Bijlage - Toelichting ontwerpbestemmingsplan Nieuwkuikseweg 5 Helvoirt 18-12-2020 - Bestemmingsplantoelichting
Tekst van het document
bepalen. Wel heeft De Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan, een voorlopige advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m³ (endotoxinen units per kubieke meter lucht). In de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ is een beoordelingskader opgenomen. Hiermee kan aan de hand van fijnstof emissie worden geschat op welke afstand van een bedrijf de advieswaarde van 30 EU/m³ voor de concentratie endotoxine wordt overschreden. De veehouderijen in de omgeving van de planlocatie die fijnstof uitstoten hebben een dermate lage fijnstofemissie dat de planlocatie buiten de richtafstanden met betrekking tot endotoxine valt. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is.
Uit het doorlopen van het stappenplan komt naar voren dat als gevolg van het onderhavige initiatief stap 1 (endotoxine), stap 2 (emissies), 4a (binnen één veehouderij worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden), 4b (de afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter), stap 5a (woonruimte binnen 2 km van geitenhouderij), stap 5b (woonruimte binnen 1 km van pluimveebedrijf), stap 5c (overige veehouderij binnen 250 meter van bebouwde kom), stap 6 (sprake van mestbe- of verwerking) en stap 7 (onrust over de volksgezondheid) met ‘nee’ worden beantwoord. In stap 3 en 3a wordt mogelijke geurbelasting getoetst aan grenzen voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat. Door het ontbreken van intensieve veehouderijen met grote geuremissies in de omgeving van de planlocatie is de geurbelasting op de planlocatie niet berekend waardoor formeel gezien geen antwoord gegeven kan worden op stap 3 en 3a. Er wordt echter met zekerheid aangenomen dat het aspect geur geen reden vormt om een advies op te vragen bij de GGD ter uitvoering van het voorliggende plan. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet.
Zoals ook is geconcludeerd in het doorlopen van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) liggen binnen 2 kilometer van de planlocatie geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd risico met betrekking tot de volksgezondheid. Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van bedrijfswoning aan Nieuwkuikseweg 5 liggen geen gronden waarbij mogelijk sprake is van een spuitzone met gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan. Voor het realiseren van een nieuwe erfindeling met een uitbreiding van de stallingsmanoeuvreerruimte zijn de gezondheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied beschouwd. Uit de beschouwing wordt geconcludeerd dat er geen gezondheidsrisico’s bestaan ter plaatse van de planlocatie. Voor het onderhavige initiatief vormt het aspect volksgezondheid geen belemmering.
4.12
Kabels en leidingen
Kabels en leidingen kunnen een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van een plan. Binnen het plangebied, of in de directe omgeving daarvan, zijn geen kabels of leidingen aanwezig die een dergelijke belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen plannen. Voor aanvang van graaf- en bouwwerkzaamheden zal een klic-melding worden gedaan.
41
4.13
M.e.r. beoordeling
Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage (MER). Een milieueffectrapportage en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. In het Besluit Milieueffectrapportage komen geen categorieën voor die overeenkomen met een transport-, loonwerk- en grondverzetbedrijf. Derhalve is het Besluit Milieueffectrapportage niet van toepassing en is een m.e.r.-beoordeling niet van toepassing.
42
5.
Juridische planbeschrijving
5.1
Opbouw bestemmingsplan
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd.
De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
5.2
Toelichting regels
Conform de SVBP dienen de regels te bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Tevens is de opbouw en volgorde van de diverse artikelen grotendeels voorgeschreven in de SVBP. De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Nieuw ten opzichte van het bestemmingsplan “Buitengebied Haaren” zoals vastgesteld op 7 september 2011, zijn specifieke functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – stallings- en manoeuvreerruimte’, ‘geluidwal’ en ‘specifieke vorm van bedrijf - tankplaats’. Hiermee worden de gewenste nieuwe functies planologisch toegelaten en wordt daarnaast de locatie waar deze functies mogen worden uitgeoefend planologisch vastgezet.
