CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting ontwerpbestemmingsplan Nieuwkuikseweg 5 Helvoirt 18-12-2020 - Bestemmingsplantoelichting

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nieuwkuikseweg 5-5a Helvoirt18.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 3.2: Uitsnede verbeelding Structuurvisie Haaren 2013

De projectlocatie en omgeving hebben niet een typische indeling zoals geschetst wordt in een beekdal. Dit komt doordat de doorgaande wegen vanuit Cromvoirt naar Nieuwkuijk, en van Cromvoirt naar Distelberg door dit gebied lopen. De bebouwing aan de projectlocatie is dan ook niet geclusterd op het erf, maar eerder gelegen in de lintbebouwing van de Nieuwkuikseweg. Als basistaak is het voor de gemeente Haaren zaak om ervoor te zorgen dat ruimtelijke ingrepen bijdragen aan in ieder geval de instandhouding van de kwaliteit van de omgeving. Bij voorkeur gaat dit gepaard met een verbetering van die ruimtelijke kwaliteit. Het onderhavige initiatief betreft geen ingrijpende wijziging van de kernwaarden die in het gebied aanwezig zijn. De oriëntatie en grootte van het perceel blijft nagenoeg hetzelfde. Het achterste gedeelte van het perceel dat momenteel grasland 20

is zal in gebruik genomen worden voor de bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zal de noordelijke erfgrens minimaal verschoven worden. De bebouwing op het perceel blijft geconcentreerd aan het lint, de Nieuwkuikseweg. Hierdoor behoudt het perceel aan de achterzijde haar open karakter, in de richting van de Zandleij. Doordat parkeren en manoeuvreren in de nieuwe situatie op eigen terrein plaats kan vinden, zal ook dit een positief effect hebben op de ruimte in het gebied. Naast de hierboven genoemde effecten wordt het perceel in de nieuwe situatie geheel landschappelijk ingepast door middel van een inrichtingsplan. Er wordt beplanting aangelegd in de vorm van hagen en struweel, hiermee worden de perceelranden geaccentueerd. Op die manier wordt de ruimte benadrukt. Als compensatie voor de toegenomen verharding wordt een wadi gecreëerd, hiermee zullen geen ongewenste problemen ontstaan in het kader van de waterhuishouding. Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het onderhavige initiatief in lijn is met het beleid zoals het wordt uiteengezet in de Structuurvisie Haaren 2013.

3.3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Haaren In de gemeentelijke regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Haaren’ wordt een categorieverdeling weergegeven van niet-planmatige ontwikkelingen waarvan afhankelijk is of er aan geen inspanning (categorie 1), een goede landschappelijke inpassing (categorie 2) of een berekende kwaliteitsverbetering op basis van een minimale investering van 20% van de grondwaardevermeerdering (categorie 3) dient te worden voldaan. Ook worden de specifieke voorwaarden van de gemeente Haaren benoemd die betrekking hebben op een sloopverplichting, landschapsfonds, sloopfonds en normbedragen die moeten worden toegepast in het geval het een categorie 3 ontwikkeling betreft. Voor elke categorie wordt een lijst weergegeven van concreet benoemde ontwikkelingen die in ieder geval tot deze categorie behoren. Onderhavig initiatief komt niet concreet terug in de lijsten die per categorie zijn opgesomd in het afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap. Deze opsommingen zijn echter niet limitatief. Mits voorzien van een goede onderbouwing kunnen ook andere ontwikkelingen tot deze categorieën worden beschouwd. De ontwikkeling dient in het kader van kwaliteitsverbetering van het landschap te worden aangemerkt als uitbreiding van het bedrijf.

Aangezien de uitbreiding een differentiatievlak betreft dat behoort bij het bedrijf, is de ontwikkeling het best te plaatsen in categorie 3. Bij deze categorie dient een berekende bijdrage van de kwaliteitsverbetering te worden gemaakt. Onderstaand is de berekening opgenomen: Huidige situatie Totale perceel =

2.800 m2, bestemd als agrarisch met waarden, à €5,- / m2 = €14.000,-

Toekomstige situatie Bedrijfsdeel = Grondwal = Rest = Totaal =

1.950 m2, bestemd voor stalling/manoeuvreerruimte, à €25 = 48.750,110 m2, agrarisch differentiatievlak à €17,50 = €1.925,740 m2, groen à €1,- = €740,€51.415,-

Saldo nieuw – oud €37.415,Benodigde investering €7.483,De kwaliteitsverbetering ten behoeve van het landschap dient minimaal €7.483,- te zijn. Het geniet de voorkeur om de kwaliteitsverbetering ter plaats te realiseren, op of nabij de planlocatie van initiatiefnemer. Om deze kwaliteitsverbetering van het landschap ter plaatse te realiseren heeft Kanters Groenvoorziening een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hieronder wordt de berekende bijdrage uiteengezet. Het volledige rapport en het inrichtingsplan zijn opgenomen in bijlage 1. 21

Op basis van het inrichtingsplan is de volgende berekening van de kwaliteitsverbetering gemaakt: Realisatie Landschapsbomen Struweelbeplanting Bloemrijke rand

75 stuks 254 stuks 3,06 are

Beheer & onderhoud (periode van 10 jaar) Landschapsbomen 75 stuks Struweelbeplanting 245 m2 Bloemrijke rand 3,06 are

€ 60,62 € 1,58 € 16,25 Subtotaal

€ 4.546,50 € 401,32 € 49,73 € 4.997,55

€ 33,40 € 0,719 € 84,20 Subtotaal Totaal

€ 2.505,00 € 176,16 € 257,66 € 2.938,82 € 7.936,37

Uit de berekende kwaliteitsverbetering volgt een overschrijding van de minimale benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap ter waarde van €7.483,-. Met de beoogde kwaliteitsverbetering van €7.936,37 wordt voldaan aan de verplichtingen vanuit de gemeentelijke regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Haaren’. Conclusie Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavig initiatief beschouwd kan worden als een categorie 3 ontwikkeling. De inspanning ter kwaliteitsverbetering van het landschap betreft voor het onderhavige initiatief een investering van 20% van de grondwaardevermeerdering. De aanleg van het landschappelijke inpassingsplan, dat in zijn volledigheid te vinden is in bijlage 1 wordt in de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Ook wordt in de regels van dit bestemmingsplan de instandhouding daarvan geborgd. Hiermee wordt voldaan aan de inspanningsverplichting zoals deze voortvloeit uit de regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap van de gemeente Haaren.

