Bijlage - Toelichting regels en bijlagen bij regels
Tekst van het document
Adres
Bestemming
Richtafstand (m)
Daadwerkelijke afstand (m)
Speelparadijs
Duinoordseweg 8,
Gemengd
50
180
‘Duinoord’
Helvoirt
Camping ‘Distelloo’
Margrietweg 1,
Recreatie
50
730
Helvoirt
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
27
Asperge kwekerij ‘De
Margrietweg 2,
Agrarisch met
Margriet’
Helvoirt
waarden – Land-
30
480
30
800
schapswaarden 2 Boomkwekerij ‘De
Hoef ten Halve 4,
Agrarisch met
Bosrand’
Helvoirt
waarden – landschapswaarden 2
Bedrijven Alle woningen in het buurtschap liggen buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven uitgaande van een rustige woonwijk/ buitengebied. Hieronder gaan we specifiek in op het Speelparadijs Duinoord. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren, correctieve herziening’ is in tabel horeca behorende bij artikel 14.3.1 het bedrijf Duinoord geschrapt uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’. Dit betekent dat hier niet het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’ geldend is, maar het daarvoor vastgestelde bestemmingsplan ‘Duinoord’. Volgen artikel 3.1. van dit bestemmingsplan zijn de gronden conform de bestemming ‘Gemengd’ bestemd voor de volgende bedrijfsactiviteiten: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie, waaronder begrepen een speelhal; b. horeca tot categorie 1; c. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2', horeca tot en met categorie 2; d. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 4', horeca tot en met categorie 4; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - terras & midgetgolf', tevens voor terras en midgetgolf; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - opslag & introductie', uitsluitend voor de stalling van paarden, opslag van materialen, sanitaire voorzieningen en een introductieruimte ten behoeve van de recreatieve voorzieningen.
Hoofdstuk 4
28
Deze activiteiten kunnen vertaald worden naar de volgende richtafstanden:
De grootste richtafstand is 50 meter (in een rustige woonwijk). De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning in het plangebied en de bestemming ‘Gemengd’ bedraagt circa 180 meter. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het buurtschap en wordt aan de andere kant Duinoord niet beperkt in haar gebruiksactiviteiten. Veehouderijen Adres
Type veehouderij
Richtafstand (m; op basis van
Daadwerkelijke afstand
VNG-brochure ‘Bedrijven en
(m)
Milieuzonering’ Nieuwkuikseweg 6, Helvoirt
Paarden
50
300
Nieuwkuikseweg 7, Helvoirt
Vleesvee
100
470
Nieuwkuikseweg 13a,
Melkrundvee
100
670
Nieuwkuikseweg 26, Helvoirt
Paarden
50
700
Distelberg 9, Helvoirt
Paarden
50
280
Helvoirt
Hoofdstuk 4
29
Distelberg 13, Helvoirt
Paarden
50
310
Hoef ten Halve 2a, Helvoirt
Melkrundvee
100
710
Margrietweg 5, Helvoirt
Melkrundvee
100
1.010
Duinoordseweg 26, Helvoirt
Melkrundvee
100
310
Alle veehouderijen liggen op grotere afstand dan de richtafstand uit de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt net voor belemmeringen voor de wijziging van dit bestemmingsplan.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek Bij de ontwikkeling van woningen is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstand van veehouderijen in de omgeving.
De achtergrondwaarden ten aanzien van geur zijn via de kaart van de omgevingsdienst met hierop de geursituatie in Noord-Brabant bepaald (zie figuur 4.2). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht.
Hoofdstuk 4
30
Figuur 4.2 Achtergrondbelasting geur (Bron: Omgevingsdienst)
4.5.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘Geur’.
4.6 Kabels en leidingen In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.
Hoofdstuk 4
31
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek De eventuele risicobronnen rondom het plangebied zijn in kaart gebracht met behulp van de risicokaart (welke is geïntegreerd in de Atlasleefomgeving). Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het projectgebied is in figuur 4.3 weergegeven. Inrichtingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied of de risicocontour van een risicovolle inrichting. Transportroutes (weg, water en spoort) Op circa 3.1 kilometer ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Tilburg – ’s-Hertogenbosch. Over deze spoorlijn vindt vervoer van brandbaar en toxisch gas en (zeer) brandbare en toxische vloeistoffen plaats. Vanwege het transport van zeer toxische vloeistoffen (D4) heeft de spoorlijn een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich hierin. De spoorlijn dient te worden opgenomen in een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Op circa 875 meter ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding (Z-515-01) gelegen. Deze aardgasleiding heeft een 100%-letaliteitsafstand van 90 meter en een 1%-letaliteitsafstand van 170 meter. Het plangebied valt hier buiten.
