Bijlage - Welstandsnota Helvoirt gemeente Vught
Tekst van het document
WELSTANDSNOTA HELVOIRT, GEMEENTE VUGHT DECEMBER 2022
Welstandsnota Helvoirt, gemeente Vught
Vastgesteld door de gemeenteraad: …….
Inhoudsopgave
WELSTANDSNOTA HELVOIRT, GEMEENTE VUGHT
1
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota 1.3 Leeswijzer
6 6 7 8
DEEL A - BELEID
11
2. WELSTANDSBELEID 2.1 Inleiding 2.2 verschillende typen welstandscriteria 2.3 Gebiedsgericht welstandsbeleid
13 13 14 17
2.3.1 Inleiding 2.3.2 Gebiedsanalyse 2.3.3 Beleidsgebieden 2.4 Objectgericht welstandsbeleid
17 20 24 27
2.4.1 Voor- en achterkant benadering 2.4.2 Objectcriteria
27 27
3. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1 Inleiding
29 29
1
3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband 3.3 Welstand en het bestemmingsplan 3.4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan 3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid 3.6 Welstand en Erfgoedbeleid
30 31 32 33 35
3.6.1 Inleiding 3.6.2 Monumenten op de monumentenlijst 3.6.3 Archeologie 3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten 3.7 Welstand en reclamebeleid
35 37 38 38 39
DEEL B - PROCEDURE
41
4. ORGANISATIE VAN WELSTAND 4.1 Toetsingsprocedure
43 43
4.1.1 Planverantwoording 4.1.2 Procedure 4.2 De welstandscommissie 4.3 De gemeentelijke organisatie
43 44 46 46
4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit 4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria 4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure 4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag 4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie
5. WELSTAND EN DE OMGEVINGSWETGEVING 5.1 Status 5.2 Woningwet, Wabo en Bor. 5.3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets
2
46 47 48 48 49
50 50 50 53
DEEL C - CRITERIA
56
GEBRUIKSHANDLEIDING
58
6. ALGEMENE CRITERIA
60
Toepassing algemene criteria 60 6.1 Redelijkheid 61 6.2 Afstemming op het gebiedskarakter 61 6.3 Afstemming op de belendingen 62 6.4 Afstemming op het eigen karakter 62 6.5 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 62 6.6 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (stijl, type, tijdsbeeld)63 6.7 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 63 6.8 Schaal en maatverhoudingen 64 6.9 Materiaal, textuur, kleur 64 6.10 Detaillering 65
7. BEELDKWALITEITPLANNEN
66
8. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Ruimtelijke hoofdstructuur Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) H1 Beekdalnederzettingen H 1.2 Uitlopers beekdalnederzettingen H3 Bebouwingslinten
68 71 73 75 80 85
H3.1 Historische bebouwingslinten H3.2 Jonge bebouwingslinten H4 Buurtschappen en gehuchten
3
86 90 94
Planmatig ontworpen woongebieden (W-gebieden) W1.2 Woongebieden in stroken- en blokverkaveling (1945-1980) W1.3 Woonerven (1970-1985) W1.4 Woongebieden eind 20e eeuw W2 Individuele bouw W3 Woonwagenterreinen B3 Bedrijventerreinen Groengebieden (G-gebieden) G1 Groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie G2 Begraafplaatsen G3 Sportterreinen en recreatiegebieden G4 Grootschalige bebouwingscomplexen G5 Recreatieparken en vakantiewoningen G6 Buitengebied G6.1 Dekzandrug G6.2 Beekdal G6.3 Dekzandvlakte G6.4 Land- en stuifduin
9. OBJECTCRITERIA 9.1 Inleiding 9.2 Toepassing Aanbouwen Vrijstaande bijgebouwen Overkappingen Dakkapellen Erfafscheidingen Dakopbouwen Agrarische Bebouwing Tuinbouwkassen Reclametekens
4
101 104 108 111 113 120 124 127 129 133 135 137 141 144 144 144 145 147
152 152 152 154 157 160 162 164 166 170 174 176
10. EXCESSENREGELING EN VRIJWILLIGE TOETSING 10.1 Inleiding 10.2 Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen en bestaande bouwwerken 10.2.1 Toelichting 10.2.2 De regeling 10.3 Vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen
5
187 187 187 187 188 188 198
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken, zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen op de omgeving goed te beoordelen en voor de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningsprocedure soepeler kan worden doorlopen. Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet d.d. 1 januari 2003 . Als gevolg van de inwerkingtreding van de herziene Woningwet 1 januari 2003 dient elke gemeente in Nederland voor 1 juli 2004 een welstandsnota vast te stellen. Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken.
Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet Helvoirt, gemeente Vught, aan deze eis. Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 bevat de Woningwet geen bepalingen meer over het verlenen van bouwvergunningen. Deze bepalingen stonden in afdeling 1 van hoofdstuk IV van de Woningwet. Deze afdeling is vervallen. De vergunning voor bouwen is nu geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien is de categorie lichtvergunningsplichtige bouwwerken komen te vervallen en zijn de regels voor vergunningsvrije bouwwerken aangepast. Dit noodzaakt tot een herziening van de tekst van de welstandsnota, omdat daarin tal van verwijzingen stonden naar inmiddels verouderde wetgeving.