22

4.

Planologische en milieuhygiënische aspecten

Een bestuursorgaan dient bij voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zo wordt beschreven in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten behoeve van onderhavig project zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen in navolgende paragrafen aan bod.

4.1

Bedrijven en milieuzonering

Om de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en bevorderen, moet bij een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden worden met milieuzonering van bedrijven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de door Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, uitgave 2009. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ weergeeft richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. Er dient te worden beoordeeld of, uitgaande van de maximale mogelijkheid van het plan, geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten. In de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning, of verblijfsruimte die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’, er is hier namelijk geen sprake van een ‘rustige woonwijk’. Het gebied bestaat uit een bebouwingslint waarbij verschillende functies naast elkaar zitten. Bovendien is de planlocatie gelegen aan een ontsluitingsweg. Dit houdt in dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verkleind.

Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid, deze wordt niet verkleind. De activiteiten die ter plaatse worden uitgevoerd horen bij die van een agrarisch-technisch hulpbedrijf en transportbedrijf. Deze sectoren worden in de VNG handreiking beoordeeld als respectievelijk: • milieucategorie 3.1 onder de categorie ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw (o.a. loonbedrijven), b.o. > 500 m2 (SBI2008 code 016); • milieucategorie 3.2 onder de noemer ‘Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000m2’ (SBI2008 code 494). In onderstaande tabel worden de richtafstanden weergegeven, hierbij is reeds de toepassing van de richtafstand tot een ‘gemengd gebied’ gedaan: Tabel 1: Richtafstanden

Bedrijf

Typering

SBI

Richtafstanden

Agrarischtechnisch hulpbedrijf

Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw algemeen (o.a. loonbedrijven), b.o. > 500 m2 Goederenwegvervoerbedrijv en (zonder schoonmaken tanks) b.o. > 1.000 m2

016

Geur 10

Stof 0

Geluid 30

Gevaar 10

494

0

0

50

10

Transportbedrijf

23

De bebouwing ten behoeve van de functie ‘Bedrijf’ neemt niet toe, wel komt de erfgrens anders te liggen waardoor het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ dichter bij gevoelige objecten komt te liggen. De gevoelige objecten die binnen de richtafstanden liggen zijn Cromvoirtseweg 1, 1b, 2 en 2a, Nieuwkuikseweg 8, 8a, 7, 7a en 7b. Tevens wordt in het plan de achterzijde van het terrein, aan de oostzijde van het plangebied, in gebruik genomen. Deze ingebruikname betreft het stallen en manoeuvreren van voertuigen, deze specifieke functie maakt geen bedrijfsactiviteiten mogelijk maar kan wel invloed hebben op de aspecten geluid en stof. Stof Voertuigen hebben invloed op de uitstoot van stof. Omdat er in de beoogde situatie voertuigen worden geparkeerd op een vlak waar in de huidige situatie nauwelijks voertuigen voorkomen dient ter onderbouwing van het onderhavige initiatief ook een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Het aspect luchtkwaliteit wordt nader behandeld in paragraaf 4.4. Gevaar Voor gevaar geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter volgens de handreiking milieuzonering en bedrijven. Binnen het planvoornemen worden geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt of vindt een toename van deze activiteiten plaats. Daarom zal de woon- en leefsituatie ter plaatse niet verslechteren.

De woon- en leefsituatie rondom de planlocatie zal zelfs verbeteren in relatie tot gevaar. Een en ander volgt uit paragraaf 4.5 Externe veiligheid, in aanvulling hierop zal hier ingegaan worden op verbetering van de verkeerssituatie ter plaatse door voorliggend plan. In de volgende paragrafen wordt separaat ingegaan op de aspecten geluid en geur.

4.2

Geluid

Aangezien de ligging van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ dichter bij gevoelige functies komt te liggen, is bekeken of kan worden voldaan aan de richtafstanden volgens ‘Bedrijven en milieuzonering’. Op de aspecten geur, stof en gevaar kan worden voldaan aan de minimale afstand. Op het gebied van geluid is dit niet het geval. Ook de ingebruikname van de achterzijde van het terrein kan van invloed zijn voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het aspect geluid. Om aan te tonen dat kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening, en dat er wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat, is een akoestisch onderzoek opgesteld. Zowel de herbestemming van het agrarische achterterrein als de verplaatsing van de tankplaats hebben enigerlei invloed op het aspect geluid. Ingevolge de VNG richtlijn vallen de bedrijfsactiviteiten van initiatiefneemster binnen die van een milieucategorie 3.1 (Dienstverlening t.b.v. de landbouw (o.a. loonbedrijven), b.o. > 500 m2) en binnen die van een milieucategorie 3.2 bedrijf (Goederenwegvervoer-bedrijf b.o. > 1.000 m2). Conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ bedraagt de richtafstand voor het milieuaspect geluid, respectievelijk 50 en 100 meter. Een aantal woningen vallen binnen deze richtafstanden.

