergeschikt wordt geacht aan de economische of maatschappelijke belangen.
4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure
Het indienen van bezwaar/beroep Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar/beroep indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bezwaar of beroep is afhankelijk van de gevolgde procedure van de omgevingsvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de ‘Commissie Bezwaarschriften’. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen twaalf weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. De afdeling Dienstverlening, team Vergunningen & Veiligheid, kan informatie over de procedure geven. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen.
Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd.
4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag
48
De gemeente biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele vergunningsaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie (of de ambtelijke toetsers) via een concept aanvraag of beeldkwaliteitplan van hun plannen. Hiertoe kan een concept aanvraag met schetsontwerp worden ingediend bij de afdeling De concept aanvraag wordt tevens getoetst aan de planologische haalbaarheid van het plan. Bij de concept aanvraag moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. Er kan dan een goed oordeel gevormd worden als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan er een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving gevraagd worden om de schaal en massa te kunnen beoordelen. De concept aanvraag wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een dossiernummer. In afwachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt een preadvies uitgebracht en worden eventuele gemaakte afspraken vastgelegd. Op deze wijze wordt zorg gedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen.
Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. 4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een projectleider aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en initiatiefnemers in de vroege planvormingsfasen reeds te informeren en te begeleiden. Om misverstanden te voorkomen, is het van belang de relatie tussen de planbegeleiding door de projectleider en de uiteindelijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie vooraf schriftelijk vast te leggen. Bij het aanstellen van een projectleider zullen de betrokken afdelingen van de gemeente zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen stedenbouwkundige supervisie en welstandsbeoordeling.
49
5. WELSTAND EN DE OMGEVINGSWETGEVING 5.1 Status Deze beleidsnota geeft voor Helvoirt, onderdeel van de gemeente Vught, richting aan de welstandstoetsing. De nota geeft op lokaal niveau inhoud aan de nieuwe wijze van weIstandstoezicht zoals deze is vastgelegd in de Woningwet. Vught en Cromvoirt hebben een eigen welstandsnota. Deze nota geldt enkel voor Helvoirt. De Welstandsnota Helvoirt, gemeente Vught, is na vaststelling in de gemeenteraad het instrument waarmee de welstandstoets van bouwwerken uitgevoerd wordt. De wet heeft daarbij vastgelegd dat deze toets gebaseerd moet zijn op zowel algemene als gebiedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de burger transparant en navolgbaar moet zijn. In essentie komt het erop neer dat: de gemeenteraad bepaalt welke criteria in welk gebied van belang zijn bij de toetsing; de burger in staat moet zijn daarvan kennis te nemen en zodoende vooraf weet waarop zijn bouwplan zal worden getoetst; gemeente en welstandscommissie daar vervolgens naar te handelen heeft en hun beoordeling van het bouwwerk op die criteria goed naar de burger dient te communiceren. Deze beleidsnota is zodanig opgesteld dat deze aan de eisen van de Woningwet voldoet.
5.2 Woningwet, Wabo en Bor. De woningwet stelt dat de welstandsadvisering gebaseerd dient te zijn op vooraf geformuleerde criteria, die zijn vastgesteld door de gemeenteraad en zijn opgenomen in de welstandsnota. Met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 is de bouwvergunning krachtens de Woningwet komen te vervallen. De bouwvergunning gaat nu op in de omgevingsvergunning van de Wabo. De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is komen te vervallen, de categorie vergunningsvrije bouwwerken is aangepast. In de uitvoeringsregeling Bor, Besluit omgevingsrecht, is aangegeven voor welke bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist.
50
Vergunningvrije bouwwerken In de Bor is opgenomen voor welke bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning vereist is. Bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten en bouwwerken en wijzigingen aan of bij monumenten zijn altijd vergunningsplichtig.. Een vergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat gebouwd mag worden. Bij bouwwerken die 'in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand', kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden 'al te lelijke bouwwerken die ernstig uit de toon vallen' aan te passen. Wat de repressieve welstandstoets inhoudt is te vinden in Deel C - Hoofdstuk 10 “excessenregeling en vrijwillige toetsing”. Criteria Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken worden in de hierboven vernoemde welstandstoets op drie soorten criteria getoetst: Algemene criteria; Gebiedsgerichte criteria; Objectcriteria. Algemene criteria Bij de toets op de algemene criteria wordt gekeken naar de architectonische kwaliteit en passendheid van het bouwwerk op zich. De algemene criteria zijn universele kwaliteitsprincipes, gericht op het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en de zeggingskracht van het bouwwerk.
Zij zijn gericht op de relatie tussen vorm en sociaal-culturele context, goede schaal en maatverhoudingen en het evenwicht tussen helderheid en complexiteit. Gebiedsgerichte criteria De gebiedsgerichte criteria beoordelen een bouwwerk op de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving. De gebiedsgerichte toets hanteert vier hoofdcategorieën criteria:
51
de situering van het bouwwerk; de hoofdvormen van het bouwwerk; de gevelaanzichten van het bouwwerk; de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. Objectcriteria De objectcriteria zijn criteria voor (kleine,) veelvoorkomende bouwwerken. Het gaat hier om: bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, erfafscheidingen enz. Deze criteria zijn algemeen en gelden dus in principe in elk gebied. Daarnaast zijn in deze nota ook objectcriteria voor agrarische bouwwerken in het beheergebied opgenomen, en zijn de reclamecriteria in deze categorie ondergebracht. De reclamecriteria zijn wel gebiedsafhankeijk, maar zo concreet dat een ambtelijke toets in veel gevallen goed uit te voeren is. Kleine veelvoorkomende bouwwerken, waarvoor objectcriteria zijn geformuleerd, kunnen deel uitmaken van een totaal bouwplan, dat omgevingsvergunningplichtig is en ter advisering bij de welstandscommissie ligt. De welstandscommissie betrekt bij de toets van dit totale bouwplan ook de relevante objectcriteria. Om te voorkomen, dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrije bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader.