6
De invoering van de Wabo is een goede aanleiding ook het kaartmateriaal van de welstandsnota te actualiseren. Inmiddels zijn er een aantal gebieden van verschijningsvorm veranderd, en staan andere gebieden op het punt om te worden (her-)ontwikkeld.
1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein. Welstandsbeleid is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie.
De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in de bebouwde kom en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van Helvoirt, gemeente Vught, richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende bouwwerken in bestaand dorps- en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld het dorpscentrum, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, het welstandsbeleid.
7
1.3 Leeswijzer De 'Welstandsnota Helvoirt, gemeente Vught’ bestaat uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in Helvoirt, gemeente Vught (deel A, hoofdstuk 1 t/m 3), welstandsprocedures (deel B, hoofdstuk 4 en 5)) en criteria (deel C, hoofdstuk 6 t/m 10)). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar criteria, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A - het welstandsbeleid - wordt toegelicht hoe de gemeente Vught vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid voor Helvoirt. Daarnaast wordt de relatie met andere beleidsterreinen beschreven. In hoofdstuk 2, Welstandsbeleid, worden de beleidsuitgangspunten verduidelijkt, en wordt de structuur van de nota uitgelegd. In hoofdstuk 3, inkadering van het welstandsbeleid, wordt de relatie met andere beleidsgebieden, zoals monumentenzorg, uiteengezet. Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn procedureregels nodig. Deze zijn te vinden in deel B - procedures - van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een stroomschema voor het toetsen van vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen opgenomen.
Hoofdstuk 4, organisatie van welstand, geeft informatie over de procedure van welstandstoetsing en de behandelt de rol en werkwijze van de welstandscommissie. Hoofdstuk 5, welstand en omgevingswetgeving, zet het juridisch en wettelijk kader voor welstandsbeleid uiteen. Deel C - criteria - gaat in op de bij een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen te hanteren criteria. In dit deel zijn niet alleen de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'objectcriteria’ opgenomen, maar ook de excessenregeling. Bovendien worden hierin naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen (als een bijzondere vorm van gebiedsgericht beleid) verwezen. Hoofdstuk 6: De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'.
8
Hoofdstuk 7: Beeldkwaliteitplannen, verwijst naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen en –paragrafen in ontwikkelingsgebieden. Hoofdstuk 8: De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van Helvoirt. Hoofdstuk 9: De objectcriteria bestaan uit een set van criteria voor veel voorkomende bouwwerken. Ook het reclamebeleid is hierin opgenomen. Hoofdstuk 10: De excessenregeling bevat de criteria die moeten worden gehanteerd bij een toets op ernstige strijd met redelijke eisen van welstand.
9
10
DEEL A - BELEID
11
12
2. WELSTANDSBELEID 2.1 Inleiding In Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag dan bijvoorbeeld in België. Al sinds de 15de eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De ondoorgrondelijke werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie, in de tweede helft van de twintigste eeuw veelgehoorde bezwaren tegen welstandscommissies, hebben uiteindelijk geleid tot een aanpassing van de Woningwet. In de nieuwe Woningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, zijn veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Dit heeft geleid tot het opstellen van gemeentelijke welstandsnota’s en een grotere openbaarheid. Met het inwerking treden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) op 1 oktober 2010, zijn procedures korter geworden, en is invulling gegeven aan de roep om minder regels en meer vrijheid: het grootste deel van het bouwen op achterterreinen is vergunningvrij of welstandsvrij geworden.
In deze welstandsnota heeft de gemeente Vught de lijn van deregulering en grotere verantwoordelijkheid voor de burger doorgezet, zonder daarbij het streven naar ruimtelijke kwaliteit uit het oog te verliezen. De criteria zijn overzichtelijker en leesbaarder geworden. De welstandsniveaus zijn vervangen door het aanwijzen van aandachtsgebieden en ontwikkelingsgebieden. Alleen in deze gebieden voert de gemeente een actief welstandsbeleid. In het overige gebied, het zgn. beheergebied, geldt een passief welstandsbeleid. Het verschil tussen actief en passief beleid ligt in de toetsing: passief beleid houdt in dat de welstandsbeoordeling in principe beperkt blijft tot een ambtelijke toets, actief beleid maakt gebruik van welstandsadvisering door een onafhankelijke commissie. Nieuw is de introductie van de planverantwoording. Daarmee geeft de aanvrager zelf uitleg over de wijze waarop het plan op de criteria inspeelt, en waarom het voldoet aan redelijke eisen van welstand. Deze
13
planverantwoording is essentieel voor een gemeente die haar burgers verantwoordelijkheid over de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving geeft. En voor de burger die deze verantwoordelijkheid wil nemen.
