Bijlage - Toelichting
Tekst van het document
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN.
De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft ten behoeve van het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNBB gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 135 meter.
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. 42
Het NNN/NNB heeft geen externe werking. De regels die worden gesteld ter bescherming van het NNN/NNB hebben daarom alleen betrekking op ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden. Echter kan een ruimtelijke ontwikkeling, wanneer deze binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied plaatsvindt, mogelijk effecten hebben op deze gebieden. Het gaat daarbij dan voornamelijk om licht, geluid en fijnstof. De locatie is niet in het NNN/NNB gelegen. Wel is de locatie binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied gelegen, waarmee een nadere motivatie nodig is dat geen sprake is van een nadelige invloed op het gebied op het gebied van licht, geluid en fijnstof. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting die leidt tot een onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.5). Gezien de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige geluidhinder veroorzaakt zal geen sprake zijn van een mogelijke geluidhinder in de betreffende NNN/NNB gebieden. Verder zal het voorgenomen initiatief niet leiden tot een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) is sprake van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden.
Door het niet langer houden van dieren zal de emissie van fijnstof juist afnemen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot nadelige effecten door de uitstoot van fijnstof in de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een structurele uitstoot van licht. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige lichthinder aan de betreffende gebieden. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.
43
Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Categorie 4, gebied met een hoge archeologische verwachting'.
44
Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Vught. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Met het onderzoek is onderscheid gemaakt in drie deelgebieden. Het eerste onderzochte deelgebied betreft het deel van de locatie met de huidige bedrijfswoningen die worden omgeschakeld naar burgerwoningen. In dit deel vinden geen bodemingrepen plaats. In dit deel wordt vanuit het onderzoek dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd. Wel adviseert de onderzoeker de dubbelbestemming en/of archeologische verwachting op deze locatie in stand te houden. Het tweede deelgebied betreft het deel van de locatie waarop het kantoorgebouw is gesitueerd. Ook hier vinden geen bodemingrepen plaats, maar adviseert de onderzoeker eveneens voor dit deelgebied eveneens de dubbelbestemming en/of archeologische verwachting in stand te houden. Indien in dit gebied alsnog bodemingrepen gaan plaatsvinden adviseert de onderzoeker voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend onderzoek met proefsleuven uit te voeren.
Het derde deelgebied betreft het deel van de locatie waarop de drie nieuwe compensatiewoningen zullen worden opgericht. Voor dit deel adviseert de onderzoeker en vervolgonderzoek uit te voeren met proefsleuven. Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Het uitvoeren van het aanvullende proefsleuvenonderzoek ter plaatse van de drie nieuwe compensatiewoningen zal voorafgaand aan de werkzaamheden worden uitgevoerd. Hiertoe is in de regels behorende bij het voorliggende plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 4.2.1 en artikel 4.4.1, onder j), waarmee het uitvoeren van het betreffende onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden is geborgd. Daarmee zijn de archeologische waarden voldoende geborgd. Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit wat door vorige generaties is gebouwd of gemaakt en wat tegenwoordig nog bestaat en tegenwoordig monumentale waarde heeft. Door contact met dit erfgoed krijgen de huidige generaties een beeld hoe men vroeger geleefd moet hebben. Cultureel erfgoed is van belang voor de identiteit van een samenleving en versterkt het cultureel en historisch zelfbewustzijn. Monumenten en kunstschatten maken een gedeeld verleden zichtbaar en versterken daarmee de nationale identiteit. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. 45
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn onder andere in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant. Nabij de locatie is een groenstructuur gelegen die is aangemerkt als historisch groen. Het deel nabij de locatie betreft met name de laanbeplanting aan de Sparrendaalseweg. Verder maakt het historisch groen deel uit van het waardevolle landgoed aan de Sparrendaalseweg. De Helvoirtseweg is aangemerkt als historisch geografische lijn in het landschap met een hoge waarde. Ook de laanbeplanting aan een deel van deze weg is aangemerkt als historisch groen. De gemeente Vught heeft eveneens een eigen cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Zoals te zien in de volgende afbeelding is ook vanuit de gemeentelijke waardenkaart sprake van een ligging nabij enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen.