52
5.3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets De verschuiving van actief naar passief welstandsbeleid voor grote delen van het grondgebied legt meer verantwoordelijkheid bij de burger. Daarom wordt, bij elk plan dat niet valt binnen de categorieën bouwwerken die beschreven zijn in de objectcriteria, gevraagd een planverantwoording op te stellen. Wat er minimaal in zo’n planverantwoording moet staan is beschreven in paragraaf 4.1.1. Om een plan goed te kunnen beoordelen dient de aanvrager voorts voldoende informatie over het plan te verstrekken. Het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. In de Mor (regeling omgevingsrecht) staan de wettelijke indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; d.
opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen 1. De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. 2. Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal: a. situatietekeningen: 1:1000; b. geveltekeningen, plattegronden en doorsneden:
53
1°. bouwwerken kleiner dan 10.000 m 2 bruto vloeroppervlakte: 1:100; 2°. bouwwerken 10.000 m 2 of groter bruto vloeroppervlakte: 1:200; c. detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20. 3. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl). Artikel 7.6 Handelsreclame 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; d. de tekst van de reclame. 2. Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.
De gemeente Vught voegt hieraan toe: Tekeningen van plattegronden zijn niet als vereiste genoemd, maar zijn voor een goed inzicht in het plan onontbeerlijk. Aangezien deze tekeningen voor andere toetsen in het kader van de omgevingsvergunning wel een vereiste zijn wordt geadviseerd deze ook bij de welstandsstukken te voegen. Bij verbouwingsplannen dienen ook de tekeningen van de bestaande toestand toegevoegd te worden. Tekeningen van de principedetails betreffen meestal dakranden, goten, dakkapellen, kozijnen Wanneer het plan een monument betreft, dient de redengevende beschrijving van het monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Bij grote projecten kan een (werk)maquette van het bouwwerk en zijn omgeving bijdragen aan een goed inzicht in het plan, m.n. de schaal en massa.
54
55
DEEL C - CRITERIA
56
57
GEBRUIKSHANDLEIDING Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van Helvoirt uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. De welstandstoets vormt een onderdeel van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Deze vergunningsprocedure is uitgewerkt in Deel B, hoofdstuk 5.
In Helvoirt, gemeente Vught, worden de volgende typen criteria onderscheiden: Algemene welstandscriteria: deze liggen ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria (hoofdstuk 6). Actuele beeldkwaliteitplannen: voor ontwikkelingsgebieden zijn beeldkwaliteitplannen opgesteld, die voor de gemeente het handvat vormen voor sturing bij de ontwikkeling van het gebied en voor ontwerpers bij de ontwikkeling van individuele projecten binnen dat gebied. Deze beeldkwaliteitseisen hebben de functie van gebiedsgerichte criteria, maar zijn vaak gedetailleerder van opzet, en beschrijven ook de gewenste beeldkwaliteit van de openbare ruimte. (hoofdstuk 7) Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Ze gelden alleen voor bouwwerken waarvoor een omgevingsgunning voor de activiteit bouwen moet worden aangevraagd. (hoofdstuk 8). Objectcriteria :algemeen geldende, met name kwantitatieve criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken, verbouwingen en dakkapellen waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (hoofdstuk 9).
58
De excessenregeling :bevat de criteria die worden gehanteerd om te bepalen of de staat van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, eventueel met de overige bovenstaande criteria als concretisering (hoofdstuk10).
59
6.
ALGEMENE CRITERIA
Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene criteria zijn deels gebaseerd op de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies.
Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectcriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. De criteria in dit hoofdstuk vormen de kern van het toetsingskader van de welstandscommissie. De algemene criteria komen in beeld wanneer een plan niet ambtelijk, a.d.h.v. de eisen in een beeldkwaliteitplan, de gebiedsgerichte criteria in hoofdstuk 8 of de objectcriteria in hoofdstuk 9, kan worden afgehandeld, en een afweging door de welstandscommissie noodzakelijk is.
De commissie betrekt bij haar afweging ook de voornoemde eisen en criteria, maar baseert haar advies in elk geval op de algemene criteria.
60
6.1 Redelijkheid Welstandseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De welstandscommissie houdt bij de welstandstoets rekening met die invloed. Uiteraard geldt dit ook de andere kant op: hoe geringer de invloed van een bouwactiviteit op de omgeving, de omwonenden en de voorbijgangers, hoe lager de eisen die aan het plan worden gesteld. Aan een plan dat niet zichtbaar is voor omwonenden en passanten, worden geen welstandseisen gesteld. De commissie dient in eerste instantie te kijken naar de invloed op openbaar toegankelijk gebied. Als het woongenot van omwonenden echter in gevaar komt zal dit zeker worden meegewogen. De invloed van een bouwwerk op zijn omgeving wordt bepaald door de afstand tot de openbare weg, de zichtbaarheid vanaf openbare weg en vanaf omliggende percelen, de mate van openbaarheid (drukke doorgaande weg of stille doodlopende straat) en de omvang van de ingreep in relatie tot het totaalbeeld. Dit criterium staat niet op zich: het bepaalt hoe zwaar de overige 9 criteria wegen bij de welstandstoetsing. In de welstandsbeleidskaart zijn aandachtsgebieden aangewezen. In deze gebieden is een hogere aandacht voor de kwaliteit van ruimtelijke ingrepen gevraagd, omdat deze gebieden cultuurhistorisch waardevol zijn, en daarmee een groter belang voor de gemeenschap hebben.