2.2 verschillende typen welstandscriteria In dit hoofdstuk is het welstandsbeleid van Helvoirt, gemeente Vught, uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van Helvoirt, gemeente Vught, worden de volgende typen criteria onderscheiden (deel C): Algemene welstandscriteria: deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria of de objectcriteria (hoofdstuk 6). Beeldkwaliteitplannen: dit zijn gebiedsgerichte criteria voor ontwikkelingsgebieden. (hoofdstuk 7). De eisen in een beeldkwaliteitplan zijn aanvullend op de algemene criteria en de objectcriteria. Bij strijdigheid met de objectcriteria gelden de eisen in het beeldkwaliteitplan. Gebiedsgerichte criteria: specifieke, aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. (hoofdstuk 8). Objectcriteria (algemeen): algemeen geldende, criteria voor veel voorkomende bouwwerken en verbouwingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd. Ze bestaan uit een “altijd-goed-kader” en een afwegingskader.
Daarmee kan een groot deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (hoofdstuk 9). In dit hoofdstuk is ook het reclamebeleid opgenomen. Een excessenregeling voor bouwvergunningvrije bouwwerken of veranderingen aan bestaande bouwwerken. Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een ernstige strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vooraf
14
vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria en de criteria van de excessenregeling dienen daarbij als adviserend kader (hoofdstuk 10). In de criteria worden soms (kwantitatieve) maatvoeringen genoemd. Deze zijn gebaseerd op kwalitatieve kenmerken van het gebied. Daarbij kunnen verschillen optreden met de maatvoering in andere regelgeving of besluiten. Wanneer daardoor een strijdigheid optreedt, prevaleert de hogere regel- of wetgeving. Bouwwerken zijn in sommige gevallen vergunningsvrij, en soms vergunningplichtig. In de objectcriteria is een algemene maat opgenomen. Dit betekent, dat in sommige gevallen criteria zijn opgenomen voor bouwwerken, die vergunningsvrij zijn. Dit zal geen probleem zijn. Hierboven is al aangegeven, dat de toetsende ambtenaar altijd eerst moet onderzoeken of een bouwplan vergunningsvrij is. Is dat het geval dan zal hij in principe niet meer toekomen aan de criteria uit de welstandsnota. Voor de initiatiefnemer bestaat echter de mogelijkheid om een te bouwen vergunningvrij bouwwerk vooraf vrijwillig te laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. Bovendien heeft B&W de mogelijkheid om een repressieve welstandstoets uit te voeren als de vraag rijst of sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.
Strijdigheid met de criteria De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de vergunningplichtige bouwwerken in een bepaald gebied. Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonisch-stedenbouwkundig verantwoord is.
15
Toepassingsregels voor welstandscriteria Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte bouwwerken die onderdeel uitmaken van een totaal bouwplan (vergunningplichtig) worden in één welstandstoets zowel aan de gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria getoetst. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn, zijn de objectcriteria van toepassing. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn, zijn de objectcriteria van toepassing. Zodra dakkapellen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn, zijn de objectcriteria van toepassing.
De commissie behoudt haar eigen verantwoordelijkheid. De commissie geeft advies aan Burgemeester en wethouders en zij zal de argumenten van de initiatiefnemer betrekken bij haar advisering aan Burgemeester en wethouders. Afwijken van het welstandsadvies Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbevoegdheid. Criteria zijn immers beleidsregels, hiervan kan in bijzondere gevallen, mits gemotiveerd, afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10, lid 1 aanhef en onder de Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of
16
maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. Tenslotte kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies, indien zij dienen te voldoen aan andere wet- en regelgeving (in het kader van bijvoorbeeld brandveiligheid of het milieu). Uitgangspunt is dat noodzakelijke maatregelen in het kader van bijvoorbeeld de brandveiligheid zodanig verwerkt worden in het bouwplan, dat voldaan wordt aan de welstandscriteria. Alleen als aangetoond wordt dat dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies. Wel zal in goed overleg gezocht moeten worden naar een zodanige inpassing van het bouwwerk in het bouwplan, dat zoveel mogelijk recht gedaan wordt aan redelijke eisen van welstand.
2.3 Gebiedsgericht welstandsbeleid 2.3.1 Inleiding Gebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor vergunningplichtige bouwwerken en in het onderscheid tussen gebieden met een passief en een actief welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Vught ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied, maar wel vanuit de gedachte dat de aanvrager, waar dat kan, daarin zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en neemt. Binnen het grondgebied van Helvoirt komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. Gebiedsgericht beleid houdt ook in dat onderscheid wordt gemaakt tussen gebieden met een groot en met een minder groot gemeenschappelijk belang. Dit belang ligt bijna altijd in de cultuurhistorische eigenschappen en waarden. Gebieden met een groot gemeenschappelijk belang zijn in deze nota aangewezen als “aandachtsgebied cultuurhistorie”. Het overige gebied wordt in het welstandsbeleid “beheergebied” genoemd.
17
Gebieden die (her)ontwikkeld worden vergen tijdelijk eveneens een hogere aandacht. Dit zijn de “ontwikkelingsgebieden”. Voor ontwikkelingsgebieden wordt bijna altijd gewerkt met een beeldkwaliteitplan, dat de welstandscriteria voor bebouwing in dat gebied bevat.
