CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting Helvoirtsestrtaat

Raadsvergadering 16 mei 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan `Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt'32.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Indien alle 7 stappen positief kunnen worden doorlopen kan het aspect volksgezondheid door veehouderijen als ruimtelijk aanvaardbaar worden beoordeeld. •

Stap 1: Beoordeeld dient te worden of voldaan wordt aan de endotoxine-afstanden voor varkens- en pluimveehouderijen op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0. In de directe omgeving (> 200 m) zijn geen varkens- en pluimveehouderijen aanwezig. Zoals voorgaand toegelicht wordt voldaan aan de adviesafstanden ten aanzien van endotoxinen.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

39

• •

•

• •

•

•

Stap 2: De ontwikkeling is gericht op de oprichting van twee burgerwoningen en leidt dus zelf niet tot een toename in de emissies voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a: Geur dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader. Na de ontwikkeling worden de beoogde woningen mogelijk onderdeel van de bebouwde kom. Hiervoor geldt een percentage geurgehinderden van 12% (voor dieren met geuremissiefactor), wat overeenkomt met een maximale achtergrondbelasting van 10 OUE/m3. Zoals volgt uit Afbeelding 15 is de (achtergrond)geurbelasting kleiner dan 3 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 100 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op meer dan 300 meter. Stap 3b: Geur dient vervolgens getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- een leefklimaat, aan de hand van een strengere gezondheidskundige advieswaarde. Dit is voor dieren met geuremissiefactor in de bebouwde kom 12% geurgehinderden en komt dan overeen met een achtergrondbelasting van 5 OUE/m3. Zoals volgt uit Afbeelding 15 is de (achtergrond)geurbelasting kleiner dan 3 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarde.

Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 100 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op meer dan 300 meter. Aan de gestelde afstand wordt dus voldaan. Stap 4a: Niet van toepassing. Getoetst dient te worden of indien er sprake is van een veehouderij, of er meerdere diersoorten bedrijfsmatig worden gehouden. Stap 4b: Niet van toepassing, getoetst dient te worden of de onderlinge afstand tussen varkens- en pluimveehouderijen niet minder dan 100 meter bedraagt. Varkens- en pluimveehouderijen zijn binnen 200 meter afwezig. Stap 5a, b en c: Niet van toepassing daar het geen ontwikkeling van een veehouderij betreft. Indien desondanks aan deze stap wordt getoetst dan geldt voor geitenhouderijen een minimale afstand van 2 kilometer (stap 5a). Voor pluimveebedrijven geldt een afstand van 1 kilometer (stap 5b) en voor overige veehouderijen 250 meter (stap 5c). Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 2017-2024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGOIII de onderzoeksresultaten geactualiseerd.

Voor de periode 2017-2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten wordt (in overleg met de GGD) in beginsel een toetsafstand van 500 meter (in plaats van 1 kilometer) voor pluimveehouderijen gehanteerd. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen op circa 460 meter tot de rand van onderhavig plangebied. Bij de beoordeling vindt o.a. een samenspel van fijn stof, endotoxinen, type veehouderij en cumulatie van meerdere bedrijven plaats. Tussen de planlocatie en de desbetreffende pluimveehouderij ligt het bedrijventerrein en een deel van de bebouwde kern van Helvoirt. Er is dan ook geen rechtstreekse open verbinding tussen de planlocatie en het bedrijf. Bovendien is de planlocatie gelegen uit de overheersende windrichting ten opzichte van deze pluimveehouderij. En zoals voorgaand toegelicht wordt de endotoxine-afstand tot dit bedrijf ruimschoots behaald. De intensieve veehouderijendichtheid in het gebied is laag, mede door de ligging in de kernrand van Helvoirt. Gelet op een combinatie van voornoemde factoren wordt geen onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico verwacht. Er zijn geen geitenhouderijen binnen 2 kilometer afstand. En er zijn geen overige veehouderijen binnen 250 meter.

Stap 6: Niet van toepassing, er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

40

• •

Stal 7: Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: Advisering door GGD wordt niet geadviseerd.

Het plangebied ligt op ruime afstand tot veehouderijen. De ontwikkeling behelst de realisatie van twee woningen in de kernrand van Helvoirt en heeft geen betrekking op een risicobevolkingsgroep. De veehouderijendichtheid in het gebied is relatief laag. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Het nieuwbouwplan voor de ruimte-voor-ruimtewoningen aan de Helvoirtsestraat is bezien vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid dus aanvaardbaar. Geurbelasting (achtergrondbelasting geur) Op 15 mei 2019 is de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2019 gemeente Haaren’ in werking getreden. Deze beleidsregel is tot stand gekomen op basis van de ‘Geurgebiedsvisie 2019 gemeente Haaren’. Deze beleidsregel dient te worden toegepast bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven en plannen en betreft een vertaling van het criterium ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect (cumulatieve) geurhinder uit stallen van veehouderijen (voor- en achtergrondbelasting). De van toepassing zijnde streef- en toetswaarden uit deze gemeentelijke beleidsregel zijn opgenomen in Tabel 4.