Om te onderzoeken of ter plaatse van deze woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat voor het maximale geluidniveau niet kan worden voldaan aan de normstelling uit stap 2 van bijlage 5.3 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. De overschrijding van de normstelling is ten hoogste 12 dB(A) en is afkomstig van het optrekken van motorvoertuigen bij de in- en uitrit in de nachtperiode. Daarnaast zorgen piekgeluiden van de shovel en de tractor in de dagperiode, het rijden en ontluchten van vrachtwagens in de nachtperiode en het optrekken van voertuigen ter hoogte van de in- en uitrit in de dag- en nachtperiode ook voor een overschrijding van de normstelling uit stap 2 van de VNG-publicatie. 24

Ondanks dat voor het maximale geluidniveau niet voldaan kan worden aan de normstelling uit stap 2 van de VNG-publicatie is de situatie inpasbaar als: - is aangetoond dat de geluidwering van de woningen gelegen aan de Nieuwkuikseweg 8 en 8a minimaal 27 dB is. Bij deze geluidwering is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 55/50/45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode gewaarborgd vanwege het maximale geluidniveau. - is aangetoond dat ter hoogte van de tuinen van de omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om deze niveaus te bereiken worden verschillende maatregelen getroffen. Zo wordt er een geluidswal geplaatst en worden de huidige muren gehandhaafd zodat de overlast wordt verminderd. Er wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de omliggende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het volledige rapport is te vinden in bijlage 2. In aanvulling hierop Geluidsbelasting Nieuwkuikseweg 8 en 8a Middels een berekening is het geluidsniveau in de woningen Nieuwkuikseweg 8 en 8a bepaald. Deze bedraagt bij een piekbelasting van 72 dB(A) op het dak 44 dB(A) in de geluidgevoelige ruimtes. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. De volledige berekening is te vinden in bijlage 2.1.

Woon- en leefklimaat in omliggende tuinen Door het akoestisch bureau Greten is een geluidcontourkaart gemaakt voor de aangevraagde situatie. Uit deze contourkaart blijkt dat ter plaatse van de omgeving in de tuinen van geluidgevoelige objecten het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau minder dan 50 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt aangetoond dat er een goed woon- en leefklimaat heerst ten aanzien van de intensief gebruikte buitenruimtes en tuinen bij nabij gelegen geluidgevoelige objecten.

Figuur 4: geluidcontourkaart langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde)

25

Conclusie Het akoestisch onderzoek en de aanvullingen tonen aan dat de situatie als aanvaardbaar kan worden beschouwd voor het aspect geluid. Dit omdat: - Maatregelen om te kunnen voldoen aan de normstelling uit stap 2 van de VNG-publicatie zijn niet uitvoerbaar. - Het geluidniveau in de woningen is niet hoger dan 35 dB(A) etmaalwaarde en 55/50/45 dB(A) vanwege het maximale geluidniveau in respectievelijk de dag-, avond en nachtperiode. - Het uitsluiten van de piekgeluiden die een overschrijding veroorzaken niet haalbaar is, omdat de bedrijfsvoering van de inrichting dan niet meer uitgeoefend kan worden. - De bronnen die een overschrijding veroorzaken reeds bestaande geluidbronnen zijn.

4.3

Geur

Het lokale geurbeleid van de gemeente Haaren beperkt zich tot de Verordening geurhinder en veehouderij (Vgv) die zijn grondslag vindt in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze verordening richt zich specifiek op geuremissies van veehouderijen, niet-agrarische bedrijven zijn niet gebonden aan gemeentelijke wetgeving. Wel is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing op het planvoornemen. Aangetoond dient te worden dat in de beoogde situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot geur. Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkomen van hinder door milieubelastende activiteiten. Tevens dient voorkomen te worden dat de vestiging van een nieuwe functie invloed heeft op de omliggende woningen. De uitbreiding van de stallings- en manoeuvreerruimte en de wijziging van de inrichting voorziet niet in het toevoegen of wijzigen van nieuwe geurbronnen zoals agrarische bedrijfsstoffen. Artikel 2.7a lid 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geeft een afwegingskader waarmee een aanvaardbaar niveau van geurhinder kan worden bereikt.

Lid 3 benoemt de volgende aspecten met betrekking tot een aanvaardbaar niveau van geurhinder; de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting; de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder; de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting; en de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting. Omdat in onderhavig planvoornemen de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten niet veranderen zal geen sprake zijn van toename van de geuremissie. Het bedrijf kan volgens de handreiking milieuzonering en bedrijven deels worden getypeerd als een agrarisch technisch hulpbedrijf en deels als transportbedrijf (zie tabel 1). De verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten, naar het achtererf, heeft betrekking op het transportbedrijf. De activiteiten van het transportbedrijf hebben volgens de handreiking milieuzonering en bedrijven geen richtafstanden voor geur. Dit geldt wel voor de loonwerkactiviteiten van het agrarisch technisch hulpbedrijf, maar deze bedrijfsactiviteiten blijven binnen de huidige bedrijfsbestemming. In de omgevingsdialoog, gevoerd op 9 oktober 2019, is door aanwonenden gewezen op vrijkomende dieseldampen.