6.2 Afstemming op het gebiedskarakter Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de tekst bij de gebiedscriteria in hoofdstuk 8, of in een beeldkwaliteitplan. Hoe sterker de karaktereigenschappen van het gebied, hoe hoger de eisen m.b.t . afstemming. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. Afstemming kan ook worden gevonden in een vertaling van kenmerken in een nieuwe vorm. Een bewust toegepast contrast kan ook een tot een passende invulling leiden. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert
61
aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Hoe groter de afwijking is, hoe duidelijker de positieve bijdrage aan de omgeving ervaarbaar moet zijn.
6.3 Afstemming op de belendingen Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet. Hoe groter de samenhang tussen de gebouwen en bouwwerken onderling , hoe zwaarder dit criterium weegt. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. In de meeste gevallen is dit zelfs niet wenselijk. Een omgeving moet zich kunnen ontwikkelen. Een zekere mate van variatie is ook in een samenhangende omgeving goed mogelijk.
6.4 Afstemming op het eigen karakter Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object. Afstemming kan worden bereikt door “in stijl” te bouwen, maar ook door een afgewogen contrast te introduceren. Verder kan afstemming worden bereikt door de verschijningsvorm van het gehele object in het plan mee te nemen, waardoor een nieuwe, interne samenhang ontstaat.
6.5 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is.
62
Vormgeving heeft zijn eigen samenhang en logica, maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.
6.6 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Een bouwwerk wordt verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuwof verbouw in bestaande (monumentale) omgeving is het vaak beter te laten zien wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd.
6.7 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Met helderheid en complexiteit wordt ook bedoeld: regelmaat en variatie, eenvoud en veelvormigheid, ritme en afwijking, structuur en verbijzondering.
63
Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Een te grote complexiteit leidt tot onrust en verwarring, een te grote helderheid tot saaiheid en schraalheid. Helderheid en complexiteit hebben elkaar nodig: zonder regelmaat geen variatie. Een verbijzondering is alleen ervaarbaar in relatie tot de regelmatige structuur.
6.8 Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave, maar ook de omgeving stelt zijn eisen aan de schaal. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.
6.9 Materiaal, textuur, kleur Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving.
64
Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, en kleur het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Als materialen en kleuren te veel losstaan van de omgeving van het bouwwerk kan de ruimtelijke samenhang met die omgeving verdwijnen en de omgeving een rommelig of onrustig karakter krijgen.
6.10 Detaillering Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Een detail kan het architectonische concept van een gebouw maken of breken. Specifieke detaillering is vaak verbonden aan een bouwperiode of een gebouwtype. Dit is voor de “leesbaarheid” van een gebouw van groot belang. Detaillering bepaalt bovendien in belangrijke mate de schaal van een gebouw. Door een goede detaillering kan ook een groot gebouw herbergzaam overkomen (De menselijke maat).
65
7. BEELDKWALITEITPLANNEN In Helvoirt, gemeente Vught, zijn de volgende beeldkwaliteitplannen, of -paragrafen vastgesteld: Joriskwartier, Helvoirt Den Hoek, Helvoirt Helvoirtsestraat 16-18, Helvoirt Vincent van Goghplein, Helvoirt Voor de relevante welstandscriteria wordt verwezen naar deze bkp’s en de beeldkwaliteitparagrafen in de bestemmingsplannen. De bkp’s gelden als onderdeel van de welstandsnota. Bkp’s die na de vaststelling van deze nota worden vastgesteld moeten eveneens als onderdeel van deze nota worden beschouwd, en worden bij de volgende herziening van de nota meegenomen. De bkp’s en relevante beeldkwaliteitparagrafen zijn als bijlage aan deze nota toegevoegd.
66
67
8. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA
Gebiedsgerichte criteria Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, bestaan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het bepalen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur, verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en stedelijke gebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen is als bijlage 2 bij deze welstandsnota gevoegd.
In de welstandsbeleidskaart zijn een aantal gebieden als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de cultuurhistorische waarde van het gebied. Dit betekent niet dat alle de bebouwing in een dergelijk gebied cultuurhistorisch waardevol is. Het kan ook gaan om een oud straatverloop, een typerende positionering van bebouwing t.o.v. de straat, een kenmerkende nederzettings- of ontginningsstructuur enz. In de navolgende paragrafen is achtereenvolgens ingegaan op: • De ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente; • De historisch gegroeide gebieden (H-gebieden); • De planmatig aangelegde woongebieden (W-gebieden); • De bedrijventerreinen (B-gebieden); • De groengebieden (G-gebieden); • Het buitengebied (G6).
68
. Eén welstandstoets Een nieuwbouwplan voor bijvoorbeeld een woning omvat vaak een hoofdgebouw met verschillende onderdelen, bijbehorende bouwwerken of dakkapellen. Een dergelijk bouwplan wordt in één keer getoetst aan zowel de (relevante) gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria.
69
Hieronder is een voorbeeld opgenomen van een tabel met gebiedsgerichte criteria. Voorbeeld tabel gebiedsgerichte criteria: Gebiedsgerichte criteria voor gebied X Algemene karakteristiek
Massavorm: Gevelopbouw: Materiaalkeuze (hoofdvlakken): Kleurgebruik (hoofdvlakken): Compositie massa-onderdelen:
en
Gevelindeling: Vormgeving gevelelementen: Materialen (onderdelen): Kleuren (onderdelen):
en
Detailaspect Deelaspect Hoofdaspecten
Plaatsing en situering:
Detaillering onderdelen:
Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals bijbehorende bouwwerken en dakkapellen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria. Zodra bijbehorende bouwwerken vergunningsplichtig zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing Zodra dakkapellen vergunningsplichtig zijn in het kader van de ongevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing.