Per gebied kan een onderverdeling worden gemaakt in de volgende categorieën: • Goed: het woon- en leefklimaat voldoet aan de streefwaarde voor de achtergrondbelasting en is gezien de functie passend; • Afweegbaar: het woon- en leefklimaat is gezien de functie niet optimaal en verdient daarom aandacht. De geurbelasting licht dichter bij de grenswaarde dan bij een ‘goede’ geursituatie. De geursituatie wordt hier als redelijk beschouwd. Het toevoegen van een nieuw geurgevoelig object in een afweegbare situatie, of uitbreiding van een bouwvlak van een veehouderij, behoeft een nadere motivering; • Niet aanvaardbaar / slecht: het woon- en leefklimaat is gezien de functie niet aanvaardbaar. Voorkomen moet worden dat geurgevoelige objecten hierin terecht komen. Het is niet toegestaan om nieuwe geurgevoelige objecten in een niet aanvaardbare geursituatie toe te staan. Ook mogen veehouderijen niet uitbreiden als er daardoor meer objecten in een slechte geursituatie komen. Bij het beoordelen van ruimtelijke plannen en initiatieven worden, met het oog op de beantwoording van de vraag of er ten gevolge van de geuremissie uit stallen van veehouderijen al dan niet sprake is van ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’, navolgende waarden gehanteerd als toetswaarden ter plaatse van geurgevoelige objecten.

Bij deze beoordeling wordt alleen gerekend met de emissie van de dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij een emissiefactor is vastgesteld. Tabel 4: Toets- en streefwaarden geurbelasting veehouderijen, gemeente Haaren

Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘goed’, dan zijn er vanuit het deelaspect geurbelasting geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. Er is tevens sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de geursituatie ter plaatse van het geurgevoelige object ‘afweegbaar’ is en de afweging positief uitvalt.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

41

Als de geursituatie gekwalificeerd wordt als ‘slecht’, dan is in beginsel geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien, met uitzondering van de toetswaarde in deze beleidsregel, de beoordeling van de overige milieu- en planologische aspecten wel positief uitvalt, kan overwogen worden om bij wijze van uitzondering gemotiveerd van deze toetswaarde af te wijken. Tevens moet dan worden aangetoond dat het voornemen geen onevenredige beperkingen oplevert voor de omliggende percelen en bedrijvigheid. In het geval van bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij zijn vastgesteld, worden de hieronder genoemde afstanden gehanteerd als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de afstand van alle overige veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld tot een geurgevoelig object tenminste bedraagt: • 100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. • 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. In Afbeelding 14 is een uitsnede bijgevoegd van de geurkaart van de achtergrondbelasting (peildatum 01-01-2018). Deze kaart is onderdeel van de geurgebiedsvisie ten behoeve van de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren’.

Uit deze kaart volgt dat de achtergrondbelasting ter plaatse is aan te merken als ‘Goed’ (achtergrondbelasting < 5 OU E/m3). Ook conform Tabel 4 betreft dit een achtergrondbelasting die aan te merken is als ‘Goed’. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit het aspect geurbelasting ten gevolge van veehouderijbedrijven. Binnen 300 meter zijn geen veehouderijen aanwezig, dus ook de gestelde vaste afstanden worden behaald. In Afbeelding 15 is een uitsnede bijgevoegd van de kaart met een weergave van de achtergrondbelasting van geur ten gevolge van veehouderijbedrijven, als opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Het betreft het kaartbeeld van maart 2022. Uit de kaart volgt dat de achtergrondbelasting in het plangebied kan worden aangemerkt als ‘Zeer goed’ (0 – 3 OUE/m3). Vanuit het deelaspect geurbelasting zijn geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijk initiatief. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op dit onderdeel.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

42

Afbeelding 14: Uitsnede kaart Geurgebiedsvisie Haaren 2019, achtergrondbelasting peildatum 01-01-2018. Planlocatie globaal rood omcirkeld weergegeven.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

43

Afbeelding 15: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur veehouderijbedrijven, ODZOB, maart 2022. Planlocatie globaal rood omcirkeld weergegeven.

4.4

Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen

Doordat het plangebied is gelegen in het buitengebied is het in het kader van het aspect volksgezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift (het verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen tot buiten de perceelsgrenzen door wind). Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen. Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hieromtrent dient door het bevoegd gezag een ruimtelijke afweging te worden gemaakt. Ten aanzien van spuitzones wordt daarom normaliter in beginsel uitgegaan van een veiligheidsafstand van 50 meter (vuistregel) tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en gevoelige objecten (woningen). Uit het rapport ‘Gewasbescherming en omwonenden’ van de Gezondheidsraad van 29 januari 2014 blijkt dat op dit moment nog geen

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

44

toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. De onderzoekscommissie vermoedt bovendien dat het risico voor omwonenden laag zal zijn ten opzichte van het risico voor beroepsmatig blootgestelden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden.

Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, mei 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75% (DRT 75), de aan te houden afstand (in een open veld toestand) reeds verkleind worden tot circa 30 meter (in plaats van 50 meter). Afstanden en risico’s op drift kunnen bovendien verder worden verkleind door de toepassing van windhagen of houtwallen, een verdergaande driftreducerende techniek, een ander type teelt of een andere spuittechniek. Wanneer er sprake is van oppervlaktewater langs een boomgaard moet op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer een driftreducerende techniek met een driftreductie van minstens 90% (DRT 90) worden toegepast. De bestemming van de landbouwpercelen kan de teelt van akkerbouwgewassen, grasland, boomteelt of fruitteelt zijn. Als de bestemming fruitteelt ingevuld wordt, is de drift van gewasbeschermingsmiddelen hoger dan wanneer boomteelt of akkerbouw plaatsvindt. Drift in de fruitteelt is door de aard van de bespuitingen (opwaarts en zijwaarts gericht) en door de hoge spuitfrequentie, het meest intensief van alle teelten. Bij laanbomenteelt wordt ook op- en zijwaarts gespoten, maar minder intensief. In bijvoorbeeld de lage bomenteelt wordt voornamelijk neerwaarts gespoten.

Deze spuittechniek (neerwaarts gericht spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht, dan op- of zijwaartse bespuitingen. In het voornoemde rapport is aangegeven dat het middel ‘Captan’ in de fruitteelt maatgevend is voor de beoordeling van drift. Bij de minimaal aan te houden afstanden ten aanzien van Captan, zullen zich ook geen overschrijdingen voordoen bij andere stoffen die worden toegepast. Dit middel mag bovendien jaarrond worden toegepast, dus ook in de ‘kale boom’-situatie. Uit het rapport, en met de voorgeschreven driftreductie van 75%, kunnen de benodigde afstanden herleid worden, als opgenomen in Tabel 5. Dit betreft dus een ‘worst case’ situatie, als van toepassing bij het zwaarste (meest toxische) middel in de fruitteelt. Tabel 5: Benodigde afstand vanaf de laatste bomenrij (m) om voor de stof Captan geen overschrijding van het dermale blootstellingseindpunt te krijgen.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

45

In onderhavig plan worden twee nieuwe woningen opgericht. Het plangebied grenst enkel in noordwestelijke en noordoostelijke richting aan landbouwpercelen. Deze gronden zijn in gebruik voor akkerbouw (maïs of gras), en dus niet voor fruit- of boomteelt. In noordwestelijke richting vanaf de voorgenomen woningbouwkavels is een plandeel aan het plangebied toegevoegd waar de agrarische bestemming behouden blijft. Dit plandeel heeft een breedte van meer dan 30 meter vanaf de groenstrook (knip- en scheerheg met bomenrij van landschapsbomen) ten noorden van de woningen (het betreft circa 70 meter). Deze afstand is voldoende (≥ 30 meter), zoals volgt uit Tabel 5. Aan dit plandeel zal de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’ worden toegekend. Aan deze aanduiding worden vervolgens gebruiksregels gekoppeld om te voorkomen dat er sprake is van onaanvaardbare risico’s door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Enkel onder voorwaarden is hier de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. Bovendien zal ook de voorziene groenstrook reeds in belangrijke mate bijdragen aan het tegengaan van eventuele drift. In noordoostelijke richting is tevens sprake van landbouwgronden. Echter, tussen de woonkavels en deze gronden wordt in het plangebied een groenstrook opgericht van 20 meter. Op deze groenstrook wordt o.a.

een natuurlijk beheerde fruitboomgaard (dus niet een agrarisch bedrijfsmatige fruitboomgaard) aangelegd, met een onderbegroeiing van kruidenrijk grasland. Deze zone en de aanwezige beplanting zal reeds in belangrijke mate zorgen voor het tegengaan van drift. Daarnaast wordt op de achterste rand van deze groenzone een sloot gerealiseerd als natuurlijke barrière tussen deze ontwikkeling en de achtergelegen landbouwgronden (en voor de infiltratie en berging van hemelwater ten gevolge van nieuwe bebouwing en verharding). Wegens aanwezigheid van deze sloot is op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een driftreductie van 90% voorgeschreven. Deze groenzone heeft zelf reeds een breedte van 20 meter. Daarnaast dient ook een spuit- en teeltvrije zone gerespecteerd te worden op de landbouwgrond tot aan de sloot. Verder liggen de geplande woningen uit de overheersende windrichting (dus uit de wind) ten opzichte van deze landbouwgronden. Gelet op het bovenstaande wordt een voldoende afstand gerespecteerd om onaanvaardbare risico’s ten gevolge van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten. In het plan is dus gekozen voor een functieaanduiding met beperkingen voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is de aanleg en de instandhouding van de groenstroken met een voorwaardelijke verplichting geborgd in de planregels.

Hierdoor is er geen sprake van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s ten gevolge van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Het planvoornemen wordt ten aanzien van dit aspect aanvaardbaar geacht.

4.5

Geluid: wegverkeerslawaai en spoorweglawaai

Onderzocht dient te worden of het plangebied is gelegen in een wettelijke onderzoekszone voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Indien nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze zones worden opgericht dient te worden onderzocht of wegverkeerslawaai en spoorweglawaai kan voldoen aan de wettelijke normstelling voor geluid en of er hiertoe sprake is van een ruimtelijke aanvaardbaarheid. Wettelijk kader wegverkeerslawaai Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; • De aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; • Functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

46

De onderzoekszone voor wegen is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen, zie hiertoe Tabel 6. Tabel 6: Onderzoekszones Wet geluidhinder

Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming (zoals woningen) binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Wettelijk kader spoorweglawaai De omvang van de geluidzone (het planologisch aandachtsgebied) langs een spoorweg is afhankelijk van het feit of de spoorweg is aangegeven op de geluidplafondkaart of de zonekaart. Spoorweg aangegeven op de geluidplafondkaart Voor spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart wordt in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder de omvang van de geluidzone geregeld. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Tot de zone behoort de ruimte aan weerszijden van de spoorweg, alsmede de ruimte onder en boven de spoorweg. Artikel 1.4a, lid 1, van het Besluit geluidhinder houdt in dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart, een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf, als aangegeven in onderstaande tabel, afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond op het betrokken referentiepunt. Tabel 7: Breedte van de geluidzones langs spoorwegen

Spoorweg aangegeven op de zonekaart Een spoorweg die is aangegeven op de kaart als bedoeld in artikel 106 eerste lid, van de Wet geluidhinder, heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte aan weerszijden van de spoorweg. Deze afstand wordt gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. De ruimte boven en onder de spoorweg behoort conform artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder tot de zone. In de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder is de zonekaart als bedoeld in artikel 106 van de Wet geluidhinder opgenomen. De zonebreedte varieert van 25 tot maximaal 100 meter. Akoestisch onderzoek De geprojecteerde woningen aan de Helvoirtsestraat ongenummerd te Helvoirt zijn gelegen binnen de geluidzone van de wegen Helvoirtsestraat, de Industrieweg en de Sterrennacht. Alleen een gedeelte van de Helvoirtsestraat is een zoneplichtige weg. Het overige gedeelte van de Helvoirtsestraat, de Sterrennacht en de Industrieweg zijn 30 km/h wegen. Tevens is het plangebied gelegen binnen de geluidszone van de spoorlijn Tilburg-Nijmegen.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

47

Door de ligging van het plangebied binnen de geluidszones voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Gbs Milieuadvies. Dit onderzoek is in volledigheid bijgevoegd in Bijlage 6. Navolgend worden de belangrijkste conclusies samengevat weergegeven. Formele toets Doelstelling is het doorlopen van een bestemmingsplanherziening voor de oprichting van twee woningen. Hiertoe is de geluidbelasting bepaald op de nieuw te realiseren woningen als gevolg van de geluidrelevante wegen/spoorweg en getoetst aan de geldende geluidsnormen. Aangetoond dient te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. De geprojecteerde woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de Helvoirtsestraat, de Industrieweg en de Sterrennacht en de spoorlijn Tilburg (Tilburg richting Nijmegen). De omliggende wegen, waaronder een gedeelte van de Helvoirtsestraat, de Sterrennacht en de Industrieweg hebben een snelheidsregime van 30 km/uur. Wegen waarvoor een dergelijk snelheidsregime geldt, vallen niet onder de Wet geluidhinder. Voor deze wegen kan dus geen hogere grenswaarde worden aangevraagd of verleend, aangezien de Wgh op deze wegen niet van toepassing is. •

•

Wegverkeerslawaai: De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh wordt vanwege de zoneplichtige wegen nergens overschreden. Het vaststellen van hogere waarden is dan ook niet noodzakelijk. Spoorweglawaai: De voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor spoorweglawaai wordt evenmin overschreden.

Omdat de voorkeursgrenswaarden niet overschreden worden, betekent dat in onderhavige situatie de cumulatieve geluidbelasting, als bedoeld in artikel 110f Wgh, niet bepaald hoeft te worden. Echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting volledigheidshalve alsnog bepaald voor alle gemodelleerde wegen en de spoorlijn. De conclusies hieromtrent worden navolgend opgesomd. Goede ruimtelijke ordening Aanvullend op de formele toetsing aan de Wet geluidhinder (als voorgaand opgenomen), is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld of de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied nabij een 30 km/uur weg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai van 48 dB. Derhalve zijn de geluidbelastingen van deze wegen in het akoestisch onderzoek alsnog getoetst aan de voorkeursgrenswaarde. Alleen voor de Helvoirtsestraat (niet gezoneerde gedeelte Helvoirtsestraat 30 km/h) geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg, inclusief correctie, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat is tevens inzicht in de gecumuleerde geluidbelasting noodzakelijk van zowel alle relevante wegen, de 30 kilometer per uur wegen en de spoorlijn.

Bij de gecumuleerde geluidbelasting worden in dit geval alle relevante wegen (inclusief 30 kilometer per uur wegen) en de spoorlijn betrokken. Bij het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat is de aftrek conform artikel 3.4 Rmg2012 niet meegenomen. Volgens het Bouwbesluit dient de karakteristieke geluidwering van de gevel GA;K voor verblijfsgebieden in een woning minimaal de in het vastgestelde hogere-waardenbesluit opgenomen hoogst toelaatbare geluidbelasting minus 33 dB te bedragen. Verder wordt ervan uitgegaan dat een gevel bij een normale bouwkundige opzet aan de minimaal vereiste GA;K van 20 dB voldoet, waardoor er bij een geluidbelasting die groter is dan 53 dB derhalve een aanvullend onderzoek nodig is ter bepaling van de geluidwering van de gevel.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