5.3
Toelichting verbeelding
Als basis voor onderhavig plan wordt de verbeelding van het vigerende planologische regime (bestemmingsplan “Buitengebied Haaren”) gehanteerd. Hierbij worden enkel de aanpassingen doorgevoerd die betrekking hebben op het voornemen, te weten het aanbrengen van functieaanduidingen (voor het planologisch vastzetten en goedkeuren van de stallings- en manoeuvreerruimte, de geluidwal en de tankplaats). De begrenzing van het plangebied betreft enkel de bedrijfsbestemming aan de Nieuwkuikseweg 5 met het daarachter gelegen vlak met enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2’. De onderliggende enkelbestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden 2’ 43
blijven gehandhaafd, evenals de dubbelbestemming ten behoeve van archeologie en de gebiedsbestemming ten behoeve van het verwevingsgebied en de functieaanduiding ten behoeve van ‘specifieke vorm van bedrijf - 02’. Door de keuze van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding, in combinatie met de bijbehorende regels, wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
44
6.
Uitvoerbaarheid en procedure
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De voorgestane ontwikkeling aan de Nieuwkuikseweg 5 te Helvoirt betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefneemster. De eventuele gemeentelijke kosten worden verhaald via het in rekening brengen van leges. Er zijn geen financiële consequenties van het plan voor de gemeente Vught. Dit zal worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin wordt opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefneemster. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd, er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en er geen sprake is van locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) is bovendien geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een planvoornemen. Een ruimtelijke ontwikkeling heeft invloed op zijn directe omgeving en daarom is het van belang deze omgeving te betrekken in de procedures. Een dialoog tussen de initiatiefneemster en zijn omgeving is een belangrijk aspect van de planvorming geweest. Omwonenden en belanghebbenden hebben op 9 oktober 2019 deelgenomen aan het omgevingsdialoog. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn wijzigingen doorgevoerd in het ontwerp van de geluidwal. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in bijlage 10. Procedure algemeen In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken provincie en waterschap. Naast provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel, heeft ook vooroverleg plaatsgevonden met gemeente Vught (als ontvangende gemeente na de herindeling van gemeente Haaren na 31 december 2020) en Brabant Water. In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de diverse vooroverlegreacties van de betrokken instanties. De formele vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan vindt vervolgens plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Hierbij wordt o.a.
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard, met een aantal aanvullende procedurevereisten. Het (ontwerp)plan wordt ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken omtrent het plan. Na behandeling van de eventueel ingebrachte zienswijzen dient de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging te beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Na vaststelling wordt het besluit bekend gemaakt en het plan wederom voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan daags na de inzagetermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Zienswijzen De resultaten van de inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
45
46
7.
Conclusie en afweging
Het onderhavige initiatief tot herbestemming van het agrarische terrein en het verplaatsen van de tankplaats op het terrein van Van Kuijk Holding B.V. is beoordeeld op de eisen van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en hieruit is gebleken dat het initiatief aan alle vereisten voldoet. Het onderhavige initiatief heeft niet alleen een verbetering van de verkeerssituatie en optimalisatie van de bedrijfsvoering tot gevolg, er is ook rekening gehouden met de omgeving door het woon- en leefklimaat van omwonenden te betrekken in de planvorming. In de beoogde situatie worden maatregelen getroffen om een verbetering van het woon- en leefklimaat te creëren, onder andere door een geluidwal te plaatsen. Uit het akoestisch onderzoek, het nulsituatie bodemonderzoek en het luchtkwaliteitsonderzoek is gebleken dat er wordt voldaan aan de eisen van een goed woon- en leefklimaat. Ook is het onderhavige initiatief getoetst aan geldende sectorale wet- en regelgeving en hieruit is gebleken dat er geen milieu planologische belemmeringen zijn. Vanwege het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief vanuit het gemeentelijke ruimtelijke belang, het belang van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en uit oogpunt van milieu planologische wet- en regelgeving is aangetoond.
47
8.
Bijlagen
Bijlage 1 – Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek Bijlage 3 – Luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 4 – Verantwoording groepsrisico en advies veiligheidsregio Bijlage 5 – Rapport verkennend bodemonderzoek Bijlage 6 – Rapport archeologisch onderzoek Bijlage 7 – Rapport ecologische verkenning Bijlage 8 – Inrichtingsschets stallings- en manoeuvreerruimte en routering Bijlage 9 – AERIUS berekeningen en onderbouwing Bijlage 10 – Verslag omgevingsdialoog
48