70
Ruimtelijke hoofdstructuur In 2021 is Helvoirt bij de gemeente Vught gekomen. De gemeente Vught bestaat uit de dorpen Vught, Cromvoirt en Helvoirt. Deze welstandsnota gaat specifiek over Helvoirt. De volgende buurtschappen behoren tot Helvoirt: Distelberg, Hoef ten Halve, Gijzel, Raam (deels), Heikant, Laar, Molenstraat, Helvoirtsestraat. Helvoirt De kern Helvoirt is ontstaan op de hoger gelegen dekzandgronden tussen de Broekleij en de Raamse Loop. Helvoirt karakteriseert zich van oudsher als een typische beekdalnederzetting. Dit soort kernen ontstonden toen de kans zich voor deed om beekdalgronden om te zetten in Weidegebieden. De naam Helvoirt is volgens deskundigen afgeleid van de termen ‘’hel’’ en ‘’voort’’: "hel", een woest, moerassig gebied met er doorheen een "voort" ofwel een doorwaadbare doorgang, een weg door de broeklanden. Met de hel werd het Helvoirtsche Broek met zijn modder, biezen en moerasplanten bedoeld. De kern Helvoirt is organisch gegroeid als een lintdorp in zowel noordzuidelijke (de Torenstraat) als in oostelijke richting (De Dijk). De Dijk is de voormalige route tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch. Na de middeleeuwen zorgde de bouw van een kerk aan de Torenstraat voor een nieuwe nederzetting. In de 19e eeuw vestigde zich een secundaire kerknederzetting op de kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat.
Van oorsprong maakte het gehucht Den Hoek ook onderdeel uit van deze kerknederzetting. De gunstige ligging van de nederzetting op de kruising van belangrijke routes uitte zich in een forse uitbreiding van de bebouwing aan de historische linten. Na de jaren ’50 heeft de kern zich, mede door fysieke barrières van de spoorlijn en de N65, ontwikkeld in westelijke en oostelijke richting tot aan de Raamse Loop en het
71
Beekdal van de Broekleij. Alleen het bedrijventerrein en de uitlopers van de linten liggen buiten de begrenzingen (spoorweg en N65). Aan de westkant van Helvoirt vormt de bebouwing een harde lineaire rand. Aan de kant van de spoorlijn en de N65 creëren de achtertuinen een groen beeld vanaf weg en spoor. Het Helvoirtsche Broek kenmerkt zich door een vrij zachte rand met het buitengebied. Dit in tegenstelling tot de nieuwe woonbuurt waarbij het groen nog niet volgroeid is en daarom de begrenzing erg hard is. Ook voor de kern Helvoirt bepaalt de historische wegenstructuur voor het grootste deel de stedenbouwkundige opbouw. De gevelwand is noodzakelijk opgebouwd uit historische lintbebouwing bestaande uit één laag. Het straatbeeld kenmerkt zich door een sterke differentiatie gevormd door de afwisseling van vrijstaande villa’s en boerderijen. Opvallende historische gebouwen binnen de linten zijn de kerk, het raadhuis en de voormalige herbergen en cafés. De moderne bedrijven aan de Torenstraat vormen een sterk contrast in tijdsbeeld met de historische bebouwing. De secundaire kerknederzetting, gevestigd in de 19 e eeuw op de kruising van de historische routes, kenmerkt zich door veel vrijstaande bebouwing met verspringingen in de rooilijn omgeven door veel groen.
De belangrijkste cultuurhistorische elementen binnen het gebied zijn de kerk en de begraafplaats, de pastorie en de villa’s. De kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat is met name door de woningbouwontwikkelingen van na de oorlog uitgegroeid als het centrum van Helvoirt. In het gebied tussen de historische linten en de N65 bestaat de bebouwing hoofdzakelijk uit halfvrijstaande woningen met twee bouwlagen. De bouw van de woningen heeft zich in de tweede helft van de 20e eeuw sterk ontwikkeld. Vanuit het centrum in zuidelijke richting worden de kavels geleidelijk aan groter en bestaat de bebouwing veelal uit vrijstaande woningen. De woningen zijn gelegen in een groene setting aan ruim opgezette woonstraten. De open ruimten aan de Vincent van Goghstraat zijn kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van het gebied. De buurten ten westen van de Achterstraat en ten oosten van de Torenstraat zijn opgebouwd uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen gelegen in een ruime groene setting.
72
Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend geweest voor de historische identiteit. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. In Helvoirt kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende wijze waarop de gebieden zijn ontstaan. Historische nederzettingen: 1) Beekdalnederzettingen (H1): Helvoirt is een beekdalnederzetting. Deze nederzettingen ontstonden op de hogere dekzandruggen. Vanaf omstreeks 1000 na Christus begon men de beekdalen en de natte broekgebieden beter te benutten: de daar aanwezige bosvegetatie werd verwijderd ten gunste van weiden en hooilanden. Het werd steeds minder nuttig om boven op de ruggen te blijven wonen. De boerderijen werden verplaatst naar de randen tussen de akkers en de nieuw ontgonnen beekdalen en broeken. Hierdoor hebben de kernen zich als lintdorp langs het beekdal ontwikkeld. 2) Straatdorplinten (H2): Vervallen. 3) Bebouwingslinten (H3): Bebouwingslinten zijn in de loop van de tijd ontstaan langs oude hoofd- en uitvalswegen.
Vaak sluiten deze wegen aan op oude kernen of maken daar deel van uit. Ze bestaan in het algemeen uit een reeks van losstaande gebouwen (waaronder boerderijen) en onbebouwde terreinen. In Helvoirt liggen de bebouwingslinten verspreid in het landschap. 4) Buurtschappen en gehuchten (H4): Verspreid over Helvoirt liggen de eerdergenoemde buurtschappen.
73
In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de kernen kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds-/typologie-beschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legenda-eenheden van de typologiekaart.