48

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh voor de zoneplichtige wegen en de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor de spoorlijn worden nergens overschreden. Dit betekent dat in onderhavige situatie de cumulatieve geluidbelasting, als bedoeld in artikel 110f Wgh, niet bepaald hoeft te worden. Formeel gezien is nader onderzoek van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk. Ter plaatse van het plangebied is er dus geen sprake van een formele overschrijding van de voorkeursgrenswaarden. De gecumuleerde geluidbelasting, inclusief niet gezoneerde wegen en exclusief aftrek, vermeerderd met het geluid van de spoorlijn bedraagt in onderhavige situatie maximaal 58 dB ter plaatse van de voorgevel (zuidgevel) van woning 1 en 59 dB ter plaatse van de voorgevel (zuidgevel) van woning 2. Ondanks dat hier voldaan wordt aan de wettelijke verplichtingen, kan gekozen worden voor aanvullende maatregelen (zoals gevelwering, of afscherming door onderlinge situering van gebouwen) om de geluidbelasting in de woningen te verlagen en het woonen leefklimaat te verbeteren. De maatgevende geluidbelasting op de gevels van de woningen is afkomstig van een nietzoneplichtige weg overeenkomstig de Wet geluidhinder. Zoneplichtige wegen zijn in de Wet geluidhinder gedefinieerd als wegen met een snelheid van meer dan 30 km/uur.

Niet zoneplichtige wegen hoeven niet getoetst te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Met betrekking tot de benodigde geluidwering van de gevel geeft het Bouwbesluit aan dat deze minimaal 20 dB moet zijn. Een geluidwering van 20 dB wil dus niet automatisch zeggen dat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als de geluidsbelasting vanwege een 30 km/u-weg (niet zoneplichtig) hoger is dan 53 dB, dan wordt met een geluidwering van 20 dB niet voldaan aan het aanvaardbare binnenniveau van 33 dB (overeenkomstig artikel 3.3 van het Bouwbesluit). Om in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen vanwege het wegverkeerslawaai van 33 dB is een karakteristieke geluidwering nodig van minimaal 26 dB. Het Bouwbesluit 2012 borgt deze karakteristieke geluidwering niet voldoende. Voor dit plan is artikel 3.2 van het Bouwbesluit van toepassing. Dit artikel geeft aan dat de nieuwe woningen minimaal een karakteristieke geluidwering moeten hebben van 20 dB. Derhalve worden aanvullende planregels opgenomen om te borgen dat voor de woningen een afdoende karakteristieke geluidwering wordt toegepast en daarmee in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (binnenniveau maximaal 33 dB) wordt behaald.

4.6

Waterhuishouding

Waterhuishoudkundige aspecten zijn een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is dan ook wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Hierin is bepaald dat een plan een waterparagraaf dient te bevatten, waarin de keuzes ten aanzien van water gemotiveerd worden. Daarnaast dient ook de waterbeheerder om een advies te worden gevraagd. Beleid Waterschap De Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt.

De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

49

een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. • Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.

Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij: • Van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • Van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Naast het waterbeheerprogramma heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur Waterschap De Dommel 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. Keur De waterschapsdoelen zijn doorvertaald in beleidsregels, waaronder de Keur. De drie NoordBrabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk besloten om de Keuren te uniformeren en te dereguleren. De nieuwe uniforme keuren zijn in werking getreden op 1 maart 2015. In de Keuren zijn diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten.

Een ander zeer belangrijk en vaak ruimtevragend aspect betreft de verplichting om zorgvuldig om te gaan met neerslag afkomstig van een toename van verhard of bebouwd oppervlak of door het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Per 26 maart 2021 is de laatste partiële herziening van

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

50

de Keur en de Algemene Regels van Waterschap de Dommel in werking getreden. Een watervergunning is noodzakelijk, tenzij: • De waterparagraaf van het bestemmingsplan, na 1 januari 2019, de schriftelijke instemming heeft verkregen van Waterschap de Dommel en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of voor zover: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of • De toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is, en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Er moet dan een voorziening worden getroffen met een minimale retentiecapaciteit, conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor kan 1, ½, of ¼ bedragen en is aangeduid op de kaart ‘Algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’, toebehorende aan de Keur (zie Afbeelding 18 voor de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied).

Daarnaast zijn een aantal voorschriften gesteld aan nieuwe retentievoorzieningen, zoals dat de bodem boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen (zie Afbeelding 19 voor de GHG ter plaatse van het plangebied), er een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater plaatsvindt (diameter 4 cm) en er sprake dient te zijn van een overloopconstructie. De gevoeligheidsfactor wordt niet toegepast bij toenames van verharde oppervlaktes groter dan 10.000 m2. Dan wordt immers gerekend met een benodigde bergingscapaciteit van 600 m3/hectare toename verhard oppervlak. Uit de Keurkaart, zie Afbeelding 16, volgt dat het plangebied gelegen is binnen ‘attentiegebied’ en binnen ‘invloedsgebied Natura 2000’. Attentiegebieden zijn de beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rondom de natte natuurparels. Deze gebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De ‘invloedsgebieden Natura 2000’ zijn de gebieden rond Natura 2000-gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet per definitie kan worden uitgesloten.

