CConstaterende datVught
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting bestemmingsplan 'Schoorstraat 8-10, Helvoirt'

Raadsvergadering 7 maart 2024, gemeente VughtBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Schoorstraat 8-10, Helvoirt'22.046 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

De gemeente wil daarnaast graag dat mensen met een sociale en / of economische binding binnen de gemeente een gewenste woning kunnen vinden. Dit versterkt de gemeenschap. De gemeente wil dit bereiken door bouwplannen mogelijk te maken die passen bij de schaal en karakter van het dorp en die aansluiten bij de woonwensen van de inwoners. De woonwensen van de eigen inwoners staan centraal, maar ook nieuwe inwoners zijn welkom. De huidige woningen aan de Schoorstraat 8-10 sluiten niet meer aan bij de behoefte van de initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft namelijk geen behoefte aan een ruim woonperceel en wil in dat kader graag kleiner wonen in een levensloopbestendige woning. Aangezien dit type woningen in Helvoirt nauwelijks voor handen is, bestaat het voornemen om de locaties Helvoirt 8 en 10 te herontwikkelen. Met de herontwikkeling wordt de bestaande bebouwing gesloopt en daarvoor in de plaats worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in de vorm van twee halfvrijstaande woningen en één vrijstaande woning. Een van deze woningen voorziet in de eigen behoefte van de initiatiefnemer. De andere twee woningen zijn beoogd om een bijdrage te leveren aan de woningbehoefte van onder andere ouderen / senioren binnen Helvoirt. Het initiatief sluit daarmee perfect aan bij de visie van de voormalige gemeente Haaren.

Deel B In deel B van de structuurvisie wordt ingegaan op de drie verschillende groepen instrumenten die de gemeente Haaren hanteert om aan de beleidsuitgangspunten invulling te geven. Onderdeel van deel B is vormt de structuurvisiekaart.

Afbeelding 20. Uitsnede structuurvisiekaart met plangebied rood omlijnd

Het plangebied is op de structuurvisiekaart aangewezen als ‘(historische) linten in de dorpen’. Voor (historische)linten in Helvoirt is het volgende opgenomen: ▪ Historische lintbebouwing aan de Torenstraat, Kastanjelaan, Achterstraat, Lindelaan; ▪ Gevarieerd straatbeeld door sterk gevarieerde bebouwing, en gevarieerde inrichting straten met wisselend tweezijdige laanbeplanting, enkelzijdige laanbeplanting en gefragmenteerde laanbeplanting; ▪ Groene voortuinen, variërend van diepte, met veelal groene hagen zorgen voor groen straatbeeld; ▪ Historische lintbebouwing met een grote mate van differentiatie door de afwisseling tussen villa’s en boerderijen op ruime groene percelen en meer aaneengebouwde woningen in de dorpskern, soms zonder voortuin; ▪ Bebouwingsbeeld: dorps, open, groen, kleinschalig, door de diversiteit in bouwperiode gevarieerd; ▪ Bebouwing bestaande uit woningen in één en twee bouwlagen met kap, overwegend zadeldak met nokrichting evenwijdig aan de weg;

Vastgesteld

25

▪ ▪ ▪ ▪

Centrumgebied ontbreekt / grootschalige bebouwingselementen zijn beperkt tot de kerken, bedrijventerrein, scholen en zorgvoorziening; Moderne bedrijven aan de Torenstraat / Broekwal vormen een sterk contrast; Inbreiding / herstructurering binnen het lint is mogelijk met behoud van oorspronkelijke open verkavelingsstructuur en aansluitend op gevarieerd en dorps bebouwingsbeeld; Behouden en waar mogelijk versterken straatbeeld met laanbomen en inrichting groene voortuinen met hagen.

In deel B heeft de gemeente aangegeven dat inbreiding / herstructurering mogelijk is mits behoud van oorspronkelijke open verkavelingsstructuur en aansluitend op gevarieerd en dorps bebouwingsbeeld. De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van de Schoorstraat. Dit betreft een kort bebouwingslint gelegen ten noorden van het spoor, tussen de Udenhoutseweg en De Gijzel. De woonbebouwing aan de Schoorstraat bestaat voornamelijk uit geschakelde, halfvrijstaande en vrijstaande woningen. Het realiseren van twee halfvrijstaande woningen en één vrijstaande woning past dan ook goed binnen het bebouwingslint. Met het initiatief is derhalve rekening gehouden met de bestaande verkavelingsstructuur en met het dorpse bebouwingsbeeld. 4.3.2 Woonvisie 2022 - 2025: groei met Vughtse kwaliteit De Woonvisie 2021-2025: Groei met Vughtse kwaliteit is op 30 september 2021 vastgesteld. Navolgend worden de belangrijkste aspecten van de Woonvisie 2021 – 2025: Groei met Vughtse kwaliteit benoemd. De gemeente Vught biedt een aantrekkelijke en gevarieerde woonomgeving. In Cromvoirt is er ruimte voor landelijk en dorps wonen. Helvoirt is een kerkdorp met een dorps verenigingsleven. De kern Vught biedt een ruim en suburbaan woonmilieu, in de directe nabijheid van de stedelijke voorzieningen in ’s-Hertogenbosch.

Deze variëteit aan woongebieden draagt bij aan een behoorlijke druk op de woningmarkt. De druk op de woningmarkt zorgt ervoor dat veel mensen geen passende woning kunnen vinden. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid om via nieuw woonbeleid mogelijkheden voor woningzoekers te verruimen. Daarmee speelt zij in op veranderingen op de woningmarkt. De afgelopen jaren zijn immers de woningprijzen in de koopsector en bouwkosten sterk gestegen. Voor mensen met een lager of midden inkomen (zoals starters) is het daardoor lastig om een woning te kopen. Tegelijkertijd vergrijst de bevolking: het aantal (oudere) ouderen neemt toe en het aantal jonge huishoudens en gezinnen neemt af. Deze demografische trends hebben gevolgen voor het type woningen dat we in de toekomst nodig hebben. Voor de gemeente Vught zijn de volgende waarden dominant bij haar beleidskeuzes: ▪ In de eerste plaats moeten er keuzemogelijkheden zijn voor mensen die in de gemeente willen wonen, ongeacht leeftijd, inkomen of vermogen. ▪ In de tweede plaats gaat het om de kwaliteit van wijken en dorpen. Dan gaat het om groene en ruimtelijk aantrekkelijke woningen en omgeving. ▪ In de derde plaats gaat om het behoud en versterken van sociale verbindingen door aandacht voor ontmoeting en voorzieningen in de omgeving.

Huidige aanbod in de gemeente Vught De gemeente Vught telt op 1 januari 2020 13.545 woningen: waarvan 3.270 sociale huurwoningen (24%), circa 1.350 huurwoningen van particulieren (10%) en 8.925 koopwoningen (66%). Dit aanbod is als volgt verdeeld over de kernen: ▪ In de kern Vught staan 11.150 woningen, waarvan 2.936 van Charlotte van Beuningen (27%), 1.200 particuliere huurwoningen en ruim 7.000 koopwoningen. De koopwoningen hebben gemiddeld een hoge WOZ-waarde. Deze is met € 436.200 de hoogste van de regio. ▪ In Cromvoirt staan 290 woningen, het merendeel koopwoningen. ▪ In Helvoirt staan 1.680 woningen, waarvan 337 sociale huurwoningen (20%), circa 150 particuliere huurwoningen en een kleine 1.200 koopwoningen. De gemiddelde WOZ-waarde van koopwoningen ligt ruim lager dan in Vught, maar

Vastgesteld

26

▪

nog altijd boven het regionale gemiddelde. De druk op de huurwoningen is er lager dan in Vught; al loopt de zoekduur ook hier op. Daarnaast staan in het buitengebied van de gemeente Vught 425 woningen.

Provinciale prognose: woningbehoefte De vraag naar woningen is groot in Cromvoirt, Helvoirt en Vught. In regionaal verband is afgesproken dat gemeenten de provinciale prognose als uitgangspunt hanteren bij het aantal te bouwen woningen. Volgens de provinciale prognose zijn tussen 2020 en 2030 naar verwachting zo’n 1.045 extra woningen nodig. Het merendeel van deze woningbouwopgave landt in Vught. Door de vergrijzing en (individualisering) stijgt het aantal kleine huishoudens en neemt het aantal oudere huishoudens toe. De komende jaren stijgt met name het aantal (en aandeel) 65-plussers. De gemeente ziet ook dat het aantal en aandeel jonge huishoudens en gezinnen tot 2030 min of meer op peil blijft. Na 2030 daalt het aantal jonge huishoudens en gezinnen. Planvoorraad in beeld In de huidige planlijst heeft de gemeente in totaliteit 1.184 woningen opgenomen voor de periode 2020 - 2030. Een deel daarvan is inmiddels gerealiseerd. De plancapaciteit is voldoende passend bij de geraamde behoefte vanuit de provincie. Als er rekening wordt gehouden met extra ambities van de gemeente (2.000 woningen in totaal) en planuitval (een deel van de woningbouwplannen kan om verschillende redenen niet doorgaan) heeft de gemeente echter extra plannen nodig. Navolgende tabel (tabel 3) geeft de behoefte en planvoorraad weer tot 2030. Tabel 3. Planvoorraad gemeente Vught

Behoefte (2020-2030) vanuit provinciale prognose Gerealiseerd (netto-groei t/m augustus 2021) Concrete projecten ▪ Waarvan betaalbare huur ▪ Waarvan middeldure huur ▪ Waarvan dure huur ▪ Waarvan betaalbare koop* ▪ Waarvan middeldure koop ▪ Waarvan dure koop ▪ Waarvan appartementen ▪ Waarvan grondgebonden

Vught 880 274 694 23% 16% 2% 15% 15% 29% 59% 41%

Cromvoirt 25 13 31% 69% 100%

Helvoirt 140 106 87 7% 44% 38% 2% 98%

* Dit zijn koopwoningen tot €250.000.

Onderhavig initiatief heeft betrekking op de sloop van twee halfvrijstaande woningen en het daarvoor in de plaats realiseren van drie nieuwe woningen. De woningen worden levensloopbestendig uitgevoerd. Bij een levensloopbestendige woning worden voorzieningen aangebracht die het mogelijk maken de woning een leven lang te bewonen. Hiermee zijn de woningen uitermate geschikt voor onder andere senioren. Door de vergrijzing neemt het aantal oudere huishoudens toe die juist behoefte aan een levensloopbestendige woning echter in de kern zijn nauwelijks tot geen levensloopbestendige woningen beschikbaar. Het initiatief sluit daardoor perfect aan bij de vraag naar geschikte woningen voor ouderen. In Helvoirt is tot aan 2030 nog behoefte aan 140 woningen. Tot op heden is er nog nauwelijks voorzien in deze woning behoefte. Het realiseren van de nieuwe woningen binnen het plangebied past daarmee zowel kwalitatief als kwantitatief binnen de woningbehoefte van Helvoirt.

Vastgesteld

27

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Met het oprichten van de nieuwe woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Vastgesteld

28

Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het herontwikkelen van de locatie Schoorstraat 8-10. De herontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande woningen en het daarvoor in de plaats realiseren van drie nieuwe woningen. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken blijft de locatie bestemd als ‘Wonen’ echter binnen de woonbestemming zijn twee nieuwe bouwvlakken opgenomen. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de sloop en bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Wonen N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Vastgesteld

29

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft een beoordeling van de milieuaspecten plaatsgevonden, waarbij alle relevante omgevingsaspecten zijn getoetst. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. 5.1.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.

Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In dit geval is het plangebied reeds volledig bestemd als ‘Wonen’ en daarmee reeds bestemd voor een woongebruik. In de gewijzigde situatie is er nog steeds sprake van een woongebruik. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt, is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk in het kader van het bestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunning aanvraag voor de bouw van de woningen dient echter wel een bodemonderzoek te worden aangeleverd. 5.1.3 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.

Vastgesteld

30

Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de directe omgeving (250 meter) is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 4). Tabel 4. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Functie

Adres

Bedrijf van categorie 1 en 2 Melkveehouderij

Schoorstraat 15 en 15a Lindestraat 5 Udenhoutseweg 41

Nutsvoorziening

Biestakkerstraat 1

SBI2008 -

Aan te afstanden 30 meter

houden

0141, 0142

Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

100 meter 30 meter 30 meter 0 meter 0 meter 0 meter 10 meter 0 meter

35

Afstand tot plangebied 35 meter 240 meter 70 meter

120 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied overlapt, namelijk die van de melkveehouderij op de Udenhoutseweg 41. Aan de richtafstanden wordt voor het aspect geur niet voldaan. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv), in paragraaf 5.1.6 wordt hier verder op ingegaan. Andere omliggende bedrijven en functies vormen geen belemmering voor het initiatief. Gesteld kan worden dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen en dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd is.

Vastgesteld

31

5.1.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen voor de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Voor 30 km/uur wegen geldt dat in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Gezien de ligging van het plangebied is zowel een akoestisch onderzoek naar weg- als railverkeerslawaai2 uitgevoerd (zie bijlage 2). De geluidbelasting van de gevel van deze woning ten gevolge van wegverkeer op de Udenhoutseweg en van railverkeer op de spoorbaan ’s-Hertogenbosch – Tilburg is bepaald. De berekening is gedaan volgens standaard-rekenmethode II van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Bij de berekening is uitgegaan van de situatie volgens bijlage I en van de verkeersintensiteiten op de Udenhoutseweg conform opgaven van de Gemeente Vught. De hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer is afkomstig van de Schoorstraat en bedraagt 56 dB incl. aftrek Wgh. De Schoorstraat betreft een 30 km/u weg, het aanvragen van een hogere waarde is niet benodigd. In het kader van een goed woon- en leefklimaat dient de weg wel beoordeeld te worden in de gecumuleerde geluidbelasting. De overige wegen overschrijden de voorkeursgrenswaarde niet.

De hoogt berekende geluidbelasting ten gevolge van railverkeer bedraagt 58 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden, de maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. Er dient een hogere waarde te worden aangevraagd. In een later ontwerp stadium dient aangetoond te worden dat de geluidwering van de gevel voldoende is om te voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Voor de locatie is een hogere grenswaarde aangevraagd. De gemeente heeft de hogere waarde akkoord bevonden middels het besluit hogere grenswaarde (bijlage 3). 5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d.

een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

2 Ingenieursburo Ulehake, Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai, Schoorstraat 8-10 te Helvoirt, 1 september 2022,

opdrachtnummer: 17631-01

Vastgesteld

32

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen (tabel 5): Tabel 5. Grens NIBM

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel (tabel 6) weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 6. Grenswaarde stikstofdioxide en fijnstof

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM met kaartjaar 2021 bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,5 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de nieuwe woningen.

Vastgesteld

33

Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1.

Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in de bebouwde kom, is door de Wgv vastgesteld op 3 OU/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 3 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 100 meter tussen veehouderij en de woning. De te ontwikkelen woningen binnen het plangebied kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich slechts één veehouderij3 te weten een melkveehouderij aan de Udenhoutseweg 41. Voor dit type veehouderijen geldt volgens de Wgv een vaste afstandsnorm van 100 meter tussen emissiepunten en gevoelige objecten en een afstand van 50 meter tussen dierenverblijven en gevoelige objecten.

De afstand tussen het plangebied en deze veehouderij bedraagt 70 meter gemeten tussen het bouwvlak van de woning en de veehouderij. Gezien de ligging nabij het bebouwingslint van de Udenhoutseweg is het echter niet aannemelijk dat nieuwe stallen op de grens van het bouwvlak kunnen worden bebouwd. De afstand tussen de stallen en de nieuwe woningen bedraagt 100 meter, aan de afstandsnorm wordt zodoende voldaan. Dit betekent dat in de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd wat betreft voorgrondbelasting. Tevens wordt de bedrijfsvoering van deze veehouderij niet aangetast omdat andere, bestaande woningen reeds dichterbij zijn gelegen. Naast de voorgrondbelasting dient er in het kader van een goed woon- en leefklimaat tevens gekeken te worden naar de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting). Op basis van de achtergrondbelastingkaart van de ODZOB blijkt dat ter plaatse sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.

3 De overige veehouderijen die binnen een straal van 500 meter van het plangebied afliggen zijn op basis van de KRD Noord-Brabant niet

beëindigd echter op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn deze veehouderijen niet meer als zodanig in gebruik.

Vastgesteld

34

Afbeelding 21. Uitsnede achtergrondbelastingkaart van de ODZOB (uitsnede datum 23 september 2022)

Conclusie Ter plaatse is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur. Het realiseren van de nieuwe woningen is wat dat betreft mogelijk. Daarnaast hebben de woningen geen nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen. 5.1.7 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer het advies van de veiligheidsregio is ingewonnen.

Vastgesteld

35

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er in bepaalde gevallen een verplichting op de regionale brandweer in gelegenheid te stellen om advies uit te brengen. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Weg, spoorweg binnenwater (Bevt)

of

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1. het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2. de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3. personen zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1. het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of de toename minder is 2. dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3. personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’, enzovoorts. Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in van afbeelding 19 is de ligging van relevante inrichtingen in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Vastgesteld

36

Spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Tilburg

Afbeelding 22. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)

Circa 85 meter ten zuiden en zuidoosten van het plangebied is de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Tilburg gelegen. Conform bijlage 2 van de Regeling Basisnet heeft deze spoorweg geen plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar. Ook heeft de spoorweg geen plasbrandaandachtsgebied. De spoorlijn heeft een invloedsgebied >4.000 meter. Het plangebied is dan ook gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Scenario(‘s) Spoorlijn De relevante scenario's i.r.t het plangebied zijn een BLEVE en een toxische wolk. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De afstand van het plangebied tot het spoor bedraagt ca. 85 meter. Op deze afstand is het aannemelijk dat er slachtoffers vallen als gevolg van een BLEVE. Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank. waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Bij het plangebied kan via de Schoorstraat en de Udenhoutseweg van het spoor afgevlucht worden. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.

Vastgesteld

37

De mogelijkheden tot bestrijding De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. N65 Daarnaast is circa 940 meter ten zuiden en zuidoosten van het plangebied de Rijksweg N65 gelegen. In de handreiking externe veiligheid wordt als richtlijn voor een plaatsgebonden risicocontour voor een autoweg een aantal LPGtankwagens van 8.000 gegeven of een totaal aantal van 22.000 voor de externe veiligheid relevante tankwagens. Op basis van de transportaantallen van de N65 blijkt dat beide richtlijnen op de N65 niet worden overschreden. Zodoende is er langs de N65 op dit traject geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (10-6).

Gezien de lage intensiteit van vervoer van gevaarlijke stoffen over de N65, de beperkte toevoeging van nieuwe personen middels de mogelijkheden in onderhavig bestemmingsplan en de afstand van meer dan 940 meter tussen de N65 en het plangebied zal de oriënterende waarde van het groepsrisico voor de N65 niet substantieel verhoogd worden. Er kan verondersteld worden dat geen overschrijding plaatsvindt van de oriënterende waarde van het groepsrisico. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies.

5.2

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Daarnaast bevinden zich blijkens de kaarten van Gasunie, TenneT en Brabant Water in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3

Ecologie

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Soortenbescherming Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de sloop van bebouwing en de realisatie van de nieuwe woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna4 uitgevoerd (zie bijlage 4). Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Met de sloop van de woningen met bijbouw zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. 4 Brabant Eco, ECOLOGISCHE QUICKSCAN, Schoorstraat 8-10 Helvoirt, 20 september 2022, rapportnummer: 2022-BE-0405

Vastgesteld

38

De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. 5.3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, gelegen op een afstand van 1,4 kilometer van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 1,4 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig initiatief worden twee woningen gesloopt. De locatie wordt vervolgens herontwikkeld voor de bouw van drie woningen. De exacte effecten van de sloop-, bouw- en gebruiksfase op de Natura2000- gebieden is berekend middels AERIUS Calculator. Sloopfase Om de hoeveelheid stikstofdepositie op de aangewezen habitattypen en leefgebieden van aangewezen soorten (de instandhoudingsdoelen) te berekenen, wordt gebruik gemaakt van AERIUS Calculator. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden aan de Schoorstraat 8 en 10 de bestaande woningen gesloopt.

Bij de sloop van de woningen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden van en naar de locatie verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van de bebouwing (tabel 7).

Vastgesteld

39

Vermogen (kW)

Belasting (%)

Liters diesel per uur*

Draaiuren

Totale emissie

Graafmachine Laadschop Bulldozer Totaal

Brandstof

Werktuig

Bouwjaar

Tabel 7. Te gebruiken mobiele werktuigen voor de sloop van de stallen

2011 2011 2011

Diesel Diesel Diesel

200 200 200

69 55 55

39,01 31,35 31,35

120 40 40

1,2 0,8 0,7 2,7

* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 15 bedrijfsbusjes per etmaal, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 25 vrachtwagens aanwezig zijn.

Afbeelding 23.Uitsnede Aerius berekening sloopfase

Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 58,6 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 5). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Bouwfase Het voornemen bestaat om de locatie Schoorstraat 8 en 10 te herontwikkelen voor drie woningen. Bij de realisatie van de woningen en de inrichting van het perceel wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen (tabel 8).

Vastgesteld

40

Belasting (%)

Liters diesel per uur*

Draaiuren

2014 2015 2014 2014 2014 2015 2013 2008

Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Benzine

200 100 200 200 160 60 60 20

50 50 60 60 60 55 40 40

27,78 14,02 33,09 33,09 26,58 9,42 7,19 2,93

8 8 20 20 2 2 3 10

Totale emissie

Vermogen (kW)

Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine Laadschop Asfaltfreesmachine Asfaltwerkinstallatie Wals Trilplaat Totaal

Brandstof

Werktuig

Bouwjaar

Tabel 8. Mobiele werktuigen

1,0 0,5 1,2 1,2 0,9 0,3 0,2 0,1 5,3

* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Ten tijde van de bouw vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 12 bedrijfsbusjes per etmaal (4 bedrijfsbusjes per woning). Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 8 vrachtwagens aanwezig zijn.

Afbeelding 24.Uitsnede Aerius berekening bouwfase

Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 30,1 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 6). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Gebruiksfase Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woningen uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: 1x Koop, huis, vrijstaand en 2x koop, huis, twee-onder-een-kap ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom in niet stedelijk gebied Vastgesteld

41

Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 25 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 12,5 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 2,8 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Afbeelding 25.Uitsnede Aerius berekening gebruiksfase

De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 2,7 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 7). Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden, zo ook Natuurnetwerk Brabant. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt aansluitend aan NNN gebied.

De voorste Stroom wat een ecologische verbindingszone betreft. De werkzaamheden zijn echter van een zodanige aard en altijd op minimaal 50 meter afstand van het NNN gebied zodat er geen deel van het NNN gebied wordt aangetast. Met een compensatietoets kan bepaald worden of en welke aanvullende maatregelen getroffen moeten worden wegens de verstoring van het NNN gebied maar de significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.

5.4

Waterhuishouding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het Nationaal Waterplan Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Vastgesteld

42

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het geldende beleid van het waterschap is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en omschrijft de koers en de ambities van het waterschap voor de periode 2022 – 2027. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.

Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap De Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: - Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt - Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan - Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.

Vastgesteld

43

Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: - van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. - van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. - van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Gemeentelijk waterbeleid Programma water en riolering 2022-2026 - Op weg naar een waterrobuust en klimaatbestendig Vught Onderliggend Programma Water en Riolering (hierna te noemen: PWR) laat zien dat de gemeente Vught terug- en vooruitkijkt en verder bouwt aan een robuust en flexibel watersysteem. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR legt de gemeente vast wat zij willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/ondernemers ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: 1.

Kader gemeentelijke zorgplichten overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. 2. Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming met bewoners en ondernemers. 4. Continuïteit en voortgangsbewaking vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). 5.4.1 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid De bodem in de omgeving van het plangebied bestaat uit Beekeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Grondwater Een klein deel van het plangebied is gelegen binnen de ‘Attentiezone Waterhuishouding’. Deze gronden zijn bestemd voor de bescherming van de waterhuishouding en het voorkomen van functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Ter bescherming van deze attentiezone is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – attentiezone waterhuishouding’ opgenomen.

Waterschapsbelangen Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

Vastgesteld

44

5.4.2 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Hemelwater In de bestaande situatie is de locatie bebouwd met twee woningen en bijbehorende bijgebouwen. In het kader van onderhavig initiatief wordt deze bebouwing volledig gesloopt met uitzondering van een vrijstaande garage. De locatie wordt vervolgens bebouwd met drie nieuwe woningen en bijbehorende bijgebouwen. In het gemeentelijk beleid is opgenomen dat bij een toename van verhard oppervlak groter dan 100 m2 als gevolg van nieuwbouw of herontwikkeling (inclusief slopen van perceel of pand) streeft de gemeente naar een volledige compensatie van 60 mm waterberging per m2 aan verharding in het betreffende plangebied. Daarbij wordt in lijn met de Brabant Keur van de Brabantse Waterschappen de gevoeligheidsfactor gehanteerd, die rekening houdt met de geohydrologische kenmerken van de bodem.. Een uitzondering voor compensatie wordt gemaakt voor vergunningsvrije daken en een groen dak inclusief waterbergende functie (deze wordt niet als verhard beschouwd). De waterbergingsopgave dient op eigen terrein of binnen het plangebied opgelost te worden. Een (ondergrondse of bovengrondse) voorziening dient tenminste een noodoverloop of noodaansluiting op de riolering te hebben richting de openbare ruimte en boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gerealiseerd te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vught&id=5d26aed2-0aa6-4eca-9dcf-df4bd135198d