Gebiedscode Naam gebied Woon- en gemengde gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie H1.1 H1.2
H2 H3.1 H3.2 H4
74
typologiebeschrijving
Helvoirt: Het centrumgebied van Helvoirt betreft de Lindelaan, de Kastanjelaan Beekdalnederzetting – dorpsgebied (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Helvoirt: Udenhoutseweg, Schoorstraat, Kerkstraat, Achterstraat, St. Nikolaasstraat, Beekdalnederzetting- Uitloper Oude Rijksweg, Torenstraat, Helvoirtsestraat en Molenstraat; Vervallen Helvoirt: De Dijk; Helvoirt: De Gijzel, Gijzelsestraat en Udenhoutseweg; Helvoirt: Achterste Distelberg en Voorste Distelberg (inclusief Duinoord), Hoef ten Halve, Gijzel, Hoge Raam, Heikant, Laar, Molenstraat, Helvoirtsestraat en Den Hoek;
Historisch bebouwingslint Jong bebouwingslint Buurtschappen
H1
Beekdalnederzettingen
Kenmerkend voor de beekdalnederzettingen zijn de hoger gelegen gronden, dekzandruggen, met daarop verschillende bebouwing. De dekzandruggen, die gesitueerd waren aan beekdalen, vormden in landbouwkundig opzicht een zeer geschikte plek: op de rug was akkerbouw mogelijk en omdat de natuurlijke vruchtbaarheid van de meeste zandgronden te wensen overlaat, was bemesting nodig. Daarom deed men in het beekdal voornamelijk aan veeteelt. Samen met de oeverwallen waren de dekzandruggen de eerste vestigingsplaatsen en ontstonden er beekdalnederzettingen. Beekdalnederzettingen ontwikkelden zich in de loop der tijd als lintdorpen. De visuele openheid van de landbouwgronden in de beekdalen en rondom de nederzettingen is de belangrijkste ruimtelijke kwaliteit van het beekdalenlandschap. Welstandseenheden In Helvoirt bestaan er verschillen tussen de dichtheid van de beekdallinten en de beleving van open- en beslotenheid. In de oude kern is het lint zeer verdicht. Op sommige plekken binnen de kern is het beekdallint landelijk gebleven. Om deze verschillen in beekdallinten aan te geven worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. Er is een verschil gemaakt in het ‘dorpscentrum van de beekdalnederzetting’ en de ‘uitlopers van de beekdalnederzetting’. Voor elk van deze welstandeenheden gelden aparte criteria.
Dorpscentrum beekdalnederzettingen (H1.1) Helvoirt kan als beekdalnederzetting worden getypeerd. Helvoirt: Het dorpscentrum van Helvoirt dat omlijnd wordt door de Lindelaan, de Kastanjelaan (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Uitlopers beekdalnederzettingen (H1.2) Helvoirt: Udenhoutseweg, Schoorstraat, Kerkstraat, Achterstraat, Schilderstraatje, St. Nikolaasstraat, Oude Rijksweg, Torenstraat, Kastanjelaan, Helvoirtsestraat en Molenstraat. Op de typologiekaart zijn de verschillende typen beekdallinten met bovenstaande coderingen aangegeven. Hieronder zijn de verschillende typen nader uitgewerkt en is per type een niveau van welstand bepaald en zijn criteria benoemd.
75
H 1.1 Dorpscentrum beekdalnederzettingen Helvoirt De kern Helvoirt is van oorsprong een beekdalnederzetting; de kern is ontstaan tussen de Broekleij en de Raamse Loop. Door de gunstige ligging op de kruising van belangrijke wegen volgde de uitbreiding van het dorp. Na de 12e eeuw ontwikkelde de beekdalnederzetting zich verder rondom de kerk aan de Torenstraat. Het gaat hier voornamelijk om aaneengebouwde eenlaagse woonbebouwing met een zadel- of schilddak. De gevels van de woningen bestaan veelal uit donkere bakstenen. Een aantal woningen heeft witgepleisterde gevels. In de tweede helft van de 19e eeuw vestigde zich ten noorden van de oorspronkelijke dorpskern, op de kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat, een secundaire kerknederzetting met een nieuw niet-agrarisch centrum. Dit centrum ontstond na de bouw van neogotische kerk in de nabijheid van het reeds gesloopte station uit 1881, nabij de locatie van de vroegere schuurkerk. De secundaire kerknederzetting, dat door de concentratie van detailhandel en horeca als centrumgebied is aangemerkt, kenmerkt zich door veel vrijstaande bebouwing met verspringingen in de rooilijn. De bebouwing is veelal op ruime kavels gelegen. De belangrijkste cultuurhistorische elementen binnen het gebied zijn de Rooms Katholieke kerk, de begraafplaats, de pastorie en de villa’s. De bebouwing in het centrum is vrij dicht en gemengd.
Er zijn winkels, horecabedrijven, kantoren en andere bedrijven gevestigd. Incidenteel komt nieuwbouw in het centrum voor. De bebouwing in het centrum bestaat veelal uit twee bouwlagen met een schilddak. Deze bebouwing is veelal opgebouwd uit rode bakstenen. Een aantal woningen heeft witgepleisterde gevels. De gevels van de woningen zijn gedecoreerd met rollagen en muurankers. De bebouwing wordt begeleid door laanbeplanting met kastanjes.
76
Aandachtsgebieden cultuurhistorie Het dorpscentra van Helvoirt is aangewezen als aandachtsgebied cultuurhistorie. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het dorpse beekdallint en het bewaren van de eenvoud in hoofdbouwvormen en kleurgebruik. Criteria Voor de dorpse beekdallinten (H1.1) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. Voor de uitgangspunten bij historische boerderijen wordt verwezen naar bijlage 4 van deze nota.