Het betreft hier een uitgestrekt gebied (circa vanaf Moergestel tot aan Vught) Binnen deze genoemde beschermingsgebieden gelden in hoofdzaak vergunningplichten en regels indien er sprake is van bijvoorbeeld grondwateronttrekking of drainage. Voorliggend initiatief behelst echter geen grondwateronttrekking of drainage. Tevens vinden er geen andere relevante handelingen plaats in het watersysteem (gericht op onttrekkingen van grondwater of anderszins beïnvloeden van de grondwaterstand). Derhalve is de ligging binnen dit invloedsgebied en het attentiegebied niet relevant voor het voornemen. Blijkens de kaart ‘Algemene regels versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’ is de gevoeligheidsfactor in het plangebied 1. Deze gevoeligheidsfactor wordt toegepast bij de rekenregels voor eventuele benodigde waterberging. Uit de Keurkaart en de Leggerkaart, zie Afbeelding 17, volgen tevens de aanwezige watergangen en overige voorzieningen met een hydrologische functie. Ten zuiden van het plangebied is tussen de Helvoirtsestraat en het plangebied een bestaande A-watergang aanwezig. Deze A-watergang eindigt op circa 15 meter voor de zuidoostelijke rand van het plangebied. In deze A-watergang zijn reeds ter hoogte van het plangebied een aantal duikers aanwezig. Boven deze duikers zijn in- en uitritten aanwezig ter ontsluiting van het aanwezige landbouwperceel.

In de zuidoostelijke hoek van het plangebied is de A-watergang niet meer aanwezig en hier kan ook het perceel worden bereikt. Met de bestaande inritten met duikers kunnen ook de nieuwe woningen worden ontsloten. De aanwezigheid van deze A-watergang heeft dus geen concrete gevolgen voor het planvoornemen. Deze A-watergang kan ten behoeve van het planvoornemen ongewijzigd worden behouden.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

51

Ter plaatse van de voorgenomen bouwplannen zijn voor het overige geen relevante watergangen aanwezig. Hieruit volgen dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het woningbouwplan. Beleid gemeente Vught Het beleid van gemeente Vught voor het aspect water is opgenomen in het ‘Programma water en riolering, 2022 – 2026 – Op weg naar een waterrobuust en klimaatbestendig Vught’ d.d. 14 december 2021. In het ‘Programma water en riolering’ wordt de koers uitgezet om een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente te realiseren. Het beschrijft de uitdagingen die er zijn, wat op korte en lange termijn beoogd wordt om te realiseren, hoe dat gaat gebeuren en hoe dit zo duurzaam mogelijk gefinancierd kan worden vanuit de rioolheffing. In het programma zijn 3 speerpunten geformuleerd: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. 2. Continueren integraal samenwerken. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. De gemeentelijke ambitie met betrekking tot een waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving is om (binnen de reikwijdte van de gemeentelijke watertaken) de bijdragen te continueren aan klimaatthema’s van wateroverlast, droogte, hittestress en aan biodiversiteit. Dit doet de gemeente door meekoppelkansen te benutten en belanghebbenden bij elkaar te brengen.

De gemeente Vught heeft een hemelwaterverordening, de ‘Waterafvoerverordening Vught 2022’ opgesteld, waarmee de gemeente een instrument heeft om de bebouwde omgeving waterrobuust in te richten. Deze verordening is in werking getreden d.d. 24 juni 2022. Deze verordening bevat een verbod om vanaf nieuwe bouwwerken, of nieuwe verharde oppervlakten hemelwater te lozen op de openbare riolering of openbaar terrein. Dit moet op het eigen perceel worden verwerkt. Blijkens het ‘Programma water en riolering’, streeft bij een toename van verhard oppervlak groter dan 100 m2 als gevolg van nieuwbouw of herontwikkeling (inclusief slopen van perceel of pand) de gemeente naar een volledige compensatie van 60 mm waterberging per m 2 aan verharding in het betreffende plangebied. Daarbij wordt in lijn met de Brabant Keur van de Brabantse Waterschappen de gevoeligheidsfactor gehanteerd, die rekening houdt met de geohydrologische kenmerken van de bodem. Bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 100 en 10.000 m 2 wordt derhalve de voornoemde rekenregel voor hemelwaterberging gehanteerd, zoals opgenomen in de Keur. Een uitzondering voor compensatie wordt gemaakt voor bijvoorbeeld een groen dak inclusief waterbergende functie (deze wordt niet als verhard beschouwd). De waterbergingsopgave dient op eigen terrein of binnen het plangebied opgelost te worden.

Een (ondergrondse of bovengrondse) voorziening dient tenminste een noodoverloop of noodaansluiting op de riolering te hebben richting de openbare ruimte en boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gerealiseerd te worden. Indien niet aan de waterbergingsopgave voldaan kan worden, dient in overleg met de gemeente naar een oplossing gezocht te worden. Toetsing beleid Het plangebied is in de huidige situatie volledig onbebouwd en onverhard. Met het voorliggende plan zal dus extra bebouwing en verharding worden toegevoegd. De oppervlakte aan bebouwing en verharding in de huidige en beoogde situatie is inzichtelijk gemaakt in Tabel 8.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

52

Tabel 8: Oppervlaktes bebouwd en verhard oppervlak huidige en beoogde situatie

Plandeel

Landbouwgrond Woonkavels (uitgangspunt circa 40 / 45% bebouwd / verhard) Woning 1 (ca 1.500 m2 kavel) Woning 2 (ca 1.750 m2 kavel) Totaal (m2) Toename (m2)