Ruimtelijke identiteit De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en eigen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouwplannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en elementen en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces.
Ensembles De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed ensemble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuur- en tijdgebonden. Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19e eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd.
18
Samenhang Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen.
Belang voor de gemeenschap Sommige gebieden hebben een groter belang voor de gemeenschap dan andere. De dorpskern zal door de inwoners van een dorp meer als een gemeenschappelijk gebied worden ervaren dan de na-oorlogse uitbreidingswijken. De (cultuurhistorische) waarden in deze gebieden zijn niet alleen groter, maar dragen ook bij aan de gemeenschappelijke identiteit en daarmee aan het woongenot van alle inwoners. Voor deze gebieden is het logisch dat de gemeente een actief beleid voert m.b.t. borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit. De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal bebouwingskenmerken zoals Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); Of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); Of er sprake is van kenmerkend kleur- en materiaalgebruik en van specifieke details.
19
2.3.2 Gebiedsanalyse
Kenmerkende gebieden Gebiedsgericht betekent maatwerk voor een specifieke situatie. Helvoirt maakt deel uit van de Brabantse Meierij. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw met een duidelijke begrenzing. Binnen de Brabantse Meierij bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit. Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor Helvoirt (gemeente Vught) een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel B, hoofdstuk 5. Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht.
20
Functioneel Ontstaanswijze Ruimtelijke verschijningsvorm
Centrum gebieden
Gemengde gebieden
Planmatig ontworpen centrumgebieden (W,A)
Historische gegroeide gebieden (H)
historisch stedelijke bebouwing H1.1, H1.2, H1.3
historische linten HX.1 dorps HX.2 uitloper HX.3 landelijk
Woongebieden
Planmatig ontworpen woongebieden (W,A)
Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen
Planmatig ontworpen gebieden (B2 t/mB4)
Historische gegroeide gebieden (B1)
W1.1 vooroorlogse woongebieden W1.2 woongebieden in stroken- en blokverkaveling W1.3 woonerven
W2 Individuele bebouwing
Groengebieden en buitengebied
B2 met kenmerkende architectuur
W1.4 woongebieden eind 20e eeuw
B3 met weinig tot geen kenmerkende architectuur B4 werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen
Architectuurkenmerken
Sterke architectonische ensemblewaarde (A) B2.1 Functionalisme A1 Neo-stijlen
A5 Functionalisme
A2 Rationalisme
A6 Forumbeweging
A3 Expressionisme
A7 Structuralisme
A4 Traditionalisme
A8 Modernisme
B2.2 Traditionalisme B2.3 Structuralisme B2.4 Modernisme
21
Historische gegroeide gebieden (G1)
Overige gebieden (G2 t/m G6)
Buitengebied Landschapstypologie G6
G2 parken en begraafplaatsen G3 sportterreinen en recreatiegebieden G4 grootschalige bebouwingscomplexen G5 recreatieparken en vakantiewoningen
Functioneel Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Voor welstand is met name het type bouwwerk en de typen verbouwingen van belang wanneer gebiedsgerichte criteria opgesteld worden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan- en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van voorgaand schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden: Centrumgebieden (H-gebieden); Gemengde gebieden (H-gebieden); Woongebieden (W gebieden); Werkgebieden (B-gebieden); Groengebieden en buitengebied (G-gebieden).
Ontstaanswijze In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: beekdalnederzettingen, uitlopers, straatdorplinten, historische en jonge bebouwingslinten en buurtschappen en gehuchten (H-gebieden). Ook werk- en groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij bijvoorbeeld landgoederen. Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken, planmatig aangelegde (centrum)gebieden (W-gebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B3) en sport- en recreatiecomplexen (G2 t/m G5) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie.
22
Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van Helvoirt is ingedeeld naar landschapstype (G6-gebieden): dekzandrug, beekdal, dekzandvlakte en land- en stuifduin.