Hoofdstuk 4
32
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omcirkeld)
4.7.3 Beknopte verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg - 's-Hertogenbosch. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobron dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Veiligheidsregio Voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor en de wegen, maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, geldt dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het groepsrisico. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. Binnenplans zou enkel nog aandacht kunnen worden besteed aan beheersbaarheidmaatregelen om de gevolgen van een toxisch scenario tegen te gaan, zoals mechanische afsluiting van gebouwen. In overleg met de regionale brandweer/Veiligheidsregio kunnen deze aspecten nader worden beschouwd.
Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.
Hoofdstuk 4
33
Het plangebied ligt alleen binnen effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans daarop is klein. Mocht het toch gebeuren dan is binnen schuilen de beste zelfredzame strategie. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen in voldoende mate zelfredzaam zullen zijn om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid verder te verbeteren, zoals het toepassen van risicocommunicatie en het verbeteren van de ontvluchtbaarheid, zodat van de risicobron af gevlucht kan worden. Er zijn in dit geval per gebouw meerdere vluchtroutes mogelijk door de ligging in het bos, met weinig obstructies om in alle richtingen te vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt al met al voldoende geacht. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de mogelijkheden tot bestrijding bij de bron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. 4.7.4 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘externe veiligheid’.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura
Hoofdstuk 4
34
2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Quickscan flora en fauna Er is door BRO een Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
35
Het doel van dit plan is om permanent wonen juridisch mogelijk te maken in al bestaande woningen, die voor een groot gedeelte al permanent bewoond worden. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, aangezien de concrete werkzaamheden door de bestemmingsplanwijziging zich beperken tot het aanplanten van struweel. Alleen wordt geadviseerd om onderzoek te doen naar stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. 4.8.3 Onderzoek stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel bevindt zich het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied aangrenzend aan het plangebied, namelijk het gebied “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”. Het plan voorziet in de wijziging van 36 recreatiewoningen in permanente woningen. Planologisch is bepaald dat burgerwoningen een grotere verkeersgeneratie hebben dan recreatiewoningen. Onderzocht moet worden of de stikstofdepositie daardoor toeneemt. Op basis daarvan is een aanvullend verkeersonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.1.1.) waarbij de huidige en nieuwe situatie ten aanzien van de woningen op het terrein is beschreven. Uit dit onderzoek blijkt dat slechts sprake is van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.
Op basis van dit onderzoek is een Aeriusberekening uitgevoerd. Uit de Aeriusberekening volgen geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het plan leidt niet tot significante nadelige gevolgen voor de nabij gelegen Natura 2000 gebieden. 4.8.4 Conclusie Het doel van dit plan is om permanent wonen juridisch mogelijk te maken in al bestaande woningen, die voor een groot gedeelte al permanent bewoond worden. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan dit in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
36
4.9.2 Onderzoek In het plangebied worden bestaande recreatiewoningen omgezet naar reguliere woningen. In het plangebied is een recreatieve verblijfsfunctie al toegestaan en wordt deze ook al uitgeoefend. Dit maakt het in de huidige situatie al mogelijk dat personen zich voor meer dan 2 uur per etmaal in het gebied bevinden. Dit is inherent aan locaties waar recreatiewoningen zijn toegestaan. Feitelijk wordt er op veel plekken permanent bewoond. Op basis van het huidige gebruik en de geldende planologische mogelijkheden in het plangebied kan hierdoor ervan uit worden gegaan dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling qua bodem. Indien in de toekomst sloop- en nieuwbouw plaatsvindt ten behoeve van reguliere woningen, zal in het kader van de vergunningsaanvraag een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij voorgenomen ontwikkeling van de transformatie van een recreatiewoning naar een reguliere woning is dit niet noodzakelijk. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem levert geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.
