CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Vught, Helvoirtseweg 22726.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een organische groei, passend bij de schaal van deze dorpen moet bijdragen aan een structureel gevarieerde bevolkingsopbouw. Vught is te kenmerken als een sub-urbane kern. Het aanbod sociale huurwoningen is hier groter dan in de andere kernen. Daarnaast telt Vught veel ruime koopwoningen in een groene omgeving. Het tussensegment ontbreekt nagenoeg. In de kern Vught zijn veel zorgvoorzieningen. Dit vraagt in de nabije toekomst extra aandacht voor het langer en weer zelfstandig wonen van mensen met een zorgvraag, op eigen kracht maar gebruikmakend van de bestaande zorginfrastructuur. De kernen delen een grote betrokkenheid van inwoners bij hun omgeving. Met nieuwe woningbouwontwikkelingen wordt bij deze betrokkenheid aangehaakt. Daarbij wordt onder andere gedacht aan collectieve woonvormen. Mensen die zorg nodig hebben, wonen tegenwoordig meer zelfstandig thuis dan in de afgelopen decennia. Dit betekent dat meer mensen met een zorgvraag in reguliere woningen wonen. De zorg is bij deze groepen meer ingericht op (mantel)zorg aan huis. Dit is doorgaans ook goed mogelijk door de inzet van domotica (thuistechnologie ook voor zorg op afstand) en intensieve zorg aan huis. Dit is echter niet altijd haalbaar, omdat bijvoorbeeld vereenzaming op de loer ligt. Naast zorg is dan ook welzijn minstens zo belangrijk. Te denken is aan ontmoeting, vrijetijdsbesteding, zingeving en activiteiten.

Makkelijk toegankelijke woningen met de mogelijkheid van ontmoeting zijn dan nodig. Gezien de trend waarin mensen langer zelfstandig blijven wonen en omdat vereenzaming vaak op de loer ligt is de prognose dat de vraag naar geclusterd wonen in de komende jaren sterk zal toenemen. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen geclusterd wonen met zorg en geclusterd wonen zonder directe zorgvraag. In beide segmenten zal de vraag naar woonruimte de komende jaren toenemen. 22

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de omschakeling van de huidige bedrijfswoningen naar burgerwoningen, het oprichten van drie compensatiewoningen in de vorm van ruimte-voor-ruimte woningen en het omschakelen van het huidige kantoorpand naar een woonpand met 9 wat meer luxe appartementen voor een brede doelgroep. Er wordt daarmee voorzien in een gevarieerd woningaanbod. Enerzijds zijn er de om te schakelen bedrijfswoningen, welke woonruimte bieden voor het middensegment voor mensen die meer landelijk willen wonen. Veder zijn er de te ontwikkelen compensatiewoningen, welke voorzien in het meer luxe segment voor mensen die meer landelijk willen wonen, met toch voldoende voorzieningen in de buurt. Ten slotte is er de ontwikkeling van negen wat meer luxe appartementen bestemd voor geclusterd wonen. Er wordt met de voorgenomen ontwikkeling voornamelijk aangesloten op de vraag naar het middensegment. Door te voorzien in gezamenlijke ruimtes, met name buiten, wordt geïnvesteerd in sociale samenhang tussen de bewoners en kunnen de bewoners voor een deel ook voor elkaar zorgen. Met de appartementen wordt voorzien in een vorm van geclusterd wonen (in dit geval zonder directe zorgverlening). Dit sluit aan bij de groeiende vraag naar dergelijke woonvormen in de komende jaren.

Voor wat betreft het voorzieningenniveau wordt voornamelijk aangesloten op de nabijgelegen kern Helvoirt. Deze kern is voorzien van een ruim aanbod aan basisvoorzieningen. Voor wat betreft de woningen kan daarmee in voldoende mate worden voorzien in de basisvoorzieningen. Het geclusterd wonen heeft als bijkomend voordeel dat wanneer een van de bewoners bijvoorbeeld minder mobiel wordt andere bewoners benodigdheden kunnen meenemen voor diegene. Wanneer er een grotere zorgbehoefte ontstaat dan kunnen de vele zorgvoorzieningen in de kern Vught in beschouwing worden genomen. Van belang is dat bij de geclusterde woonvorm ook in voldoende mate voorzien kan worden in gezamenlijke activiteiten. Daarmee wordt eenzaamheid onder de bewoners verminderd. Om gezamenlijke activiteiten te stimuleren zal op de locatie worden voorzien in enkele gezamenlijke voorzieningen, met name in de buitenruimte. Hierbij wordt gedacht aan bijvoorbeeld een gezamenlijke moestuin of een jeu de boules baan. De voorgenomen ontwikkeling sluit op basis van het voorgaande goed aan op de doelstellingen die zijn verwoord in de Woonvisie 2021-2025 van de gemeente Vught.