Ruimtelijke verschijningsvorm Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kern van Helvoirt is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur zoals bij de linten op de mate van verdichting (dorpscentrum (H1.1-gebieden) en uitlopers (H1.2-gebieden). Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon- en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. De woongebieden en gemengde gebieden zijn allereerst ingedeeld naar hoofdverschijningsvorm: seriematig (W1-gebieden) of individueel (W2-gebieden), en vervolgens naar stedenbouwkundige hoofdstromingen: Woongebieden en gemengde gebieden in stroken- en blokverkaveling (W1.2-gebieden); Woonerven (W1.3-gebieden); Woongebieden en gemengde gebieden eind 20e eeuw (W1.4-gebieden); Woongebieden met voornamelijk individuele bouw (W2-gebieden). Werkgebieden zijn als volgt naar ruimtelijke verschijningsvorm ingedeeld: Bedrijventerreinen (B3-gebieden); Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden: Begraafplaatsen (G2-gebieden); Sportterreinen en recreatiegebieden (G3-gebieden); Grootschalige bebouwingscomplexen (G4-gebieden); Recreatieparken en vakantiewoningen (G5-gebieden);
23
2.3.3 Beleidsgebieden
De welstandsnota kent drie verschillende beleidsgebieden: Beheergebied Aandachtsgebieden cultuurhistorie Ontwikkelingsgebieden Het beheergebied beslaat het grootste deel van het grondgebied. In het beheergebied wordt een zgn. passief welstandsbeleid gehanteerd: de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit ligt bij de aanvrager. Voor plannen van enige omvang in het beheergebied wordt de aanvrager dan ook gevraagd een planverantwoording op te stellen. In het beheergebied zal het grootste deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld, m.b.v. de objectcriteria, de gebiedscriteria en de planverantwoording. De aandachtsgebieden cultuurhistorie zijn waardevolle gebieden met een publiek belang (zoals de kern van Helvoirt) die vragen om een actief welstandsbeleid van de gemeente. Toetsing op redelijke eisen van welstand wordt standaard door een welstandscommissie gedaan. De ontwikkelingsgebieden zijn gebieden die (her)ontwikkeld worden, en waarvoor een nieuw of aangepast bestemmingsplan of Wabo-projectbesluit noodzakelijk is. In ontwikkelingsgebieden wordt gewerkt met een beeldkwaliteitplan (bkp). In deze gebieden is dus sprake van (tijdelijk) hogere aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit dan in beheergebieden. De beeldkwaliteiteisen zijn vaak wat concreter en uitgebreider dan gebiedsgerichte criteria. De toetsing aan het bkp vindt in principe ambtelijk plaats.
Bij twijfel of conflict wordt het plan aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie voorgelegd.
Motivering keuze welstandsbeleidsgebieden Helvoirt, gemeente Vught In deel B zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn.
24
In het algemeen geldt dat de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, bepaalt of een gebied als aandachtsgebied cultuurhistorie is aangewezen. Voor een aantal (gevoelige) gebieden voert de gemeente Vught, deelgebied Helvoirt, een actief welstandsbeleid om een zekere ‘beeldconservering’ van deze gebieden te waarborgen: het huidige beeld mag niet verloren gaan, ook niet door kleinere bouwopgaven. Daarom is het dorpscentrum van Helvoirt aangewezen als aandachtsgebied. In het dorpscentra van Helvoirt is de historische ruimtelijkstedenbouwkundige opzet en historische bouwkunst en architectuur goed bewaard gebleven. Naast het dorpscentrum van Helvoirt is ervoor gekozen om ook het lint aan de Torenstraat in Helvoirt aan de aandachtsgebieden toe te voegen. Aan dit lint zijn meerdere rijks- en gemeentemonumenten of panden van cultuurhistorisch belang gelegen. Bovendien wordt het lint begeleid door een monumentale bomenrij. In het buitengebied van Helvoirt komen diverse bijzondere historische plaatsen voor. Met bijzondere historische plaatsen wordt bedoeld (deels) bebouwde plaatsen die identiteit ontlenen aan een van tevoren bedachte functie, bijvoorbeeld een klooster, een landgoed of een instituut. Deze plaatsen spelen een rol bij de oriëntatie van het landschap.
Het gaat hier bijvoorbeeld over landgoed Zwijnsbergen. Vanwege de hoge historische waarde en de ligging in het buitengebied zijn de bijzondere historische plaatsen ook als aandachtsgebied aangewezen. Tot slot zijn nog enkele buurtschappen en veldlinten als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de historische waarde die de bebouwing in deze gebieden heeft, conform de cultuurhistorische waardekaart. In deze gebieden is de concentratie monumenten en waardevolle panden meestal erg hoog.
25
Geen welstandsvrije gebieden De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In Helvoirt zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota is gericht op de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. De gemeente Vught vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden in Helvoirt geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen.
26
2.4 Objectgericht welstandsbeleid Naast het gebiedgerichte beleid zoals hierboven beschreven, is voor een aantal categorieën bouwwerken ook objectgericht beleid geformuleerd. Dit beleid is vervat in de objectcriteria, (hoofdstuk 9)
2.4.1 Voor- en achterkant benadering Eén van de uitgangspunten van welstandsbeleid is de zogenaamde voor- en achterkant benadering. Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is de kwaliteit van het bouwen aan de voorkant in het algemeen belangrijker dan het bouwen aan de achterkant. Deze benadering ligt ten grondslag aan de bepalingen in het BOR t.a.v. vergunningvrij bouwen (art. 2) en “welstandsvrij” bouwen (art. 3). Aan de voor- en zijkant mag er minder snel vergunningvrij gebouwd worden dan aan de achterkant van de woning. Het erf om de woning is in het kader van het vergunningvrij bouwen ingedeeld in voorerfgebied en achtererfgebied. Afhankelijk van de specifieke situatie behoort grond naast de zijgevel van een woning tot het voorerfgebied of tot het achtererfgebied. Het achtererfgebied begint 1 meter achter de voorgevel van de woning. Erf dat naast de woning ligt en direct aan het openbaar toegankelijk gebied grenst is geen achtererfgebied. Openbaar toegankelijk gebied is onder andere: wegen, pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en dergelijke. Fiets- en voetpaden die niet worden gebruikt voor doorgaand verkeer, vallen niet onder het openbaar toegankelijk gebied.