Deze komen vrij bij het tanken van de diverse voertuigen van initiatiefnemer. Tijdens de omgevingsdialoog werd gevraagd hoe vrijkomende gassen beperkt gaan worden in de nieuwe situatie. De tankplaats zal naar achter op het erf verplaatst worden, binnen de bedrijfsbestemming. Verschil met de huidige situatie is dat de tankplaats verplaatst wordt, maar ook dat hij op de beoogde plaats specifiek aangewezen wordt en elders op de planlocatie niet meer mogelijk is. De mogelijkheid om achter op het terrein een tankplaats op te richten is al opgenomen in het vigerende 26

bestemmingsplan. Wel nemen de vervoersbewegingen richting het achtererf toe, omdat hier geparkeerd en gemanoeuvreerd gaat worden. De opmerkingen, die overlegd zijn tijdens de omgevingsdialoog, geven een beeld van de ervaren geuroverlast bij aanwonenden. In de omgevingsdialoog is aangegeven dat de vrachtwagens voldoen aan de Europese emissiestandaarden. Euro 5 is de emissienorm voor voertuigen die in oktober 2009 van kracht werd. Deze emissienormen hebben tot doel om de uitstoot te verminderen en zo de luchtkwaliteit te verbeteren. In de huidige situatie is er geen sprake van een geuremissie. Daarnaast worden er ter plaatse van het bedrijf geen stoffen opgeslagen die geuroverlast veroorzaken. De voertuigen op het bedrijf veroorzaken geen geuroverlast. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief en dat voldaan wordt aan de meest recente normen.

4.4

Luchtkwaliteit

In het kader van de onderhavige planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen die gelden voor luchtkwaliteit. Hierbij dient de uitwerking op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de ‘Wet luchtkwaliteit’ in beeld te worden gebracht. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijn stof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Ruimtelijke ingrepen dienen te worden beoordeeld op basis van de Wet milieubeheer artikel 5.2 luchtkwaliteitseisen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering als: • er geen sprake is van een feitelijke dreigende overschrijding van een grenswaarde; • door toedoen van het project, al dan niet per saldo, de luchtkwaliteit niet verslechtert; • een uitoefening of toepassing ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 is vastgesteld.

4.4.1 NIBM-toetsing De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate’ dit heeft betrekking op het bijdragen aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van NIBM bij een ruimtelijk project of activiteit waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Als dit het geval is dan is geen toetsing aan de grenswaarden van luchtkwaliteit noodzakelijk. Dit is mogelijk omdat de effecten van NIBM-projecten zijn betrokken bij trendmatige ontwikkeling van achtergrondconcentraties in Nederland in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprograma Luchtkwaliteit). Hierin zijn voldoende verbetermaatregelen opgenomen om de effecten van NIBM-projecten te compenseren. De bedrijfsactiviteiten zullen in de toekomstige situatie hetzelfde blijven als in de huidige situatie, slechts het gebruiksoppervlak voor het parkeren en manoeuvreren van voertuigen zal vergroten. Het absolute aantal voertuigen blijft in de toekomstige situatie gelijk aan de huidige. De verkeersaantrekkende werking zal in de nieuwe situatie niet vergroten voor voertuigen en voor vrachtverkeer. Daarom is er in onderhavige situatie sprake van een NIBM bijdrage aan de luchtverontreiniging. Op dit aspect is daarom geen verdere toetsing noodzakelijk aan de grenswaarden luchtkwaliteit. 27

4.4.2 Toetsing aanvaardbaar woon- en leefklimaat Door het toevoegen van een specifieke functieaanduiding aan de agrarische enkelbestemming met waarden voor stalling- en manoeuvreerruimte van vrachtwagens vindt er een verplaatsing van een activiteit plaats en een verlenging van de rijroute op de bedrijfslocatie. Mede door de verplaatsing van de tankplaats zullen de vrachtwagens een andere route rijden en meer meters afleggen om te manoeuvreren en te parkeren. Bovengenoemde ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor deze nieuwe situatie een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hierin is de luchtkwaliteit berekend wat betreft NOx, PM10 en PM2,5. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer (artikel 5.16, lid 1. onder Wet milieubeheer) niet overschreden worden op de beoordelingspunten. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. 4.5.1 Risiconormering Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

- Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Van deze waarde mag gemotiveerd worden afgeweken. - Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht, wat blijkt uit artikel 12 en 13 van het Bevi. Het houdt in 28

dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. Tabel 2: Overzicht verantwoordingsplicht groepsrisico Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In het besluit en de bijbehorende regeling staan de regels waar de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, aan moeten voldoen. In het besluit staan ook de aan te houden afstanden tot externe objecten. Deze externe veiligheidsafstanden gelden voor een beperkt aantal bedrijven. Het gaat onder meer om: - bedrijven met opslag van meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening en - locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren). Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Werkdocument verantwoording groepsrisico gemeente Haaren De gemeente Haaren beschikt over een werkdocument externe veiligheid. Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de aanpak van externe veiligheid. In het werkdocument is beschreven hoe de 29

gemeente Haaren omgaat met externe veiligheidsvraagstukken binnen haar gemeente. Binnen de gemeente Haaren zijn diverse risicobronnen aanwezig die bepalend zijn voor het externe veiligheidsbeleid van de gemeente. Het betreft: transport van gevaarlijke stoffen over het spoor, transport van gevaarlijke stoffen over de weg, buisleidingen en stationaire activiteiten (LPGtankstations en propaantanks). 4.5.2 Beschouwing risicobronnen Hieronder is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. De ligging van het plangebied wordt met een rode marker weergegeven.