23

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.

In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Gezien de aard van het gebied waarin het plangebied is gelegen, de menging van functies in het gebied en de ligging aan een drukke ontsluitingsweg (de Helvoirtseweg, N65), kan het gebied waarin het plangebied is gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van het huidige KI-station. Daarbij worden de bestaande bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen en worden drie nieuwe compensatiewoningen opgericht. Tevens wordt het bestaande kantoorpand omgeschakeld naar een woonpand met meerdere wooneenheden in de vorm van appartementen. De overige bedrijfsbebouwing zal in zijn geheel worden gesloopt. De huidige bedrijfswoningen zijn reeds in gebruik als woning en blijven in gebruik als woning. Ook de compenatiewoningen en de in het kantoorpand te realiseren appartementen betreffen burgerwoningen.

Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige hinder aan de omgeving, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot onevenredige milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van de bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen, drie nieuwe compensatiewoningen en appartementen in het huidige kantoorpand. Dit betreffen gevoelige objecten. Hierbij is het van belang om aan te tonen dat de gevoelige objecten niet zullen leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Nabij de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen zijn zelf gevoelige objecten en veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Burgerwoningen worden daarmee niet verder beperkt door de komst van nieuwe andere gevoelige objecten. Verder zijn in de nabije omgeving de volgende inrichtingen en/of functies gelegen: 24

De Dijk 29: horecavoorziening, zijnde een restaurant; De Dijk 6-8: niet-agrarisch bedrijf met kantoor en detailhandel/groothandel. De Dijk 29: Aan De Dijk 29 is een horecagelegenheid, zijnde een restaurant gelegen. Voor een restaurant in een gebied met gebiedstype 'gemengd gebied' geldt vanuit de VNG handreiking geen richtafstand (in een gebiedstype 'rustige woonwijk' maximaal 10 meter). Gezien de ruime afstand tussen de locatie en het betreffende restaurant (ongeveer 75 meter) en de beperkte hinder die het restaurant aan de omgeving veroorzaakt zal het restaurant niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt als gevolg van de gewenste ontwikkeling. De Dijk 6-8: Aan de Dijk 6-8 is een niet-agrarisch bedrijf gelegen. Vanuit het bestemmingsplan is ter plaatse een detailhandelsvoorziening en/of groothandel met kantoor toegestaan. Voor een dergelijke voorziening in een gebied met gebiedstype 'gemengd gebied' geldt vanuit de VNG handreiking een maximale richtafstand van 50 meter (in een gebiedstype 'rustige woonwijk' maximaal 100 meter, afhankelijk van het soort groothandel). Het betreffende bedrijf is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, op ongeveer 280 meter van de locatie gelegen. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan, waarmee het betreffende bedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt als gevolg van de gewenste ontwikkeling.

Gezien het voorgaande zullen geen van de omliggende bedrijven en/of functies onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een KI-station, waarop varkens worden gehouden, beëindigd. Daarbij worden de bestaande bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen, worden drie nieuwe compensatiewoningen opgericht en wordt voorzien in appartementen in het huidige kantoorpand. Allen worden beschouwd als burgerwoningen. Burgerwoningen leiden niet tot geurhinder aan de omgeving. Daarnaast worden in de huidige situatie varkens (beren) gehouden, welke bij de voorgenomen ontwikkeling niet langer ter plaatse gehouden zullen worden. Hiermee zal de geurbelasting aan de omgeving alleen maar in grote mate afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen, het oprichten van drie compensatiewoningen en het voorzien in appartementen in het huidige kantoorpand. Dit betreffen gevoelige objecten. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

In de nabije omgeving van de locatie zijn geen veehouderijen gelegen. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder vanuit de omgeving. Voor wat betreft geur geldt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondbelasting niet meer bedraagt dan 20 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³). De Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant (ODZOB) heeft op basis van het actuele vergunningenbestand voor het gehele buitengebied de achtergrondbelasting voor geur berekend. Deze hebben zij in een kaart met de achtergrondbelasting voor geur in beeld gebracht. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de achtergrondbelasting ter plaatse tussen de 0 en 13 ouE/m³, waarmee ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

25

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur. Bron: ODZOB. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden 26

de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van drie nieuwe woningen, het voorzien in negen appartementen in het huidige kantoorpand en de omschakeling van twee bestaande woningen. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling betreft verder geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling.

Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Met de beëindiging van het KI-station, waarbij varkens worden gehouden, zal de emissie van fijnstof en stikstofoxiden vanuit de gehouden dieren in zijn geheel komen te vervallen, waarmee de emissie aanzienlijk zal afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren met de voorgenomen ontwikkeling. Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. In onderhavig geval is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2). Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. In de berekening is uitgegaan van de totale verkeerssituatie, niet alleen van de toename, om ook de worst-case situatie goed in beeld te brengen en dat ook deze worst-case situatie als NIBM is aan te merken.

Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. 27

Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen en het oprichten van drie compensatiewoningen. Daarnaast wordt voorzien in appartementen in het huidige kantoorpand. Dit betreffen gevoelige objecten. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Daarbij zijn de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden leidend. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant heeft deze norm echter aangescherpt.

Binnen de provincie Noord-Brabant is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedragen. Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse ongeveer 16 µg/m³ (fijnstof) en 13 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse aanzienlijk minder dan 31,2 µg/m³, waarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. 28

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. 29

Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht. Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0. 4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 1.000 meter.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Er wordt bij de voorgenomen ontwikkeling juist een KI-station waarbij varkens worden gehouden beëindigd. Daarmee zullen vanuit het bedrijf de mogelijke risico's voor de volksgezondheid komen te vervallen. Wel worden bij de voorgenomen ontwikkeling gevoelige objecten opgericht. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 1.000 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten.

Wel worden bij de voorgenomen ontwikkeling gevoelige objecten opgericht. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

30

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijf met inrichtingen en/of installaties die mogelijk geluidhinder veroorzaken beëindigd. Daarbij worden de bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen, worden drie nieuwe compensatiewoningen opgericht en wordt voorzien in appartementen in bestaande bebouwing. Dit betreft allen burgerwoningen.

Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige geluidhinder aan de omgeving. Met de voorgenomen beëindiging van het huidige bedrijf zal de geluidhinder aan de omgeving juist afnemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe woningen opgericht. Deze zijn vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Hieruit blijkt dat de geluidbelasting op de gevels voor het wegverkeer vanuit De Dijk, de Sparrendaalseweg en de Esschebaan de wettelijke normen niet overschrijdt. De geluidbelasting op de gevels vanuit het wegverkeer van de N65 overschrijdt de wettelijke normen wel. Voor de woningen zijn ten aanzien van de geluidsbelasting van de N65 aanvullende geluidreducerende maatregelen nodig. De naar de weg gekeerde gevels zullen doof moeten worden uitgevoerd. Daarnaast is een ontheffing voor een Hogere Grenswaarde nodig vanuit de gemeente. Wanneer de bouwkundige maatregelen worden getroffen dan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. Bij de voorgenomen ontwikkelingen zullen voldoende geluidreducerende maatregelen worden getroffen, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid kan worden geborgd. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid.

31

4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

32

Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Overige wet- en regelgeving: Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit Milieubeheer, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Voldaan wordt aan de in de voornoemde wet- en regelgeving opgenomen veiligheidsafstanden. Toetsing aan de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het plan. 4.1.6.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd.

Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

33

Uitsnede Kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving. Nabij de locatie zijn, zoals te zien in de voorgaande figuur, geen risicovolle inrichtingen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen. Wel is de locatie binnen een explosieaandachtsgebied gelegen van de nabijgelegen weg (de N65). Dit is verder omschreven in de paragraaf "Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen)" (paragraaf 4.1.6.2). Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.6.2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Op ongeveer 219 meter van de locatie is een gasleiding gelegen. Voor gasleidingen lopen de inventarisatieafstanden voor het groepsrisico uiteen van 45 meter bij een leiding met een kleine diameter en een lage druk (diameter 4 inch en een druk van 40 bar) tot maximaal 580 meter bij een leiding met een 34

grote diameter en een hoge druk (diameter 42 inch en een druk van 80 bar). De betreffende leiding heeft een diameter van 12,76 inch (kleine diameter) en 40 bar (lage druk). Hiermee is het niet aannemelijk dat de locatie binnen het invloedsgebied van de betreffende leiding is gelegen. Verder is op ongeveer 56 meter van de locatie de provinciale weg N65 gelegen. Over deze weg worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl, LT2 en GF3 vervoerd. De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied en is daarom bepalend voor het groepsrisico. De stof LT2 heeft, wanneer vervoerd over de weg, een invloedsgebied van 880 meter. Daarmee is de locatie binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N65 gelegen. Gezien de locatie binnen het invloedsgebied van transportroutes is gelegen dient het groepsrisico nader (beperkt) te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3).

4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is gelegen binnen een invloedsgebied van de provinciale weg N65 gelegen. Hiermee dient het groepsrisico nader te worden verantwoord. Voor de provinciale weg is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van het groepsrisico met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde ten opzichte van de bestaande situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied. Scenario('s): Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.

Mogelijk heden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit: Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan of de concentratie van de wolk te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De locatie is zeer goed ontsloten, waardoor hulpdiensten tijdig aanwezig kunnen zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Mogelijk heden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen 35

van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.