77
Hoofdaspecten
Gebiedsgerichte criteria voor het dorpscentrum van de beekdalnederzettingen Helvoirt - H1.1 Traditionele dorpsbebouwing Bijzondere bebouwingselementen Plaatsing en situering: Plaatsing en situering: • • •
•
De bestaande rooilijn dient gerespecteerd te worden. Zijdelingse afstand: gebouwen dienen de aaneenschakeling van de individuele gebouwen te ondersteunen. Kenmerkende wisselende oriëntatie handhaven. De oriëntatie van de gebouwen is afhankelijk van het type bouwwerk en de plek in de straatwand. Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd.
Massavorm: • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Toepassen van eenvoudige bouwmassa’s zoals staafvormige (liggend) en blokvormige bouwmassa’s. • Hoogtevariatie van 1 tot 2 bouwlagen handhaven, afstemmen op bebouwingshoogte van de omgeving.
• • • •
Aansluiten bij toegepaste rooilijn in gebied. Behouden van bestaande verkaveling. De oriëntatie is situatie afhankelijk: wisselend. Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd.
Massavorm: • Bouwmassa aanpassen aan de omgeving. • Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw. • Toepassen passende kapvorm en –richting bij bouwvorm en omgeving.
Massavorm: • De bouwhoogte is een afgeleide van de vorm van de hoofdbouwmassa. (staafvormig, liggend: 1 tot 1,5 lagen met kap – blokvormig: 1,5 tot 2 bouwlagen met kap). In enkele gevallen is een platte afdekking mogelijk. • Toepassen van duidelijke kappen zoals zadeldak, mansardekap of een afgeleide van deze daktypen (zoals een tent- of schilddak). • Kaprichting afhankelijk van de oriëntatie en de bouwvorm. Gevelopbouw: Gevelopbouw: • Handhaven bestaande gevelopbouw: voorgevel van het hoofdgebouw • Toepassen passende bestaat uit één geheel, maar is te onderscheiden in een dakgedeelte bouwvorm en omgeving. en onderstuk, eventueel uitgevoerd met plint. Materiaalkeuze (hoofdvlakken): • Aansluiten bij de materialen die in de omgeving worden gebruikt. Kleurgebruik (hoofdvlakken): • Aansluiten bij de kleuren die in de omgeving worden gebruikt.
78
gevelopbouw
bij
Vormgeving gevelelementen:
•
Plasticiteit in de voorgevel dient beperkt te worden.
Materialisatie en detaillering van het bouwwerk
Deelaspecten
Compositie massa-onderdelen en gevelindeling: Compositie massa-onderdelen en gevelindeling: • Bestaande geleding van de voorgevel handhaven: voorgevel van het • Toepassen passende gevelgeleding bij hoofdgebouw heeft veelal een verticale geleding. bouwvorm en omgeving. • Gebruik van staande ramen. Helvoirt • Het toepassen van hoge vensters en staande ramen (met karakteristieke stijlen- en roedenverdeling) in de voorgevel wordt aanbevolen.
•
•
• •
Vormgeving gevelelementen: • Toepassen passende plasticiteit (reliëf in het gevelvlak) bij bouwvorm en omgeving.
Materialen (onderdelen) • Kozijnen; hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking; gebakken pannen, bij platte afdekking bitumen of gelijkende andere materialen. • Gevel; bakstenen, al dan niet voorzien van stucwerk of pleisterwerk. Kleuren (onderdelen) • Gevels: donkere bakstenen. • Kozijnen- en dakrandkleur: lichtkleurig. • Dakbedekking: aansluiten bij dakopbouwkleur in omgeving. Helvoirt • Gevels: (licht) rood gevlamde bakstenen. • Pleisterwerk: licht. Detaillering onderdelen: • Bij renovatie of nieuwbouw wordt zorgvuldig omgegaan met de kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten, siermetselwerk en speklagen. (herstel, interpretatie of reactie). • Specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels, gootlijsten e.d. worden met aandacht voor de expressie en plasticiteit ontworpen. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals bijbehorende bouwwerken en dakkapellen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria.
Zodra bijbehorende bouwwerken vergunningsplichtig zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing Zodra dakkapellen vergunningsplichtig zijn in het kader van de ongevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn79 de objectcriteria van toepassing.
H 1.2 Uitlopers beekdalnederzettingen Vanuit de oude kern van Helvoirt lopen beekdallinten naar het buitengebied. Deze uitlopers liggen als linten langs de wegen en zijn nog goed aanwezig in het landschap. De lange uitlopers vormen dichtbij de kernen aaneengesloten bebouwing en verder van de kern vrijstaande bebouwing. De bebouwing in de uitlopers bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen. De bebouwing heeft vaak een agrarisch karakter. De hoofdbouwmassa’s verschillen van staafvormige boerderijachtige woningen tot kleinere staaf- en blokvormige woningen. De woningen in de uitlopers hebben veelal één tot twee bouwlagen met een zadeldak, al dan niet met wolfseind, of een mansardekap. De gootlijn van de bebouwing is vaak laag. De bebouwing langs de linten ligt veelal op de kop van de kavel en is georiënteerd op de weg. De bebouwing bestaat uit traditionele materialen als baksteen en grijze dakpannen. In het lint komen, naast de reguliere woonbebouwing, enkele karakteristieke langgevelboerderijen voor. Helvoirt In Helvoirt zijn op basis van de verschijningsvorm en de leeftijd een aantal linten te onderscheiden. De Torenstraat is het oudste deel van de kern Helvoirt. De eiken die de weg markeren, bepalen het karakter van dit deel van de kern.