Juist de voor Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet
Hoofdstuk 4
37
sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewater-systeem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Gemeentelijke Rioleringsplan 2018-2023 Het gemeentelijk water en rioleringsbeleid is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2018 2023. Dit heeft de gemeenteraad op 5 oktober 2017 vastgesteld. Daarnaast beschikt de gemeente ook over een aantal verordeningen: de verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing, de aansluitverordening en de hemelwaterverordening. Hierin zijn de nieuwe regels vastgelegd. In het Gemeentelijk Rioleringsplan is in ieder geval de voorkeurs-volgorde voor riolering opgenomen. 4.10.2 Doorwerking plangebied Grondwater Het plangebied is gelegen op circa 5,67 m – 6,70 m +NAP.
Voor het plangebied kan worden gesteld dat de locatie gelegen is in een gebied waarvoor een matige/goede infiltratiemogelijkheid verwacht wordt. De grondwaterstand ter plaatse varieert tussen de 2,8 m +NAP en 4,7 m +NAP. Voor zover bekend bevindt zich op en in de directe omgeving van het plangebied geen (geval van een) ernstige grondwaterverontreiniging. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren welke opgenomen zijn in de leggerkaart van het Waterschap De Dommel.
Hoofdstuk 4
38
De meest nabijgelegen B-watergang bevindt zich ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de weg de Distelberg. De meest nabijgelegen A-watergang bevindt zich op circa 230 meter ten noorden en circa 250 meter ten westen van het plangebied. In de A-watergangen zijn enkele waterstaatswerken gelegen in de omgeving van het plangebied. Hemelwater Ten aanzien van de zorgplicht voor regenwater is in het rioleringsplan aangegeven dat de perceeleigenaar primair zelf verantwoordelijk is voor de verwerking van hemelwater op zijn/haar terrein. Zoals hiervoor eerder is behandeld, maken de waterschappen in de Keur bij het stellen van eisen onderscheid tussen situaties waarbij de verharding al dan niet meer dan 500 m² toeneemt. Daar waar mogelijk en doelmatig moet minimaal 15 mm waterberging worden gemaakt ten opzichte van het totale verharde oppervlak. Gemeente Vught maakt dit onderscheid niet.
De zorg voor het verwerken van schoon hemelwater rust op de perceeleigenaar: Als het een perceel in het buitengebied betreft; Als op het perceel terreinverharding wordt aangebracht of aangepast en het mogelijk is het regenwater van de verharding en dakoppervlak, te infiltreren: via de verharding of; via aan te brengen of aan te passen groenzones rond de verharding; Als er geen openbaar hemelwaterriool aanwezig is, én: het perceel direct aan oppervlaktewater grenst; óf het perceel goede infiltratiemogelijkheden heeft én het perceel groter is dan 400 m². In dergelijke gevallen kan de perceeleigenaar het hemelwater zelf verwerken. Dit bestemmingsplan is uitsluitend gericht op het omzetten van een recreatieve bestemming naar een bestemming waarbinnen permanent gewoond mag worden. In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat het een buurtschap blijft met kleinschalige woningen. Ook is geregeld dat de bestaande wegen niet verhard mogen worden. Momenteel wordt het hemelwater of geïnfiltreerd in de grond of gebruikt als grijswater. Hierin verandert niets. Afvalwater Binnen het plangebied is een drukriool aanwezig, waar het afvalwater op wordt geloosd. 4.10.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019
Hoofdstuk 4
39
van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Op 19 mei 2022 heeft de Gemeenteraad van Vught het beleidskader archeologie 2022 vastgesteld. Het beleidskader omvat archeologische verwachtings- en beleidskaarten en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologisch onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende onderliggende bestemmingsplannen. Op 6 april 2023 heeft de gemeenteraad het paraplubestemmingsplan Archeologie vastgesteld, waarin de planologisch juridische borging is geregeld. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied ligt volgen het paraplubestemmingsplan Archeologie grotendeels in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5) .