2.4.2 Objectcriteria Voor specifieke categorieën bouwwerken, veel voorkomende verbouwingen en gebouwen, heeft de gemeente zodanig concrete criteria opgesteld dat een groot deel van deze aanvragen ambtelijk kan worden afgedaan. De criteria zijn onderverdeeld in een “altijd-goed-kader” en een “afwegingskader”. De criteria in het altijd-goedkader zijn meetbaar en verifieerbaar, en vaak kwantitatief van aard, de criteria in het afwegingskader vragen, zoals de naam al zegt, een afweging van de toetser, en zijn vooral kwalitatief van aard. Wanneer een plan niet in het altijd-goed-kader past wordt het aan de criteria in het afwegingskader getoetst. In geval van twijfel
27
bestaat de mogelijkheid een plan voor te leggen aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie.
28
3. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1 Inleiding De essentie van het welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en ander beleid en andersom. De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbeleid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied. Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor ander gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden.
29
DEELGEBIED
BESCHRIJVEN KARAKTERISTIEK DEELGEBIED
Benoemen van het gewenste beleid Functie Bebouwing Ruimtelijke kwaliteit Verkeer en parkeren Openbare ruimte Groen
Criteria welstandstoets
Regelgeving Maatregelen Inrichtingskaders bestemmingspla verkeersnota openbare ruimte n In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden.
3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband Het handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het
30
creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden. Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Waar voorheen de rijksoverheid de grote lijnen uitzette, met Nota’s ruimtelijke Ordening en Architectuurnota’s, is de borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit de laatste jaren steeds meer naar de lagere overheden verschoven. De provincie heeft In haar structuurvisie en Verordening Ruimte kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling en richtlijnen voor ruimtelijke kwaliteit gesteld. Gemeenten zijn verplicht hun eigen structuurvisie op te stellen, die de kaders voor de bestemmingsplannen vormt. Ook voor het welstandsbeleid zijn deze structuurvisies kaderstellend.
3.3 Welstand en het bestemmingsplan Het welstandsbeleid biedt een kader voor de toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel niet-ruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk- vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor niet-ruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok- en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan. Een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan.
Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota dat leidt tot tegenstrijdige eisen, blijven bij
31
toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen de welstandscriteria buiten toepassing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’.
3.4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan De welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon- en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads- en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitplan worden opgesteld. Deze beeldkwaliteitplannen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied. Dat deel van het beeldkwaliteitplan, dat betrekking heeft op het bouwen, welstandstoetsing bij vergunningaanvragen.
kan als basis dienen voor
Indien er reeds een beeldkwaliteitplan voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient dit plan tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitplan tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitplan te verwijzen vormt dit plan juridisch een onderdeel van de welstandsnota. Beeldkwaliteitplannen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitplan kan dan vervallen. De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitplan vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitplan een verdere concretisering van het beleid
32
inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd. Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitplan bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitplan slechts een beperkte status.
3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid De openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Bebouwing waarover welstand in het geval van aanpassingen en veranderingen een woordje meepraat om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een vergunning voor de activiteit bouwen vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen.
33
Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden: Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. Anderzijds kan men bij het opstellen van inrichtingsplannen, waar voorheen de uitvoering en het beheer geschiedde door de gemeentelijke diensten, de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.
34
3.6
Welstand en Erfgoedbeleid
3.6.1 Inleiding
Noodzaak tot bescherming van monumenten Historische gebouwen, objecten en landschappen laten ons zien hoe voorgaande generaties woonden, werkten en leefden. Ze bepalen in belangrijke mate het 'eigen gezicht' van een straat, buurt, dorp, stad of landschap. Dit eigen gezicht wordt steeds meer gewaardeerd en gezien als ruimtelijke kwaliteit van een eigen gebied. Een monument kan behoudenswaardig zijn vanwege: esthetische, educatieve, economische en inspiratieve waarde(n).
Modernisering Monumentenzorg / Erfgoedwet 2016 Met ingang van 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Dit is gebaseerd op 3 pijlers: monumentenzorg integreren in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging van regelgeving m.b.t. vergunningen en subsidies, en herbestemming van cultuurhistorische complexen. De eerste pijler is vooral van belang voor de integratie met welstandszorg. De eerste pijler geeft aan dat het objectgerichte karakter wordt verbreed tot een gebiedsgerichte benadering, geïntegreerd in beleid dat is gericht op ruimtelijke ordening. Het doel is dat het nieuwe monumentenbeleid beter gaat inspelen op de kwaliteit van de omgeving. Hiermee zal meer samenhang komen tussen ruimtelijke ordening en monumentenzorg, zodat de cultuurhistorische kwaliteit beter tot zijn recht komt. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden.
De intrinsieke en gebiedskwaliteiten worden vastgelegd in beeldkwaliteitplan cq. welstandsnota met criteria. In 2016 is eveneens de Erfgoedwet in werking getreden, deze wet heeft alle bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland gebundeld.