Huidige situatie, verhard / bebouwd oppervlak (m2)

Beoogde situatie verhard / bebouwd oppervlak (m2) (schatting)

0

0

600 – 675 700 - 788 1.300 – 1.500 1.300 – 1.500

Een toename van het bebouwd oppervlak kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven. Deze versnelde afvoer kan wateroverlast benedenstrooms veroorzaken, omdat de piekafvoer toeneemt. Dit effect wordt versterkt wanneer er meerdere van deze ingrepen plaatsvinden die leiden tot een toename van het verhard oppervlak dat afwatert op het oppervlaktewater (cumulatief effect). Zoals volgt uit bovenstaande tabel is er sprake van een toename van het verhard / bebouwd oppervlak. Hierbij is wel gerekend met een praktische overschatting, namelijk dat circa 45% van de nieuwe woonkavels bebouwd, dan wel verhard zal worden. Onder bebouwd en verhard oppervlak wordt hierbij niet verstaan de toepassing van sedum/groendaken, halfverharding, waterdoorlaatbare verharding of hiermee vergelijkbaar. Dit laat flexibiliteit toe bij de keuze van de inrichting van de kavels. Hierdoor kan, door bijvoorbeeld te kiezen voor hemelwater-doorlatende verharding, de te realiseren waterberging worden beperkt.

Uitgangspunt is dat de erfverharding of wel zal worden uitgevoerd in een waterdoorlaatbare verharding, of zodanig worden aangelegd (onder afschot of afvoer via goten / kolken) dat het hemelwater op omliggende eigen gronden (in de tuin) kan infiltreren. De tuin profiteert hier bovendien van: als het regenwater de kans krijgt om het grondwater aan te vullen, is de tuin in droge perioden veel minder kwetsbaar voor verdroging. Er zijn veel types bestratingen denkbaar, waardoor hemelwater blijvend kan infiltreren in de bodem. Indien niet gekozen wordt voor een halfverharding of waterdoorlatende verharding, dient ook voor het verhard oppervlak aanvullend te worden voorzien in hemelwaterberging. Dit is derhalve ter nadere (latere) afweging en civieltechnische uitwerking van het daadwerkelijke bouwplan. Zowel conform het gemeentelijk beleid, als het beleid van Waterschap De Dommel is waterberging benodigd. Op basis van de toe te passen rekenregel en op basis van de geschatte toename van 1.500 m2 bebouwd en verhard oppervlak, betreft het circa 1.500 m2 x 1 x 0,06 = 90 m3. Doelstelling is om aan de achterzijde van de woonkavels een sloot te realiseren. Deze sloot kan worden gebruikt voor de afkoppeling van niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing en verharding, waar deze ter plaatse kan worden geborgd en kan infiltreren.

De voorgenomen sloot zal bovendien zorgen voor een natuurlijke barrière tussen de woonkavels en de achterliggende landbouwgrond. De sloot is onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan en als zodanig middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels. Tevens is in onderhavige planregels een algemene voorwaardelijke verplichting opgenomen dat in het plangebied moet worden voorzien in voldoende hemelwaterberging, conform de rekenregel van het waterschap en de gemeente Vught. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwplan wordt de exacte benodigde omvang van de hemelwaterberging en de exacte uitvoering hiervan bepaald.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

53

De GHG ter plaatse van de voorgenomen sloot is 100 – 120 centimeter onder het maaiveld. De sloot wordt circa 75 meter lang. Uitgaande van een gemiddelde breedte van 1,5 m (bovenbreedte 2,5 m; onderbreedte 0,5 m, talud 1:2) en een gemiddelde diepte van 1,0 m, zorgt dit voor een bergingshoeveelheid van 75 m x 1,5 m3 = 112,5 m3. Afhankelijk van de daadwerkelijke omvang van het bebouwd oppervlak zal de exacte benodigde omvang en de uitvoering van de sloot worden bepaald. Op eigen terrein kan dus worden voorzien in de benodigde waterberging. Door de bodemeigenschappen ter plaatse van het plangebied, het betreft goed doorlatende zandgronden (zie hiertoe bovendien Bijlage 4 en Bijlage 5) is er sprake van een goede infiltratiecapaciteit. In de regels van onderhavig plan is met een voorwaardelijke verplichting geborgd dat op eigen terrein voorzien dient te worden in voldoende hemelwaterberging. Door bij de uitwerking van het bouwplan aan te tonen dat aan het voorgaande wordt voldaan, wordt de ontwikkeling hydrologisch neutraal gerealiseerd. Dit draagt tevens bij aan klimaatadaptatie. Met het voornemen gaan voor het overige geen ingrepen in het watersysteem gepaard. Het planvoornemen heeft dus geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie.