Aan de oostelijke rand van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting (dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4). Er zijn normen opgenomen, die bepalen of archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op gronden met een hoge archeologische waarde is onderzoek verplicht bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² en bij een bodemverstoring dieper dan 0,3 m onder maaiveld. Op gronden met een middelhoge archeologische waarde is onderzoek verplicht bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m² en bij een bodemverstoring dieper dan 0,3 m onder maaiveld. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het omzetten van een recreatieve bestemming (met verblijfsrecreatie) naar de bestemmingen ‘Wonen – Woonbos’ en ‘Bos’, waar permanent wonen wordt toegestaan. Er zullen naar verwachting geen bodemingrepen plaatsvinden. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. In de toekomst kunnen natuurlijk wel bodemingrepen uitgevoerd worden. Door het opnemen van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ is geborgd dat dan eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd. 4.11.3 Conclusie Het aspect archeologie zorgt voor geen belemmering met het planvoornemen.
Hoofdstuk 4
40
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is in lijn met het beleid van de provincie gericht op behouden en versterken van cultuurhistorische waarden in het gebied.
Volgens de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) zijn de lijnstructuren rondom het projectgebied als waardevol beschouwd (zie ook figuur 3.4). De lijnstructuren worden niet aangetast. De voorgenomen ontwikkelingen zorgen juist voor een behoud en versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van dit gebied.
Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant)
Hoofdstuk 4
41
De bestaande waardevolle landschappelijke kwaliteiten blijven gehandhaafd en worden aangevuld met passende elementen die dienen als basis voor het landschapsontwerp. De bestaande kwaliteiten zijn bijvoorbeeld monumentale eiken op de perceelsgrenzen, landelijke halfverharde brede wegen en veel groen in de vorm van bosschages. 4.12.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘cultuurhistorie’.
4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Plan m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Er is geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit zoals opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is geen m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
42
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om permanente bewoning in het buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan mogelijk te maken. De regels zijn daarnaast afgestemd op het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vught 2022’’, dat op 21 juli 2022 is vastgesteld. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Vught nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.
Hoofdstuk 5
43
Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.
Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels opgenomen over bestaande bebouwing, ondergeschikte bouwdelen, bestaande afstanden en andere maten en over ondergronds bouwen. Ook bevat het betreffende artikel een nadere eisenregeling en een 10% regeling (afwijken). algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Verder bevat het betreffende artikel een afwijkingsbevoegdheid voor aan huis gebonden beroep en/of bedrijf en een regeling over de mogelijkheden van kamerverhuur. algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen.
Het gaat om de volgende aanduidingen: attentiezone waterhuishouding, Natuur Netwerk Brabant, te verwijderen Natuur Netwerk Brabant, struweelzone, beperkingen veehouderij, groenblauwe mantel en stalderingsgebied. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 5
44
algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: er is 1 overige regel opgenomen. Het is de bepaling, dat maximaal 40% van de totale oppervlakte van een kadastraal perceel mag worden aangewend voor bouwwerken, tuin, halfverharding, verharding en parkeervoorzieningen.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Bestemming Bos Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming ‘Bos’ gekregen. Het gaat hier allereerst om een groot deel van de 36 percelen rondom een vlak met de bestemming ‘Wonen – Woonbos’. Om zo te benadrukken dat het gaat om ‘wonen in het bos’. Vergunningsvrij bouwen wordt expliciet onmogelijk gemaakt. Verder geldt hier ook een voorwaardelijke verplichting voor onder andere de aanleg en onderhoud van een struweelzone. Ook gronden die eigendom zijn van de gemeente en niet als weg worden gebruikt hebben deze bestemming gekregen. Bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn gering. Er zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde (alleen perceelsafscheidingen) toegestaan. Bestemming Verkeer - Onverhard De bestaande onverharde wegen hebben de bestemming ‘Verkeer – Onverhard’ gekregen. Hier ligt ook een deel van de door de bewoners aan te leggen en te onderhouden struweelzone. De bouwmogelijkheden zijn beperkt. Bestemming Verkeer De Giersbergsebaan is verhard en heeft de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. Bestemming Wonen - Woonbos De delen van de percelen, waarop de woningen zich bevinden hebben de bestemming ‘Wonen – Woonbos’ gekregen.
Naast dat hier gewoond mag worden is de bestemming ook gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige, waterhuishoudkundige en/of abiotische waarden. De bouwregels borgen de gewenste kleinschaligheid van de bebouwing. Als basis is er voor gekozen om de bouw- en bestemmingsgrens te leggen 2 meter rondom de bestaande woning. Daar waar dit logischer is (kijkend naar de inrichting van de woning) ligt soms de bouwgrens aan enkele zijden op de gevel van de woning en aan andere zijden op 4 meter afstand.