Figuur 5: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Inrichtingen Er zijn geen relevante inrichtingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied die van invloed zijn. Transportroutes Buisleidingen, spoor- en vaarwegen De beoogde ontwikkeling voorziet in een verandering van een bedrijf op ca. 2,8 kilometer van de spoorlijn Tilburg - Vught . Deze spoorlijn is onderdeel van het basisnet en heeft een invloedsgebied van > 4 kilometer1 (scenario Toxisch). Wegen Op circa 55 meter afstand van de planlocatie ligt de gemeentelijke weg ‘Cromvoirtseweg’. Over deze weg worden stoffen uit de categorie GF3 vervoerd met een invloedsgebied van 355 meter 1. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee transportroutes van gevaarlijke stoffen: - Conform art. 7 Bevt dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden voor de scenario’s toxische wolk en BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). - Conform art. 9 Bevt is de veiligheidsregio om advies gevraagd welke wordt verwerkt in de verantwoording van het groepsrisico. 1 RIVM (2017) Handreiking risicoanalyse transport, p. 19 tabel 4-2

30

Een tankplaats voor diesel heeft geen plaatsgebonden risico of invloedsgebied waar aan getoetst dient te worden. Daarom is de tankplaats niet meegenomen in de beschouwing van risicobronnen op, of in de omgeving van de planlocatie. 4.5.3 Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hieronder volgt de verantwoording van het groepsrisico conform het opgevraagde advies bij de Veiligheidsregio. De verplicht te beschouwen aspecten uit het Bevt zijn hierin geïntegreerd. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met het ‘Werkdocument verantwoording groepsrisico gemeente Haaren’. Scenario’s Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught en de Cromvoirtseweg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ten gevolge van een incident op de weg kan zich een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) voordoen en er kunnen zich ook in geval van een incident op de spoorweg toxische stoffen (vloeistof en/of gas) vrijkomen. De gevolgen van deze scenario’s zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario’s verduidelijkt. Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of -wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen.

Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien. Bij bepaald een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) Het relevante scenario in relatie tot het plangebied is een BLEVE. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Mogelijkheden tot bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een calamiteit bij een inrichting of bij transport van toxische stoffen er een lekkage ontstaat en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat.

Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. BLEVE scenario De mogelijkheden voor de incidentbestrijding worden door de gewenste ontwikkeling niet negatief beïnvloed. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid

31

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid bij een toxisch scenario De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Mogelijkheden zelfredzaamheid bij een BLEVE scenario De mogelijkheden voor de incidentbestrijding worden door de gewenste ontwikkeling niet negatief beïnvloed. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven.

Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen en bedrijfsbebouwing goed geïsoleerd en bieden daarom goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden De bestaande infrastructuur rondom het plangebied is zodanig dat er voldoende ontsluitingswegen zijn en het gebied goed te ontvluchten is. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden niet negatief beïnvloed. Bij Veiligheidsregio BrabantNoord is advies omtrent externe veiligheid opgevraagd, dit advies is bijgevoegd in bijlage 4. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling, er is geen reden voor nader advies. 4.5.4 Hoogspanning en ondergrondse (gas)leidingen In de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de zonering van het bovengrondse hoofdspanningsnet in Nederland vastgelegd. Deze bevat onder andere gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones.

In de navolgende figuur is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn is 150 kV en bevindt zich op een afstand van 6 kilometer ten opzichte van het plangebied. Gelet op de afstand is er geen belemmering ten aanzien van de geplande ontwikkeling. Uit de provinciale risicokaart blijkt tevens dat er geen ondergrondse (gas)leidingen zijn gelegen die van invloed zouden kunnen zijn op onderhavige ontwikkeling.

32

Figuur. Uitsnede Netkaart RIVM

In het plangebied, of in de directe omgeving ervan, zijn de bovengenoemde kabels en leidingen niet aanwezig. Het planvoornemen is daarmee aanvaardbaar vanuit het aspect hoogspannings- en ondergrondse (gas)leidingen.

4.6

Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging of wijziging van het bodemgebruik wordt voorzien, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een bodemsanering. Op deze manier worden mogelijke financiële risico’s met betrekking tot de aanwezige bodemkwaliteit in beeld gebracht. Herbestemming achterterrein Het beoogde initiatief om het agrarische achterterrein te gebruiken als stallings- en manoeuvreerruimte zorgt voor een verandering in de bodemsamenstelling omdat het terrein wordt verhard. Er zullen geen bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd. Derhalve is er voor dit deel van het initiatief geen verkennend bodemonderzoek vereist.

Verplaatsing tankplaats Ter plaatse van de huidige tankplaats wordt diesel opgeslagen, dit betreft een bodembedreigende stof. Omdat de tankplaats wordt verplaatst, verplaatst ook de dieseltank. Op de nieuwe plek voor de dieseltank is een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de toekomstige bovengrondse tank. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat in de bodem geen verhoogde parameters worden aangetroffen. In het grondwater worden tevens geen verhogingen ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, met inachtneming van bovenstaande, dan 33

ook géén belemmeringen voor de geplande tank op de onderzoekslocatie. Het bodemonderzoek is bijgevoegd in bijlage 5. Vanuit het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer geldt een verplichting om binnen 6 maanden na de verplaatsing van de tank een eindsituatie-bodemonderzoek uit te voeren op de huidige locatie van de dieseltank. Tegen de tijd dat de verplaatsing plaatsvindt zal aan de bovenstaande verplichting worden voldaan. De bodemkwaliteit op de beoogde nieuwe tankplaats kan worden ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Daarmee zijn er geen (financiële) risico’s te verwachten en vormt de aanwezige bodemkwaliteit geen belemmering voor het beoogde gebruik.

4.7

Waterhuishouding

Per 1 november 2003 is het wettelijk verplicht voor alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Deze toets heeft zowel betrekking op grondwater als op oppervlaktewater. Er dient in beeld te worden gebracht wat de mogelijke gevolgen zijn van een ontwikkeling. Concreet betekent de invoering van de watertoets dat een plan of ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf dient te hebben. Hierin worden keuzes die betrekking hebben op waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. 4.7.1 Beleid Provincie Noord-Brabant Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is vastgesteld op 18 december 2015. Het dient als structuurvisie voor onder andere het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het PMWP geeft de uitgangspunten aan voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten. Ook toetst de provincie aan de hand van dit plan of de plannen van de waterschappen in lijn zijn met het provinciale beleid. Het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater en het scheiden van relatief schone en vuile waterstromen zijn algemene uitgangspunten die worden benoemd.

