CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting en regels nieuw

Raadsvergadering 7 april 2022, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Wolfskamerweg 20-2222.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

31

Het plangebied ligt buiten alle richtafstanden met uitzondering van de richtafstand van het garagebedrijf. Om te bepalen of bij de toekomstige woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat heeft een geuronderzoek en een geluidsonderzoek plaatsgevonden. Deze onderzoeken zijn beide opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Hier wordt dan ook naar verwezen. Hierna worden de belangrijkste conclusies beschreven. Geuronderzoek Volgens hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn formeel geen directe geurvoorschriften opgenomen voor de omgekeerde werking ten aanzien van de appartementenrealisatie aan de Wolfskamerweg te Vught. Volgens de geldende maatwerkvoorschriften zijn voldoende maatregelen genomen om geurhinder te voorkomen. Hiermee wordt geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt. De geuremissie vanwege de spuitcabine van autobedrijf Schuurmans heeft geen nadelige gevolgen voor het te ontwikkelen plan aan de Wolfskamerweg te Vught. Akoestisch onderzoek industrielawaai De inrichting van autobedrijf Schuurmans aan de noordzijde van het plan heeft een werkplaats. Hiervoor dient het aspect geluid nader onderzocht te worden. Aan de hand van de bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de akoestische effecten inzichtelijk gemaakt.

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 46 en 40 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Het maximaal geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 64 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode. Daarmee wordt voor zowel het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en het maximale geluidniveaus (LAmax) voldaan aan de normstellingen uit de omgevingsvergunning. De verkeersaantrekkende werking over de Industrieweg bedraagt ten hoogste 29 dB(A) en voldoet daarmee ruim aan de grenswaarde van 50 dB(A). Uit bovenstaande blijkt dat ter plaatse van de beoogde appartementen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Door de komst van de appartementen zal het bedrijf ook niet beperkt worden in zijn rechten. 4.4.3 Conclusie In deze paragraaf is gekeken naar de milieuaspecten geur en industrielawaai. Geconcludeerd wordt dat voor beide aspecten afzonderlijk geldt dat er is sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast speelt hier ook nog het wegverkeerslawaai (zie ook paragraaf 4.2). Wanneer gekeken wordt naar het totaal aan ‘belasting’ kan het volgende opgemerkt worden: 1. Wat betreft geur is de belasting gering vanwege de maatwerkvoorschriften uit de betreffende vergunning. In dat kader is al de afvoerpijp verhoogd en zijn er koolfilters geplaatst.

Ook ligt het bouwvlak op meer dan 25 meter van het emissiepunt. 2. Als het gaat om geluid vanwege industrielawaai wordt voldaan aan de norm van het Activiteitenbesluit. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 3. Als het gaat om geluid vanwege weg- en railverkeer zullen de binnenwaarden voldoen aan de wettelijke normen. In het kader van de hogere waarde procedure zal zeker geborgd worden dat de

Hoofdstuk 4

32

gevelgeluidwering voldoende is om aan die normen te voldoen. En die goede gevelgeluidwering zorgt ook voor een geluidwering vanwege het industrielawaai.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom. In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen of andere geurbelastende agrarische bedrijven. Dit onderdeel is dan ook niet van belang.

Voor de geuruitstraling van het bedrijf ten noorden van het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.4 en het onderzoek in de bijlagen. 4.5.3 Conclusie Het onderdeel ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.6 Kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Risicovolle leidingen worden beschouwd in paragraaf 4.7.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

Hoofdstuk 4

33

In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.

Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek Er is voor dit plan een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij dit plan. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het vulpunt van het LPG-tankstation. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico’s blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bijlage).