Hoofdstuk 5
45
Door deze systematiek zijn kleine uitbreidingen of kleine aanpassingen aan de woningen mogelijk, maar alleen als aan de andere regels van deze bestemming wordt voldaan, zoals de maximale oppervlakte van de woning of de regel dat vellen van een boom alleen is toegestaan als voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden. Verder geldt hier ook een voorwaardelijke verplichting voor onder andere de aanleg en onderhoud van een struweelzone. Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 4 en 5 Conform het gemeentelijk archeologisch beleid hebben de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 4 en 5 gekregen om zo archeologische waarden te beschermen. De regels zijn overgenomen uit het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’.
Hoofdstuk 5
46
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan maakt geen bouwplan mogelijk zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Met de initiatiefnemers is een realisatieovereenkomst gesloten. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. Voor de kosten die de gemeente maakt in het kader van de bestemmingsplanherziening is de legesverordening van toepassing. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Omgevingsdialoog Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 6.2.2 Omgevingsdialoog In het kader van het opstellen van de Gebiedsvisie (zie bijlage 2) zijn er al contacten geweest met de omgeving.
Een verslag daarvan is te vinden in paragraaf 5 van de visie.
Hoofdstuk 6
47
Verder heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Een verslag hiervan is als bijlage gevoegd bij het ontwerpbestemmingsplan. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zal het plan gewijzigd door de gemeenteraad worden vastgesteld.
Hoofdstuk 6
48
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Startnotitie Bijlage 2: Gebiedsvisie Bijlage 3: Stikstofberekeningen Bijlage 4: Ladderonderbouwing Bijlage 5: Akoestisch onderzoek Bijlage 6: Quickscan Flora en fauna Bijlage 7: Verslag omgevingsdialoog
Hoofdstuk 6
49
Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 12
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
14
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Bos Verkeer - Onverhard Verkeer Wonen - Woonbos Waarde - Archeologie 4 Waarde - Archeologie 5
14 17 19 21 24 27
Hoofdstuk 3
Algemene regels
30
Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
30 31 32 34 38 39
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
40
Artikel 15 Artikel 16
Overgangsrecht Slotregel
40 41
Bijlagen bij regels
43
Bijlage 1 Bijlage 2
44 52
2
Lijst van bedrijfsactiviteiten Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het bestemmingsplan Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan met identificatienummer NL.IMRO.0865.HVBPDistelberg-VG01 van de gemeente Vught. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Archeologisch onderzoek
Diversen vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 1.6
Archeologisch rapport
In rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid van archeologische waarden. 1.7
Archeologische verwachting
Aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; de trefkans of verwachting kan uiteenlopen van geen tot laag tot hoog. 1.8
Archeologische waarde
Oudheidkundige waarde, in de vorm van archeologische relicten in hun oorspronkelijke context. Zowel grote complexen/structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen terreinen van zeer hoge waarde en hoge waarde.
4
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
1.9
Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.10
Bedrijf of beroep aan huis
Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal vanuit een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner, waaronder niet begrepen het verstrekken van logies, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Onder bedrijf of beroep aan huis wordt tevens begrepen detailhandel via internet, zonder opslag en/of verkoop aan huis. 1.11 Bestaande bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object Bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object, zoals dat of die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan. 1.12
Bestaand gebruik
Gebruik zoals dat rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan. 1.13
Bestaand/Bestaande situatie
a. t.a.v. bebouwing gebouwen en/ of bouwwerken, geen gebouwen zijnde: legale bebouwing gebouwen en/ of bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van onderhavig ontwerpbestemmingsplan, dan wel de bebouwing die mag worden gebouwd krachtens een vóór het tijdstip van terinzagelegging aangevraagde vergunning; b. t.a.v. gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; 1.14
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.15
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw of woning dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw of woning verbonden bijgebouw, daar al dan niet tegen aangebouwd, met een dak. 1.17
Bos
Een vegetatie die voornamelijk uit bomen bestaat met de daarbij behorende ondergroei van planten en struiken waarbij de instandhouding van landschappelijke waarden wordt nagestreefd.