Gemeente Haaren De gemeente Haaren beschikt over een gemeentelijk rioleringsplan (GRP Haaren 2018-2022). Hierin is onder andere vastgelegd dat hemelwaterafvoer in buitengebieden niet geschiedt via de aanwezige (druk)riolering. Temeer omdat drukriolering niet geschikt is om grote hoeveelheden regenwater af te voeren. Al het hemelwater dient derhalve plaatselijk te worden behandeld. De hemelwaterverordening van de gemeente Haaren draagt bij aan het voorkomen van hemelwateraansluitingen op de vuilwaterriolering en het verwijderen van hemelwateraansluitingen op drukrioleringen. Het beoogde effect hiervan is dat woningen die aangesloten zijn aan vuilwaterriool, het hemelwaterafvoer laten afkoppelen, zodat dit geen overlast meer verzorgd op de leidingen. Ook moet worden voorkomen dat van nieuwbouw (hier wordt ook uitbouw e.d. mee bedoeld) het hemelwater wordt aangekoppeld aan het vuilwaterriool. Aan de Nieuwkuikseweg ligt een vuilwaterriool wat niet geschikt is om regenwater af te voeren. Een aantal jaren geleden heeft de gemeente reeds maatregelen genomen zodat het hemelwater van de weg en de fietspaden niet meer op dit riool is aangesloten. Het riool geeft echter nog steeds problemen. Om de problemen op te lossen dienen op termijn alle aangrenzende percelen hun regenwater op eigen terrein te gaan verwerken.

Met de voorgenomen ontwikkeling levert de initiatiefnemer een bijdrage aan het (deels) oplossen van dit maatschappelijke probleem.

34

Waterschap De Dommel De projectlocatie is gelegen in het stroomgebied van het ‘Waterschap De Dommel’. Dit waterschap is beheerder van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. In ‘Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waardevol water’ beschrijft waterschap De Dommel welke beleidsdoelen worden nagestreefd in de periode 2016-2021. Daarbij is gebruik gemaakt van vier uitgangspunten die de richting aangeven van de plannen en beoogde oplossingen, genaamd ‘De beekdalbenadering’, ‘De gebruiker centraal’, ‘Samen sterker’ en ‘Gezonde toekomst’. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben de keuren geüniformeerd in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB). Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. De Keur is opgesteld en in werking getreden per 1 maart 2015. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die invloed hebben op de waterhuishouding en het waterbeheer. Regelgeving omtrent veranderende waterafvoer door verhard oppervlak, wateronttrekking en drainage worden hierin beschreven.

Zo wordt in artikel 3.6 van de Keur het verbod beschreven op afvoer door verhard oppervlak: ‘Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te komen.’ In artikel 15.1 van de algemene regels is echter een uitzonderingsbevoegdheid opgenomen die de voorwaarden stelt waarbij vrijstelling wordt verleend van het verbod. Dit artikel luidt als volgt: Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; 2. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; 3. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 4. De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: a.

benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 60 mm De voorziening voldoet aan de volgende eisen: • De bodem van de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); • De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. 4.7.2 Uitwerking Het agrarische terrein achter de huidige bedrijfslocatie wordt verhard, zodat vrachtwagens er kunnen parkeren en manoeuvreren. Met deze ontwikkeling wordt de hoeveelheid verhard oppervlak vergroot. De uitbreiding van het verhard oppervlak bedraagt 2.274 m2. In navolgende afbeelding is dit weergegeven. Opgeteld bij het reeds bestaande verharde oppervlak is er een totaal aan verharding van 9.700m2. Volgens de regelgeving van Waterschap de Dommel dient alleen de toename in verharding te worden meegenomen. Echter stelt het gemeentelijk beleid strengere eisen, waardoor voor alle verharding op het perceel het hemelwater lokaal moet worden opgevangen en geïnfiltreerd.

35

Figuur. toename verhard oppervlak

In overleg met gemeente Haaren wordt er een infiltratievoorziening aangelegd van 582 m 3, dit komt overeen met 60mm tov het totale verharde oppervlakte van 9.700 m2. Op deze manier kunnen extreme buien die eenmaal per honderd jaar voorkomen (T=100) worden verwerkt. De infiltratievoorziening bestaat uit een wadi en een infiltratievijver. De capaciteit van de wadi is 44,7 m 3 en van de infiltratievijver 537,3 m3. Direct achter de parkeerplaats wordt een wadi aangelegd met daaromheen groene beplanting. Op het perceel achter de parkeerplaats wordt de infiltratievijver aangelegd. In navolgende afbeelding is dit te zien. In de verharding op het perceel zullen putten worden aangelegd waar het hemelwater naartoe stroomt, deze zullen worden afgevoerd naar de infiltratievoorzieningen, deels naar de wadi en deels naar de infiltratievijver. Aan de oostzijde van de voorziene infiltratievijver is reeds een poel gelegen, deze kan dienen als noodoverloop in geval van hevige regenval. Hierna wordt de waterhuishouding nader besproken.

Figuur. Ligging wadi en infiltratievijver

In navolgende afbeelding is te zien wat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is. Op deze afbeelding is het perceel in het rood omkaderd. Aan de noordoostzijde van het perceel zal de infiltratievijver worden aangelegd. Te zien is dat hier de GHG tussen de 80 en 100 cm is. Het blauwe vlakje is waar de poel ligt die nu al aanwezig is. In verband met de GHG van tussen de 80 en 100 is berekend dat een oppervlakte van de infiltratievijver 582 m2 dient te zijn. Hiervoor is voldoende ruimte op het achtergelegen perceel, dat tevens in eigendom is van Van Kuijk Holding BV. Zoals uit het bodemonderzoek is gebleken, dat is opgenomen in bijlage 5, is duidelijk geworden dat de bodem

36

bestaat uit matig fijn zand dat zwak siltig is. Dit houdt in dat de ondergrond een hoge waterdoorlatendheid heeft.