Wel wordt in het nieuwe plan geborgd (middels voorwaardelijke verplichting) dat het hemelwater afkomstig van eigen bebouwing en verharding op eigen terrein wordt verwerkt. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden rioolstelsel (scheiding hemelwater en vuilwaterafvoer) worden aangelegd. De vuilwaterafvoer zal worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel. De hemelwaterafvoer zal afvoeren naar een infiltratievoorziening op eigen terrein. Bij de bouw van de nieuwe woningen en bijbehorende bouwwerken worden, ten behoeve van de waterkwaliteit, geen uitloogbare materialen toegepast, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Gelet op het voorgaande wordt de waterhuishouding gerespecteerd.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

54

Afbeelding 16: Keurkaart beschermde gebieden, ligging plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

Afbeelding 17: Uitsnede Leggerkaart Waterschap De Dommel, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

55

Afbeelding 18: Uitsnede kaart toepassing ‘Algemene regels verhard oppervlak’ (gevoeligheidsfactor) Waterschap De Dommel, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

Afbeelding 19: Uitsnede Grondwaterdynamiekkaart Waterschap De Dommel met weergave Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

56

4.7

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In Bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijnstof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Een ontwikkeling kan op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c uit de Wet milieubeheer worden toegestaan indien aannemelijk kan worden gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten, de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) verslechtert. Een project draagt in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als het een toename veroorzaakt van meer dan 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Overschrijding van de grenswaarden voor de overige genoemde stoffen is in het buitengebied, of in kleine kernen, nagenoeg nooit aan de orde. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (NIBM) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin de uitoefening van bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt.

Blijkens voorschrift 3A.2 van deze regeling worden woningbouwlocaties, in geval van één ontsluitingsweg, die netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, aangemerkt als een toepassing die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Ditzelfde geldt bovendien voor woningbouwlocaties met netto niet meer dan 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met gelijkmatige verkeersverdeling. De voorgenomen woningbouwontwikkeling blijft ruimschoots onder bovengenoemde grenzen en daardoor kan met zekerheid worden gesteld dat het planvoornemen niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het potentieel verslechteren van de luchtkwaliteit. Daarnaast dient ook beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is voor het gebruik van de planlocatie voor woningbouw. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN-kaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten (2020, gegevens 2020) volgt dat ter plaatse van de Helvoirtsestraat ong. te Helvoirt voor PM10 sprake is van een achtergrondconcentratie van 18,96 µg/m3 (18 – 20 µg/m3). Voor NO2 is de achtergrondconcentratie 14,91 µg/m3 (10 – 15 µg/m3).

Voor PM10 en NO2 geldt voor de jaargemiddelde concentratie een grenswaarde van 40 µg/m3. Wat betreft zowel fijnstof als stikstofdioxide wordt dus in het plangebied ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden. In het plangebied is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.8

Natuurgebieden

De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

57

gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand (bijvoorbeeld > 500 meter) van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie.

Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied vanaf de planlocatie Helvoirtsestraat ongenummerd te Helvoirt betreft ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ op een afstand van circa 1,1 kilometer in noordwestelijke richting (zie Afbeelding 20). De gronden in het plangebied worden momenteel gebruikt als landbouwgrond. Dit gebruik gaat o.a. gepaard met de bemesting van gronden ten behoeve van de teelt. Tevens worden deze gronden bewerkt met landbouwwerktuigen. In de beoogde situatie komt dit landbouwkundige gebruik gedeeltelijk te vervallen en worden twee woningen opgericht. Sinds 1 juli 2018 worden nieuw te bouwen woningen niet meer aangesloten op het aardgasnet. Eventuele emissies door het gebruik van de woning zijn daardoor in principe niet meer van toepassing. Derhalve resteren de verkeersbewegingen met lichte motorvoertuigen voor het gebruik van de woningen.

Gelet op de referentiesituatie (het landbouwkundige gebruik) neemt de stikstofdepositie met het voornemen logischerwijs af. Door de aard van de beoogde situatie en de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden (> 1,1 kilometer) kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, reeds met zekerheid worden uitgesloten. In de gebieden zijn geen effecten merkbaar vanuit de planlocatie. Om dit ook voor stikstofdepositie te kunnen bevestigen is hiervoor (voor zowel de gebruiksfase, als de aanlegfase) een berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd. Deze berekeningen zijn in volledigheid toegelicht en bijgevoegd in Bijlage 7. Uit de berekening met AERIUS Calculator van de beoogde situatie (gebruiksfase) volgt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Ditzelfde geldt tevens voor de aanlegfase. Bovendien door de aard van het voornemen, de ligging van de locatie en de afstand (>1,1 km) kunnen ook overige potentiële effecten op de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Het plan heeft dus geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

58

Afbeelding 20: Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden. Plangebied globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: Aerius Calculator)

4.9

Flora en fauna

Het soortenbeschermingsregime is eveneens gereguleerd in de Wet natuurbescherming. Dit beschermingsregime is o.a. afkomstig uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien is voor de soortenbescherming wettelijk rechtstreeks verwezen naar de hiervoor relevante Europese verdragen, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld, of een project doorgang vinden, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’

59

Ten behoeve van het voorgenomen plan is een quickscan flora&fauna uitgevoerd door Ijzerman Advies. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 8. Voor de volledige inhoud wordt naar deze rapportage verwezen. Navolgend worden de onderzoeksresultaten samengevat weergegeven. De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek naar de actuele beschermde natuurwaarden van een locatie in relatie tot de geplande ingrepen. Het betreft een momentopname en bestaat uit een veldinspectie, een deskstudie en een beoordeling op basis van expert judgement. Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden hier ook niet verwacht. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matigvoedselrijke vegetaties.

Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie NoordBrabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=35d9a1ad-44e2-46c8-8f2e-3c0e166b7635