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
5
1.18
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.19
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.20
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22
Cultuurhistorische waarden en kenmerken
De aan het bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. 1.23
Deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg
Professioneel archeoloog die voldoet aan de kwalificaties van de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 1.24
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt. Onder detailhandel moet ook verstaan worden commerciële dienstverlening zoals kapperszaken, schoenmakers en vergelijkbare bedrijven. 1.25
Ecologische waarden en kenmerken
Aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde. 1.26
Erkende archeologische partij
Een gecertificeerde archeologische dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
6
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
1.27
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28
Groenblauwe mantel
Gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszone of die deze verbinden. 1.29
Groenvoorzieningen
Groenvoorzieningen zijn het geheel van de aanplant in een gebied dan wel het aanbrengen of voorzien van groen. 1.30
Hoofdgebouw
Eén of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.31
Hoofdverblijf
De woning waar een huishouden staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BPR). 1.32
Huishouden
Een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur en huisvesting van tijdelijke werknemers wordt daaronder niet begrepen. 1.33
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is binnen de beroepsgroep de geldende norm voor de uitvoering van archeologisch onderzoek. 1.34
Landschappelijke inpassing
Het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap. 1.35
Landschappelijke waarden en kenmerken
Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten. 1.36
Landschapselementen
Ecologische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha zonder een agrarische productiefunctie.
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
7
1.37
Natuurbeheerplan
Natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016. 1.38
Natuur Netwerk Brabant
Samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. 1.39
Natuurlijke waarde
De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. 1.40
Nutsvoorziening
Infrastructurele voorzieningen, zoals gas, water, elektriciteit, telecommunicatie, openbaar vervoer en waterstaat en voorzieningen ten behoeve van afvalverzameling. 1.41
Omgevingsvergunning
Een vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.42
Ondergronds bouwwerk
Een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder peil. 1.43
Open perceelsafscheiding
Een perceelsafscheiding, terreinafscheiding of afrastering met een constructie die wel de toegang tot de achterliggende gronden fysiek belemmert, maar waarbij het zicht op de achterliggende gronden intact blijft, bijvoorbeeld door het gebruik van gaas of spijlen. 1.44
Opslag
Het opbergen van materialen met de bedoeling en op een dergelijke wijze, dat men later weer over het materiaal kan beschikken. 1.45
Overige zone - beperkingen veehouderij
Gebied waar de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen beperkt zijn. 1.46
Overige zone - stalderingsgebied
Gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel om de omvang van de veestapel te reguleren en verdere leegstand te voorkomen.
8
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
1.47
Overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport. 1.48
Parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen
Elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op meer dan twee wielen. 1.49
Peil
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het terrein bij voltooiing van de bouw; ter verduidelijking: de gemeente geeft voor de aanvang van de bouw aan wat het peil is. Daar waar het een historische situatie betreft, indien de definitie van dit begrip niet voldoet, wordt de drempel van de voordeur als maat aangehouden. 1.50
Perceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.51
Perceelsgrens
Een grenslijn tussen (bouw)percelen onderling. 1.52
Permanente bewoning
Bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen, die elders niet daadwerkelijk over een hoofdverblijf beschikken. 1.53
Prostitutie
Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.54
Programma van Eisen
Een programma van eisen is een document, opgesteld conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, waarin wordt aangegeven op welke wijze archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Een Programma van Eisen behoeft altijd goedkeuring door het college van burgemeester en wethouders. 1.55
Recreatieve voorzieningen
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van extensieve dagrecreatie, zoals glijbanen.
Bestemmingsplan "Buurtschap Distelberg - Giersbergsebaan" (vastgesteld)
9
1.56
Seksinrichting
De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.57
Speelvoorziening
Een sport- of speeltoestel. 1.58
Stalderingsgebied
Gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen. 1.59
Straatmeubilair
Openbare, op of bij de weg behorende voorzieningen c.q. bouwwerken, van geringe afmetingen, zoals verkeersgeleiders, rampalen, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en daarmee vergelijkbare objecten. 1.60
Struweelzone
Een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, winterharde struiken (zoals lijsterbes, sporkhout, hulst, krentenboom, vlierbes, hazelaar, meidoorn, sleedoorn en hondsroos), die vrijuit mogen groeien. Alle bestaande inheemse bomen en struiken, zoals eiken, beuken, berken, kastanjes, vuilboom, taxus en hulst dienen behouden te blijven. 1.61