35
Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Erfgoedwet (2016) en in de gemeentelijke Erfgoedverordening. De Erfgoedwet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen, te verwaarlozen of te vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(n) als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de gemeente. Vooral het overhevelen van het vergunningstelsel geeft gemeenten een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van rijksmonumenten.
Als de wijzigingen ingrijpend zijn dan zal zowel de monumentencommissie, de RCE en als het object in het buitengebied is gelegen, ook de provincie hierover een advies geven aan het college. Het college maakt de belangenafweging en onderbouwt het besluit. De vergunning voor ingrijpende wijzigingen wordt via een zogenaamde UOV-procedure afgerond. Deze procedure duurt max. 26 weken. De vergunning voor alle andere wijzigingen dienen binnen 8 weken (Wabo) te worden verstrekt. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. De verantwoordelijke staatssecretaris en/of minister hebben daartoe bevoegdheid. De gemeenteraad, provincie en raad van Cultuur adviseren de minister hierover. De bescherming van dorpsgezichten vindt plaats via het opstellen van een beschermend bestemmingsplan en heeft primair betrekking op het respecteren van de lokale waarden en beeldkarakteristiek. Het opstellen van een aangepast bestemmingsplan voor een beschermd stads- en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met alle betrokken partijen. Op dit moment bezit Helvoirt geen beschermd dorpsgezicht.
36
Gemeentelijke monumenten Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten is een gemeentelijke beleidsvrijheid. Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(n) en het object zelf. Op grond van de Erfgoedverordening moet er door de eigenaar een monumentenvergunning worden aangevraagd. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Erfgoedwet. Ten slotte kan de gemeenteraad ook een historische kern als een beschermd dorpsgezicht van gemeentewege aanwijzen. In Helvoirt is geen beschermd dorpsgezicht aangewezen, maar er is wel een historisch waardevolle kern aanwezig, net zoals een aantal waardevolle buurtschappen.
3.6.2 Monumenten op de monumentenlijst Het aan- en verbouwen van het monument op zich is dus geregeld in de Erfgoedverordening en Erfgoedwet. Echter, de gebouwen in de directe omgeving van een monument vallen hier niet onder, terwijl zij wel liggen binnen de beeldinvloedssfeer van dat monument. In het kader van welstand is het wenselijk bij (aan- of ver)bouwen van de belendende panden extra aandacht aan de vormgeving te besteden, zodat het pand de beeldruimte rondom het monument respecteert. Naast de reden waarom bepaalde gebieden, gebouwen en objecten, niet-zijnde gebouwen, als monument zijn aangewezen, bestaat er een verschil in voorkomen en omvang van monumenten. Er zijn solitair gelegen monumenten, die als los element in een landelijke of stedelijke omgeving zijn gelegen. De omgeving van en de ruimte rondom het monument kan belangrijk zijn voor de zeggingskracht van zo'n solitair monument. Er bestaan ook monumenten die in een meer of minder gesloten straatwand gelegen zijn, waarbij het monument past binnen het overwegende straatbeeld en de waarde bepaald wordt door de gaafheid of uniciteit van dat ene pand of dat ene ensemble. Daarnaast bestaan er historisch waardevolle dorpsgezichten, waarbij het geheel, de compositie, van gebouwen en objecten een bijzondere eigenschap bezit.
Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten is de redengevende beschrijving van het monument de basis voor toetsing aan de welstandscriteria. Daarnaast zijn de algemene criteria van toepassing. Bouwplannen op,
37
aan of nabij monumenten worden altijd aan de commissie voorgelegd. Zie de monumentenlijst van Vught voor alle rijks- en gemeentelijke monumenten. 3.6.3 archeologie Binnen de dynamiek van ontwikkelen en bouwen is het van belang archeologische elementen te conserveren en waar mogelijk te accentueren en geloofwaardig in te passen. Ontwikkelingen behoren immers een plaats te krijgen in, en niet in plaats te komen van het cultuurlandschap. Wanneer behoud "in situ" niet mogelijk is, kunnen de archeologische sporen in de ondergrond eventueel door opgraving veilig worden gesteld, zodat zij "ex situ" nog bijdragen aan het verborgen verhaal. Voor de bouwopgave betekent dit dat met name gestuurd moet worden op: De situering van het bouwwerk in relatie tot de aanwezige archeologische waarde. De oriëntatie van het bouwwerk, met name in relatie tot de effecten op de situering van op- en inritten, parkeerruimten e.d.
3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten • Erfgoedwet en gemeentelijke Erfgoedverordening: aanwijzingsbevoegdheid, toetsingsprocedure (ver)bouwen monumenten, Provinciale structuurvisie; • Stedenbouwkundige (Master-)plannen: stedenbouwkundig beeld; • Bestemmingsplan: uitwerking van de Masterplannen, vastleggen bouwmassa, oriëntatie van de gebouwen en doorzichten; • Structuurvisie: uitwerking van de visie en structuren op gebied van het erfgoed. • Beleidsplan openbare ruimte: richting geven aan de inrichting van de openbare ruimte nabij monumenten. • Landschapsbeleidsplan; de uitwerking van fysisch en historisch landschap, groenelementen in relatie tot gebouwd erfgoed. • Toerisme en economie: uitwerking van de combinatie van erfgoed, de verhalen (stones&stories) en toeristisch economische sector. Hierin kan worden berekend wat de economische opbrengsten zijn vanuit toeristische sector voor erfgoed. • Malta-wetgeving, waarbij het principe geldt: de verstoorder(opdrachtgever) betaalt. • Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER), voor grootschaliger projecten, waarbij integrale randvoorwaarden worden opgesteld voor behoud en inpassing van o.a. cultuurhistorische waarden in de plannen.