46
Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Gemeente Vught. Ook op basis van de gemeentelijke waardenkaart is de Helvoirtseweg aangemerkt als historisch geografische lijn. Ook de Sparrendaalseweg is vanuit de gemeentelijke waardenkaart aangemerkt als een dergelijke lijn. Beiden hebben vanuit de gemeentelijke waardenkaart een zeer hoge waarde. Vanuit de gemeentelijke waardenkaart is de locatie buiten het gebied gelegen dat is aangemerkt als vlak historische geografie met zeer hoge waarde. Met de voorgenomen ontwikkeling vinden uitsluitend ingrepen plaats op eigen terrein. Er vinden geen wijzigingen plaats aan de laanbeplanting aan de Sparrendaalseweg en de Helvoirtseweg en de voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot wijzigingen aan het landgoed. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot wijzigingen aan de omliggende wegen. De impact op het landschap als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is zeer minimaal. Hiermee zullen het historische groen, de historisch geografische lijn en het waardevolle landgoed niet onevenredig worden geschaad. Verder is de locatie gelegen in een cultuurhistorisch landschap. Het betreft het landschap De Meierij. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond.
Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen van het bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door 47
opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan.
Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Voor de provincie is het behoud van het cultuurhistorisch landschap door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio van belang. Daarnaast wil de provincie de cultuurhistorische waarden van het landschap in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Ten slotte is het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief van de archeologische landschappen van belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling op een bestaand erf.
Hoewel er bebouwing wordt teruggebouwd is sprake van een afname van het bebouwd oppervlak. Er blijft, door middel van een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van de locatie, sprake van een compacte inrichting welke goed aansluit bij bestaande structuren en passend is in het landschap. De impact van de voorgenomen ontwikkeling is zeer minimaal. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op het cultuurhistorische landschap. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarnaast door een landschappelijk en stedenbouwkundig deskundige een landschappelijk en stedenbouwkundig inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 1 van deze toelichting). Daarin is een analyse gemaakt van de landschappelijke en historische waarden van het gebied en van de locatie. Uit deze analyse blijkt dat de waardevolle kenmerken van het landschap vooral de langgerekte smalle percelen met bomenrijen en hagen en de ontwikkeling van het bebouwingslint betreft. Daarnaast is het nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland van historisch belang.
Op de locatie worden de ruimtelijke kenmerken vooral benadrukt door de strook met bos langs de Helvoirtseweg, het bosje aan de noordoostkant van het plangebied en het bos ten zuidoosten van de Sparrendaalseweg, de groensingels aan de noordkant en zuidkant van het plangebied, de bebouwing en beplanting op de ten zuidwesten gelegen bebouwde erven van de buurtschap de Dijk en de bomenrijen langs de omliggende wegen. In het plan wordt daarop aangesloten door de aanleg van een strook bos aan de noordwestkant en door het versterken en verbeden van de aanwezige groensingels aan de noordoostkant en zuidwestkant. Daarnaast vormen de nieuwe woningen in stedenbouwkundig opzicht een verbinding tussen de resterende bedrijfswoningen en de in het huidige kantoorgebouw te realiseren appartementen. De totale bebouwing vormt zo een duidelijke ruimtelijke eenheid rond een centrale ruimte, de weide met fraaie solitairen in het centrum van het plangebied. De resterende woningen met de bijgebouwen en het resterende bedrijfsgebouw zijn te kenschetsen als een organisch tot stand gekomen, kleurrijke bebouwingscluster. Op basis van het voorgaande zal de voorgenomen inpassing van het erf leiden tot een versterking van de 48
historische kenmerken en waarden van het landschap. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Hevloirtseweg (via De Dijk). De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog 49
gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. De om te schakelen bedrijfswoningen, de nieuwe compensatiewoningen en de gewenste appartementen (in het huidige te behouden kantoorgebouw) zullen ontsloten worden via de bestaande ontsluiting aan de Helvoirtseweg. Daarbij zal de ontsluiting waar nodig worden aangepast aan de hernieuwing van de N65. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. De gemeente Vught heeft op 7 februari 2013 het Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022 vastgesteld. Hierin zijn de gemeentelijke parkeernormen opgenomen. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een KI-station, waarbij de bestaande bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen. Voor woningen in het buitengebied (vrijstaand) geldt een parkeernorm van 2 per woning. Bij de huidige bedrijfswoningen is reeds ruim voldoende parkeergelegenheid voor (meer dan) 2 auto's aanwezig. Dit zal met de voorgenomen ontwikkeling niet veranderen. In de gewenste situatie zal daarmee ten aanzien van de om te schakelen woningen eveneens ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn.
Daarnaast zullen drie nieuwe compensatiewoningen worden opgericht. Ook voor deze woningen geldt een parkeernorm van 2 per woning. Bij elk van de woningen zal ruim voldoende gelegenheid worden aangelegd voor minimaal 2 parkeerplaatsen. Daarmee zal ook voor de compensatiewoningen voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. Ten slotte zal worden voorzien in negen appartementen in het bestaande kantoorgebouw. Voor appartementen in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,3 per wooneenheid. Dit betekent dat op basis van de parkeernormen ter plaatse minimaal 20,7, afgerond 21 parkeerplaatsen nodig zijn. Op eigen terrein is ruim voldoende ruimte aanwezig voor 21 parkeerplaatsen. In de regels behorende bij dit plan is in artikel 14.1 geborgd dat dient te zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein volgens de parkeernormen van de gemeente. Gezien het voorgaande zal ook de in de gewenste situatie sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een KI-station, waarop tevens varkens (beren) worden gehouden. Daarbij worden de huidige bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen en worden drie nieuwe compensatiewoningen opgericht. Ten slotte zal op termijn worden voorzien in een kleinschalige collectieve woonvorm. In de huidige situatie is sprake van een KI-station, waarop tevens varkens (beren) worden gehouden. Ten behoeve van de huidige bedrijfsvoering vinden volgens de vigerende vergunning de volgende verkeersbewegingen plaats: Gemiddeld 36 vrachtwagens per week, wat resulteert in gemiddeld 72 verkeersbewegingen per week met vrachtverkeer; Gemiddeld 10 tractoren per week, wat resulteert in gemiddeld 20 verkeersbewegingen met landbouwverkeer; Gemiddeld 50 personenauto's per week, wat resulteert in gemiddeld 100 verkeersbewegingen per week met personenvervoer. Totaal gemiddeld 192 verkeersbewegingen per week, waarvan gemiddeld 72 met vrachtverkeer. Dit betreft gemiddeld 27 verkeersbewegingen per dag, waarvan gemiddeld 10 met vrachtverkeer. Daarnaast vinden momenteel verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de huidige bedrijfswoningen. Deze woningen zijn en blijven als woning in gebruik. Het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van deze woningen zal daarmee niet wijzigen. In de gewenste situatie is sprake van appartementen.
Dit is vergelijkbaar met een appartementencomplex. Voor dergelijke voorzieningen in het buitengebied geldt, volgens de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW, een verkeersgeneratie van gemiddeld 6 verkeersbewegingen (3 50
voertuigen) per wooneenheid per dag. Er zal ter plaatse worden voorzien in 9 appartementen. Dit houdt in dat er voor de appartementen in de worst-case situatie sprake zal zijn van 54 extra verkeersbewegingen per dag met personenvervoer. Dit betreft gemiddeld slechts 2 verkeersbewegingen (1 auto) per uur. Daarnaast worden drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen opgericht. Voor vrijstaande woningen in het buitengebied geldt, volgens de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW, een verkeersgeneratie van gemiddeld 8 verkeersbewegingen (4 voertuigen) per dag. Bij drie woningen betekent dit een totale verkeersgeneratie van gemiddeld 24 verkeersbewegingen (12 voertuigen) per dag. Gemiddeld genomen betreft dit slechts 1 auto per 2 uur. In vergelijking met de huidige situatie zal sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen met 61 per dag. Dit betreft gemiddeld slechts één extra voertuig per uur. Daarnaast is met het bepalen van de verkeersbewegingen uitgegaan van de worst-case situatie. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie in de gewenste situatie (aanzienlijk) lager zijn, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige verkeershinder. In de huidige situatie vindt een groot deel van de verkeersbewegingen plaats met vrachtverkeer. In de gewenste situatie is het aandeel vrachtverkeer aanzienlijk kleiner.
Hiermee zal de impact en de mogelijke hinder van het verkeer van en naar de locatie (aanzienlijk) afnemen.
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.
4.5.1 Beleid Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en (Interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de omgevingsvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: 51
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: voldoende water voor mens, plan en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Beleid waterschap, Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen.
De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.
Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. Nog meer dan voorheen, is aanpassing aan de veranderende leefomgeving en het zoeken naar nieuwe oplossingen en antwoorden nodig. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan kunnen oplossingen worden gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit kan worden bereikt. Meer dan voorheen wordt 52
daarbij ingezet op: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.
Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. Gemeentelijk beleid, Programma Water en Riolering 2022-2026 en Waterafvoerverordening De gemeente Vught heeft in het Programma Water en Riolering als doelstelling opgenomen een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente te zijn.
Om een stap te zetten in de komende planperiode met betrekking tot de realisatie van de doelstelling heeft de gemeente drie speerpunten opgenomen in het programma, namelijk: 1. Werken aan een robuust en klimaatbestendig systeem continueren. 2. Continueren integraal werken. 3. Samenwerken met inwoners en ondernemers. Vanuit het eerste speerpunt wordt ingezet op het inzetten van de (openbare) ruimte om tijdelijk grote hoeveelheden hemelwater op te vangen en gedoseerd af te voeren naar de omgeving. Dit zowel bij normale als bij extremen buien. Daarbij wordt ingezet op het zo lang mogelijk vasthouden van water in de voorzieningen voor het opvangen van hemelwater, mede om te anticiperen op perioden van langdurige droogten. Bij nieuwe ontwikkelingen en herontwikkelingen is het uitgangswpunt dat het plangebied klimaatadaptief wordt ingericht en wordt voorzien in een klimaatrobuust watersysteem. Vanuit het tweede speerpunt wordt met name ingezet op samenwerking met partijen die in de openbare ruimte actief zijn. Dit vergt een omgevingsgerichte werkwijze waarbij bij iedere bovengrondse ingreep een belangenafweging wordt gemaakt waarin water een rol van betekenis speelt. Vanuit het derde speerpunt wordt voornamelijk ingezet op samenwerking met inwoners en ondernemers in 53
de gemeente. Daarbij is het streven om bij ieder project een participatietraject in te zetten. In de gemeentelijke Waterafvoerverordening is opgenomen dat het verboden is vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de openbare riolering of op het openbaar terrein. De opvang en afvoer van hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. In afwijking van het beleid van het waterschap heeft deze regeling betrekking op alle nieuwe bebouwing en verharding en niet alleen op een toename van het verharde oppervlak. Dit betekent dat voor iedere m² nieuwe bebouwing en/of verharding compenserende waterberging is vereist, ook in de gevallen dat sprake is van sloop van bebouwing en/of het verwijderen van verharding. De afname van het verhard oppervlak door sloop van bebouwing of het verwijderen van verharding mag daarbij niet in beschouwing worden genomen bij het bepalen van de noodzakelijke compensatie voor de nieuwe bebouwing of verharding. Voor de mate van compensatie hanteert de gemeente dezelfde normering als het waterschap.
4.5.2 Waterhuishoudkundige gebieden Attentiezone waterhuishouding De locatie is gelegen in een attentiezone waterhuishouding. Het doel van de attentiezones is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen deze zones gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. Binnen de attentiezones worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van activiteiten die een nadelige invloed kunnen hebben op de betreffende gebieden. Ten aanzien van deze activiteiten zijn in de planregels behorende bij het voorliggende plan nadere regels gesteld die toezien op de bescherming van de betreffende gebieden. Daarmee is de bescherming van de betreffende gebieden in voldoende mate geborgd.
4.5.3 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een KI-station, waarbij de bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen en drie nieuwe compensatiewoningen zullen worden opgericht. Daarnaast zal op termijn het bestaande kantoorgebouw worden omgeschakeld naar een kleinschalige collectieve woonvorm. De huidige stallen zijn niet geschikt voor de vervolgfuncties en zullen in zijn geheel worden gesloopt. In totaal zal ongeveer 3.000 m² aan stallen worden gesloopt. Bij de huidige bedrijfswoningen, welke worden omgeschakeld naar burgerwoningen, zal niet worden gebouwd en/of worden gesloopt. Ook ten behoeve van de in het bestaande kantoorgebouw te realiseren appartementen zal niet worden gebouwd en/of worden gesloopt. Ten slotte worden drie nieuwe compensatiewoningen opgericht met bijgebouwen. Een vrijstaande woning in het buitengebied mag een inhoud hebben van maximaal 750 m³. Dit houdt in dat de oppervlakte maximaal gemiddeld 150 m² zal bedragen per woning. Daarnaast is per woning (wanneer ook de mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen worden meegenomen) maximaal 150 m² aan bijgebouwen mogelijk. Dat houdt in dat per woning ongeveer 300 m² aan bebouwd oppervlak zal worden gerealiseerd. Voor voldoende erfverharding wordt eveneens uitgegaan van maximaal 100 m² aan erfverharding per woning.
Het totale verharde oppervlak ten behoeve van de woningen komt daarmee op ongeveer 1.200 m². In totaal zal het verhard oppervlak met de voorgenomen ontwikkeling met minimaal 3.000 m² afnemen. Daar komt nog een afname van de erfverharding rondom de huidige stallen bij. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toename van het verhard oppervlak, maar juist van een afname daarvan. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij 54
is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig; Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel; Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen, maar afnemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Vanuit het gemeentelijke beleid ten aanzien van de afvoer van hemelwater geldt echter een afwijkende norm.
Vanuit het gemeentelijke beleid dient bij iedere m² aan nieuwe bebouwing en/of verharding compensatie plaats te vinden, ongeacht of eveneens sprake is van sloop van bebouwing en/of het verwijderen van verharding. Voor het bepalen van de mate van compensatie hanteert de gemeente dezelfde norm als het waterschap. De compensatie kan daarmee worden bepaald met behulp van de volgende rekenregel: "Compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06." De gevoeligheidsfactor is afhankelijk van het infiltrerend vermogen van de grond ter plaatse van een locatie. De gevoeligheidsfactor is standaard 1, maar in sommige gebieden waar het water door de bodemsamenstelling beter kan infiltreren in de grond is deze op ½ of ¼ gesteld. Bij een gevoeligheidsfactor ½ mag gerekend worden met 0,5 en bij een gevoeligheidsfactor ¼ met 0,25. Zoals te zien in de volgende figuur is de gevoeligheidsfactor ter plaatse 1.
55
Kaart gevoeligheidsfactoren. Bron: Waterschap de Dommel. Zoals gesteld in het voorgaande zal ter plaatse van de om te schakelen bedrijfswoningen geen sprake zijn van nieuwe bebouwing en/of verharding. Ook ter plaatse van het kantoorgebouw, dat ingericht zal worden met appartementen, zal geen sprake zijn van nieuwe bebouwing en/of verharding. Alleen op de plaats waar de nieuwe compensatiewoningen zullen worden opgericht is sprake van nieuw verhard oppervlak. Zoals eerder in deze paragraaf omschreven zal het nieuwe verhard oppervlak ter plaatse maximaal 1.200 m² betreffen. De rekenregel kan daarmee als volgt worden ingevuld: "1.200 (toename verhard oppervlak) x 1 (gevoeligheidsfactor) x 0,06 = 72 m³." Voor de nieuwe woningen dient daarmee te worden voorzien in minimaal 72 m³ aan compenserende waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.4). Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoningen op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd.
Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor de nieuwe woningen en de omschakeling van het kantoorgebouw naar een appartementencomplex zal in overleg met de gemeente worden voorzien in een passend gescheiden stelsel waarbij het 56
hemelwater eveneens niet wordt afgekoppeld op de riolering. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.4 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 72 m³ aan compenserende waterberging nodig. De gronden ter plaatse bestaan, volgens gegevens van Bodemdata en de provincie Noord-Brabant, uit eolische dekzandwelvingen. Dit zijn dekzanden die zijn afgezet door de wind. De doorlatendheid van de zandgronden is afhankelijk van de grootte van de korrels. De eolische dekzanden hebben een vrij constante korrelgrootte, gemiddeld 150-210 micrometer (µm). De betreffende zandgronden hebben daarmee een doorlatendheid van gemiddeld 15 meter per dag. 1 meter per dag staat gelijk aan 1.000 liter per dag per m². De gronden hebben daarmee een infiltratiecapaciteit van 15.000 liter per dag per m². Dit staat gelijk aan 625 liter per uur per m². De bodem ter plaatse is daarmee (zeer) geschikt voor infiltratie. Volgens gegevens van het waterschap ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de nieuwe woningen tussen de 40 en 60 centimeter onder maaiveld. Daarmee ligt de grondwaterstand vrij hoog. Bij de realisatie van de woningen dient daarmee rekening te worden gehouden met de hogere grondwaterstanden.
Bij de realisatie van de woningen zal dit in acht worden genomen. Ten behoeve van de waterberging zal op elk van de eigen percelen van de compensatiewoningen een voorziening voor de berging van water worden aangelegd. Deze zijn meegenomen in het landschappelijk en stedenbouwkundig inrichtingsplan zoals is opgenomen als bijlage 1 van deze toelichting. Daarbij is in beginsel de keuze gemaakt voor een greppel/sloot aan de één van de zijden van elk perceel, maar is de optie opgenomen om op een andere wijze (bijvoorbeeld door een poel of grindkoffers) te voorzien in voldoende compensatie. In de volgende figuur is de in het landschappelijk en stedenbouwkundig inrichtingsplan opgenomen waterberging weergegeven.
57
In het landschappelijk en stedenbouwkundig plan opgenomen voorzieningen voor waterberging. Bron: Ir. Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt. Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.
58
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a, b en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.
In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Vught. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" van gemeente Vught en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de 59
gemeentelijke bladen en/of op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.3
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Vught vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
60
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 61
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 62
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
6.3
Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Wonen', waarbij de functie voor het wonen in een burgerwoning wordt neergelegd. 'Agrarisch met waarden - Kampen- of hoevenlandschap', waarbij de functie voor het agrarisch gebruik van gronden met doelstellingen voor het behoud en/of de versterking van de landschappelijke waarden wordt neergelegd.
Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Het huidige kantoorpand zal worden voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen geclusterd wonen', waarvoor in de regels wordt geborgd dat uitsluitend een geclusterde woonvorm in de vorm van appartementen met een zekere mate van sociale samenhang is toegestaan. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).
63