Hoofdstuk 4

34

25

Uit bovenstaande tabel volgt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de onderzochte risicobronnen. Wat betreft het mogelijke explosiegevaar van het vulpunt dient een verantwoording van het GR genomen te worden met daarin een advies van de Veiligheidsregio. Advies Veiligheidsregio Op 15 juni 2020 heeft de Veiligheidsregio Brabant-Noord een advies inzake externe veiligheid gegeven over onderhavig plan. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. Hierbij is tevens ingegaan op de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het volgende advies wordt gegeven. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. Aan het advies zal worden voldaan. Enkele opmerkingen over het rapport externe veiligheid zijn verwerkt.

4.7.3 Conclusie Het onderdeel ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet

Hoofdstuk 4

35

in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 4.8.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door BRO een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een gebouwbewonende vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten.

Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Vervolgonderzoek Vleermuizen In een bijlage bij deze toelichting is het rapport opgenomen met het vervolgonderzoek naar de vleermuis. Het doel van het aanvullend vleermuisonderzoek was te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van vleermuizen en zo ja, voor welke soorten en met welke functie. Uitgevoerd onderzoek van april tot en met september 2020 leidt tot de conclusie dat er waarneming is gedaan van een vleermuissoort, namelijk de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Genoemde soort is overvliegend en minimaal foeragerend waargenomen.

Op basis van uitgevoerd veldonderzoek zullen de voorgenomen ontwikkelingen door gebrek aan verblijflocaties en het ontbreken van een gebruiksfunctie geen invloed hebben op de aldaar voorkomende vleermuizen. Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van de waargenomen soort en hun functioneel leefgebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is dan ook niet nodig.

Hoofdstuk 4

36

Stikstofdepositie Met betrekking tot het onderdeel Natura 2000 is middels een Aerius berekening voor de gebruiksfase de stikstofdepositie berekend. Deze berekening is opgenomen in de bijlagen. Geconcludeerd wordt dat de depositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hiermee zijn negatieve effecten voor stikstof op Natura 2000 uitgesloten. 4.8.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van de locatie Wolfskamerweg 20-22.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op de onderzoekslocatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond en ondergrond en in het opgepompte grondwater geen bijzonderheden/afwijkingen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. In het freatisch grondwater zijn geen van de onderzochte componenten zijn gemeten in een gehalte verhoogd ten opzichte van de streefwaarden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. 4.9.3 Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw).

Hoofdstuk 4

37

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Daarnaast is het streven om de kans op toekomstige wateroverlast verder te beperken. Voor het beheer en onderhoud van het bestaand watersysteem is door de Brabantse waterschappen een gezamenlijke Keur opgesteld.

De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij voldoen aan de Algemene Regel is geen vergunning noodzakelijk (wel meldingsplichtig). Indien hieraan niet voldaan wordt, is een watervergunning benodigd voor de eventueel voorgenomen werkzaamheden. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De gemeente Vught heeft haar visie op het stedelijk waterbeheer in het vGRP 2018-2023 vastgelegd. De gemeente heeft een zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. In eerste instantie is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de verwerking op zijn/haar terrein. Voor plannen met een toename kleiner dan 500 m2 en afkoppeloppervlak kleiner dan 10.000 m 2 geldt een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie vanuit het beleid. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.

Als een infiltratievoorziening wordt aangelegd, kan een onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem noodzakelijk zijn. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Grondwater De maaiveldhoogte ter plaatse van de onderzoekslocatie bedraagt 6,1 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 3-4 me-

Hoofdstuk 4

38

ter +NAP (ca. 2-3 m-mv). De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen Vught is geen grondwateroverlast bekend. De GHG is op ca. 4,3 m +NAP ingeschat (ca. 1,7 m-mv). Derhalve wordt voor de toekomstige halfverdiepte kelder wel geadviseerd om deze waterdicht te voeren. Tevens dient instroom van buitenaf voorkomen te worden. Dit kan eenvoudig middels maaiveldprofilering. Hierdoor is ter plaatse van de nieuwbouw geen grondwateroverlast te verwachten. Zover bekend is ter plaatse geen grondwaterverontreiniging aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet binnen de grenzen van een attentie- en/of beschermingsgebied behorend bij een waterwingebied. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwater onttrekkingen plaats. Binnen het plangebied zullen geen industriële of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid (woningen). De dreiging van toekomstige grondwaterverontreiniging is daarom minimaal. Derhalve is geen nadelig effect op het grond- en oppervlaktewatersysteem te verwachten. Oppervlaktewater Door de ligging in het centrum van Vught is geen oppervlaktewater op of nabij het plangebied aanwezig. Het dichtst bijgelegen oppervlaktewater ligt ca. 120 meter ten oosten van het plangebied (nabij het spoor) of 180 meter ten westen (nabij de Baarzenstraat).

Derhalve is door de voorgenomen herontwikkeling met een afname aan hemelwaterafvoer naar het gemeentelijk hemelwaterriool geen directe invloed op het oppervlaktewater te verwachten. Hemelwater Op grond van gegevens uit het DINO-loket, literatuurgegevens en de Wateratlas Noord-Brabant is de locatie naar verwachting matig geschikt om over te gaan tot infiltratie. Bij aanleg van een infiltratievoorziening wordt geadviseerd om voorafgaand een infiltratie onderzoek (bepaling k-waarde) uit te voeren. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied en is momenteel nagenoeg volledig verhard. Het hemelwater is in het verleden reeds afgekoppeld en aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. Gezien de verhardingsafname door het planvoornemen is geen compensatie vereist voor de voorgenomen planontwikkeling. Het hemelwater bij de nieuwbouw dient net als bestaand gescheiden gehouden te worden van het afvalwater. Het gescheiden stelsel dient aangesloten te worden op het gemeentelijk rioolstelsel. Door te voldoen aan de milieuhygiënische voorwaarden zal de afgekoppelde neerslag afkomstig van de daken en overige verhardingen maximaal licht vervuild zijn. Alle afgekoppelde neerslag kan net als bestaand via traditionele afwatering worden afgevoerd. Geadviseerd wordt om in de afvoersystemen voorzieningen te realiseren die blad, zand e.d. achterhouden.

Verdere verduurzaming van het planvoornemen kan door ter plaatse van de parkeervakken bijvoorbeeld waterpasserende bestrating toe te passen of eventueel een sedumdak aan te leggen op het plat dak; allemaal met als doel het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Op basis van het toekomstige verhard oppervlak wordt de benodigde waterberging berekend. Dit is in de regels van dit bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij is uitgegaan van een norm van 15 mm per vierkante meter verharding (dit wordt beleidsmatig verankert in het VGRP (Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan) 2018-2023). Voor het plangebied dient dan te worden uitgegaan van circa 43 m 3 (2860 m2 x 15 mm) waterberging. De daadwerkelijke oplossingen en inrichtingen ten aanzien van een duurzame en klimaatadaptieve verwerking van het regenwater worden nader uitgewerkt en worden in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen gepaald. Afvalwater Voor de nieuwbouw wordt een nieuw DWA-stelsel aangelegd. Gezien het bestaande gebruik als kantoorgebouw naar maximaal 58 appartementen is een lichte toename aan afvalwater naar het gemeen-

Hoofdstuk 4

39

telijk stelsel te verwachten (toekomstige hoeveelheid ca. 1,74 m3 per uur). Dit zal zonder aanpassingen door het bestaande rioolstelsel verwerkt kunnen worden. Voor de wijzigingen aan de aansluiting dient een vergunning met de gemeente Vught aangevraagd te worden. Door de afname aan verharding, de gescheiden aanlevering op het gemeentelijk stelsel, het aanhouden van een vloerpeil hoger als de weg (net als de bestaande bebouwing) en de aanleg van een dichte halfverdiepte kelder, is door de voorgenomen planontwikkeling geen (grond)wateroverlast binnen het plangebied en bij derden te verwachten. Opgemerkt wordt dat de oppervlaktes maximaal ingeschat zijn. Bij het uitwerken van de omgevingsvergunning kan een herberekening benodigd zijn op basis van het uiteindelijke verhard oppervlak. Ten behoeve de bouwvergunningsaanvraag wordt geadviseerd om het RWA- en DWA- stelsel gedetailleerd uit te werken conform de geldende normen, richtlijnen en beleid, al dan niet in overleg met de gemeente. 4.10.3 Conclusie Het onderdeel ‘water’ zorgt niet voor belemmeringen. Wel dient er te worden voldaan aan de waterbergingseis die de gemeente Vught beleidsmatig in het VGRP heeft verankert. Voor het plangebied dient 43 m3 water te worden geborgen.

Dit wordt op verschillende manieren opgelost:  9,3 m3 water wordt geborgd door het toepassen van 50% open bestrating;  5,55 m3 wordt geborgd door het toepassen van de daktuin op de parkeergarage (1500+ maaiveld);  28,15 m3 water wordt gebufferd in een IT riool onder de rijweg op eigen perceel. In de regels is door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd dat de 43 m 3 aan waterberging ook wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek De gemeente Vught beschikt over een archeologische beleidskaart. Een uitsnede hiervan is in figuur 4.4 weergegeven.

Hoofdstuk 4

40

Het plangebied ligt binnen categorie 2 ‘gebied met een hoge archeologische verachting, historische kern’. Binnen deze zone geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 0,3 meter onder maaiveld. Deze grenzen worden met dit plan overschreden, mede gezien de realisatie van de (halfverdiepte) parkeerkelder. Een archeologisch onderzoek is daarom nodig.

Figuur 4.4: Uitsnede archeologische beleidskaart Vught

Het archeologisch bureau en booronderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge zwarte enkeerdbodems aanwezig zijn. De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een AC-profiel, er zijn geen sporen aangetroffen van een oorspronkelijke podzolbodem. Dit kan liggen aan het feit dat deze door ploegen is opgenomen in het bovenliggend dek maar mogelijk was het plangebied te nat zodat de podzolbodem zich hier niet kon vormen. Het grootste deel van het plangebied is reeds verstoord door de huidige bebouwing en door de aanwezigheid van kabels/leidingen. De vermoedelijke ligging van het plangebied binnen een verspoelde dekzandvlakte zal een weinig aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest voor landbouwende samenlevingen. Men zal met name de centrale delen van de hooggelegen dekzandgronden in de omgeving hebben gekozen. Uit de bureaustudie blijkt ook dat er in de omgeving gunstiger vestigingsplaatsen aanwezig, bijvoorbeeld ten oosten van het plangebied op een hoger gelegen dekzandrug. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor de periode laat paleolithicum neolithicum bijgesteld naar laag. De overige perioden waren al als laag geduid.

Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 4

41

4.11.3 Conclusie In een selectiebesluit, dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, heeft de gemeente Vught het advies van het archeologisch onderzoeksbureau overgenomen en te kennen gegeven archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk te achten. Het plangebied kan dus wat betreft het aspect archeologie vrijgegeven worden voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek Binnen en rondom het plangebied liggen geen monumentale gebouwen, bouwwerken of groenelementen. Daarnaast ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch landschap. Het plan heeft daarom geen negatieve effecten voor de cultuurhistorische waarden.

4.12.3 Conclusie Het onderdeel ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.13 Trillingen Er is door Movares een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied vanwege trillingen van het spoor. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat trillingen afkomstig van het spoor naar verwachting niet zullen leiden tot overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder uit de SBR-B richtlijn. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig om de trillingen afkomstig van treinverkeer te reduceren.

Hoofdstuk 4

42

4.14 Niet gesprongen Conventionele Explosieven Indien een plangebied ligt in een verdacht gebied als het gaat om de aanwezigheid van conventionele explosieven dient een projectgebonden risicoanalyse te worden uitgevoerd. Deze analyse geeft inzicht in de aard en omvang van de risico's voor uitvoerend personeel en de directe omgeving tijdens de realisatie van de geplande woningbouw. Onderzoek Het plangebied ligt in een verdacht gebied. Er is door BODAC een risicoanalyse voor het plangebied uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies worden hieronder besproken. Naar aanleiding van de uitgevoerde risicoanalyse is vastgesteld dat het werkgebied en het verdachte gebied elkaar overlappen. De locatie is vanwege diverse vondsten en literatuur- en archiefonderzoek, alsmede luchtfoto-interpretatie, verdacht op ontplofbare oorlogsresten (OO) in de vorm van verschoten geschutmunitie (8.80 cm en 25 ponder). Op basis van de vastgestelde naoorlogse grondroerende werkzaamheden, de locatiespecifieke omstandigheden en de toekomstige functie van het appartementencomplex kan een beargumenteerde conclusie getrokken worden. Uit het contra-indicatieonderzoek blijkt dat er extensieve naoorlogse grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden in een groot deel van het te onderzoeken gebied.

De geplande werkzaamheden binnen het op OO verdachte gebied bestaan in hoofdzaak uit:  Slopen en verwijderen van de huidige bebouwing;  Verwijderen/verplaatsen kabels en leidingen;  Grond afgraven voor geplande half verdiepte parkeerkelder;  Aanbrengen fundering voor nieuw appartementencomplex. Bodac heeft de uit te voeren werkzaamheden gekoppeld aan de risico’s op het aantreffen en de eventuele ongecontroleerde uitwerking van explosieven. Deze risico’s geven per uit te voeren werk weer of nader onderzoek (detectie & opsporing) noodzakelijk is. Per werk zijn de conclusies door Bodac als volgt bepaald:  Slopen en verwijderen van de huidige bebouwing: Detectie niet noodzakelijk. OO zijn redelijkerwijs opgemerkt en weggenomen bij de naoorlogse grondwerkzaamheden.  Verwijderen/verplaatsen kabels en leidingen: Detectie niet noodzakelijk. De werkzaamheden vinden enkel plaats in een naoorlogs toegevoegde bodem.  Grond afgraven voor geplande half verdiepte parkeerkelder: Detectie noodzakelijk. Bij werkzaamheden welke plaatsvinden tussen 4.25 m tot 2.75 m +NAP zal vanaf de naoorlogse geroerde bodem gedetecteerd moeten worden.  Aanbrengen fundering voor nieuw appartementencomplex: Detectie noodzakelijk. Bij werkzaamheden welke plaatsvinden tussen 4.25 m tot 2.75 m +NAP zal vanaf de naoorlogse geroerde bodem gedetecteerd moeten worden.

Hoofdstuk 4

43

Conclusie Uit de risicoanalyse is voortgekomen dat binnen het werkgebied nadere opsporing noodzakelijk is om de veiligheid tijdens toekomstige werkzaamheden te kunnen waarborgen. Dit zal gebeuren door realtime actieve en passieve oppervlaktedetectie Na het eventueel verwijderen van gevonden explosieven kunnen de (graaf)werkzaamheden veilig plaatsvinden. Een en ander staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.15 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de gemeente in veel gevallen te beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook bij kleine projecten het milieu relatief zwaar kan worden belast en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Er dient sprake te zijn van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Of dat het geval is hangt naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. Als een ontwikkeling aanzienlijke negatieve milieugevolgen heeft dan wijst dit op een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied De jurisprudentie over wat een ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ is, is constant in beweging waarbij steeds meer gekeken wordt naar de concrete omstandigheden van het geval.

Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging spelen een rol. Uit recente jurisprudentie (9 juni 2019) is bovendien gebleken dat alleen een vorm-vrije m.e.r in de toelichting niet voldoende is, maar dat er expliciet een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen moet worden. Hiervoor is een aanmeldnotitie noodzakelijk. Bij deze toelichting is een vormvrije m.e.r. beoordeling / aanmeldingsnotitie als bijlage gevoegd. Op basis daarvan kan een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Indien het plan vergeleken wordt met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Conclusie Er is geen noodzaak voor het uitvoeren van een m.e.r-procedure.

Hoofdstuk 4

44

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn gebaseerd op het nu geldende bestemmingsplan ‘Molenstraat e.o. 2016’. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

45

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels en regels voor voorzieningen van algemeen nut. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Tenslotte is een nadere eisen regeling opgenomen.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

 algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 5

46

overige regels: deze omvatten regels over parkeren conform het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren’

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Bestemming ‘Verkeer’ Het achterterrein ten behoeve van het parkeren en de weg daar naar toe heeft de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. Dit geldt ook voor een strookje parallel aan de Industrieweg. Deze gronden hebben nu de bestemming ‘Gemengd’, maar vallen buiten het eigendom van initiatiefnemer. Gelet op het feitelijke gebruik is de bestemming gewijzigd in ‘Verkeer’. Binnen de bestemming zijn wegen, parkeer- en groenvoorzieningen en andere ondergeschikte voorzieningen toegestaan. Er mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen, worden gebouwd. Bestemming ‘Wonen’ Deze bestemming heeft betrekking op de te bouwen appartementen. Verder zijn gebouwde parkeervoorzieningen toegestaan en andere ondergeschikte voorzieningen. De gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd in de vorm van gestapelde woningen. Buiten het bouwvlak zijn ondergeschikte bouwdelen toegestaan, zoals balkons, tot maximaal 2 meter uit de bouwgrens (zie ook artikel 6.2). De bouwgrens aan de zijde van de Wolfskamerweg en aan de noordzijde ligt op de grens van de halfverdiepte parkeerkelder. Deze kelder maakt immers ook deel van het gebouw en moet binnen het bouwvlak liggen. Door de verspringende hoogtescheidingslijn is geborgd dat de appartementen aan de zijde van de Wolfskamerweg ‘gestaffeld’ worden gerealiseerd.

Daar waar een maximale bouwhoogte van 1,5 meter geldt komt de halfverdiepte parkeerkelder te liggen. In artikel 4.3.1 is een bepaling opgenomen dat alleen betaalbare of middeldure woningen mogen worden gerealiseerd met de volgende prijsklassen: a) betaalbare woningen met een koopprijs vanaf € 180.000,- t/m € 250.000,- v.o.n. b) middeldure woningen met een koopprijs vanaf € 250.001,- t/m € 400.000,- v.o.n.

Hoofdstuk 5

47

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om het initiatief te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov)

Hoofdstuk 6

48

van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Enkele van deze vooroverlegpartners hebben reactie gegeven. Het gaat hierbij om Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant, de Gasunie, Defensie en Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. Al deze instanties stemmen in met het bestemmingsplan. Er zijn geen bezwaren. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening.

In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Een voorontwerp bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter visie gelegen. Tijdens deze periode is 1 inspraakreactie binnengekomen. Deze is samengevat en van een reactie van de gemeente voorzien. Het verslag inspraak is als een bijlage bij deze toelichting gevoegd. De inspraakreactie heeft geleid tot enkele aanpassingen van het bestemmingsplan. Deze aanpassingen staan beschreven in het verslag inspraak. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Hoofdstuk 6

49

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Onderzoek Externe veiligheid Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Stikstofberekening gebruiksfase Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Onderbouwing wateraspect Bijlage 9: Trillingenonderzoek Bijlage 10: Behoefteonderzoek woningbouw Bijlage 11: Advies Externe Veiligheid Bijlage 12: Archeologisch onderzoek Bijlage 13: Vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 14: Analyse niet gesprongen explosieven Bijlage 15: Aanmeldingsnotitie Bijlage 16: Verslag inspraak Bijlage 17: Selectiebesluit archeologie

Wolfskamerweg 20-22 te Vught

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4

Verkeer Wonen

13 14

Hoofdstuk 3

Algemene regels

17

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

17 18 19 20 21

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

22

Artikel 10 Artikel 11

Overgangsrecht Slotregel

22 23

2

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Wolfskamerweg 20-22 te Vught' met identificatienummer NL.IMRO.0865.vghBPwolfsweg2022-ON01 van de gemeente Vught. 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.6

bebouwingspercentage:

een op de kaart of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bestemmingsvlak aangeeft, dat ten hoogste bebouwd mag worden. 1.7

bedrijf- of beroep aan huis:

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal vanuit een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner, waaronder niet begrepen het verstrekken van logies, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.8

bestaand:

bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.9

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

4

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

1.10

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11

bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.12

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.13

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.14

bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw (halfverdiepte parkeerkelder), dakopbouw en/of zolder. Ter verduidelijking: van bovenkant vloer tot bovenkant vloer. 1.15

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16

bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel: voorste bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel gelegen aan een weg waaraan wordt gebouwd, tenzij door burgemeester en wethouders een andere perceelsgrens als zodanig wordt aangewezen; zijdelingse bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel die loodrecht of nagenoeg loodrecht staat op de voorste bouwperceelsgrens; achterste bouwperceelsgrens: de meest van de weg af gelegen bouwperceelsgrens, evenwijdig of nagenoeg evenwijdig aan de voorste bouwperceelsgrens. 1.17

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.18

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

5

1.19

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.20

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel moet ook verstaan worden webwinkel met showroom. 1.21

dienstverlening:

zakelijke dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een kantoor en een congres- en vergaderaccommodatie. persoonlijke dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. 1.22

eigen terrein

gronden, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten, niet zijnde openbaar gebied. 1.23

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. 1.24

escortbedrijf:

een natuurlijk persoon, groep van personen, en/of rechtspersoon die prostitutie aanbiedt, die uitgeoefend wordt op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte of woning. 1.25

evenement:

een activiteit gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden en/of gericht op vermaak en ontspanning. 1.26

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27

gebruiksoppervlakte

de oppervlakte gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimte omhullen;

6

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

1.28

geluidzoneringsplichtige inrichting

inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken als bedoeld in artikel 2.1, lid 3 juncto Bijlage 1 onderdeel D, van het Besluit omgevingsrecht, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld. 1.29

gestapeld:

bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en/of naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten. 1.30

hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming en door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht als belangrijkste gebouw wordt aangemerkt. 1.31

horeca:

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. De horecabedrijven zijn in vier categorieën te onderscheiden: categorie 1: vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie overwegend tijdens winkeltijden plaatsvindt, zoals een lunchroom, broodjeszaak, en een ijssalon; categorie 2: vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de avonduren plaatsvindt, zoals een cafetaria, snackbar, afhaalcentrum, automatiek; categorie 3: vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de middag- en avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension; categorie 4: vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, een aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals

bar-dancings, discotheken, nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie. 1.32

huishouden:

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur en huisvesting van tijdelijke werknemers wordt daaronder niet begrepen. 1.33

kamergewijs bewoond pand

pand, verdeeld in meerdere onzelfstandige woonruimten, bewoond door personen die geen gemeenschappelijk huishouden voeren en waarin de voorzieningen zoals keuken, badkamer en toilet gemeenschappelijk gebruikt worden.

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

7

1.34

maatvoeringsvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een matrixsymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten. 1.35

nutsvoorziening:

voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.36

ondergeschikt bouwdeel:

een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk, met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak. 1.37

ondergronds bouwwerk:

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder peil. 1.38

opslag:

het opbergen van materialen met de bedoeling en op een dergelijke wijze, dat men later weer over het materiaal kan beschikken. 1.39

parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen:

elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op meer dan twee wielen. 1.40

parkeernota gemeente Vught

Parkeerbeleid en Parkeernota 2013-2022, vastgesteld op 7 februari 2013. 1.41

peil:

voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein. 1.42

perceelsgrens:

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. 1.43

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander, tegen vergoeding.

8

Bestemmingsplan "Wolfskamerweg 20-22 te Vught" (ontwerp)

1.44

seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische-pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichtingen worden in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksclub, een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=67b7312e-3d77-4b82-998c-6f9f1e5bdd7d