38
• •
Ontgrondingsvergunning (archeologie) , voor uitgraven van bodems. Peilbesluiten (archeologie), voor veranderingen van het grondwaterpeil.
3.7 Welstand en reclamebeleid Reclame-uitingen aan of op gevels en andere reclameobjecten in de leefomgeving zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze al snel als visueel storend worden ervaren. Voor plaatsing van reclameobjecten is dan ook in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig. De reclamecriteria hebben betrekking op reclameobjecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig is. Er moet dus sprake zijn van bouwen in de zin van de wet. Is daarvan geen sprake dan is slechts de excessenregeling (hoofdstuk 10) van toepassing. Desondanks zijn de reclamecriteria ook te gebruiken als richtlijn voor evenwichtige vergunningvrije reclametoepassing. Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op het gebouw en de omgeving. In de objectcriteria (Deel C hoofdstuk 9) zijn ook de criteria voor reclame-uitingen opgenomen. Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten: de vormgeving van de reclame. De functionele relatie met het gebouw waarop of waarbij deze wordt aangebracht.
39
40
DEEL B - PROCEDURE
41
42
4. ORGANISATIE VAN WELSTAND 4.1 toetsingsprocedure 4.1.1 planverantwoording De gemeente Vught heeft de betrokkenheid van haar burgers bij de kwaliteit van de eigen woonomgeving hoog in het vaandel staan. De verantwoordelijkheid voor naleving van de wettelijke bepalingen ligt bij de burger. De burger zal zich dan ook moeten kunnen verantwoorden voor zijn bouwactiviteiten. Daarom worden aanvragers van bouwplannen gevraagd een planverantwoording te maken. Is een plan voorzien van een deugdelijke planverantwoording, dan zal het plan niet meer worden getoetst door de welstandscommissie. Hierop gelden de volgende uitzonderingen: In ontwikkelingsgebieden worden alle plannen alleen aan de commissie voorgelegd wanneer er geen deugdelijke planverantwoording is bijgevoegd, op verzoek van de aanvrager of wanneer de gemeente twijfels heeft over de toepassing van de beeldkwaliteitseisen. In de aandachtsgebieden cultuurhistorie worden plannen in principe wel ter advisering aan de commissie voorgelegd, tenzij het plan op basis van de objectcriteria kan worden afgehandeld. Plannen voor monumenten (perceelsniveau) worden altijd aan de commissie voorgelegd.
Een deugdelijke planverantwoording geeft antwoord op de volgende vragen: voldoet het plan aan het bestemmingsplan wat betreft plaatsing en afmetingen? Indien gebruik wordt gemaakt van binnenplanse ontheffingen of de kruimelgevallen: op welke wijze draagt dit bij aan de inpassing in de omgeving? Hoe is het plan in de omgeving ingepast t.a.v. plaatsing, afmetingen, stijl, karakter, compositie, materiaal en kleur? Wijkt het plan af van de criteria in de welstandsnota, en zo ja: waarom? Op welke manier draagt het plan in dat geval bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving?
43
Het plan wordt voorgelegd aan de welstandscommissie als: 1. Het plan in een aandachtsgebied cultuurhistorie ligt; en/of 2. Het plan van de criteria in de welstandsnota afwijkt en de gemeente twijfelt aan de planverantwoording, of 3. De ontwerper/aanvrager niet tot overeenstemming komt met de toetsende ambtenaar of de aanvrager uitdrukkelijk om een advies van de commissie verzoekt, of 4. Er geen planverantwoording is bijgevoegd. Als een project(afwijkings)besluit nodig is voor het bouwen en de gemeente overweegt medewerking te verlenen, zal zij meestal ook het advies van de commissie inwinnen.
4.1.2 procedure In onderstaand schema is aangegeven op welke wijze er getoetst wordt en welke criteria van toepassing zijn bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Vergunningvrije bouwwerken of vergunningvrije wijzigingen aan bouwwerken worden niet getoetst aan redelijke eisen van welstand, tenzij de aanvrager daar om vraagt (preventieve toets) of indien sprake is van een mogelijk exces (repressieve toets). In deze gevallen toetst de commissie aan ernstige strijd met redelijke eisen van welstand, op basis van de excessenregeling, hoofdstuk 10 van deze nota.
44
45
4.2 De welstandscommissie Regels met betrekking tot de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie zijn in de verordening Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed opgenomen. Voor informatie hierover wordt u verwezen naar de verordening en de toelichting hierop. .
4.3 De gemeentelijke organisatie 4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol.