Bijlage - Toelichting Helvoirtsestrtaat
Tekst van het document
Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. Gedurende de werkzaamheden dient daarom rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Op de planlocatie ontbreken opgaande groenstructuren zoals bomen en struiken. Rekening houden met broedvogels in bomen is derhalve niet aan de orde. Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten.
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
60
redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de das, bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten. Op de planlocatie staan geen bomen of bebouwing. Potentiële vaste verblijfslocaties voor vleermuizen ontbreken op de locatie. Als foerageergebied heeft het gebied geen substantiële functie voor vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken.
De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Conclusie Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties. Concluderend, het aspect flora en fauna heeft geen beperkende gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Helvoirtsestraat te Helvoirt.
4.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het ‘plaatsgebonden risico’ en het ‘groepsrisico’. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
61
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (=’1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht (Afbeelding 21). Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Afbeelding 21: Groepsrisicoverantwoording ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tevens wordt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ (artikel 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoorts. Inventarisatie en toetsing Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicofactoren aanwezig zijn is de risicokaart met de bijbehorende database geraadpleegd, zie hiertoe Afbeelding 22. Tevens is het vigerende bestemmingsplan geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over het plangebied hebben. Tevens zijn er geen buisleidingen of vaarwegen in de omgeving aanwezig, waardoor of waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over het plangebied. Wel is de spoorweg Tilburg - Nijmegen Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
62
(traject Tilburg – ’s-Hertogenbosch) en de Rijksweg A65/N65 mogelijk relevant voor het voornemen. Over deze (spoor)wegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De locatie Helvoirtsestraat ongenummerd is gelegen op circa 1,2 km ten noorden van de Rijksweg A65/N65. De spoorlijn Tilburg – Nijmegen ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van ruim 350 meter. Navolgend is een risicobeoordeling uitgevoerd. Rijksweg A65/N65 Op circa 1,2 km ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A65/N65. Over deze transportweg worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd. De stoffen met het grootste invloedsgebied zijn stoffen uit de categorie LT2. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter (RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport, bladzijde 19, tabel 4-2). Het invloedsgebied reikt dus niet over het plangebied en daarom is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Spoorwegen Met de komst van het Basisnet is per spoorlijn een veiligheidszone vastgesteld. Dit is een gestandaardiseerde maximale PR-10-6-contour. Op circa 385 meter van het plangebied ligt het basisnet spoortraject Tilburg-Nijmegen. Over deze spoorweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorieën GF3, GT3 en LT3 vervoerd (Regeling basisnet, bijlage 2).
Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch en BLEVE (explosie). Verantwoording groepsrisico Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op ruime afstand van de risicobron (Rijksweg A65/N65 en spoorwegen). Ontwikkeling groepsrisico Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit.
Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt om voornoemde redenen niet verder beschouwd. Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. Blootstelling aan een toxisch gas is in onderhavige situatie het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Moderne bouwwerken zijn, wegens de eisen uit het Bouwbesluit, goed geïsoleerd,
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
63
waardoor deze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is daarbij dat eventuele luchtbehandelingsinstallaties eenvoudig zijn uit te schakelen. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid in het plangebied, waaronder ten aanzien van het rampscenario BLEVE, kunnen als positief worden beoordeeld. Er is geen grotere groep niet - of verminderd – zelfredzame mensen in het plangebied aanwezig. Het voornemen ziet op de oprichting van twee nieuwe vrijstaande ruimte-voor-ruimte woningen. Gelet op de doelgroep voor dit type woningen, zijn de aanwezigen naar verwachting derhalve voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Bovendien is het aantal mensen in het plangebied beperkt. Binnen het plangebied zijn tevens voldoende vluchtwegen van de risicobron af. Vluchten van de bron af is in beginsel de beste manier om de calamiteit met het scenario BLEVE te overleven. Het snel vluchten van de bron af tot buiten het effectgebied is, voordat daadwerkelijke een BLEVE ontstaat, voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk. Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding. Het grondgebied van gemeente Vught valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Tevens wordt er gebruik gemaakt van NL-alert. NL-alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en iemand op dat moment het beste kan doen. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een PR 10 -6 risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied. Wel is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen over een spoorweg en de Rijksweg A65/N65. Door de ligging van de locatie in de nabijheid van de kern van Helvoirt en de aard van de gevraagde functie kunnen zaken als bereikbaarheid door hulpdiensten, mogelijkheden bestrijdbaarheid in geval van calamiteiten, alarmeringsmogelijkheden en zelfredzaamheid als positief worden beoordeeld. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De Veiligheidsregio Brabant Noord is in het kader van het wettelijk vooroverleg in de gelegenheid gesteld om te reageren op onderhavig plan.
In december 2021 heeft de veiligheidsregio gereageerd met dat de conclusies uit voorgaande paragraaf worden onderschreven. Om deze reden is een nader advies niet noodzakelijk.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
64
Afbeelding 22: Uitsnede risicokaart, plangebied globaal blauw omkaderd weergegeven
4.11
Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: • Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; • Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. In het plangebied, dan wel in de directe omgeving, zie hiertoe o.a. Afbeelding 22 en een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan, zijn geen relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig. Dit aspect is derhalve niet relevant voor onderhavig planvoornemen.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
65
4.12
Cultuurhistorie
Het cultuurhistorisch belang wordt in de ruimtelijke ordening o.a. behartigd door opname van een motiveringsvereiste in artikel 3.1.6, lid 5 Besluit ruimtelijke ordening. Dit artikel bepaalt dat in een toelichting tenminste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart 2010, herziening 2016). Een uitsnede van deze kaart voor het plangebied is bijgevoegd in Afbeelding 23. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, van rijksbelang (kaartlaag II) en provinciaal belang (kaartlaag I). Tevens geeft deze kaart een weergave van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 (kaartlaag III). Deze laatste kaartlaag heeft geen juridisch bindende werking. Volgens de toelichting op de Cultuurhistorische Waardenkaart is deze kaartlaag te beschouwen als informatie- en inspiratiebron. De provincie hecht aan deze aspecten geen nader belang meer en deze kaartlaag wordt dan ook niet meer op provinciaal niveau geactualiseerd. Dit wordt overgelaten aan de gemeentes.
Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied is gelegen in de regio Meierij en het archeologisch landschap Dekzandrug Tilburg-Den Bosch. De weg Helvoirtsestraat heeft een redelijk hoge geografische waarde. In de directe omgeving van het plangebied is geen (rijks)monumentale bebouwing of monumentaal groen aanwezig. De regio Meierij kent een zeer uitgestrekte ligging, die de cultuurhistorische waarden van een relatief grootschalige regio vertegenwoordigd. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Het archeologisch landschap Dekzandrug Tilburg-Den Bosch heeft als doelstelling het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (in het archeologiebeleid). Het aspect archeologie komt in navolgende paragraaf verder aan bod. Dit gebied loopt van Goirle tot Vught en heeft een langgerekte vorm. Het gebied herbergt relatief veel middelgrote woonkernen.
Rondom de bebouwde kommen is voornamelijk landbouwgrond aanwezig. De provinciale strategieën voor de cultuurhistorische ontsluiting van bovengenoemde gebieden is opgesteld voor de volledige regio en kent derhalve een ander schaalniveau dan onderhavig planvoornemen. De ontwikkeling heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van deze regio. Onderhavig initiatief is relatief kleinschalig van aard en kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden van de genoemde gebieden ontwikkeld of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambities. Er is sprake van een kleinschalige woningbouwontwikkeling in de kernrand van Helvoirt ter stedenbouwkundige afronding. Uit het archeologisch onderzoek (Bijlage 9) volgt bovendien dat ter plaatse van het plangebied in het verleden een boerderij aanwezig is geweest. Deze boerderij is halverwege de twintigste eeuw verdwenen. Met het planvoornemen wordt deze hierdoor ontstane open plek in het historische bebouwingslint weer ingevuld. Vanuit cultuurhistorie bezien wordt deze ontwikkeling dus mede passend geacht. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 volgt tevens de redelijk hoge historisch geografische waarde van de weg Helvoirtsestraat. De aanduiding op deze kaart heeft een signaleringsfunctie, maar kent geen beleidsfunctie. De weg Helvoirtsestraat blijft ten behoeve van het planvoornemen behouden.
De ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
66
Op de planlocatie, of in de directe omgeving, zijn geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of andersoortige cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het voornemen heeft gelet op het bovenstaande dus geen invloed op eventuele cultuurhistorische waarden.
Afbeelding 23: Uitsnede CHW-kaart 2010, herziening 2016, plangebied globaal blauw omkaderd weergegeven.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
67
4.13
Archeologie
In 1992 heeft Nederland het ‘Verdrag van Malta’ inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in Europees verband mede ondertekend. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, betreft een wijziging van de Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daar hoort ook bij dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. Vanaf 1 juli 2016 wordt de bescherming voor archeologie gereguleerd in de Erfgoedwet. De voorgeschreven archeologische bescherming uit de Monumentenwet 1988 (inclusief de Wamz) wordt hiermee voortgezet. In de Erfgoedwet is o.a. geregeld hoe gebouwde en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument.
Een stelsel aan diverse vergunningen en subsidieregelingen draagt vervolgens bij aan de bescherming van deze monumenten. Verder stelt deze wet o.a. uitvoeringsregels aan de archeologische monumentenzorg, met bijvoorbeeld regels inzake certificering en de omgang met vondsten in het kader van archeologisch onderzoek. De Erfgoedwet bevat daarnaast (middels het overgangsrecht en de verwijzing hierin naar de Monumentenwet 1988) regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Hierbij is o.a. bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Tevens kan in het belang van de archeologische monumentenzorg hiertoe een omgevingsvergunningstelsel (bijvoorbeeld voor bouwen of voor aanlegactiviteiten) met de bijbehorende onderzoeksvereisten verplicht worden gesteld. Op 19 mei 2022 heeft de gemeenteraad van Vught het ‘Beleidskader archeologie 2022’ vastgesteld. Het beleidskader omvat archeologische verwachtings- en beleidskaarten en per verwachtingswaarde normen wanneer archeologisch onderzoek wordt vereist bij een bepaalde mate van bodemverstoring. Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en overstijgt daarmee de plangrenzen van de verschillende onderliggende bestemmingsplannen. Uit de beleidskaart volgen aangeduide categorieën.
Per categorie zijn de vrijstellingsgrenzen bepaald, voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte ingreep. Archeologisch onderzoek is benodigd zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden. Het gemeentelijk archeologiebeleid is juridisch-planologisch doorvertaald in het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Archeologie’.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
68
Afbeelding 24: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Vught, plangebied globaal groen omkaderd weergegeven.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
69
Uit Afbeelding 24 volgt dat het plangebied gedeeltelijk is gelegen in beleidscategorie 3 (gebied met archeologische waarde, overige historische kernen en bebouwing) en gedeeltelijk in beleidscategorie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting). Tevens zijn de gronden volledig aangeduid als enkeerdgronden. Hierdoor geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 50 en 100 m2 en dieper dan 0,3 en 0,5 m onder maaiveld. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwe woonkavels. Hierbij is aannemelijk dat voornoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Ten behoeve van het planvoornemen heeft derhalve een archeologisch onderzoek (Inventariserend Veldonderzoek Overig IVO-O) plaatsgevonden. Dit onderzoek is uitgevoerd door ArcheoPro en bijgevoegd in Bijlage 9. Navolgend worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat weergegeven. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied gezien de ligging buiten een gradiëntzone op relatief grote afstand van open water, hooguit een middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten van tijdelijke kampementen uit het laatpaleolithicum en het mesolithicum.
Wel geldt gezien de ligging op een dekzandhoogte en de nabijheid van vindplaatsen uit deze perioden, een hoge verwachting voor nederzettingen en grafvelden uit het neolithicum, de bronstijd, de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ditzelfde geldt voor resten uit de middeleeuwen. In verband met de ligging aan de rand van een historisch bewoningslint, geldt voor het westelijke deel van het plangebied een hoge verwachting voor resten van bebouwing uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Om het gespecificeerd archeologische verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied elf boringen gezet en is tevens een vlakdekkende oppervlaktekartering verricht. Uit de resultaten van het met behulp van een zandguts verrichte booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied over het geheel genomen een slechts ongeveer veertig centimeter dikke bouwvoor aanwezig is waardoor de bodem niet of nauwelijks kwalificeert als enkeerdgrond. Onder de bouwvoor is een menglaag aanwezig die rond een halve meter diepte overgaat in grijs, ongeoxideerd dekzand. Hieruit blijkt dat bodem van nature waarschijnlijk minder goed is ontwaterd dan de ligging op een relatief hooggelegen deel van het dekzandlandschap en een flauwe helling, zou suggereren.
De vlakdekkende oppervlaktekartering heeft ondanks de goede vondstzichtbaarheid en de tot in de C-horizont door bodembewerking geroerde bodem, geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. De aangetroffen resten zijn relatief modern (negentiende- en twintigste eeuws) en zijn zonder uitzondering afkomstig van het westelijke deel van het plangebied waarop tot in de twintigste eeuw een boerderij heeft gestaan. Resten van voor de negentiende eeuw waaruit zou kunnen blijken dat deze bebouwing van voor de negentiende eeuw dateert, zijn niet aangetroffen. Gezien het volledig ontbreken van relevante archeologische indicatoren geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In mei 2023 is door de gemeente Vught een selectieadvies AMZ gegeven (Bijlage 13). Het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. In alle gevallen blijft daarbij onverminderd van kracht dat indien bij graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
4.14
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
70
Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten, waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor plannen gelden de onderstaande criteria als uitgangspunt om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Aanleiding hiertoe is de modernisering van de m.e.r.wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft tot gevolg dat de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden. Ook een project net onder de drempelwaarden, kan immers (afhankelijk van de omstandigheden van de activiteit en de ligging) belangrijke nadelige (milieu)gevolgen hebben. Ook onder de genoemde drempelwaarden moet derhalve worden beoordeeld of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is. Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Deze beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. Deze criteria betreffen o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Uit het eerstgenoemde criterium volgt dat het plan moet worden beschouwd in relatie tot de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een woningbouwontwikkeling voor de oprichting van twee woningen. Aangezien er sprake is van een woningbouwontwikkeling dient geoordeeld te worden of het plan kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, als opgenomen in categorie D 11.2 (‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’). De planontwikkeling valt hierbij in ieder geval ruimschoots beneden de gestelde grenswaarde (o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen) uit de D-lijst. Door de voorgenomen uitvoering van het plan, de stedenbouwkundige inrichting en de geringe woningaantallen kan het plan niet worden aangemerkt als zijnde een stedelijk ontwikkelingsproject.
Dit standpunt wordt bovendien gesteund door de jurisprudentie, ABRvS d.d. 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:100). Dat plan voorzag in de realisatie van 12 vrijstaande woningen, verspreid over twee clusters (één cluster van 7 woningen en één cluster van 5 woningen). De Afdeling heeft hierbij geconcludeerd dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging een rol spelen. Bij het genoemde plan van de 12 vrijstaande woningen is geoordeeld dat, gelet op de omvang ervan, dit niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie heeft het bouwplan bovendien zelfs betrekking op maximaal twee toe te voegen woningen. Er is dus geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt geen plicht tot het opstellen van een MER. Aangezien de ontwikkeling geen activiteit betreft als genoemd op de D-lijst, is tevens geen vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd.
Door middel van de toetsing in deze toelichting, inclusief onderzoeksrapportages, heeft wel een beoordeling van de milieuaspecten plaatsgevonden, welke inhoudelijk gelijk te stellen is aan een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een dergelijk initiatief. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
71
milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft, wegens aard, omvang dan wel afstand, met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er in deze plantoelichting een beoordeling van de milieuaspecten plaatsgevonden, waarbij alle relevante omgevingsaspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
72
5.
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de wijze van doorvertaling van de voorgenomen ontwikkeling in een juridisch-planologische regeling.
5.1
Opbouw bestemmingsplan
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevatten een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat tenminste uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. De verbeelding en regels vormen daarbij tezamen het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium inzake het toegestane gebruik van gronden en bouwwerken, en bepalen de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regeling, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. Een bestemmingsplan dient bovendien eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er van overheidswege standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw van de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
5.2
Toelichting verbeelding
Als basis voor de verbeelding van onderhavig plan is de systematiek gehanteerd als opgenomen in het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied. De geldende enkel- en dubbelbestemmingen zijn hierbij als basis gehanteerd. Vervolgens zijn de aanpassingen en aanvullingen doorgevoerd die noodzakelijk zijn om de beoogde situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken. De ruimtelijke opzet van de verbeelding is tot stand gekomen op basis van de stedenbouwkundige schets van de beoogde situatie (Bijlage 1). Op de verbeelding zijn twee woonkavels ingetekend, middels toepassing van bestemmingsvlakken met de enkelbestemming ‘Wonen - 5’. Binnen deze bestemmingsvlakken zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de woningen gerealiseerd mogen worden. Tevens worden de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – ruimte voor ruimte’ en ‘specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting’ toegekend. De eerste aanduiding geeft wegens aankoop van een ruimte-voor-ruimte titel verruimde rechten ten aanzien van de toegestane inhoudsmaat (1.000 m3 per woning). De aanduiding voor de voorwaardelijke verplichting borgt de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing. Aan de noord- en zuidrand en achterzijde van de kavels wordt de enkelbestemming ‘Groen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – voorwaardelijke verplichting’ toegekend.
Op deze gronden geldt het primaat landschappelijke inpassing. Middels de voornoemde voorwaardelijke verplichting en het landschappelijk inpassingsplan wordt de landschappelijke invulling (aanleg en instandhouding) van dit plandeel geregeld.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
73
Middels de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van groen – 1’ en ‘specifieke vorm van wonen – 1’, in combinatie met de bijbehorende regels, worden de open doorzichten uit het landschappelijk inpassingsplan juridisch geborgd. Ten noorden van de groenstrook wordt nog een plandeel van circa 70 meter toegevoegd aan het plangebied. Deze gronden behouden ongewijzigd de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 1’ en de bijbehorende functie- en gebiedsaanduidingen. Tevens worden aan dit plandeel ook de archeologische dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het parapluplan archeologie toegevoegd. Aan dit plandeel wordt daarbij aanvullend een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beperkingen gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. Hieraan wordt een planregeling met gebruiksregels gekoppeld, zodat de risico’s ten gevolge van de blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen worden ingeperkt. Door de toegekende bestemmingen, vlakken en aanduidingen op de verbeelding worden, in combinatie met de regels, de bouw- en gebruiksmogelijkheden bepaald.
5.3
Toelichting regels
Conform de SVBP dienen de regels te bestaan uit ‘Inleidende regels’ (Hoofdstuk 1), ‘Bestemmingsregels’ (Hoofdstuk 2), ‘Algemene regels’ (Hoofdstuk 3) en ‘Overgangs- en slotregels’ (Hoofdstuk 4). Tevens is de opbouw en volgorde van de diverse artikelen grotendeels voorgeschreven in de SVBP. Aanvullend schrijft het Besluit ruimtelijke ordening een aantal standaardregels voor, zoals het overgangsrecht. Deze zaken zijn in acht genomen bij het opstellen van de planregels. Als basis voor onderhavige planregels, is de systematiek gehanteerd als afkomstig uit het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. Vervolgens zijn de aanpassingen doorgevoerd die noodzakelijk zijn om de beoogde situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken. Dit om waar mogelijk een zo uniform mogelijke set regels te behouden voor de plannen binnen de gemeente Vught. Navolgend worden de belangrijkste planregels nader toegelicht. Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die bij de uitleg van de regels worden gehanteerd. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat de spelregels over de wijze waarop de genoemde maatvoering (afstanden, hoogtes, oppervlaktes e.d.) in dit plan worden gemeten.
Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 1 De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, zoals landbouwgronden en weides, zonder (uitgebreide) bouwmogelijkheden. Ter plaatse zijn bijvoorbeeld open afrasteringen toegestaan om dieren binnen de weide te houden, deze moeten voldoen aan de eisen uit het beeldkwaliteitplan (Bijlage 3). Tevens is binnen deze enkelbestemming een bepaling opgenomen die beperkingen stelt omtrent de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 4 Groen De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor o.a. landschappelijke inpassing (conform het landschappelijk inrichtingsplan), een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met specifieke regels wordt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – 1’ geborgd dat ter plaatse van de desbetreffende stroken sprake blijft van een open doorzicht. Erf- en terreinafscheidingen binnen deze enkelbestemming dienen te voldoen aan het beeldkwaliteitplan (Bijlage 3). Tevens is in deze bestemming vastgelegd dat voorwaardelijk verplicht moet worden voorzien in een landschappelijke inpassing.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
74
Artikel 5 Wonen - 5 Deze bestemming biedt de bouwmogelijkheden voor de twee ruimte-voor-ruimte woningen. In dit artikel zijn de bouw- en gebruiksregels vastgelegd, voor o.a. de woning, de bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken (zoals erf- en terreinafscheidingen). Alle bouwwerken dienen daarbij te voldoen aan het beeldkwaliteitplan (Bijlage 3). Tevens is in deze bestemming vastgelegd dat voorwaardelijk verplicht moet worden voorzien in een landschappelijke inpassing en voldoende hemelwaterberging. Middels de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ worden de open doorzichten uit het stedenbouwkundig en landschappelijk inpassingsplan geborgd. Artikel 6 en 7 Waarde – Archeologie 3 en 4 Deze dubbelbestemmingen zijn bedoeld voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Deze archeologische bescherming is ongewijzigd overgenomen uit het parapluplan archeologie. Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 9 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen over bestaande afwijkende maatvoering en het realiseren van ondergrondse gebouwen (zoals kelders onder woningen).
Artikel 10 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen gebruiksverbod opgenomen om de gronden te gebruiken in strijd met de gegeven bestemming(en). Tevens zijn een aantal voorbeelden genoemd van zaken die in ieder geval als strijdig gebruik worden aangemerkt. Dit artikel bevat bovendien een aantal afwijkingsbevoegdheden, zoals de mogelijkheid voor aan huis gebonden beroepen en bedrijven. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels opgenomen voor de in het plangebied gelegen gebiedsaanduidingen. Er wordt in dit artikel toegelicht welke functies de desbetreffende gebiedsaanduidingen dienen en hier worden regels aan gekoppeld (bijvoorbeeld een aanlegvergunningenstelsel). Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor de toevoeging van een geringe mate van flexibiliteit. Het betreft bijvoorbeeld bepalingen aangaande nutsvoorzieningen en geringe afwijkingen in bestemmings- en bouwgrenzen en overige bouwregels. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Dit artikel bevat een wijzigingsbevoegdheid om, onder voorwaarden, een geringe wijziging in de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen.
Artikel 14 Algemene procedureregels Dit artikel bepaalt welke procedures van toepassing zijn, bij bijvoorbeeld toepassing van de afwijkingsen wijzigingsbevoegdheden. Artikel 15 Overige regels Dit artikel bevat de bepalingen omtrent parkeren. Hierbij is bepaald dat in het plangebied voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid, conform het gemeentelijke parkeerbeleid. Artikel 16 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot (legale) bouwwerken en gebruik, welke afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Deze bouwwerken
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
75
mogen in beginsel worden behouden (gedeeltelijk vervangen en vernieuwen) en het gebruik mag worden voortgezet, totdat het gebruik voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. Wijziging van het afwijkend gebruik of bouwen is hierbij beperkt toegestaan, conform de hiervoor opgenomen regels. Artikel 17 Slotregel Dit artikel bevat de wettelijk vastgelegde aanhaaltitel voor toepassing van de regels. Door de keuze van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding, in combinatie met de bijbehorende regels, wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
76
6.
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE
6.1
Financiële uitvoerbaarheid en grondexploitatie
De voorgestane ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemer. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Er zijn geen financiële consequenties van het plan voor de gemeente. Dit zal worden vastgelegd in een overeenkomst over de grondexploitatie, waarin o.a. wordt opgenomen dat gemeentelijke exploitatiekosten en eventuele planschade voor rekening komen van de initiatiefnemer. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd, er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en er geen sprake is van anderszins vast te leggen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) is geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en procedure
Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een planvoornemen. In dat kader wordt de gelegenheid tot inspraak geboden conform de wettelijk voorgeschreven procedure. Daarnaast heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Bovendien heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties. 6.2.1 Procedure algemeen In Hoofdstuk 3 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de inhoudelijke vereisten opgenomen voor bestemmingsplannen. In artikel 3.1.1 van het Bro is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken provincie en waterschap. Indien nodig dient bovendien overleg plaats te vinden met de besturen van andere gemeenten of met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De formele vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierbij wordt o.a. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard, met een aantal aanvullende procedurevereisten. Het (ontwerp)plan wordt ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken omtrent het plan.
Na behandeling van de eventueel ingebrachte zienswijzen dient de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging te beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Na vaststelling wordt het besluit bekend gemaakt en het plan wederom voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan daags na de inzagetermijn onherroepelijk en treedt het plan bovendien in werking. 6.2.2 Omgevingsdialoog Door initiatiefnemers is een omgevingsdialoog gevoerd. De wijze van uitvoering en de verslaglegging hiervan is uitgebreid opgenomen in Bijlage 10. Uit deze gevoerde omgevingsdialoog volgt dat de meeste buurtbewoners woningbouw op het perceel niet wenselijk achten (met name wegens uitzicht, woongenot en privacy). Tijdens de dialoog is besproken of er mogelijkheden zijn, waardoor de bouwplannen meer naar wens worden. Echter, hieruit volgde dat geen gezamenlijke bevredigende oplossing gevonden kan worden, die voldoende verbetering biedt voor de buurtbewoners, behoudens in volledigheid afzien van de bouwplannen. Initiatiefnemers hebben derhalve hieromtrent een afweging gemaakt en zijn nog steeds voornemens om de plannen voort te zetten.
Wel is naar aanleiding van de gevoerde omgevingsdialoog een hernieuwd stedenbouwkundig plan opgesteld (tezamen met een beeldkwaliteitplan en landschappelijk inpassingsplan).
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
77
Met een stedenbouwkundige is bezien hoe, binnen de mogelijkheden die er zijn, toch zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de vanuit de buurt meegegeven aandachtspunten (o.a. uitzicht, privacy en woongenot). Dit heeft geleid tot de meest recente versie van het stedenbouwkundige plan. Hierin is ten opzichte van de eerdere versie o.a. gewijzigd: • De woning op kavel 1 komt verder van de Helvoirtsestraat. De situering is geborgd middels opname van een bouwvlak. • Aan de wegzijde / voorzijde van de beide kavels worden lage hagen toegepast (de bomenrijen beginnen dus pas achter de voorgevels van de woningen). Dit ter vergroting van het uitzicht. Dit is o.a. geborgd in het landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitplan. • Ten noorden van woning 1, tussen de woning en de haag en bomenrij wordt een doorzicht gerealiseerd. Dit doorzicht wordt wel onderdeel van het erf, maar hier zullen geen gebouwen en opgaande beplanting worden toegestaan. Dit wordt o.a. geborgd met de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – 1’ en ‘specifieke vorm van groen – 1’. • Tussen woning 2 en Helvoirtsestraat 13a wordt eveneens een doorzicht gerealiseerd. Dit doorzicht zal worden uitgevoerd in een grasstrook, met eventueel een gedeeltelijke halfverharding, ten behoeve van een ‘achterom’ naar het eigen kavel bij woning 2 (dit wordt dus geen doorgaand wandelpad).
Dit doorzicht zorgt voor meer uitzicht en daarnaast voor meer privacy. Het verslag van de omgevingsdialoog, het hernieuwde stedenbouwkundige plan en de toelichting hierop, zijn in maart 2023 aan de buurtbewoners toegezonden. 6.2.3 Vooroverleg Het concept-ontwerpbestemmingsplan vooroverlegpartners.
is
voor
vooroverleg
aangeboden
aan
de
diverse
In december 2021 heeft de Veiligheidsregio Brabant Noord (Bijlage 12) haar vooroverlegreactie gegeven. Uit deze reactie volgt dat de conclusies uit de paragraaf externe veiligheid worden onderschreven en dat om die reden een nader advies niet noodzakelijk is. In december 2021 is bovendien een vooroverlegreactie ontvangen van Waterschap De Dommel (kenmerk Z65911/U135928). Het waterschap heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen bestemmingswijziging. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Er wordt een infiltratiesloot aangelegd om het afstromend regenwater van verhardingen en daken in het plangebied op te vangen en in de bodem te infiltreren. De voorziening draagt bij aan de aanvulling van het grondwater en voorkomt een snelle afvoer van regenwater via de A-watergang langs de Helvoirtsestraat en/of het riool. Dit is gunstig voor de natuurwaarden in de Natte Natuurparel Helvoirtsche Broek / Brokkenbroek, die vlakbij het plangebied ligt. Tevens wordt met deze infiltratiesloot voldaan aan het gemeentelijk regenwaterbeleid en de Keur van Waterschap De Dommel. Wel zijn middels de vooroverlegreactie een aantal opmerkingen gemaakt op de waterparagraaf omdat deze ten tijde van de vooroverlegreactie niet meer volledig actueel was, gelet op de op dat moment recent doorgevoerde beleidswijzigingen sinds het (concept)ontwerpbestemmingsplan.
De waterparagraaf is geactualiseerd op basis van het huidige beleid van Waterschap De Dommel en de gemeente Vught. De vooroverlegreactie is derhalve in acht genomen en verwerkt in voorliggende plandocumenten. De vooroverlegreactie van provincie Noord-Brabant is ontvangen in februari 2022 (Bijlage 11). Gelet op de overgelegde stukken is de provincie van mening dat voorliggend woningbouwplan goed aansluit bij de bestaande woningen in de kern van Helvoirt. De ontwikkeling zorgt voor een logische en kwalitatieve stedenbouwkundige afronding van de kern in noordelijke richting. De provincie is van mening dat het plan voldoet aan de voorwaarde van een duurzame stedelijke ontwikkeling, waarbij
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
78
ook toepassing is gegeven aan de lagenbenadering. De kwaliteitsverbetering wordt gegarandeerd met het aankopen van bouwtitels en door zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ten tijde van de vooroverlegreactie was op grond van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant (IOV) overigens nog een herbegrenzing van het bestaand stedelijk gebied benodigd om het voornemen te faciliteren. Sinds de wijziging van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, als vastgesteld d.d. 11 maart 2022 door Provinciale Staten, is een herbegrenzing echter niet meer noodzakelijk. Een toetsing aan de actuele IOV is opgenomen in 3.2.3. Hieruit volgt dat het voornemen voldoet aan het provinciale beleid. 6.2.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 26 oktober 2023 tot en met 6 december 2023. Gedurende deze periode zijn vier zienswijzen ingediend. In de nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (Bijlage 15) zijn de ingediende zienswijzen en de gemeentelijke reactie hierop toegelicht. Tevens zijn in dit document de ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerp toegelicht.
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
79
BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Beeldkwaliteitplan Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Aanvullende briefrapportage bodem Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai Bijlage 7: Berekeningen AERIUS Calculator Bijlage 8: Quickscan flora en fauna Bijlage 9: Archeologisch onderzoek Bijlage 10: Verslag omgevingsdialoog – geanonimiseerd Bijlage 11: Vooroverlegreactie provincie Bijlage 12: Vooroverlegreactie veiligheidsregio Bijlage 13: Selectiebesluit archeologie Bijlage 14: Bouwtitels ruimte-voor-ruimte Bijlage 15: Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
Toelichting Bestemmingsplan ‘Helvoirtsestraat ong. (tussen 13 en 13a), Helvoirt’
80
LS Plan & Advies | Berktweg 3, 5076 PA Haaren | www.lsplanadvies.nl KvK-nr. 67701051 | Tel nr. 06 31 58 00 26 | E-mail: linda@lsplanadvies.nl