Langs deze weg zijn tussen de oude boerderijen in de loop der jaren woningen gebouwd, waardoor verdichting steeds groter werd en de verscheidenheid in bebouwing toenam. Van monumentale waarde is de oude Nederlands Hervormde kerk, het voormalige gemeentehuis en de verschillende woonhuizen in het middendeel van de Torenstraat. Deze woonhuizen hebben vaak witgepleisterde gevels. In de Torenstraat heeft het karakter van de woonbebouwing de overhand. Deze bebouwing, die vaak uit rode bakstenen is opgebouwd, varieert van klein tot villa-achtig. De bebouwing bestaat veelal uit één laag met kap. Een aantal woningen heeft twee lagen met kap. Het zadeldak (al dan niet met wolfseind) is een veel voorkomende kapvorm. Daarnaast komen ook schilddaken voor. De lintbebouwing aan de Helvoirtsestraat en de Molenstraat heeft een meer agrarisch karakter. De bebouwing in de Helvoirtsestraat is net als in de Torenstraat verdicht. Hierdoor is de barrière van de spoorlijn minder
80
duidelijk waarneembaar. De Helvoirtsestraat heeft vanwege de aard van de bebouwing een meer landelijk karakter en vormt zodoende een goede overgang naar het buitengebied. De boerderijen overheersen hier nog het beeld. Aan de Molenstraat zijn enkele kort- en langgevelboerderijen geconcentreerd. Deze boerderijen dateren van circa 1850. Het lint aan de Molenstraat kent aan de zuidzijde een enigszins lintvormige uitbreiding als wegnederzetting. Hier bestaat de bebouwing, die hoofdzakelijk aan de westzijde van de weg is opgetrokken, uit woonhuizen en langgevelboerderijen. De woonhuizen bestaan uit één laag en zijn opgebouwd uit bakstenen. De langgevelboerderijen hebben rieten zadeldaken, al dan niet met wolfseind. Aan het lint van de Sint Nikolaasstraat, dat begeleid wordt door een opvallende laanbeplanting, komt vrijwel uitsluitend vrijstaande eenlaagse woonbebouwing voor. Deze bebouwing is vrij divers en open tot landhuisachtig. Het lint is verdicht met moderne woningbouw. Omdat de woningen uit verschillende perioden dateren, hebben ze verschillende verschijningsvormen. De goot- en nokhoogtes van de woningen variëren enorm. Ook worden er verschillende gevelkleuren gebruikt. De kleur wit is echter het meest gebruikt. De St. Nikolaasstraat loopt over in de Oude Rijksweg. De bebouwing aan dit lint heeft dezelfde verschijningsvorm als de bebouwing aan de St. Nikolaasstraat.
In het lint van de Rijksweg heeft alleen nauwelijks verdichting van moderne woningbouw plaatsgevonden. De Achterstraat kan worden opgedeeld in twee delen: het deel ten noorden en het deel te zuiden van het Vincent van Goghplein. De bebouwing aan de noordzijde van het Vincent van Goghplein is aanzienlijk verdicht. Er staan veel 19e en begin 20e eeuwse woonhuizen, die vaak uit één laag zijn opgebouwd. Er komen verschillende kapvormen zoals zadeldaken, schilddaken en mansardekappen voor. Het kleurgebruik van de bebouwing is zeer divers. Aan de zuidzijde van het Vincent van Goghplein is het oorspronkelijke agrarische karakter van het lint duidelijk zichtbaar. Dit deel van het lint is aanzienlijk minder verdicht. Net als de Achterstraat kan ook de Kerkstraat opgedeeld worden in twee stukken: het deel ten noorden van de Bloeymanstraat en het deel ten zuiden van de Bloeymanstraat. De bebouwing aan het noordelijke lint is aanzienlijk verdicht. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit woningen die uit één (bakstenen) laag zijn opgebouwd. Zadeldaken en mansardekappen zijn de meest voorkomende kapvormen. Vanaf de
81
Bloeymanstraat vindt er verdunning plaats naar half-vrijstaande woningen in één bouwlaag. Het gaat hier om traditionele twee-onder-eenkapwoningen. Deze woningen zijn eveneens uit bakstenen opgebouwd en hebben donkere zadeldaken. Op deze daken zijn identieke dakkapellen aanwezig. Aan de Udenhoutseweg en de Schoorstraat liggen overwegend traditionele woningen. Van menging met agrarische of voormalig agrarische bebouwing is geen sprake. De woningen, die hoofdzakelijk van voor en na de Tweede Wereldoorlog dateren, zijn opgebouwd uit twee lagen en een zadeldak. De gevels hebben een sober uiterlijk met weinig detailleringen. De bebouwing heeft rode bakstenen en donkere dakpannen.
Aandachtsgebieden De dynamiek in deze uitlopers met gemengde bebouwing is relatief hoog. Functieveranderingen en ruimtelijke ingrepen komen hier veelvuldig voor. Omdat in deze gemengde gebieden nog veel traditionele historische bebouwing (waaronder (langgevel)boerderijen) staat met een relatief hoge cultuurhistorische waarde is extra aandacht voor welstand in deze gebieden gewenst.
82
Criteria Voor de uitlopers in Helvoirt (H1.2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. Voor de uitgangspunten bij historische boerderijen wordt verwezen naar bijlage 4 van deze nota.
Hoofdaspecten
Gebiedsgerichte criteria voor uitlopers van de dorpse beekdallinten – H1.2 Traditionele dorpsbebouwing Bijzondere bebouwingselementen
83
Plaatsing en situering: • De gebogen rooilijn, die de weg volgt, dient gerespecteerd te worden. • Zijdelingse afstand: gebouwen dienen de aaneenschakeling van de individuele gebouwen te ondersteunen. • Kenmerkende wisselende oriëntatie handhaven. De oriëntatie van de gebouwen is afhankelijk van het type bouwwerk en de plek in de straatwand. • Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd.