Schuilmogelijkheden: Wanneer bij een calamiteit het schuilen de beste optie is om deze te overleven dan dient men te kunnen schuilen in afgesloten bebouwing om de kans op letsel te verkleinen. Schuilen in afgesloten bebouwing is goed mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. De bebouwing ter plaatse is goed geïsoleerd en biedt daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie: Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse geen verontreinigingen zijn aangetroffen die de voorgenomen bestemmingswijziging in de weg zullen staan. Voor het gehele 36

onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.

Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). De locatie is gelegen in een agrarisch gebied en is aan de noordzijde, oostzijde en zuidzijde omsloten door agrarische gronden.

Op deze gronden is vanuit het bestemmingsplan in beginsel een agrarisch gebruik met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk. Vanuit de maximaal planologische mogelijkheden is derhalve een nadere afweging van spuitzones noodzakelijk. De gronden aansluitend aan de locatie zijn allen in eigendom van de initiatiefnemer. Indien deze gronden worden verkocht dan zal contractueel worden vastgelegd dat binnen 50 meter van de woningen geen gebruik mag worden gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, behoudens wanneer in voldoende mate maatregelen zijn getroffen om eventuele drift van gewasbeschermingsmiddelen op de woningen en de verblijfsruimten buiten daarvan te voorkomen. Alleen de gronden ten zuiden van de gronden waarop de nieuwe compensatiewoningen worden opgericht (perceel met nummer 2675) zijn in eigendom van een derde. De nieuwe compensatiewoningen komen met de nieuwe erven op ongeveer 35 meter van het betreffende perceel te liggen. Daarmee zijn aanvullende maatregelen vereist. Op de perceelsgrens is reeds een robuuste groensingel aanwezig. Ook rondom de erven zal worden voorzien in een robuuste houtwal. Daarmee zal de eventuele drift vanuit het perceel in eigendom van een derde al worden afgevangen en tegengehouden voordat deze de woningen en/of de tuinen daarvan bereikt.

Er is daarmee geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 37

4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een KI-station beëindigd. Daarbij zullen de bestaande bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen, zullen drie nieuwe compensatiewoningen worden opgericht en zal worden voorzien in negen appartementen in het bestaande kantoorpand. Vanuit de lijsten uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt voor woningbouw dat een m.e.r.-beoordeling plaats dient te vinden wanneer sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en wanneer er meer dan 2.000 woningen worden opgericht. Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast is geen sprake van het oprichten van meer dan 2.000 woningen. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Een verdere m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

38

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Loonse en Drunense Duinen & Leemskuilen) is gelegen op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

39

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij en/of activiteit met een emissie van ammoniak. De uitstoot van ammoniak zal met de beëindiging van het KI-station en de daarbij gehouden dieren juist aanzienlijk afnemen. Met de afname van de emissie van ammoniak zal de depositie van stikstof op de betreffende gebieden eveneens afnemen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling eerder een positief effect hebben op de betreffende gebieden. De vigerende milieuvergunning van het bedrijf zal worden ingetrokken. Hiertoe is reeds een verzoek gedaan aan de gemeente. Dit verzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. De vigerende milieuvergunning zal voorafgaand aan de definitieve vaststelling van dit plan ingetrokken zijn. Om dit verder aan te tonen is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt van de gewenste situatie. Daarbij zijn de in te trekken ammoniakrechten van het bedrijf die worden ingezet voor de regeling maatwerk omgevingskwaliteit van de provincie mee in beschouwd. Uit de berekening blijkt dat, ook na het intrekken van de rechten, geen sprake zal zijn van een toenemende depositie op Natura 2000 gebieden. Voor de berekening en de daarbij behorende toelichting wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten.

Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker 40

aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.

Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieruit blijkt dat op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en huismussen onder de dakconstructie van het te slopen voormalige laboratorium gebouw niet kan worden uitgesloten. Ook is het voorkomen van steenmarters niet uit te sluiten in varkensstal 1 met aangebouwde voorraadruimte. Hierdoor wordt dan ook aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek naar huismussen en vleermuizen van het te slopen laboratorium en naar steenmarters van varkensstal 1 uit te voeren. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Op basis van de resultaten van de quickscan is nader onderzoek naar huismussen, vleermuizen en steenmarters uitgevoerd.

Uit het vervolgonderzoek blijkt het volgende: "De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg. Er worden geen nest- of verblijfplaatsen aangetast en er worden geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast. Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar zal komen door de geplande ontwikkeling. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhuismussen, marters en vleermuizen is niet nodig. Daarnaast k an de nieuwbouw natuurinclusief ontworpen en uitgevoerd worden. Dit houdt in dat er 41

definitieve verblijfplaatsen en een geschikte leefomgeving voor gebouw bewonende soorten zoals huismussen en vleermuizen worden gerealiseerd in en om de nieuwbouw." Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=96e3e21d-e4c9-4908-9934-3e1df4e16c8f