Figuur. Gemiddeld hoogste grondwaterstand

Figuur. Hoogtekaart

Watersysteem Op het terrein zijn gebouwen aanwezig, er is verharding waarop tevens een tankplaats is gelegen. Het water dat inpandig gebruikt wordt, blijft in de nieuwe situatie aangesloten op het riool. Ook het hemelwater dat op de tankplaats belandt zal via het riool worden afgevoerd, zoals in de huidige situatie het geval is. Dit water wordt eerst door een olie- en vetafscheider geleid en vervolgens op het riool worden geloosd. Dit is in de huidige situatie ook het geval. Het water dat op de daken en erfverharding belandt zal door middel van putten in de grond afgevoerd worden naar de infiltratievoorzieningen. Een deel wordt naar de wadi geleid en een deel naar de infiltratievijver. Het water zal uit zichzelf ook in die richting stromen aangezien de achterzijde van het perceel lager ligt dan het overige terrein. Dit is inzichtelijk op bovenstaande uitsnede uit de hoogtekaart. De bergingscapaciteit van de wadi en vijver samen zijn ruim voldoende, als noodoverloop wordt gebruikgemaakt van de al aanwezige poel. Waterkwaliteit Het mogelijk vervuilde water, dat afkomstig is van de tankplaats, wordt door een olie- en vetafscheider gehaald en vervolgens in het riool afgevoerd. Er is geen mogelijkheid dat dit water in het oppervlakteof grondwater terecht komt. 37

Wadi In bijlage 1 is te zien hoe de wadi in de omgeving wordt ingepast. Deze heeft een capaciteit van 44,7 m3. De oppervlakte van de wadi is 70 m2, de wadi wordt op een natuurlijke manier landschappelijk ingepast. Infiltratievijver De infiltratievijver heeft een oppervlakte van 582 m2, het talud is 1:2. Hierbij worden groene beplante oevers aangelegd. De oeverplanten hebben een zuiverende werking. 4.7.3 Conclusie In de nieuwe situatie wordt voor het gehele perceel het hemelwater opgevangen en lokaal geïnfiltreerd door middel van de wadi en de infiltratievijver. Hiermee wordt voorzien in een goede waterhuishouding en worden op dit aspect geen belemmeringen gevormd voor de voorziene plannen.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden, met name voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. Om gebieden met mogelijke archeologische waarde te beschermen zijn in bestemmingsplan “Buitengebied Haaren” dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie opgenomen die regels opleggen bij ruimtelijke ingrepen. Zulke locaties worden aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar gradatie van hogere waarde archeologie (1 tot en met 4). Ter plaatse van de planlocatie is sprake van dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Voor de realisatie van de nieuwe tankplaats en wadi worden grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter uitgevoerd waardoor een rapport dient te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

Om inzicht te krijgen in eventueel aanwezige archeologische waarden op de planlocatie en om aantasting hiervan te voorkomen is archeologisch onderzoek uitgevoerd waarvan het rapport is bijgevoegd in bijlage 6. In het rapport wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Natuur

Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving aangehaald. De effecten van de beoogde activiteiten op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht. 4.9.1 Flora en fauna De Flora- en Faunawet (1 april 2002) is 1 januari 2017 vervangen door de Wet natuurbescherming. In de nieuwe Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Ook verplicht de wet de burger zorgplicht te dragen over de flora en fauna. Conform de Wet

38

natuurbescherming is de initiatiefneemster bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het onderhavige initiatief gaat gepaard met landschappelijke inpassing van de achterzijde van het onderhavige perceel. De aanleg van de landschapselementen uit het landschappelijk inpassingsplan draagt bij aan de plaatselijke flora en fauna. Ook wordt in de beoogde situatie de hoeveelheid erfverharding uitgebreid over een vlak waar in het vigerende bestemmingsplan functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - dassenleefgebied’ van toepassing is. Om te onderzoeken welke flora en fauna aanwezig zijn in het plangebied is een ecologische verkenning uitgevoerd; het rapport behorend bij deze verkenning is in bijlage 7 gevoegd. In dit rapport wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan de aanwezigheid van beschermde diersoorten uit de Wet natuurbescherming niet wordt verwacht. In het rapport wordt aanbevolen om tijdens de sloopwerkzaamheden zorgvuldig om te gaan met verlichting om de effecten voor eventueel rondvliegende vleermuizen tot een minimum te beperken. Ook wordt aanbevolen om het verwijderen van de heg buiten het nestseizoen uit te voeren. Dit voorkomt met zekerheid permanente nadelige effecten voor broedende soorten.

Het beoogde initiatief kan, wanneer het bovenstaande in acht wordt genomen, worden uitgevoerd zonder nadelige effecten voor flora en fauna in het gebied. 4.9.2 Natura 2000 Om aan te tonen dat er geen significante gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden door dit plan, is in AERIUS calculator een verschilberekening gemaakt. De berekening laat de situatie voorheen en naderhand zien. De complete AERIUS calculator berekeningen zijn te vinden in bijlage 9. Hier is tevens een berekening van de realisatiefase opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen toenames in stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/j of hoger zijn in een aangewezen gebied. De situatie verandert namelijk niet ten opzichte van de huidige. In bijlage 9 zijn tevens de inputgegevens opgenomen voor de AERIUS berekening. De afgelegde meters door de bedrijfswagens nemen toe omdat in de beoogde situatie wordt geparkeerd op een vlak dat verder naar achteren is geplaatst ten opzichte van de vorige situatie. Anderzijds levert het planvoornemen een verbetering op voor het aspect stikstof omdat door de ruimere parkeermogelijkheden een vlottere doorstroming wordt gefaciliteerd waardoor de congestie, waarvan in de huidige situatie sprake is, wordt opgelost. Van draaiende motoren van stilstaande voertuigen is daardoor vergeleken met de vorige situatie veel minder sprake.

Door het bovenstaande wordt aangenomen dat de onderhavige ontwikkeling bijdraagt aan een geringe afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, waaronder op de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De inrichting van het perceel in de nieuwe situatie wordt ten volste benut, echter laten de bestemmingsregels nog beperkte ruimte voor ontwikkeling. Eventuele ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van stikstofgevoelige natuurgebieden. Daarom is binnen de regels een bedrijfsuitbreiding met een toename van stikstof uitgesloten. Hiervoor is een referentiesituatie aan de regels toegevoegd.

4.10

Verkeer en parkeren

Het onderhavige initiatief heeft geen verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie omdat de hoeveelheid bedrijfsbebouwing, bedrijfswagens en werknemers gelijk zullen blijven ten opzichte van de voorgaande situatie. Zoals eerder benoemd in de voorliggende toelichting heeft de bedrijfslocatie een herinrichting nodig. De ontstane congestie en de daarmee samenhangende problemen in de omgeving worden opgelost door de tankplaats te verplaatsen en stallings- en manoeuvreerruimte toe te voegen. In zowel de huidige als de beoogde situatie veroorzaken 39

voornamelijk cliënten en personeelsleden de verkeersbewegingen naar en vanaf de planlocatie. Deze verkeersbewegingen worden met auto’s, bedrijfsbussen, bakwagens en vrachtwagens gemaakt. Hoewel de parkeerbehoefte als gevolg van het initiatief niet stijgt, dient wel een gemotiveerde inschatting gemaakt te worden van de benodigde parkeercapaciteit op de planlocatie. Gemeente Haaren heeft geen eigen afwijkend parkeerbeleid waar aan getoetst moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor parkeergegevens van het CROW (CROW publicatie 317, oktober 2012) worden gehanteerd. In de CROW-publicatie worden bij de kencijfers voor werken verschillende functies onderscheiden: kantoor, commerciële dienstverlening, bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief, bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief en bedrijfsverzamelgebouw. De CROW-normen gelden alleen voor de parkeerbehoefte voor personenauto’s, het parkeren van eventueel vrachtverkeer is hierin niet meegenomen. Het onderhavige bedrijf betreft een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf. Daardoor geldt op basis van het CROW een parkeerbehoefte van minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplekken per 100 m² aan bruto vloeroppervlakte. De bedrijfsbebouwing heeft een bruto vloeroppervlakte van ca. 1.700 m² waardoor de parkeerbehoefte minimaal 14 en maximaal 22 parkeerplaatsen bedraagt.

Aan de zijkant van de bedrijfsbebouwing liggen 22 parkeervakken. Bij incidentele drukte kan op de strook erfverharding aan de noordelijke zijde van de bedrijfsbebouwing en op de oprit van de bedrijfswoning geparkeerd worden, waar de erfverharding ruimte biedt voor het parkeren van ca. 18 auto’s. In totaal heeft de beoogde bedrijfslocatie een parkeercapaciteit van ca. 40 auto’s. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de berekende parkeerbehoefte van maximaal 22 auto’s. In de huidige situatie kunnen er aan de achterzijde van de bedrijfslocatie ca. 10 vrachtwagens naast elkaar geparkeerd worden, de overige vrachtwagens, busjes, tractoren en overige voertuigen moeten op overige stukken erfverharding of binnen worden geparkeerd, wat leidt tot een onoverzichtelijke en volle parkeersituatie op het erf. Het tekort aan ruimte heeft tot gevolg dat er te weinig plek is om te manoeuvreren wat bij drukte resulteert in stroperige verplaatsingen, onrust en een verhoogde kans op onveilige situaties. In de beoogde situatie wordt er op de achterzijde van het terrein getankt en kunnen er op de uitbreiding van de erfverharding 21 vrachtwagens worden geparkeerd. In bijlage 8 wordt een inrichtingsschets weergegeven van de stallings- en manoeuvreerruimte en routering op de bedrijfslocatie als de beoogde erfindeling is gerealiseerd.

De optimalisering van de routering draagt bij aan een verbetering van het aspect verkeer en parkeren zowel op als in de omgeving van de planlocatie.

4.11

Volksgezondheid in relatie tot agrarische bedrijven

De gezondheidsrisico’s voor omwonenden van grootschalige veehouderijen zijn onderwerp van maatschappelijke discussies. Omdat er geen gezondheidsrisico’s mogen ontstaan als gevolg van de exploitatie van een veehouderij is dit een van de aspecten die in de voorbereiding op een ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied beschouwd dient te worden. Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling of uitbreiding van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming. In die gevallen is de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ aan de orde. Van een verhoogd risico is in de onderhavige ontwikkeling geen sprake, volledigheidshalve worden aspecten met betrekking tot de volksgezondheid toch beschouwd. Endotoxine Uit verkennend onderzoek naar gezondheidseffecten bij omwonenden van veehouderijen is naar voren gekomen dat een te hoge blootstelling aan endotoxine negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mensen. Op dit moment is er nog geen officiële norm of grenswaarde om de blootstelling aan endotoxine aan te toetsen. Ook is er geen methode vastgesteld om de blootstelling te 40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=14235bf9-79f2-4026-9f7e-515170d05031