Plaatsing en situering: • Aansluiten bij toegepaste rooilijn in gebied. • Behouden van bestaande verkaveling. • De oriëntatie is situatie afhankelijk: wisselend. • Het bouwplan moet passen in de omgeving waarbij bestaande ‘’groene’’ kwaliteiten (zoals bos- en houtopstanden, laanbeplantingen e.d.) worden gerespecteerd.
Massavorm: • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Toepassen van eenvoudige bouwmassa’s zoals staafvormig (liggend) en blokvormige bouwmassa’s. • Hoogtevariatie van 1 tot 1,5 bouwlagen handhaven, afstemmen op bebouwingshoogte van de omgeving. • Toepassen van duidelijke kappen zoals zadeldak, mansardekap of een afgeleide van deze daktypen. • Kaprichting evenwijdig aan het lint.
Massavorm: • Bouwmassa aanpassen aan de omgeving. • Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw. • Bouwhoogte aanpassen aan de omgeving. • Toepassen van een passende kapvorm en –richting bij bouwvorm.
Gevelopbouw: Gevelopbouw: • Bij verbouw en renovatie worden de oorspronkelijke • Toepassen passende gevelopbouw gevelopbouw, ornamentiek en het materiaal- en bij bouwvorm en omgeving. kleurgebruik gerespecteerd. • Bij nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving voor wat betreft volume en massa-opbouw het uitgangspunt. Materiaalkeuze (hoofdvlakken): • Aansluiten bij de materialen die in de omgeving worden gebruikt.
Deelaspecten
Kleurgebruik (hoofdvlakken): • Aansluiten bij de kleuren die in de omgeving worden gebruikt. Compositie massa-onderdelen en gevelindeling: • Handhaven bestaande geleding van de voorgevel: voorgevel van het hoofdgebouw heeft veelal een verticale geleding. • Gebruik van staande ramen.
Compositie massa-onderdelen en gevelindeling: • Handhaven bestaande geleding van de voorgevel: voorgevel van het hoofdgebouw heeft veelal een verticale geleding. • Gebruik van staande ramen. • Toepassen passende gevelgeleding bij bouwvorm en omgeving.
Vormgeving gevelelementen: Vormgeving gevelelementen: • Plasticiteit in de voorgevel dient beperkt te • Toepassen passende plasticiteit (reliëf in het worden. gevelvlak) bij bouwvorm en omgeving. Materialen (onderdelen): • Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking: gebakken pannen. • Gevel: bakstenen, al dan niet voorzien van stucwerk en pleisterwerk. Kleuren (onderdelen): • Gevels: donkere of rode bakstenen. • Voegkleur: licht voegspecie. • Kozijnen: lichtkleurig. • Dakbedekking: donker of grijs. Helvoirt: Torenstraat • Gevels: (licht) rood gevlamde bakstenen. • Pleisterwerk: licht.
84
Materialen (onderdelen): • Kozijnen: hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking: gebakken pannen • Gevel bakstenen.
Detaillering onderdelen: • Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel. • Zorgvuldige detaillering (vensterstroken, kleine smalle roeden, sierverbanden en verticale metselverbanden) aansluitend aan de oorspronkelijke en/of in overeenstemming met de detailleringen van belendende panden. • Toepassen van afwerkingen langs gevels en vensteropeningen in de vorm van rollagen en strekken wordt aanbevolen. • Toepassen van windveren en gootlijsten wordt aanbevolen. • Toepassen van muurschotels en ankers in de gevel wordt aanbevolen. •
•
• •
Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals bijbehorende bouwwerken en dakkapellen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria. Zodra bijbehorende bouwwerken vergunningsplichtig zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing Zodra dakkapellen vergunningsplichtig zijn in het kader van de ongevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing.
H3 Bebouwingslinten Buiten de kern van Helvoirt is veel (historische) lintbebouwing langs wegen gelegen. De eerste lintbebouwing ontstond op de randen van de dekzandruggen. Deze gebieden waren droog en daarom geschikt voor bewoning. Kenmerkend voor het lint is de ruimtelijke continuïteit en een eenvoudige inrichting van de route, al dan niet met laanbomen. De oorspronkelijke bebouwing is in het algemeen opgebouwd uit één à twee lagen en heeft vaak een agrarisch karakter met dominante kap en lage gootlijn. De bebouwing is naar de weg gericht. Aan de oorspronkelijke bebouwing zijn vaak forse aan-, uitbouwen en bijgebouwen (zowel vrijstaand als niet-vrijstaand) toegevoegd. Ook hebben nieuwe functies geresulteerd in andere wijzen van kavelopbouw en andere bebouwingskarakteristieken. Variatie in functie en afwisseling in het beeld is kenmerkend voor de bebouwing in het lint.
85
Welstandseenheden In Helvoirt kan onderscheid worden gemaakt in historische bebouwingslinten en jonge bebouwinglinten. De historische bebouwingslinten liggen veelal aan de rand van een oud akkercomplex. Dit komt voort uit de historische samenhang die er altijd tussen de boerderijen en de akkers was. De jonge bebouwingslinten zijn van een recentere datum dan de historische bebouwingslinten. Bij deze jonge bebouwingslinten is dan ook nauwelijks een relatie te onderkennen tussen het bebouwingslint en de omliggende akkers. Doordat de jonge bebouwingslinten later zijn ontstaan dan de historische bebouwingslinten is aan deze linten bovendien veel minder cultuurhistorische bebouwing aanwezig. In deze nota wordt een verschil gemaakt in ‘historisch bebouwingslint’ en ‘jong bebouwingslint’. Voor elk van deze welstandseenheden gelden aparte criteria. Historisch bebouwingslint (H3.1) In Helvoirt is het volgende historische bebouwingslinten te vinden: De Dijk. Jong bebouwingslint (H3.2) In Helvoirt liggen de volgende jonge bebouwingslinten: De Gijzel, Gijzelsestraat en Udenhoutseweg;